Regeling · BWBR0013430

Besluit glastuinbouw

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 21 februari 2002, houdende regels voor glastuinbouwbedrijven en voor bepaalde akkerbouwbedrijven (Besluit glastuinbouw)Besluit glastuinbouwWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 25 juni 2001, nr. MJZ 2001064015 Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst;

Gelet op richtlijn nr. 76/464/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PbEG L 129), richtlijn nr. 91/271/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PbEG L 135), richtlijn nr. 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraat uit agrarische bronnen (PbEG L 375) en richtlijn nr. 91/689/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 377), de artikelen 8.19, 8.40, 8.41, 8.42, 8.44 en 21.8 van de Wet milieubeheer, de artikelen 1, 1a, 2a, 2b, 2c en 31, vierde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, artikel 13 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 en de artikelen 72 en 93 van de Wet bodembescherming;

De Raad van State gehoord (advies van 3 december 2001, nr. W01.01.0291/V);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 15 januari 2002, nr. MJZ 2002013892, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage21 februari 2002BeatrixDe Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,J. P. PronkDe Minister van Verkeer en Waterstaat,T. NetelenbosDe Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,G. H. FaberDe Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,E. Borst-EilersDe Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,J. F. Hoogervorstde achtentwintigste februari 2002De Minister van Justitie,A. H. Korthals

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt voorts verstaan onder:

De verboden, bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet, gelden niet ten aanzien van lozen type II.

De meldingen bedoeld in de artikelen 7 en 8 worden gedaan op een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

Wijzigt het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer.

Wijzigt het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij.

Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zendt in overeenstemming met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van voorschrift 1.1.6, opgenomen in bijlage 1 en voorschrift 2.5.1 opgenomen in bijlage 2, die op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking treden.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit glastuinbouw.

De berekening van het jaarlijks ten hoogste toegestane verbruik van meststoffen, en meet-, registratie- en rapportagevoorschriften

LIJST 1, onderdeel B:

Lijst 1, onderdeel C:TEN HOOGSTE TOEGESTANE VERBRUIK van STIKSTOF (kg N/ha/jr) per gewas of gewasgroep

Lijst 1, onderdeel D:TEN HOOGSTE TOEGESTANE VERBRUIK van FOSFOR (kg P/ha/jr) per gewas of gewasgroep

1. In deze bijlage en de daarop berustende bepalingen wordt onder glastuinbouwbedrijf mede verstaan een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondteelt als bedoeld in artikel 10, eerste lid, en wordt voorts verstaan onder:

2. Indien voor een berekening, uit te voeren ingevolge de voorschriften opgenomen in deze bijlage:

Paragraaf 1.1 De inhoud van de jaarrapportage

1.1.1 Degene die een glastuinbouwbedrijf drijft, verbruikt in een kalenderjaar ingeval van grondgebonden teelt, niet meer stikstof onderscheidenlijk fosfor, dan de hoeveelheid die voor het betrokken kalenderjaar als ten hoogste toegestane verbruik is berekend in de voor dat kalenderjaar ingevolge voorschrift 1.1.2 overgelegde jaarrapportage.

1.1.2 Degene die een glastuinbouwbedrijf drijft, overlegt, ieder jaar uiterlijk op 1 mei een rapportage, waarin is opgenomen:

De rapportage wordt overgelegd aan het inrichting-bevoegd gezag, en indien lozen type II plaatsvindt, het Wtw-bevoegd gezag.

De rapportage wordt overgelegd aan het inrichting-bevoegd gezag en, indien lozen type II plaatsvindt, het Wtw-bevoegd gezag.

1.1.3 De rapportage dient te worden gedaan op een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door Onze Minister na overleg met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1.1.4 De rapportage wordt door een door het bevoegd gezag geaccepteerde deskundige beoordeeld op juistheid en volledigheid. Een bewijs van de beoordeling, afgegeven door of namens degene die de beoordeling heeft uitgevoerd, wordt bij de rapportage gevoegd.

Een door het bevoegd gezag geaccepteerde deskundige:

Paragraaf 1.2 De berekening van het jaarlijks ten hoogste toegestane verbruik van ingeval van grondgebonden teelt, stikstof, onderscheidenlijk fosfor, ten behoeve van de jaarrapportage.

1.2.1 Indien gedurende een of meer weken op een gedeelte van het teeltoppervlak geen gewassen worden opgekweekt of verder geteeld worden de uitkomsten van de berekeningen, bedoeld in de voorschriften 1.2.2, 1.2.5 en 1.2.7, vermeerderd met de uitkomst van de berekening van het ten hoogste toegestane verbruik voor het betrokken milieutaakveld voor «onbeteeld teeltoppervlak». Op de berekening van het ten hoogste toegestane verbruik voor het betrokken milieutaakveld voor «onbeteeld teeltoppervlak» zijn de voorschriften 1.2.3, 1.2.6 en 1.2.8 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat respectievelijk worden ingevoerd voor de letters:

1.2.2 Vervallen.

1.2.3 Vervallen.

1.2.4 Vervallen.

1.2.5 Het ten hoogste toegestane verbruik van stikstof, bedoeld in voorschrift 1.1.2, onder h, voor een kalenderjaar, wordt uitgedrukt in kilogrammen N en berekend door voor ieder geteeld gewas, onderscheidenlijk voor iedere geteelde gewasgroep, het ten hoogste toegestane verbruik van stikstof te berekenen op de wijze aangegeven in voorschrift 1.2.6, en vervolgens de som van de uitkomsten van die berekeningen te nemen.

1.2.6 Het ten hoogste toegestane verbruik van stikstof voor een kalenderjaar voor een gewas of gewasgroep, wordt berekend door:

G x B x C

--------

52

G = het aantal kilogrammen N per hectare opgenomen in de in lijst 1, onderdeel C, voor het betrokken kalenderjaar geldende kolom achter:

a. het betrokken gewas of

b. indien het betrokken gewas is ingedeeld in een gewasgroep: de gewasgroep waarbij het gewas is ingedeeld;

B = het aantal hectares waarop het betrokken gewas wordt geteeld;

C = het aantal weken dat het betrokken gewas wordt geteeld.

Indien een niet sierteeltgewas wordt opgekweekt en is ingedeeld in een gewasgroep als aangegeven in lijst 2, onderdeel H, wordt voor G het aantal kilogrammen N ingevuld behorende bij de betrokken gewasgroep waarbij het gewas is ingedeeld.

Indien een gewas, niet behorend tot een gewasgroep als aangegeven in lijst 2, onderdeel H, wordt opgekweekt, wordt de uitkomst van de berekening verhoogd met een percentage van nul procent.

1.2.7 Het ten hoogste toegestane verbruik van fosfor, bedoeld in voorschrift 1.1.2, onder h, voor een kalenderjaar, wordt uitgedrukt in kilogrammen P en berekend door voor ieder geteeld gewas, onderscheidenlijk voor iedere geteelde gewasgroep, het ten hoogste toegestane verbruik van fosfor te berekenen op de wijze aangegeven in voorschrift 1.2.8, en vervolgens de som van de uitkomsten van die berekeningen te nemen.

1.2.8 Het ten hoogste toegestane verbruik van fosfor voor een kalenderjaar voor een gewas of gewasgroep, wordt berekend door:

H x B x C

--------

52

H = het aantal kilogrammen P per hectare opgenomen in de in lijst 1, onderdeel D, voor dat kalenderjaar geldende kolom achter:

a. het betrokken gewas of

b. indien het betrokken gewas is ingedeeld in een gewasgroep: de gewasgroep waarbij het gewas is ingedeeld;

B = het aantal hectares waarop het betrokken gewas wordt geteeld;

C = het aantal weken dat het betrokken gewas wordt geteeld.

Indien een niet sierteeltgewas wordt opgekweekt en is ingedeeld in een gewasgroep als aangegeven in lijst 2, onderdeel H, wordt voor het betrokken gewas voor H het aantal kilogrammen P ingevuld behorende bij de betrokken gewasgroep waarbij het gewas is ingedeeld.

Indien een gewas, niet behorend tot een gewasgroep als aangegeven in lijst 2, onderdeel H, wordt opgekweekt, wordt de uitkomst van de berekening verhoogd met een percentage van nul procent.

Vervallen.

Paragraaf 3.1 Meten, registreren en rapporteren

3.1.1 Ten minste iedere vier weken meet en registreert degene die een glastuinbouwbedrijf drijft:

3.1.2 Na afloop van iedere periode van vier weken, bedoeld in voorschrift 3.1.1, berekent degene die een glastuinbouwbedrijf drijft:

3.1.3 Na afloop van een kalenderjaar, berekent degene die een glastuinbouwbedrijf drijft, ten behoeve van de rapportage, bedoeld in voorschrift 1.1.2:

3.1.4 Vervallen.

3.1.5 Vervallen.

3.1.6 Vervallen.

3.1.7 Vervallen.

3.1.8

3.1.9 Het verbruik van stikstof wordt uitgedrukt in kilogrammen N en berekend door voor iedere te onderscheiden samenstelling van de meststoffen, bedoeld in voorschrift 3.1.8, het verbruik van stikstof te berekenen, en vervolgens de som van de uitkomsten van die berekeningen te nemen.

3.1.10

3.1.11 Het verbruik van fosfor wordt uitgedrukt in kilogrammen P en berekend door voor iedere te onderscheiden samenstelling van de meststoffen, bedoeld in voorschrift 3.1.10, het verbruik van fosfor te berekenen en vervolgens de som van de uitkomsten van die berekeningen te nemen.

3.1.12 Vervallen.

3.1.13 Vervallen.

3.1.14 Bij ministeriële regeling kan Onze Minister na overleg met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat ten behoeve van de controle van het verbruik van stikstof en fosfor voorschrijven dat een controlevoorziening wordt geplaatst. Bij deze regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de plaats, de doelmatigheid en de werking van de controlevoorziening.

3.1.15 De ingevolge de voorschriften 3.1.1 tot en met 3.1.11 geregistreerde gegevens en uitgevoerde berekeningen, evenals de onderliggende facturen en andere schriftelijke afleveringsbewijzen worden gedurende 5 jaren bewaard.

Lijst 1, onderdeel A:

Indeling van gewassen in gewasgroepen

De volgende gewassen zijn ingedeeld bij de gewasgroep met de code die overeenkomt met de code die tussen haakjes achter het betreffende gewas is gevoegd:

De volgende gewassen zijn ingedeeld bij de gewasgroep met de code die overeenkomt met de code die tussen haakjes achter het betreffende gewas is gevoegd:

De volgende gewassen zijn ingedeeld bij de gewasgroep met de code die overeenkomt met de code die tussen haakjes achter het betreffende gewas is gevoegd:

De volgende gewassen zijn ingedeeld bij de gewasgroep met de code die overeenkomt met de code die tussen haakjes achter het betreffende gewas is gevoegd:

De volgende gewassen zijn ingedeeld bij de gewasgroep met de code die overeenkomt met de code die tussen haakjes achter het betreffende gewas is gevoegd:

In deze bijlage wordt verstaan onder:

algemeen:

met betrekking tot glastuinbouw:

met betrekking tot belichting:

met betrekking tot geluid:

met betrekking tot veiligheid:

met betrekking tot bodembescherming:

Paragraaf 1.1 Geluid

1.1.1 Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het piekniveau (LAmax), veroorzaakt door de in het glastuinbouwbedrijf aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in het glastuinbouwbedrijf verrichte werkzaamheden en activiteiten, geldt dat:

Bij het bepalen van de langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus (LAr,LT) blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.

1.1.2 Voorschrift 1.1.1 is niet van toepassing op glastuinbouwbedrijven die zijn gelegen in een gebied waarvoor bij of krachtens een gemeentelijke verordening beleid ten aanzien van industrielawaai is vastgesteld.

In een dergelijk gebied mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, veroorzaakt door de in het glastuinbouwbedrijf aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in het glastuinbouwbedrijf verrichte werkzaamheden en activiteiten, in ieder geval:

1.1.3 In gevallen waarin op het glastuinbouwbedrijf voorschrift 8.2 van bijlage 1 van het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer van toepassing was, worden de waarden van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de gevel van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen in tabel I van voorschrift 1.1.1 met 5 dB verhoogd.

1.1.4 In gevallen waarin voor het glastuinbouwbedrijf een melding op grond van het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer was gedaan, dan wel indien voor het glastuinbouwbedrijf voor inwerkingtreding van dit besluit een Wm-vergunning was verleend:

1.1.5 Geluidhinder door grondstomen met een installatie van derden, wordt zoveel mogelijk voorkomen of beperkt. Degene die het glastuinbouwbedrijf drijft, treft met het oog daarop maatregelen of voorzieningen die betrekking kunnen hebben op:

Paragraaf 1.2 Afvalstoffen

1.2.1 Het ontstaan van afvalstoffen wordt zoveel mogelijk voorkomen of beperkt. Degene die het glastuinbouwbedrijf drijft:

1.2.2 Afvalstoffen worden van elkaar gescheiden, gescheiden gehouden, gecomposteerd of gescheiden afgegeven, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Dat geldt in ieder geval voor:

1.2.3 Gevaarlijke afvalstoffen die behoren tot verschillende categorieën van gevaarlijke afvalstoffen, worden van elkaar en van andere afvalstoffen gescheiden, gescheiden gehouden en gescheiden afgegeven.

1.2.4 De binnen het glastuinbouwbedrijf aanwezige afvalstoffen worden zodanig opgeslagen dat nadelige gevolgen voor het milieu worden voorkomen. Voorzover voorkomen niet mogelijk is, worden zij zodanig opgeslagen dat nadelige gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk worden beperkt en gescheiden afgifte mogelijk blijft.

1.2.5 Afvalstoffen worden niet verbrand.

Paragraaf 1.3 Afvalwater

1.3.1 Afvalwater dat:

1.3.2 Afvalwater dat grove of snel bezinkende bedrijfsafvalstoffen bevat, wordt niet in een openbaar riool gebracht.

1.3.3 Afvalwater afkomstig uit ruimten bestemd voor het wassen van spuitapparatuur gebruikt voor het toepassen van bestrijdingsmiddelen, wordt niet in een openbaar riool gebracht.

1.3.4 Afvalwater afkomstig uit ruimten bestemd voor het wassen van voertuigen of afkomstig van een vulplaats van motorbrandstoffen voor motorvoertuigen, machines of apparatuur, dat:

1.3.5 In afwijking van voorschrift 1.3.4 kan het afvalwater, na behandeling in een slibvangput en olie-afscheider in een openbaar riool worden gebracht, indien de concentratie aan minerale oliën na geleiding door de afscheider niet hoger is dan 200 mg/l in enig steekmonster, bepaald volgens NEN-EN-ISO 9377-2, uitgave december 2000.

1.3.6

1.3.7 Afvalwater dat overigens in een openbaar riool wordt gebracht:

1.3.8 Afvalwater afkomstig uit de wasplaats of de vulplaats als bedoeld in voorschrift 1.3.4 wordt, alvorens vermenging met afvalwater afkomstig uit andere ruimten plaatsvindt, door een doelmatige, goed toegankelijke controlevoorziening geleid.

1.3.9 In afwijking van voorschrift 1.3.8 kan worden volstaan met een doelmatige controle-voorziening op een andere plaats dan bedoeld in dat voorschrift. Voordat een controlevoorziening op een andere plaats wordt geplaatst, worden aan het inrichting-bevoegd gezag gegevens verstrekt waaruit blijkt dat plaatsing van de controlevoorziening overeenkomstig voorschrift 1.3.8 niet mogelijk is.

Paragraaf 1.4

Vervallen.

Paragraaf 1.5 Assimilatiebelichting en verlichting

Paragraaf 1.5.1 Toepassing van assimilatiebelichting

1.5.1 Een permanente opstand van glas of kunststof waarinassimilatiebelichting wordt toegepast, is aan de bovenzijde voorzien van een lichtscherminstallatie waarmee ten minste 98% van de lichtuitstraling kan worden gereduceerd.

1.5.2 Voorschrift 1.5.1 is niet van toepassing op een permanente opstand van glas of kunststof waarin uitsluitend assimilatiebelichting wordt toegepast buiten de donkerteperiode en de nanacht.

1.5.3 Voorschrift 1.5.1 is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een permanente opstand van glas of kunststof waarin assimilatiebelichting wordt toegepast en waarbij het technisch redelijkerwijs niet kan worden gevergd de bovenzijde te voorzien van een lichtscherminstallatie als bedoeld in dat voorschrift.

1.5.4 Indien assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van meer dan 15.000 lux wordt toegepast, is vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang de bovenzijde van de permanente opstand op een zodanige wijze afgeschermd dat ten minste 98% van de lichtuitstraling wordt gereduceerd.

1.5.5 Indien assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van minder dan 15.000 lux wordt toegepast, is in een permanente opstand van glas of kunststof als bedoeld in voorschrift 1.5.1:

1.5.6 Vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang is de gevel van een permanente opstand van glas of kunststof waarin assimilatiebelichting wordt toegepast op een zodanige wijze afgeschermd dat de lichtuitstraling op een afstand van ten hoogste 10 meter van die gevel met ten minste 95% wordt gereduceerd en de gebruikte lampen buiten de inrichting niet zichtbaar zijn.

1.5.7 De overige verlichting van gebouwen en open terrein van de inrichting dan wel ten behoeve van reclamedoeleinden wordt zodanig uitgevoerd dat directe lichtinstraling op lichtdoorlatende openingen in gevels of daken van woning wordt voorkomen.

Paragraaf 1.5.2 Overgangsbepalingen

1.5.8 In afwijking van voorschrift 1.5.1 is tot 1 januari 2017 een permanente opstand van glas of kunststof waarin assimilatiebelichting wordt toegepast aan de bovenzijde voorzien van een lichtscherminstallatie waarmee ten minste 95% van de lichtuitstraling kan worden gereduceerd, mits deze lichtscherminstallatie is aangebracht voor 1 januari 2014. Een permanente opstand van glas of kunststof die is opgericht voor 1 oktober 2009 en waarin reeds voor dat tijdstip assimilatiebelichting werd toegepast is in ieder geval met ingang van 1 oktober 2010 aan de bovenzijde voorzien van een dergelijke lichtscherminstallatie.

1.5.9 In afwijking van voorschrift 1.5.5 is, indien assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van minder dan 15.000 lux wordt toegepast in een permanente opstand van glas of kunststof als bedoeld in voorschrift 1.5.8:

1.5.10 Voorschrift 1.5.8 is tot 1 januari 2013 niet van toepassing op een permanente opstand van glas of kunststof als bedoeld in dat voorschrift die aan de bovenzijde reeds voor 1 mei 2009 is voorzien van een lichtscherminstallatie waarmee ten minste 85% van de lichtuitstraling kan worden gereduceerd.

1.5.11 In afwijking van voorschrift 1.5.5 geldt tot 1 januari 2013 voor een permanente opstand van glas of kunststof als bedoeld in voorschrift 1.5.10 dat de bovenzijde vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang op een zodanige wijze is afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 85% wordt gereduceerd.

Paragraaf 1.6 Veiligheid

1.6.1 In ruimten waar brandbare vloeistoffen worden opgeslagen of gebruikt, is roken en open vuur verboden. Het verbod is duidelijk zichtbaar aangegeven door middel van tekst of een symbool. In deze ruimten is de elektrische installatie uitgevoerd in overeenstemming met normen op het gebied van explosieveiligheid.

1.6.2 Gasflessen voldoen, voor zover het in gebruik zijnde gasflessen ten behoeve van gastoestellen voor voedselbereiding, warmwatervoorziening en verwarming betreffen, aan bijlage K van NEN 2920, uitgave 1997.

1.6.3 Vervallen.

1.6.4 Een reservoir voor de opslag van vloeibare kooldioxide met een inhoud van meer dan 10 000 liter is geplaatst op een afstand van ten minste 25 m van een object categorie I of II.

1.6.5 Voorschrift 1.6.4 is niet van toepassing op een reservoir, dat reeds aanwezig was voor 1 mei 1996 en dat is gelegen op ten minste 10 m afstand van een object categorie II, indien verplaatsing van het reservoir redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Degene die het glastuinbouwbedrijf drijft, treft zonodig maatregelen en voorzieningen die ertoe bijdragen dat de nadelige gevolgen van de opslag voor het milieu worden voorkomen of beperkt, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Indien een reservoir voor de opslag van vloeibare kooldioxide met de daaraan verbonden appendages is opgesteld op een locatie waar gevaar bestaat van aanrijding, is daar een adequate beveiliging tegen een aanrijding geplaatst.

1.6.6 Een reservoir voor de opslag van vloeibare kooldioxide is goedgekeurd door een door Onze Minister wie het aangaat aangewezen instantie of een ten minste gelijkwaardige instelling, dan wel een door een dergelijke instelling erkende deskundige; deze goedkeuring blijkt uit het op het reservoir aangebrachte kenmerk van de instelling of een CE-markering en de datum van ingebruikneming of herkeurdatum.

1.6.7 In de hoofdaanvoerleiding van (aard)gas is buiten de bebouwing van de inrichting een afsluiter geplaatst. De plaats van de afsluiter is duidelijk aangegeven en goed bereikbaar.

Indien de afsluiter moet worden afgesloten met een speciale sleutel, wordt deze binnen de inrichting op een vaste, goed bereikbare plaats bewaard. Dit voorschrift is niet van toepassing op apparatuur vallend onder het Besluit drukapparatuur.

1.6.8 Acculaders, accumulatorbatterijen en noodstroomaggregaten zijn, indien zij geladen worden of in werking zijn, opgesteld in een goed geventileerde ruimte. In deze ruimte is geen schrobput aanwezig die in verbinding staat met de riolering.

1.6.9 Installaties waar explosieve gassen kunnen ontstaan, zijn opgesteld in een goed geventileerde ruimte, waarin de verwarming indirect is.

1.6.10 Buiten een stookruimte, waarin verwarmings- of stooktoestellen zijn opgesteld met een gezamenlijke nominale belasting van 130 kW op bovenwaarde of hoger, is een goed bereikbare brandschakelaar aanwezig en een afsluiter waarmee de brandstoftoevoer kan worden afgesloten. Nabij de stookruimte is de plaats van de brandschakelaar en de afsluiter duidelijk aangegeven. Bij de afsluiter is duidelijk het doel en de wijze van sluiten aangegeven.

1.6.11 Een LPG-wisselreservoir van een intern transportmiddel of transporthulpmiddel wordt uitsluitend in de buitenlucht verwisseld.

1.6.12 Teneinde een begin van brand doeltreffend te kunnen bestrijden, zijn binnen het glastuinbouwbedrijf voldoende mobiele brandblusapparaten aanwezig.

1.6.13 Een opslagtank voor warm water is gelegen op een afstand van ten minste 5 m van de erfscheiding.

Paragraaf 1.7 Waterbesparing

1.7.1 Indien het leidingwaterverbruik binnen het glastuinbouwbedrijf in enig kalenderjaar meer bedraagt dan 5000 m3 per jaar, geeft degene die het glastuinbouwbedrijf drijft, op verzoek van het inrichting-bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij heeft getroffen of zal treffen, die ertoe bijdragen dat binnen het glastuinbouwbedrijf een zodanig zuinig gebruik van water wordt gemaakt als redelijkerwijs mogelijk is.

1.7.2 Binnen een glastuinbouwbedrijf als bedoeld in voorschrift 1.7.1 worden die waterbesparingsmaatregelen of -voorzieningen uitgevoerd, die rendabel zijn.

Paragraaf 1.8 Bodembescherming

1.8 Degene die voornemens is het glastuinbouwbedrijf of een gedeelte van het glastuinbouwbedrijf buiten werking te stellen, meldt dit voornemen vóór het beëindigen aan het gevoegd gezag. In geval van het buiten werking stellen van het glastuinbouwbedrijf of een gedeelte daarvan, wordt een onderzoek naar de eindsituatie van de bodem uitgevoerd. Het onderzoek richt zich uitsluitend op die plaatsen waar bodembedreigende handelingen hebben plaatsgevonden en op de stoffen die door de werkzaamheden ter plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen. Uiterlijk binnen 1 maand na het tijdstip van het buiten gebruik stellen wordt het inrichting-bevoegd gezag in kennis gesteld van de resultaten van het onderzoek. Het inrichting-bevoegd gezag kan besluiten dat het overleggen van een rapportage van een onderzoek naar de eindsituatie van de bodem niet is vereist, indien het aannemelijk is dat de kans op bodemverontreiniging afwezig is.

Paragraaf 1.9 Overig algemeen

1.9.1 Voorzover de voorschriften van dit besluit niet of in onvoldoende mate voorzien in een toereikende bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen die het glastuinbouwbedrijf kan veroorzaken, worden die gevolgen zoveel mogelijk voorkomen of, voorzover voorkomen niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperkt.

Paragraaf 2.1 Opslaan of overslaan, bewerken of verwerken van gevaarlijke stoffen of andere bodembedreigende stoffen, niet zijnde kunstmeststoffen

2.1.1 Vervallen.

2.1.2 Opslag van en werkzaamheden met gevaarlijke stoffen en andere vloeibare bodembedreigende stoffen vinden plaats boven een vloeistofkerende vloer of in een vloeistofdichte lekbak. De vloeistofkerende vloer of de vloeistofdichte lekbak is vervaardigd van onbrandbaar en hittebestendig materiaal en is bestand tegen de inwerking van de in gebruik zijnde stoffen. De vloeistofkerende vloer vormt samen met wanden, drempels of opstaande randen een opvangvoorziening. Indien in de opvangvoorziening of lekbak brandbare vloeistoffen worden opgeslagen, moet de opvangvoorziening of lekbak 100% van deze vloeistoffen kunnen opvangen.

Indien boven de opvangvoorziening of lekbak andere gevaarlijke vloeistoffen andere vloeibare bodembedreigende stoffen worden opgeslagen, is de inhoud van de opvangvoorziening of lekbak ten minste gelijk aan de inhoud van het grootste opgeslagen vat, vermeerderd met 10% van de overige opgeslagen gevaarlijke vloeistoffen andere vloeibare bodembedreigende stoffen. De vloeistofkerende vloer of de vloeistofdichte lekbak is permanent tegen inregenen beschermd.

2.1.3 De verpakking van gevaarlijke stoffen en andere vloeibare bodembedreigende stoffen niet zijnde kunstmeststoffen is zodanig, dat de verpakking tegen de normale behandeling bestand is en dat niets van de inhoud uit de verpakking onvoorzien kan ontsnappen.

2.1.4 Gevaarlijke stoffen en gevaarlijke afvalstoffen niet zijnde kunstmeststoffen in verpakking worden opgeslagen in een opslagvoorziening die is uitgevoerd conform de voorschriften uit de paragrafen 3.1 en 3.2 met uitzondering van voorschrift 3.2.1.6, en de voorschriften uit de paragrafen 3.4, 3.5, 3.7 tot en met 3.20, voorschrift 3.21.1 en de voorschriften uit paragraaf 3.23 van PGS 15. De vorige volzin is niet van toepassing op dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C, op niet giftige en niet bijtende viskeuze oplossingen en homogene mengsels met een vlampunt van 23°C en hoger en op accu’s. De eerste volzin is tevens niet van toepassing op de werkvoorraad verpakte gevaarlijke stoffen en op de opslag van gevaarlijke stoffen in verpakking in hoeveelheden kleiner dan de in tabel III weergegeven ondergrenzen.

2.1.5

In afwijking van voorschrift 2.1.4 worden gasflessen behorende tot het ADR klasse 2 opgeslagen in een opslagvoorziening die is uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften van paragraaf 3.1 met uitzondering van de voorschriften 3.1.4 en 3.1.5, en de voorschriften uit paragraaf 3.2 met uitzondering van voorschrift 3.2.1.6, en de voorschriften uit de paragrafen 3.4, 3.7, 3.11, 3.12, 3.15 tot en met 3.20, voorschrift 3.21.1, paragraaf 3.23 en de voorschriften 6.2.1 tot en met 6.2.16 van PGS 15.

De eerste volzin van dit voorschrift is niet van toepassing op de werkvoorraad gasflessen, de via een leiding op een installatie aangesloten gasflessen en indien de totale waterinhoud van de aanwezige gasflessen niet meer bedraagt dan 125 liter.

Gasflessen als bedoeld in de tweede volzin voldoen aan de voorschriften 6.2.3, 6.2.9 en 6.2.13 van PGS 15.

2.1.5a In afwijking van voorschrift 2.1.4 worden spuitbussen (UN 1950) en gaspatronen behorende tot het ADR klasse 2 opgeslagen in een opslagvoorziening die is uitgevoerd conform de voorschriften van de paragrafen 3.1 met uitzondering van de voorschriften 3.1.4 en 3.1.5, de voorschriften uit paragraaf 3.2 met uitzondering van voorschrift 3.2.1.6, de voorschriften uit de paragrafen 3.4, 3.5, 3.7, de voorschriften uit de paragrafen 3.11 tot en met 3.13, de voorschriften uit de paragrafen 3.15 tot en met 3.20, voorschrift 3.21.1, 3.23 en de voorschriften van de paragrafen 7.1 en 7.3 tot en met 7.6 van PGS 15.

2.1.6 Indien in een opslagvoorziening bestemd voor de opslag van gevaarlijke stoffen in verpakking meer dan 2.500 kg gevaarlijke stoffen, niet zijnde gasflessen behorende tot het ADR klasse 2 en niet zijnde kunstmeststoffen, aanwezig zijn, bedraagt de afstand tussen de opslagvoorziening en de dichtstbijzijnde woning van derden ten minste 20 meter. Indien de opslagvoorziening bestemd voor de opslag van gevaarlijke stoffen in verpakking is uitgevoerd als brandcompartiment of indien tussen de opslagvoorziening en de woning van derden een brandwerende voorziening van voldoende omvang aanwezig is, bedraagt deze afstand ten minste 8 meter. Dit voorschrift is niet van toepassing indien in de opslagvoorziening geen brandbare gevaarlijke stoffen aanwezig zijn.

2.1.6a Indien in een in de buitenlucht gesitueerde opslagvoorziening meer dan 1.000 liter brandbare gassen in gasflessen gemeten naar de totale waterinhoud aanwezig zijn, bedraagt de afstand tussen de opslagvoorziening en de dichtstbijzijnde woning van derden ten minste 15 meter. Deze afstand bedraagt ten minste 7,5 meter indien tussen de opslagvoorziening en de woning van derden een brandwerende voorziening van voldoende omvang aanwezig is.

2.1.7 De opslag van accu's vindt plaats boven een vloeistofkerende vloer of vloeistofdichte lekbak die bestand is tegen elektrolyt. Accu's worden rechtop opgeslagen. De vloeistofkerende vloer of vloeistofdichte lekbak is permanent tegen inregenen beschermd.

2.1.8 De opslag in een bovengrondse tank van huisbrandolie, gasolie, lichte stookolie, afgewerkte olie, petroleum en biodiesel voldoet aan PGS 30, waarvan de artikelen 4.2.6, 4.4.5 en 4.8.2 voor zover deze betrekking hebben op certificerings- en keuringseisen, en de artikelen 4.1.2, 4.1.5, 4.2.10 en 4.3.1 niet gelden voor een bovengrondse tank die reeds was opgericht voor 1 juni 1996.

Paragraaf 2.2 Aanmaak en gebruik bestrijdingsmiddelen

2.2.1

2.2.2 Een dompelbad waarin gewerkt wordt met bestrijdingsmiddelen is opgesteld boven een vloeistofdichte vloer of in een vloeistofdichte lekbak. Gedompelde producten alsmede de tijdens het dompelen gebruikte emballage waar nog bestrijdingsmiddelen uit kunnen lekken, worden boven het dompelbad, boven een vloeistofdichte vloer of in een vloeistofdichte lekbak bewaard. Een buitenopslag voor gedompelde producten of voor tijdens het dompelen gebruikte emballage is tegen inregenen beschermd.

Paragraaf 2.3 Opslag en verwerking kunstmeststoffen

2.3.1 Een tank voor de opslag van vloeibare meststoffen is:

2.3.2 Bij dosering van kunstmeststoffen in doseervaten, wordt eerst voorgedoseerd met water, voordat de kunstmeststoffen worden toegevoegd.

2.3.3 Emballage gevuld met:

2.3.4 De opslag van nitraathoudende kunstmeststoffen vindt plaats op een afstand van ten minste 5 m van een opslag van brandbare vloeistoffen.

2.3.5 Indien in een inrichting meer dan 250 ton kunstmeststoffen behorende tot groep 1.1, 1.2 of 1.3 als bedoeld in PGS 7 wordt opgeslagen, is de opslagvoorziening bestemd voor de opslag van deze kunstmeststoffen uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften genoemd in hoofdstuk 4.2 met uitzondering van de voorschriften 4.2.13 en 4.2.17, hoofdstuk 5.2, hoofdstuk 6.1, paragraaf 7.2.2 met uitzondering van 7.2.9, hoofdstuk 8.1 en de hoofdstukken 9.1 tot en met 9.3. De opslagvoorziening bestemd voor de opslag van kunstmeststoffen behorende tot groep 1.2 of groep 1.3 voldoet tevens aan de voorschriften genoemd in hoofdstuk 4.3 en hoofdstuk 8.2 van PGS 7.

2.3.6 Nitraathoudende kunstmeststoffen zijn bij afwezigheid van toezicht in een afsluitbare ruimte opgeslagen. Deze ruimte is bij afwezigheid van toezicht met slot of sleutel of op een andere vergelijkbare wijze afgesloten.

2.3.7 Bij diefstal van nitraathoudende kunstmeststoffen doet de drijver van de inrichting zo spoedig mogelijk aangifte bij de politie.

Paragraaf 2.4 Substraatteelt met onderbemaling

2.4.1 Bij substraatteelt wordt overtollig drainwater niet door middel van een systeem van onderbemaling gerecirculeerd.

2.4.2 Voorschrift 2.4.1 is niet van toepassing indien voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit bij substraatteelt door middel van een systeem van onderbemaling werd gerecirculeerd. In een dergelijk geval:

Binnen een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit wordt door een door het inrichting-bevoegd gezag geaccepteerde deskundige beoordeeld of aan de onder a tot en met c genoemde criteria wordt voldaan. Een bewijs van de beoordeling, afgegeven door of namens degene die de beoordeling heeft uitgevoerd, wordt binnen het glastuinbouwbedrijf bewaard.

Paragraaf 2.5 Gietwater

2.5.1 Ten behoeve van de gietwatervoorziening wordt hemelwater uit een hemelwateropvangvoorziening van ten minste 500 m3/ha teeltoppervlak gebruikt of wordt gietwater gebruikt met een natriumgehalte dat gelijkwaardig is aan dat van hemelwater.

Paragraaf 2.6 Opslag van vaste mest de opslag van afgedragen gewas en gebruikt substraatmateriaal

2.6.1 Indien vaste mest, afgedragen gewas of gebruikt substraatmateriaal gedurende een periode van een half jaar of langer wordt opgeslagen, vindt deze opslag plaats op een ten minste mestdichte vloer met opstaande randen of een gelijkwaardige voorziening en op ten minste 5 meter van de erfafscheiding. Uitzakkend vocht kan niet in contact treden met de bodem en een oppervlaktewaterlichaam en wordt bewaard in een vloeistofdichte opslagruimte of vloeistofdichte voorziening.

2.6.2 Voorschrift 2.6.1 is niet van toepassing op vaste niet-dierlijke mest.

2.6.3 Indien vaste mest, afgedragen gewas of gebruikt substraatmateriaal langer dan twee weken, maar korter dan een half jaar op een locatie wordt opgeslagen, is de betreffende opslag gelegen op ten minste 5 m van de erfafscheiding of ten minste 5 meter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam en vindt plaats:

2.6.4 Indien opgeslagen vaste mest, afgedragen gewas of gebruikt substraatmateriaal als bedoeld in voorschrift 2.6.3 wordt verwijderd, wordt de absorberende laag eveneens verwijderd.

Paragraaf 2.7 Het composteren van afgedragen gewas

2.7.1 Binnen de inrichting wordt uitsluitend afgedragen gewas gecomposteerd dat afkomstig is uit het eigen bedrijf.

Paragraaf 2.8 Beperken van geurhinder ten gevolge van de opslag van vaste mest de opslag van afgedragen gewas en gebruikt substraatmateriaal en het composteren van afgedragen gewas

2.8.1 Een opslag van vaste mest, afgedragen gewas of gebruikt substraatmateriaal is gelegen:

2.8.2 Voorschrift 2.8.1 is niet van toepassing op een opslag van vaste mest, afgedragen gewas of gebruikt substraatmateriaal, of een locatie waar afgedragen gewas wordt gecomposteerd of opgeslagen, die reeds bestond voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. Een opslag of locatie als bedoeld in de eerste volzin vindt plaats op ten minste 25 m van een object categorie I of II, indien verplaatsing van genoemde opslag of locatie redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Degene die het glastuinbouwbedrijf drijft:

2.8.3 Na verwijdering van de vaste mest, afgedragen gewas, gebruikt substraatmateriaal of gecomposteerd gewas, worden restanten direct van het terrein van het glastuinbouwbedrijf afgevoerd, dan wel op zodanige wijze opgeslagen dat geen geurhinder kan optreden.

Paragraaf 2.9 Vorkheftrucks

2.9.1 Een verbrandingsmotor van een vorkheftruck wordt zodanig afgesteld dat de uitlaatgassen nagenoeg roet- en rookloos zijn. De verbrandingsmotor is voorzien van een doelmatige geluiddemper in de uitlaat.

Paragraaf 2.10 Afleverpompen motorbrandstoffen voor eigen gebruik

2.10.1 Een pomp voor het afleveren van motorbrandstoffen is:

Een pomp voor het afleveren van benzine of petroleum is in de buitenlucht opgesteld.

2.10.2 De elektrische installatie van een pomp kan zowel aan de pomp als bij een hoofdschakelaar worden uitgeschakeld. De schakelstanden zijn duidelijk zichtbaar.

2.10.3 De pompkast van een elektrische pomp is voldoende geventileerd. De uitsparing in de pompkast, waarin de vulafsluiter van de afleverslang in ruststand wordt geborgen, is gasdicht van het inwendige van de pompkast afgesloten.

2.10.4 Aflevering van motorbrandstof vindt niet plaats indien:

2.10.5 Het afleveren van motorbrandstoffen met een pomp vindt plaats boven een daartoe bestemde tankplaats. Deze tankplaats is voorzien van een vloeistofdichte vloer of voorziening die zich vanaf het aflevertoestel uitstrekt over een afstand van ten minste de lengte van de afleverslang plus 1 m, met een minimum van 5 m. Tot dit vloeistofdichte gedeelte wordt tevens gerekend dat deel waarop het aflevertoestel is geplaatst tot op een afstand van 1 m vanaf het aflevertoestel aan de zijde waar zich geen tankende motorvoertuigen kunnen opstellen.

In afwijking van het voorgaande kan met een vloeistofkerende vloer worden volstaan indien aflevering uitsluitend plaatsvindt aan voertuigen die niet bestemd zijn voor wegvervoer en die bestemd zijn voor eigen bedrijfsmatig gebruik, waarbij een jaaromzet van ten hoogste 25.000 liter wordt bereikt.

Paragraaf 2.11 Toepassing ammoniak als koudemiddel

2.11.1 Een koel- of vriesinstallatie of een warmtepomp, waarbij ammoniak als koudemiddel wordt toegepast, alsmede de ruimte waarin deze zich bevindt, dienen te voldoen aan de minimale veiligheidsvoorzieningen in relatie tot de hoeveelheid ammoniak van PGS 13, paragraaf 2.5 en de hieraan gerelateerde functionele en uitvoeringseisen uit hoofdstuk 4, paragrafen 3.2, 3.3, 3.4.1 tot en met 3.4.5, paragrafen 6.2, 6.3, 7.2 tot en met 7.5 en 8.1 tot en met 8.4 van PGS 13. Een koel- of vriesinstallatie of een warmtepomp waarbij als koudemiddel propaan, butaan of een mengsel van propaan en butaan wordt toegepast, dient te voldoen aan de Nederlandse Praktijkrichtlijn 7600, toepassing van natuurlijke koudemiddelen in koelinstallaties en waterpompen, uitgave maart 2001.

Paragraaf 2.12 Noodstroomaggregaat

2.12. In een noodstroomaggregaat, opgesteld in de stookruimte van de stookinstallatie, wordt als brandstof een K3 product (vlampunt hoger dan 55°C) gebruikt.

Paragraaf 3.1 Onderhoud en schoonmaak

3.1.1 Het glastuinbouwbedrijf wordt regelmatig schoongemaakt. De binnen het glastuinbouwbedrijf vrijkomende afvalstoffen worden regelmatig afgevoerd. Het zwerfafval dat afkomstig is van het glastuinbouwbedrijf en aanwezig is in de onmiddellijke nabijheid van het glastuinbouwbedrijf wordt ingezameld en afgevoerd. Insecten, knaagdieren en ander ongedierte worden zo vaak als nodig is, verwijderd en bestreden.

3.1.2 Gemorste gevaarlijke stoffen of gevaarlijke afvalstoffen worden direct opgeruimd. Gemorste gevaarlijke stoffen of gevaarlijke afvalstoffen worden zo snel mogelijk geneutraliseerd of geabsorbeerd. De aard en de hoeveelheid van de aanwezige absorptie- of neutralisatiemiddelen is afgestemd op de aard en de hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen of gevaarlijke afvalstoffen en de werkzaamheden. Gebruikte absorptiemiddelen en niet meer voor gebruik geschikte gemorste gevaarlijke stoffen worden als gevaarlijk afval behandeld en opgeslagen overeenkomstig voorschrift 2.1.3.

3.1.3 Indien aan emballage lekkage ontstaat, wordt deze lekkage onmiddellijk verholpen. Bij lekkage wordt voorkomen dat:

Hiertoe zijn voldoende hulpmiddelen in de inrichting aanwezig.

Paragraaf 3.2 Controle van installaties en voorzieningen

3.2.1 Vervallen.

3.2.2 Vervallen.

3.2.3 Brandblusmiddelen worden jaarlijks gecontroleerd door een instantie die is erkend op basis van de Regeling voor de erkenning van onderhoudsbedrijven kleine blusmiddelen of een ten minste gelijkwaardige instelling.

3.2.4 Een olie-afscheider waardoor afvalwater wordt geleid:

3.2.5 Voorschrift 3.2.4 is van overeenkomstige toepassing op een slibvangput waardoor afvalwater wordt geleid.

3.2.6 Van het ledigen en reinigen van de olie-afscheider en een slibvangput waardoor afvalwater wordt geleid, wordt een logboek bijgehouden.

3.2.7

3.2.8 Indien binnen het glastuinbouwbedrijf gevaarlijke stoffen, vloeibare meststoffen, bestrijdingsmiddelen, afgewerkte olie of gevaarlijke afvalstoffen worden opgeslagen, stelt degene die het glastuinbouwbedrijf drijft, gedragsvoorschriften op waarin ten minste wordt aangegeven wanneer en op welke wijze de opslagplaats, de emballage, de vloeistofdichte vloer, de vloeistofdichte lekbak of de vloeistofkerende vloer worden gecontroleerd op lekkages, bodembeschermende aspecten of vloeistofdichtheid.

3.2.9 Indien bij de werkzaamheden binnen het glastuinbouwbedrijf specifiek afvalwater vrij kan komen, stelt degene die het glastuinbouwbedrijf drijft, gedragsvoorschriften op die zijn gericht op het voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu en een doelmatige afvoer van het afvalwater.

3.2.10 De gedragsvoorschriften, bedoeld in voorschrift 3.2.8 en 3.2.9 zijn binnen een inrichting zodanig aanwezig dat een ieder daarvan op een eenvoudige wijze kennis kan nemen. Degene die het glastuinbouwbedrijf drijft, draagt er zorg voor dat de gedragsregels worden nageleefd.

Paragraaf 3.3 Registratie en bewaren van documenten

3.3.1 Voorzover zij voor het glastuinbouwbedrijf zijn afgegeven, dan wel worden voorgeschreven, worden de onderstaande documenten, logboeken, registraties, of een kopie daarvan, gedurende vijf jaar na dagtekening centraal binnen de inrichting bewaard:

3.3.2.

Voorzover zij voor de inrichting zijn afgegeven, worden de PBV-Verklaring vloeistofdichte voorziening, het daarbij behorende inspectierapport en de documenten waaruit blijkt dat de controles, bedoeld in voorschrift 3.2.7, onderdeel f, zijn uitgevoerd, gedurende zes jaar na dagtekening bewaard.

Paragraaf 4.1 Geluid

4.1.1 In gevallen waarin de in voorschrift 1.1.1, 1.1.2 en 1.1.3 opgenomen waarden voor langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus en piekgeluiden naar het oordeel van het inrichting-bevoegd gezag te hoog of te laag zijn, kan het inrichting-bevoegd gezag voor een inrichting bij maatwerkvoorschrift waarden vaststellen, die lager of hoger zijn dan de in voorschrift 1.1.1 en 1.1.3 opgenomen waarden. Voor inrichtingen die voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn opgericht, mag de etmaalwaarde niet lager zijn dan 40 dB(A).

4.1.2 Het inrichting-bevoegd gezag kan slechts hogere waarden vaststellen als bedoeld in voorschrift 4.1.1 indien binnen woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, die zijn gelegen binnen de akoestische invloedssfeer van het glastuinbouwbedrijf, een etmaalwaarde van 35 dB(A) is gewaarborgd. De in de vorige volzin bedoelde etmaalwaarde geldt niet indien de gebruiker van deze woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidmetingen.

4.1.3 Indien binnen een afstand van 50 m van het glastuinbouwbedrijf geen woningen zijn gelegen, kan het inrichting-bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift vaststellen op welke plaats de in voorschrift 1.1.1, 1.1.2, 1.1.3 of 4.1.1 opgenomen waarden voor een inrichting gelden.

4.1.4 Het inrichting-bevoegd gezag kan, teneinde te bereiken dat aan de voorschriften 1.1.1, 1.1.2, 1.1.3, 4.1.1 en 4.1.3 wordt voldaan, een maatwerkvoorschrift stellen met betrekking tot de voorzieningen die binnen het glastuinbouwbedrijf moeten worden aangebracht en de gedragsregels die in acht moeten worden genomen, waaronder regels ten aanzien van aan- en afrijdend verkeer.

4.1.5 Het inrichting-bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot binnen het glastuinbouwbedrijf te treffen maatregelen of voorzieningen als bedoeld in voorschrift 1.1.5, onder a, b of c.

Paragraaf 4.2 Afvalstoffen

4.2.1 Het inrichting-bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen met betrekking tot:

Een onderzoek als bedoeld onder a kan niet vaker dan eenmaal in de vijf jaar worden voorgeschreven, tenzij de omstandigheden in het glastuinbouwbedrijf naar het oordeel van het inrichting-bevoegd gezag zodanig zijn gewijzigd dat dit ter uitvoering van voorschrift 1.2.1 noodzakelijk is.

4.2.2 Een maatwerkvoorschrift als bedoeld in voorschrift 4.2.1, onder b, kan niet betreffen de verplichting tot het treffen van maatregelen of voorzieningen tot het voorkomen of het beperken van het ontstaan van afvalstoffen die een terugverdientijd hebben van meer dan vijf jaar.

4.2.3 Het inrichting-bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen met betrekking tot het treffen van maatregelen of voorzieningen ten behoeve van het scheiden, gescheiden houden, gescheiden afgeven en het gescheiden opslaan van afvalstoffen als bedoeld in voorschrift 1.2.2, 1.2.3 en 1.2.4.

4.2.4 Het inrichting-bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen ter uitvoering van het gestelde in voorschrift 2.7.1 omtrent de omvang van de hoeveelheid te composteren materiaal en de werkwijze bij het composteren teneinde stof- en stankoverlast te beperken.

Paragraaf 4.3 Afvalwater

4.3.1 Het inrichting-bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen met betrekking tot de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid van afvalwater als bedoeld in voorschrift 1.3.7.

4.3.2 Het inrichting-bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen ten aanzien van de andere situering van een controlevoorziening als bedoeld in voorschrift 1.3.9.

Paragraaf 4.4 Assimilatiebelichting

4.4.1 Het inrichting-bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen met betrekking tot de wijze van afscherming, bedoeld in voorschrift 1.5.1, 1.5.4, 1.5.5, 1.5.6, 1.5.9 en 1.5.10.

Paragraaf 4.5 Waterbesparing

4.5.1 Het inrichting-bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen met betrekking tot de rendabele maatregelen of voorzieningen als bedoeld in voorschrift 1.7.2.

4.5.2 Een maatwerkvoorschrift, als bedoeld in voorschrift 4.5.1, kan niet betreffen de verplichting tot het treffen van maatregelen of voorzieningen tot beperking van het waterverbruik die een terugverdientijd hebben van meer dan vijf jaar.

Paragraaf 4.6 Opslag vloeibare kooldioxide

4.6.1 Het inrichting-bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen ter uitvoering van het gestelde in voorschrift 1.6.5 omtrent de te nemen maatregelen of de te treffen voorzieningen.

Paragraaf 4.7 Gebruik bestrijdingsmiddelen

4.7.1 Het inrichting-bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen met betrekking tot het treffen van maatregelen of voorzieningen als bedoeld in voorschrift 2.2.3.

Paragraaf 4.8 De opslag van vaste mest en gebruikt substraatmateriaal, en het composteren en de opslag van afgedragen gewas

4.8.1 Het inrichting-bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen met betrekking tot de maatregelen en voorzieningen als bedoeld in voorschrift 2.8.2.

Paragraaf 4.9 Bodembescherming

4.9.1 Het inrichting-bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen met betrekking tot de binnen het glastuinbouwbedrijf te treffen maatregelen en voorzieningen zoals bedoeld in de voorschriften 2.1.2, 2.1.7, 2.2.1 onder d en f, 2.2.2, 2.3.1 onder h, 2.3.3 en 2.10.5, en in acht te nemen gedragsregels in overeenstemming met het gestelde in de NRB.

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Voorschrift 1

1. Lozen op het openbaar riool is verboden, tenzij het betreft:

2. Indien de afvalwaterstromen, bedoeld in het eerste lid, in verband met de capaciteit van het openbaar riool of het zuiveringstechnische werk niet volledig op het openbaar riool kunnen worden geloosd, vindt zodanig lozen plaats:

3. Het inrichting-bevoegd gezag kan:

Voorschrift 2

1. Lozen op een oppervlaktewaterlichaam is verboden, tenzij het betreft:

2. Een oppervlaktewaterlichaam wordt door het lozen, bedoeld in het eerste lid, niet onaanvaardbaar visueel verontreinigd.

3. Het Wtw-bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van het gehalte aan chloride, ijzer, zuurstof en organische stof in het koelwater onderscheidenlijk de brijn, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en f, voor zover het koelwater niet afkomstig is uit een oppervlaktewaterlichaam; daarbij mag het gehalte niet worden bepaald op een waarde:

Voorschrift 3

1. Het in voorschrift 2, eerste lid, gestelde verbod geldt niet voor beperkt lozen en voor lozen als bedoeld in voorschrift 1, eerste lid, onderdelen b tot en met s, indien de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering meer bedraagt dan:

2. Het in voorschrift 2, eerste lid, gestelde verbod geldt niet voor afvalwater dat nadat aan voorschrift 1, tweede lid, is voldaan, niet volledig op het openbaar riool kan worden geloosd.

3. Indien in verband met het eerste en tweede lid op een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd geldt voor:

4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien de betreffende lozingen voor 1 november 1994 nog niet plaatsvonden.

Voorschrift 4

1. Beperkt lozen vindt plaats met behulp van een voorziening voor de individuele behandeling van afvalwater waarmee de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden voorkomen.

2. Indien aan het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam in een plan, vastgesteld ingevolge de Waterwet, een bijzondere functie of waterkwaliteitsdoelstelling is toegekend, kan het Wtw-bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift een voorziening als bedoeld in het eerste lid voorschrijven, die voor de kwaliteit van dat oppervlaktewaterlichaam voldoende bescherming biedt. Daarbij kunnen eisen worden gesteld ten aanzien van het zuiveringsrendement, de doelmatigheid, het gebruik en het onderhoud van de voorziening, bedoeld in het eerste lid.

3. Tenzij toepassing is gegeven aan het tweede lid, is alleen sprake van een voorziening als bedoeld in het eerste lid, indien het afvalwater wordt geleid door een septic tank die is uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften gesteld krachtens artikel 7, tweede lid, van het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.

4. De septic tank wordt zo dikwijls geleegd als voor een goede werking daarvan noodzakelijk is.

5. Het is verboden de bij het legen van de septic tank vrijkomende stoffen te lozen. Afvalwater, afkomstig uit een voorziening als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt, alvorens vermenging met ander te lozen afvalwater plaatsvindt, door een doelmatige, goed toegankelijke controlevoorziening geleid.

6. Het Wtw-bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de uitvoering en de situering van de controlevoorziening.

Voorschrift 5

1. Het ijzergehalte van terugspoelwater uit een ontijzeringsinstallatie is niet hoger dan 5 mg/l, bepaald volgens NEN 6460, uitgave 1981.

2. Terugspoelwater wordt, alvorens vermenging met ander te lozen afvalwater plaatsvindt, door een doelmatige, goed toegankelijke controlevoorziening geleid.

3. Het inrichting-bevoegd gezag of, in geval voorschrift 3, tweede lid van toepassing is, het Wtw-bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de uitvoering en de situering van de controlevoorziening.

Voorschrift 6

1. Het gehalte aan onopgeloste bestanddelen van afvalwater afkomstig van het spuiten en schrobben van vloeren, bedraagt niet meer dan 100 mg/l, bepaald volgens NEN 6621, uitgave 1988.

2. Afvalwater als bedoeld in het eerste lid wordt, alvorens vermenging met ander te lozen afvalwater plaatsvindt, door een doelmatige, goed toegankelijke controlevoorziening geleid.

3. Afvalwater als bedoeld in het eerste lid bevat geen meststoffen of restanten van desinfectiemiddelen.

4. Het inrichting-bevoegd gezag of, in geval voorschrift 3, tweede lid van toepassing is, het Wtw-bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de uitvoering en de situering van de controlevoorziening.

Voorschrift 7

1. Afvalwater afkomstig van het wassen van in de kas geteelde producten bestaat uitsluitend uit naspoelwater dat niet meer in het spoelproces kan worden hergebruikt.

2. Een spoelproces als bedoeld in het eerste lid is onderverdeeld in een voorspoel- en een naspoelfase waarbij:

3. Naspoelwater als bedoeld in het eerste lid wordt, alvorens vermenging met ander te lozen afvalwater plaatsvindt, door een doelmatige, goed toegankelijke controlevoorziening geleid.

4. Het gehalte aan onopgeloste bestanddelen in enig monster is niet hoger dan 100 mg/l, bepaald volgens NEN 6621, uitgave 1988.

5. Het inrichting-bevoegd gezag of, in geval voorschrift 3, tweede lid van toepassing is, het Wtw-bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de uitvoering en de situering van de controlevoorziening.

Voorschrift 8

1. Het gehalte aan onopgeloste bestanddelen in afvalwater afkomstig van het spoelen van fusten is niet hoger dan 100 mg/l, bepaald volgens NEN 6621, uitgave 1988.

2. Afvalwater als bedoeld in het eerste lid bevat geen restanten van desinfectiemiddelen.

3. Afvalwater als bedoeld in het eerste lid wordt, alvorens vermenging met ander te lozen afvalwater plaatsvindt door een doelmatige, goed toegankelijke controlevoorziening geleid.

4. Het inrichting-bevoegd gezag of, in geval voorschrift 3, tweede lid van toepassing is, het Wtw-bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de uitvoering en de situering van de controlevoorziening.

Voorschrift 9

1. Hemelwater is afkomstig van een kas:

2. Indien hemelwater niet afkomstig is van een kas als bedoeld in het eerste lid, wordt het hemelwater opgevangen in een opvangvoorziening waarvan de inhoud ten minste 5 m3/ha teeltoppervlak bedraagt bij dagelijkse toediening van gietwater onderscheidenlijk 30 m3/ha teeltoppervlak bij niet dagelijkse toediening van gietwater.

3. Het opgevangen hemelwater, bedoeld in het tweede lid, wordt zo snel mogelijk gebruikt.

4. Indien de capaciteit van de opvangvoorziening, bedoeld in het tweede lid, volledig is benut wordt het hemelwater, bedoeld in het tweede lid, geloosd via een overstortvoorziening die bij een inhoud van minder dan 3500 m3/ha teeltoppervlak is aangebracht vóór deze opvangvoorziening.

Voorschrift 10

1. Materialen, apparaten, voedingsstoffen, afvalstoffen en grondstoffen worden zodanig op verhard oppervlak of binnen de kas opgeslagen, dat het via de op het erf aanwezige straatkolken te lozen afvalwater daarmee niet in contact kan komen.

2. Afvalwater afkomstig van op het erf aanwezige straatkolken wordt, alvorens vermenging met ander te lozen afvalwater plaatsvindt, door een doelmatige, goed toegankelijke controlevoorziening geleid.

3. Het Wtw-bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de uitvoering en de situering van de controlevoorziening.

Voorschrift 11

1. Het natriumgehalte van spuiwater is:

2. Ten behoeve van de gietwatervoorziening wordt hemelwater uit een hemelwateropvangvoorziening van ten minste 500 m3/ha teeltoppervlak gebruikt of wordt gietwater gebruikt met een natriumgehalte dat gelijkwaardig is aan dat van hemelwater.

3. Het eerste lid is niet van toepassing gedurende de termijn waarbinnen bij opkweekbedrijven sprake is van een tijdelijke overschrijding van voor het te telen gewas aantoonbaar schadelijke concentratieniveau's aan stoffen.

4. Spuiwater wordt, alvorens vermenging met ander te lozen afvalwater plaatsvindt, door een doelmatige, goed toegankelijke controlevoorziening geleid.

5. Het inrichting-bevoegd gezag of, in geval voorschrift 3, tweede lid van toepassing is, het Wtw-bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de uitvoering en de situering van de controlevoorziening.

Voorschrift 12

1. De totale vracht aan stikstof, die via het drainwater wordt geloosd, bedraagt niet meer dan 25 kg/ha teeltoppervlak per jaar.

2. Drainwater wordt, alvorens vermenging met ander te lozen afvalwater plaatsvindt door een doelmatige, goed toegankelijke controlevoorziening geleid.

3. Het inrichting-bevoegd gezag of, in geval voorschrift 3, tweede lid van toepassing is, het Wtw-bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de uitvoering en de situering van de controlevoorziening.

Voorschrift 13

1. Indien lozen van drainagewater plaatsvindt, anders dan vanuit een glastuinbouwbedrijf of een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondteelt, waarop het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer in verband met artikel 1, onder a, onder 11°, van dat besluit niet van toepassing is, is de toediening van meststoffen afgestemd op de behoefte van het gewas.

2. Om de behoefte van het gewas, bedoeld in het eerste lid, te bepalen, wordt per gewas of groep van gewassen met eenzelfde bemestingsniveau:

3. Het inrichting-bevoegd gezag of, in geval voorschrift 3, tweede lid van toepassing is, het Wtw-bevoegd gezag kan, in verband met de analyse, bedoeld in onderdeel a, en de registraties, bedoeld in de onderdelen b en c, nadere eisen stellen met betrekking tot de toediening van meststoffen.

Voorschrift 14

1. De watergift is afgestemd op de behoefte van het gewas; aan dit voorschrift wordt in ieder geval voldaan, indien per gewas de maximale watergift, zoals in lijst 4 per gewasgroep in m3/ha teeltoppervlak is aangegeven, niet wordt overschreden;

2. Ten behoeve van de gietwatervoorziening wordt hemelwater uit een hemelwateropvangvoorziening van ten minste 500 m3/ha teeltoppervlak gebruikt of wordt gietwater gebruikt met een natriumgehalte dat gelijkwaardig is aan dat van hemelwater.

3. Het gehalte aan bestrijdingsmiddelen of omzet- of afbraakproducten daarvan brengt de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam niet in gevaar.

4. Het gehalte aan meststoffen brengt de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam niet in gevaar.

5. In afwijking van het eerste lid, is een watergift van ten hoogste 3000 m3/ha gestoomde grond toegestaan, indien:

6. Aan het vierde lid wordt in ieder geval voldaan, indien drainagewater zoveel mogelijk wordt hergebruikt en slechts tijdelijk geloosd, waarbij het natriumgehalte van te lozen drainagewater:

7. Het vierde lid is niet van toepassing, indien:

8. Drainagewater wordt alvorens het wordt vermengd met ander te lozen afvalwater door een doelmatige, goed toegankelijke controlevoorziening geleid.

9. De uitkomst van de grondmonsteranalyse, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, wordt gedurende vijf jaren bewaard en op een daartoe strekkend verzoek aan het inrichting-bevoegd gezag of, in geval voorschrift 3, tweede lid van toepassing is, het Wtw-bevoegd gezag overgelegd.

10. Het inrichting-bevoegd gezag of, in geval voorschrift 3, tweede lid van toepassing is, het Wtw-bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot:

Voorschrift 15

1. Degene die spuiwater, drainwater of drainagewater loost:

2. De metingen worden verricht bij een representatief lozingspunt.

3. De resultaten van de metingen en analyses, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden geregistreerd, gedurende vijf jaren bewaard en op een daartoe strekkend verzoek aan het inrichting-bevoegd gezag of, in geval voorschrift 3, tweede lid van toepassing is, het Wtw-bevoegd gezag overgelegd.

4. Instrumenten die worden gebruikt voor het meten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, mogen een afwijking hebben van ten hoogste tien procent.

5. Het inrichting-bevoegd gezag of, in geval voorschrift 3, tweede lid van toepassing is, het Wtw-bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot:

Voorschrift 16

De voorschriften 4, vijfde lid, 5, tweede lid, 6, tweede lid, 7, derde lid, 8, derde lid, 10, tweede lid, 11, vierde lid, 12, tweede lid, en 14, achtste lid, zijn vanaf 6 maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit van toepassing op het rechtstreeks lozen op een oppervlaktewaterlichaam, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds plaatsvindt.

Voorschrift 17

Voorschrift 1, eerste lid, is tot 1 januari 2005 niet van toepassing op het lozen op de riolering van afvalwater afkomstig van straatkolken op het erf, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds plaatsvindt.

Voorschrift 18

1. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit beperkt lozen op een oppervlaktewaterlichaam plaatsvindt, wordt tot 1 januari 2005 voldaan aan voorschrift 4, eerste lid, indien het afvalwater voorafgaand aan het lozen door een septictank van ten minste 3 m3 wordt geleid.

2. Indien na inwerkingtreding van dit besluit binnen de in voorschrift 3, eerste lid, bepaalde afstanden riolering wordt aangelegd waarop kan worden aangesloten, is in afwijking van voorschrift 2, eerste lid, jo. voorschrift 3, eerste lid, beperkt lozen op een oppervlaktewaterlichaam toegestaan gedurende 3 jaar, gerekend vanaf het tijdstip waarop aansluiting op de riolering mogelijk is, mits dit afvalwater voorafgaand aan het lozen door een septictank van ten minste 3 m3 wordt geleid.

3. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit lozen op een oppervlaktewaterlichaam plaatsvindt van huishoudelijk afvalwater van meer dan 10 inwonerequivalenten binnen de in artikel 2, onderdeel e, onder 1°, sub bb opgenomen afstanden, is voorschrift 2, eerste lid, tot 1 januari 2005 niet van toepassing mits dit afvalwater voorafgaand aan het lozen door een voorziening voor de individuele behandeling van afvalwater wordt geleid waarmee de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden voorkomen.

4. Indien na inwerkingtreding van dit besluit binnen de in artikel 2, onderdeel e, onder 1°, sub bb, opgenomen afstanden riolering wordt aangelegd waarop kan worden aangesloten, is in afwijking van voorschrift 2, eerste lid, lozen van huishoudelijk afvalwater van meer dan 10 inwonerequivalenten toegestaan gedurende 3 jaar, gerekend vanaf het tijdstip waarop aansluiting op de riolering mogelijk is, mits dit afvalwater voorafgaand aan het lozen door een voorziening voor de individuele behandeling van afvalwater wordt geleid waarmee de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden voorkomen.

Voorschrift 19

Voorschrift 7 is vanaf 6 maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit van toepassing op het rechtstreeks lozen op een oppervlaktewaterlichaam dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds plaatsvindt.

Voorschrift 20

1. Voorschrift 9 is tot 1 oktober 2010 niet van toepassing op kassen die voor 1 oktober 2009 zijn gebouwd.

2. Voorschrift 14, tweede lid, is tot 1 oktober 2010 niet van toepassing op kassen die voor 1 oktober 2009 zijn gebouwd en op die datum niet beschikten over een hemelwateropvangvoorziening.

Niet limitatieve lijst van, voor de goede werking van de zuiveringstechnische werken, niet schadelijke schermmiddelen en reinigingsmiddelen als bedoeld in voorschrift 1, eerste lid, onderdeel p.

Niet limitatieve lijst van, voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam, schadelijke en niet schadelijke schermmiddelen en reinigingsmiddelen als bedoeld in voorschrift 2, eerste lid, onderdeel d.

Natriumgehalte in het spui- onderscheidenlijk drainagewater waar beneden drain- dan wel drainagewater kan worden hergebruikt als bedoeld in de voorschriften 11, eerste lid, en 14, zesde lid.

Watergift per gewas als bedoeld in voorschrift 14, eerste lid.