Wijzigingen Officiële bron
Verordening van de Sociaal-Economische Raad van 22 maart 2002, houdende regelen omtrent de samenstelling, de werkwijze en het voorzitterschap van de bedrijfscommissies (Verordening op de bedrijfscommissies 2002) Verordening op de bedrijfscommissies 2002De Sociaal-Economische Raad;

Gelet op artikel 36 van de Wet op de bedrijfsorganisatie;

Gelet op artikel 39 van de Wet op de ondernemingsraden;

Gehoord de Bestuurskamer;

Besluit:

Den Haag22 maart 2002H.H.F.WijffelsvoorzitterN.C.M. vanNiekerksecretaris

In deze verordening wordt verstaan onder:

De Raad draagt de kosten en voorziet in de secretariële ondersteuning van de bedrijfscommissies.

Een bedrijfscommissie vergadert niet, indien blijkens de presentielijst niet meer dan de helft van de zitting hebbende leden is opgekomen. Nadat eenmaal tot een vergadering is opgeroepen, zonder dat meer dan de helft van de zitting hebbende leden is opgekomen, wordt de daarna uitgeschreven vergadering gehouden, ongeacht het aantal opgekomen leden.

De leden van een bedrijfscommissie stemmen zonder last of ruggespraak.

De leden van een bedrijfscommissie onthouden zich van medestemmen over zaken die hun, hun echtgenoten of hun geregistreerde partners of hun bloed- of aanverwanten tot de derde graad ingesloten, persoonlijk aangaan, dan wel op grond van andere feiten of omstandigheden waardoor hun onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

Een bedrijfscommissie dient de Minister en de Raad en zijn commissies desgevraagd of uit eigen beweging van bericht en advies over alle zaken haar werkterrein betreffende.

Vervallen

Een bedrijfscommissie brengt jaarlijks voor 1 april aan de Minister en de Raad verslag uit van haar werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt door de bedrijfscommissie, zonodig tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.

De ondernemingsraad en de ondernemer kunnen, al dan niet gezamenlijk, vragen over artikel 18, tweede en derde lid, en artikel 22, derde en vierde lid, van de wet en geschillen over deze artikelen voorleggen aan de scholingskamer. Het in de vorige zin bepaalde is van overeenkomstige toepassing voor een centrale ondernemingsraad en een groepsondernemingsraad.

De in artikel 18a bedoelde vragen worden binnen een week beantwoord. Bij vragen over de hoogte van kosten van scholing en vorming, betrekt de scholingskamer in haar oordeel de richtbedragen zoals die jaarlijks worden vastgesteld door de Raad.

Bij het voor de eerste maal samenstellen van een bedrijfscommissie treedt voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, in plaats van de bedrijfscommissie de voorzitter van de Raad op.

De verordening van de Raad van 19 maart 1971, Vb. Bo. no. RE 05/1971 (Verordening op de bedrijfscommissies 1971), wordt ingetrokken.

Deze verordening treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie waarin zij wordt geplaatst.

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening op de bedrijfscommissies 2002.