Ministeriële regeling · BWBR0013875

Regeling aanwijzing filminvesteringen 2002

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Financiën tot aanwijzing van filminvesteringen als bedoeld in artikel 3.33 en omtrent de verklaringen, bedoeld in de artikelen 3.37 en 3.42b van de Wet inkomstenbelasting 2001Regeling aanwijzing filminvesteringen 2002De Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Financiën,

Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;

Gelet op de artikelen 3.33, tweede lid, 3.37, eerste lid, 3.38 en 3.42b, zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;

Besluiten:

's-Gravenhage10 juli 2002De Minister van Economische Zaken, A.Jorritsma-Lebbink De Staatssecretaris van Financiën, W.J.Bos

In deze regeling wordt verstaan onder wet: Wet inkomstenbelasting 2001.

Als filminvesteringen als bedoeld in artikel 3.33 van de wet worden aangewezen: films die primair zijn bestemd voor vertoning in bioscopen, noch reclamefilms noch voorlichtingsfilms betreffend, aan de voortbrenging waarvan een projectvoorstel ten grondslag ligt dat bestaat uit de volgende onderdelen:

De periode, bedoeld in artikel 3.38 van de wet, wordt gesteld op vijf jaren aanvangende met de dagtekening van de in artikel 3 bedoelde verklaring.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing filminvesteringen 2002.

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdelen A en F, en artikel VI (overgangsbepaling in verband met artikel I, onderdeel F) van de wet van 14 december 2001 tot wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 II - Economische infrastructuur) (Stb. 2001, 641) in werking treden.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd. Van deze terinzagelegging zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant 1.