Regeling · BWBR0012762

Tijdelijk referendumbesluit

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 16 augustus 2001, houdende regels ter uitvoering van de Tijdelijke referendumwet (Tijdelijk referendumbesluit)Tijdelijk referendumbesluitWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 5 april 2001, nr. CW01/63983;

Gelet op de Tijdelijke referendumwet;

Gezien het advies van de Kiesraad van 31 augustus 2000, nr. KR00/71862;

De Raad van State gehoord (advies van 27 april 2001, nr. W04.01.0176/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 augustus 2001, nr. CW01/70125;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage16 augustus 2001BeatrixDe Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,K. G. de Vriesvierde september 2001De Minister van Justitie,A. H. Korthals

Ten aanzien van de verkrijgbaarheid van de registratieformulieren voor Nederlanders die hun werkelijke woonplaats buiten Nederland hebben, is artikel D 2 van het Kiesbesluit van toepassing.

Ten aanzien van de registratie van de kiesgerechtigdheid van Nederlanders die hun werkelijke woonplaats buiten Nederland hebben, zijn de artikelen D 3 tot en met D 5 van het Kiesbesluit van toepassing, met dien verstande dat in artikel D 5, in plaats van «artikel D 3, eerste lid, van de Kieswet» wordt gelezen: artikel 34, eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet.

Op de zittingen van het hoofdstembureau en het plaatselijk stembureau is artikel E 1 van het Kiesbesluit van overeenkomstige toepassing.

Burgemeester en wethouders brengen de krachtens artikel 45, derde lid, van de Tijdelijke referendumwet aangewezen plaatsen waar verzoeken tot het houden van een referendum kunnen worden ingediend, alsmede de krachtens artikel 76, derde lid, van de Tijdelijke referendumwet aangewezen plaatsen waar een verklaring ter ondersteuning van een inleidend verzoek kan worden afgelegd, ter openbare kennis op de in de gemeente gebruikelijke wijze.

Onverminderd artikel 9, tweede lid, zijn ongeldig de verzoeken, onderscheidenlijk de ondersteuningsverklaringen, die:

Bij de controle van ingediende verzoeken en afgelegde ondersteuningsverklaringen, bedoeld in de artikelen 48, eerste lid, en 79, eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet en artikel 9, derde lid, van dit besluit, kan gebruik gemaakt worden van het administratienummer, bedoeld in de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, van de verzoeker, onderscheidenlijk van degene die de verklaring heeft afgelegd.

Ten aanzien van de stemming zijn de artikelen J 2 tot en met J 8 van het Kiesbesluit van toepassing.

Bij het gelijktijdig plaatsvinden van een stemming voor een referendum ingevolge de Tijdelijke referendumwet met een andere, door de gemeenteraad uitgeschreven, stemming zijn de artikelen J 10 tot en met J 12a van het Kiesbesluit van toepassing, met dien verstande dat in deze artikelen in plaats van «de stemming ingevolge de Kieswet» telkens wordt gelezen: de stemming ingevolge de Tijdelijke referendumwet.

Ten aanzien van het stemmen door middel van elektronische stemmachines zijn de artikelen J 13, J 15a tot en met J 17, J 19 tot en met J 25 en artikel K 1 van het Kiesbesluit van toepassing, met dien verstande dat:

Ten aanzien van de schorsing van de zitting van het stembureau zijn deartikelen J 26 tot en met J 35 van het Kiesbesluit van toepassing, met dien verstande dat in artikel J 26, tweede lid, in plaats van «tenzij het de verkiezing betreft van de leden van de gemeenteraad» wordt gelezen: tenzij het een gemeentelijk referendum betreft.

Ten aanzien van de verzending van de briefstembescheiden naar kiezers buiten Nederland is artikel M 1 van het Kiesbesluit van toepassing.

Ten aanzien van de extra zittingen van de briefstembureaus, bedoeld inartikel M 9 van de Kieswet, zijn de artikelen M 2 tot en met M 7 van het Kiesbesluit van toepassing.

Het aantal kiesgerechtigden dat bevoegd is in een stemdistrict aan de stemming deel te nemen, wordt door het stembureau vastgesteld aan de hand van het afschrift, bedoeld in artikel J 17, eerste lid, van de Kieswet.

Ten aanzien van de stemopneming door een stembureau waar met elektronische stemmachines wordt gestemd, zijn de artikelen N 2, N 3 en N 5 tot en met N 8 van het Kiesbesluit van toepassing, met dien verstande dat:

Ten aanzien van de schorsing en de hervatting van de stemopneming door briefstembureaus zijn de artikelen N 9 tot en met N 13 van het Kiesbesluit van toepassing, met dien verstande dat in artikel N 13 in plaats van «bedoeld in artikel N 6 van de Kieswet» wordt gelezen: bedoeld in artikel 122, eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet.

In afwijking van artikel 12 gelden voor de verkiezingen van de leden van provinciale staten in 1999 en de leden van de gemeenteraden in 1998 en 1999 de aantallen kiesgerechtigden, die door het Centraal Bureau voor de Statistiek ter zake van die verkiezingen zijn bekendgemaakt.

Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk referendumbesluit.