Wijzigingen Officiële bron
Verordening bestrijding Ziekte van Aujeszky 2002Verordening bestrijding Ziekte van Aujeszky 2002Het Bestuur van het Productschap Vee en Vlees heeft,

gelet op de artikelen 10, 12, 13 en 14 van de Instellingsverordening Productschap Vee en Vlees 1999-I, en de artikelen 93, 102 en 105 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie;

op 10 juli 2002 vastgesteld de navolgende

VERORDENING

Voor het Bestuur,J.J.RamekersvoorzitterS.B.M.Jongeriussecretaris

Goedgekeurd door de Bestuurskamer van de Sociaal-Economische Raad bij besluit van 29 augustus 2002 en door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij beschikking van 10 november 2002, nr. TRCJZ/2002/8076.

In deze verordening worden de begripsbepalingen van de Regeling identificatie en registratie van dieren 2002 (Staatscourant 28 december 2001) overgenomen en verstaat daarnaast onder:

Als entingen tegen de ziekte van Aujeszky, bedoeld in deze verordening, gelden slechts die entingen, die verricht zijn met bij of krachtens het Besluit Gebruik Sera en Entstoffen (Stb. 1996, 217, zoals dit laatstelijk is gewijzigd) aangewezen entstoffen.

Het is de ondernemer verboden de op zijn vestiging aanwezige varkens te doen enten tegen de ziekte van Aujeszky op andere wijze dan overeenkomstig de op grond van artikel 2 vastgestelde entschema's, dan wel overeenkomstig aan een verleende ontheffing, als bedoeld in artikel 10, verbonden voorwaarden.

Iedere ondernemer is verplicht bij afvoer van een of meer varkens van zijn bedrijf een geldige verklaring van een erkend certificeringssysteem, bedoeld in artikel 6, te hechten aan de in artikel 2 van de Regeling bedrijfscontrole dierziekten 1993 bedoelde verklaring. In de geldige verklaring, bedoeld in de vorige volzin, moet de status van het bedrijf betreffende de Ziekte van Aujeszky worden vermeld en moet worden verklaard dat de varkens afkomstig zijn van een bedrijf van een ondernemer die deelneemt aan een erkend certificeringssysteem, bedoeld in artikel 6.

De ondernemer is verplicht de daartoe bevoegde ambtenaren alsmede de door of namens de voorzitter aangewezen personen alle medewerking ten behoeve van de uitvoering van deze verordening te verlenen. Deze medewerking kan onder meer beslaan uit het desgevraagd toegang geven tot de vestiging, het ter inzage verstrekken van bescheiden en het verschaffen van inlichtingen.

Iedere ondernemer is verplicht bij resultaten van onderzoeken, aanvullende onderzoeken en andere bevindingen die wijzen op een (mogelijke) uitbraak van de Ziekte van Aujeszky, hiervan onverwijld melding te doen aan de door het Bestuur aangewezen dienst. Er rust een zware verantwoordelijkheid op de ondernemers om deze melding goed en tijdig aan deze dienst door te geven.

Het Bestuur stelt bij besluit een draaiboek vast waarin de te nemen maatregelen bij een (mogelijke) uitbraak van de Ziekte van Aujeszky zijn vastgelegd. Op grond van dit draaiboek kan de voorzitter de volgende maatregelen nemen:

De Verordening bestrijding Ziekte van Aujeszky 2000 wordt ingetrokken.

Een certificeringssysteem dat erkend wil worden in het kader van deze verordening dient te voldoen aan de volgende criteria.

Het certificeringssysteem schrijft voor dat:

De controle op de aanwezigheid van de Ziekte van Aujeszky dient minimaal plaats te vinden volgens het volgende bemonsteringsschema:

Het aantal te onderzoeken monsters is afhankelijk van de bedrijfsgrootte en is aangegeven in tabel 1. Het screeningsonderzoek kan op de volgende manieren plaatsvinden.

Het onderzoek van biestmonsters, serum of volbloed dat wordt uitgevoerd, nadat het bedrijf kenbaar heeft gemaakt in aanmerking te willen komen voor het Aujeszky-vrij certificaat gebeurt steekproefsgewijs. De monsters worden onderzocht op de aanwezigheid van antilichamen tegen gE door middel van een gevalideerde test door een Ster-in, of gelijkwaardig systeem, erkend laboratorium. In een periode van 8 maanden volgend op de acceptatie van de aanvraag worden met intervallen van 4 maanden drie steekproeven van de populatie zeugen en/of beren genomen.

Een andere mogelijkheid is continue biestbemonstering van alle kraamzeugen van kleinere bedrijven. Dit dient gedurende 8 maanden plaats te vinden, tenzij tenminste 3 maanden voor de start van de biestbemonsteringen een steekproef zoals vermeld in tabel 2 heeft plaatsgevonden. In het laatste geval kan volstaan worden met éénmalig van alle zeugen een biestmonster te onderzoeken.

Alle zeugen (na 1ste dekking) en/of alle beren worden gelijktijdig of met een tussenperiode van maximaal 1 maand onderzocht.

Het controle-onderzoek wordt uitgevoerd nadat de Aujeszky-vrij status is bereikt. Het aantal te onderzoeken monsters is afhankelijk van de bedrijfsgrootte en is aangegeven in tabel 1.

Met intervallen van 4 maanden wordt een steekproef van de populatie zeugen en beren onderzocht.

Een andere mogelijkheid voor kleinere bedrijven is continue biestbemonstering van de helft van alle kraamzeugen. De monsters worden onderzocht op een Ster-in, of gelijkwaardig systeem, erkend laboratorium.

Het onderzoek van serum en/of volbloedmonsters dat wordt uitgevoerd nadat het opfokbedrijf, of gecombineerde (sub)fok-/opfokbedrijf heeft kenbaar gemaakt in aanmerking te willen komen voor het Aujeczky-vrij (overgangs-)certificaat ten behoeve van de af te leveren fokvarkens.

Gedurende een tijdvak van tenminste 8 maanden doch maximaal 1 jaar worden elke maand opeenvolgende leeftijdsgroepen opfokvarkens aan het eind van de opfok onderzocht. Het onderzoek vindt plaats minimaal 2 weken en maximaal 6 weken voor afleveren.

Bij toepassing van bedrijfs all in - all out dient het onderzoek minimaal 3 keer uitgevoerd te worden. Per monstername dient 20% van de opfokvarkens in de betreffende leeftijdsklasse bemonsterd te worden, doch minimaal 20 en maximaal 60 varkens. De monsters worden onderzocht op de aanwezigheid van antilichamen tegen gE.

Binnen een tijdvak van maximaal een jaar, volgend op de acceptatie van de aanvraag, wordt in elk van 3 perioden van 4 maanden een steekproef van de totale groep opfokvarkens genomen. Van elke afdeling worden 5 dieren bemonsterd. De monsters worden onderzocht op de aanwezigheid van antilichamen tegen gE.

Het minimum aantal monsters wordt bepaald volgens tabel 3.

Op kleinere bedrijven met opfokvarkens kunnen alle dieren gelijktijdig onderzocht worden.

Het onderzoek vermeld onder 2.1.2. wordt uitgevoerd met dien verstande dat na de eerste bemonstering (alle monsters gE-negatief) een Aujeszky-vrij certificaat toegekend kan worden.

Het controle-onderzoek vindt elke maand plaats zoals vermeld onder 2.1.1.

Het controle-onderzoek vindt éénmaal per periode van 4 maanden plaats. Van elke afdeling worden 5 varkens bemonsterd, met een maximum van 4 afdelingen. De afdelingen met de oudste dieren worden bemonsterd.

Deelname aan een Aujeszky-vrij certificaatregeling is alleen mogelijk voor bedrijven die uitsluitend biggen opleggen afkomstig van bedrijven die beschikken over een Aujeszky-vrij certificaat.

Het controle-onderzoek vindt één maal per 4 maanden volgens de systematiek van tabel 5 plaats.

Voor bedrijven waar zeugen, opfokdieren en vleesvarkens dan wel een combinatie van deze categorieën worden gehouden geldt dat alle categorieën in de bemonstering worden betrokken. Voor bedrijven met zeugen en opfokdieren of voor bedrijven met zeugen en vleesvarkens, en voor bedrijven met alle drie de categorieën geldt dat de aantallen monsters in het screeningsonderzoek worden opgeteld.

Voor bedrijven met zeugen en opfokdieren danwel met zeugen en vleesvarkens gelden bij het controle-onderzoek in principe de bemonsteringsschema’s voor de individuele diercategorieën tot een maximum van 20 monsters per bedrijf. Indien het gestelde maximum dient te worden bemonsterd, is het bemonsteringsschema voor de vleesvarkens danwel dat van de opfokvarkens leidend tot een maximum van 12 monsters voor de betreffende diercategorie, hetgeen verder wordt aangevuld met monsters van de zeugen.

Voor bedrijven met alle drie de diercategorieën gelden bij het controle-onderzoek in principe de bemonsteringsschema’s voor de individuele diercategorieën tot een maximum van 24 monsters per bedrijf. Indien het gestelde maximum dient te worden bemonsterd, is het bemonsteringsschema voor de vleesvarkens leidend tot een maximum van 12 monsters voor deze diercategorie, waarbij het resterend aantal monsters naar rato wordt verdeeld over de zeugen en opfokdieren.

Het opnieuw testen van bepaalde monsters. Dit dient plaats te vinden indien bij controle-onderzoek positieve uitslagen worden vastgesteld. De uitslag hiervan wordt als einduitslag genomen.

Het onderzoeken van een steekproef van de varkenspopulatie nadat twijfel is gerezen ten aanzien van de Aujeszky-vrij status van het bedrijf.

Van twijfel is sprake als:

De steekproefgrootte is gelijk aan die bij het screeningsonderzoek, zoals vermeld in de punten 1 en 2 van deze bijlage. Het onderzoek vindt steeds plaats op serummonsters.

In het kader van de borging dient bij aanmelding ter verkrijging van het certificaat, bij de formele afgifte van het certificaat, steekproefsgewijs een bedrijfsbezoek plaatsvinden, Hierbij vindt een controle plaats van de technische administratie. Verder vindt op alle bedrijven genoemd onder punt 1 van deze bijlage een controle plaats van de gE-status van 12 varkens.

Tevens vindt controle van de ingestuurde monsters op de correctheid van de monstername plaats door middel van aanvullende werkvoorschriften.

Het, in het kader van het uitvoeren van een Aujeszky-bedrijfssaneringsprogramma, regelmatig bepalen van de gE-status van een bedrijf door middel van het gelijktijdig met de RBD-onderzoeken uitvoeren van het Aujeszky onderzoek. Het aantal te onderzoeken monsters is afhankelijk van de grootte van de zeugenpopulatie en is aangegeven in tabel 2.

Het certificeringssysteem schrijft voor dat een deelnemer een deugdelijke administratie dient bij te houden waarin de volgende gegevens zijn opgenomen: