Regeling · BWBR0012791

Besluit DNA-onderzoek in strafzaken

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 27 augustus 2001, houdende nadere regels over het DNA-onderzoek in strafzaken (Besluit DNA-onderzoek in strafzaken)Besluit DNA-onderzoek in strafzakenWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 7 mei 2001, nr. 5096282/01/6;

Gelet op de artikelen 151a, eerste, vierde, vijfde, zesde en negende lid, 151b, vijfde lid, 195a, eerste, vierde en vijfde lid, 195b, eerste en tweede lid, en 195d, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering;

De Raad van State gehoord (advies van 16 juli 2001, nr. W03.01 0218/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 20 augustus 2001, nr. 5113447/01/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage27 augustus 2001BeatrixDe Minister van Justitie,A. H. Korthalsde elfde september 2001De Minister van Justitie,A. H. Korthals

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Als misdrijven als bedoeld in artikel 151a, derde lid, van de wet, ten aanzien waarvan de hulpofficier van justitie de bevoegdheid heeft een DNA-onderzoek op basis van celmateriaal van een onbekende verdachte te verrichten, worden aangewezen de misdrijven, bedoeld in de artikelen 310 en 311, eerste lid, onderdelen 1°, 4° en 5°, van het Wetboek van Strafrecht.

Als uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van een onbekende verdachte of een onbekend slachtoffer waarop een DNA-onderzoek als bedoeld in artikel 151d, eerste lid, eerste volzin, of artikel 195f, eerste lid, eerste volzin, van de wet gericht kan zijn, worden aangewezen:

Vervallen

Indien het DNA-onderzoek, bedoeld in artikel 151a, zesde lid, eerste volzin, of artikel 195b, eerste lid, eerste volzin, van de wet in een ander laboratorium dan het laboratorium van het instituut zal worden verricht, zorgt het instituut ervoor dat het buisje met het celmateriaal voor het verrichten van dat DNA-onderzoek, van een sporenidentificatienummer wordt voorzien dat gelijk is aan het sporenidentificatienummer waarmee het instituut heeft ontvangen, of het laboratoriumidentificatienummer, en dat dat buisje zo spoedig mogelijk in een verpakking die voorzien is van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting, bij dat laboratorium wordt bezorgd.

Indien een ander laboratorium dan het laboratorium van het instituut voornemens is zijn werkzaamheden op het terrein van forensisch DNA-onderzoek te beëindigen, zorgt dat laboratorium ervoor dat de afschriften van de verslagen, bedoeld in artikel 10, eerste lid, die bij dat laboratorium worden bewaard, en de andere gegevens die het in verband daarmee bewaart, voor de beëindiging van die werkzaamheden worden overgedragen aan het instituut, tenzij het laboratorium fuseert met een ander laboratorium als bedoeld in artikel 7, derde lid. In het laatste geval worden de afschriften van de verslagen en de andere gegevens die het laboratorium in verband daarmee bewaart, in dat andere laboratorium bewaard.

Het Besluit DNA-onderzoeken wordt ingetrokken.

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 5 juli 2001 tot wijziging van de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken (Stb. 2001, 335) in werking treedt.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit DNA-onderzoek in strafzaken.