Wijzigingen Officiële bron
Toedeling van natuurlijke personen, lichamen en entiteiten aan organisatieonderdelen van de Belastingdienst (Toedelingsbesluit Belastingdienst 2003)Toedeling van natuurlijke personen, lichamen en entiteiten aan organisatieonderdelen van de Belastingdienst (Toedelingsbesluit Belastingdienst 2003)De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Als gevolg van de reorganisatie van de Belastingdienst met ingang van 1 januari 2003 zijn de eenheden Particulieren, Particulieren/ondernemingen, Ondernemingen en Grote ondernemingen omgevormd tot 13 regio’s. Daarnaast zijn de zeven douanedistricten samengevoegd tot vier Douaneregio’s. In verband met de wetswijzigingen die voortvloeien uit deze reorganisatie is de Uitvoeringsregeling Belastingdienst (Stcrt. 1994, 114) ingetrokken en vervangen door de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 (Stcrt. 2002, 247). Dit besluit vervangt het besluit Toedeling van de bevoegdheden binnen de Belastingdienst (competentieregeling) van 23 augustus 2001, nr. CPP2001/2318M.

De Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 (hierna: de Regeling) geeft invulling aan de onder meer in de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 opgenomen delegatiebepalingen. In de Regeling is de organisatie van de Belastingdienst in hoofdlijnen weergegeven. Tevens is op basis van de Regeling kenbaar onder welke inspecteur en ontvanger (voorzitter van een managementteam van een organisatieonderdeel van de Belastingdienst) de belastingplichtige/belastingschuldige ressorteert en tot wie hij zich voor zijn fiscale aangelegenheden in beginsel kan wenden. In artikel 11, derde lid van de Regeling is bovendien aangegeven dat een voorzitter van een managementteam namens de directeur kan bepalen dat een natuurlijk persoon of een lichaam al dan niet tezamen met één of meer daarmee direct of indirect in bestuurlijk, financieel, administratief of maatschappelijk opzicht verbonden natuurlijke personen of lichamen als een entiteit wordt beschouwd. In dit besluit worden daarvoor regels gegeven. Het betreft met name de wijze waarop entiteiten moeten worden gevormd (onderdeel 2), het toedelen daarvan aan het organisatieonderdeel van de Belastingdienst onder welke de belastingplichtige of entiteit ressorteert (onderdeel 3), alsmede het wijzigen van deze toedeling (onderdeel 4). Dit besluit geldt uitsluitend voor de onderdelen van de Belastingdienst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a van de Regeling.

Met betrekking tot de vorming van entiteiten en de overige bepalingen in dit besluit is ten opzichte van het besluit van 23 augustus 2001 een aantal vereenvoudigingen doorgevoerd. Het doorvoeren van deze vereenvoudigingen, noch de reorganisatie zijn op zichzelf beschouwd aanleiding voor een integrale herbeoordeling van de per 1 januari 2003 bestaande entiteiten. Het aanpassen van de reeds gevormde entiteiten vindt in het algemeen eerst plaats indien na 1 januari 2003 een wijziging in het structuurschema, als bedoeld onder 1.2, onderdeel g, plaatsvindt.

In de bijlage bij de Regeling zijn de Nederlandse gemeenten verdeeld over de 13 Belastingdienstregio’s. In beginsel vindt de fiscale behandeling (waaronder heffing en inning) van de in dit besluit gedefinieerde belastingplichtigen plaats door de voorzitter van het managementteam van het organisatieonderdeel van de Belastingdienst als vermeld in de bijlage bij de Regeling, bij de gemeente waarin de woon- of vestigingsplaats van de belastingplichtige of entiteit is gelegen. In afwijking van deze hoofdregel kan de fiscale behandeling plaatsvinden door een andere voorzitter. Voorzover deze afwijkingen van algemene aard zijn, zijn deze reeds opgenomen in de Regeling (zie artikel 12 t/m 25 van de Regeling).

Evenals de in de Regeling opgenomen ressorteerbepalingen zijn de bepalingen van dit besluit vooral bestemd voor de interne verdeling van werkzaamheden binnen de Belastingdienst. Deze bepalingen laten onverlet de landelijke bevoegdheid van de inspecteur en de ontvanger.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

Paragraaf 1.2, onderdeel h, van dit besluit definieert een entiteit als een onderneming al dan niet tezamen met een of meer daarmee direct of indirect in bestuurlijk, financieel, administratief of maatschappelijk opzicht verbonden belastingplichtigen. Hierna zal worden aangegeven op welke wijze entiteiten dienen te worden gevormd.

Vorming van entiteiten houdt in, dat de tot een entiteit behorende belastingplichtigen worden opgenomen in een gezamenlijk dossier om, indien daartoe aanleiding bestaat, een gezamenlijke behandeling mogelijk te maken.

Stap 1: het structuurschema

Voordat een entiteit kan worden gevormd, moet duidelijk worden welke verbanden tussen belastingplichtigen onderling bestaan. Het overzicht van deze onderlinge – fiscaal relevante – relaties wordt een structuurschema genoemd. In het structuurschema worden ook opgenomen de belastingplichtigen die buiten Nederland wonen of zijn gevestigd.

De opbouw van het structuurschema geschiedt als volgt. Allereerst wordt vanuit iedere onderneming die hierna genoemd is, bepaald welke belastingplichtigen hiermee verbonden zijn.

De ondernemingen van waaruit het structuurschema wordt gebouwd, zijn:

In de genoemde paragrafen wordt per onderneming aangegeven welke belastingplichtigen in het structuurschema bij deze onderneming gevoegd dienen te worden. Er is hierbij gekozen voor een opbouw van beneden naar boven. Dit houdt bijvoorbeeld in dat vanuit de maatschap wordt gekeken naar de maten, vanuit de vennootschap naar de aandeelhouders en vanuit de commanditaire vennootschap naar de (beherende en commanditaire) vennoten. Vanuit iedere onderneming die men tijdens de opbouw tegenkomt, wordt weer verder opgebouwd volgens de in de paragrafen omschreven regels.

Indien een belastingplichtige gevoegd dient te worden bij meer ondernemingen, dienen deze alle in een structuurschema opgenomen te worden.

Stap 2: ‘Knippen’

Bij de uitvoering van stap 1 ontstaat een structuurschema. Vanuit het structuurschema wordt een entiteit gebouwd. Hierbij bestaan de volgende mogelijkheden:

Is ingevolge paragraaf 2.6 geen ‘knip’-bepaling van toepassing, dan vormt het structuurschema de entiteit.

Bijzondere bepalingen

In paragraaf 2.7 komen enkele bijzondere situaties aan de orde. Het gaat om gevallen waarvoor geen structuurschema in de regeling wordt beschreven, of waarvoor niet geknipt, maar bijgevoegd moet worden. In paragraaf 2.8 wordt aangegeven hoe de entiteitvorming plaats dient te vinden bij grensoverschrijdende situaties.

Tot het structuurschema dat vanuit een eenmanszaak wordt opgebouwd, behoren:

Tot het structuurschema dat vanuit een vennootschap wordt opgebouwd behoren:

Tot het structuurschema, dat wordt opgebouwd vanuit de maatschap, behoren:

Tot het structuurschema dat vanuit een commanditaire vennootschap wordt opgebouwd, behoren:

Na toepassing van de paragrafen 2.2 t/m 2.5 is een structuurschema ontstaan. In deze paragraaf wordt van een aantal situaties omschreven waar de ‘knip(pen)’ in dit structuurschema moet(en) worden gelegd teneinde de entiteit(en) te vormen. De knipbepalingen hebben alleen betrekking op de aangegeven relatie en worden toegepast bij regio-overstijgende situaties en in de gevallen waarin dat wenselijk of nodig wordt geacht. Door te knippen ontstaan contactposten als bedoeld in paragraaf 1.2, onderdeel j.

Komt in het gevormde schema geen situatie als hierna beschreven voor, dan vormt het structuurschema de enige entiteit. Hierbij wordt een kanttekening gemaakt: in onderdeel 2.7 is een aantal bijzondere situaties van entiteitvorming aangegeven.

De beoordeling op de toe te passen knipbepalingen vindt telkens plaats bij wijziging van het structuurschema, tenzij de wijziging uitsluitend betrekking heeft op een of meer particulieren.

Bij de vorming van entiteiten en het toepassen van de knipbepalingen gelden de volgende uitgangspunten:

De vennootschap waarin de aandelen door een onderneming, niet zijnde een bank, een verzekeringsmaatschappij of een pensioenfonds, als handelsvoorraad worden gehouden, behoort niet tot de entiteit van deze onderneming.

Indien een natuurlijk persoon aandeelhouder of certificaathouder (maar voor minder dan 100%) is in twee of meer vennootschappen, en verschillende entiteiten worden gevormd, wordt de natuurlijk persoon gevoegd bij de vennootschap waaruit het hoogste inkomen wordt genoten.

NB: Bovenstaande knipbepaling geldt niet als dezelfde groep natuurlijke personen aandeelhouder is in verschillende vennootschappen en zij de enige aandeelhouders zijn.

De maat (natuurlijk persoon) die deelneemt in twee of meer maatschappen wordt gevoegd bij de entiteit van de maatschap waaruit de hoogste winst wordt genoten. De maat (lichaam) die deelneemt in twee of meer maatschappen wordt gevoegd bij de entiteit van de maatschap waaruit de hoogste winst wordt genoten.

NB: Bovenstaande knipbepaling geldt niet als dezelfde groep maten verschillende maatschappen vormen en de enige maten zijn.

Indien een maat (natuurlijk persoon) in een maatschap tevens aandeelhouder of certificaathouder (maar voor minder dan 100%) is van een vennootschap, worden twee entiteiten gevormd. Indien een maat (lichaam) tevens aandeelhouder (ex 2.3.1, maar voor minder dan 100%) is van een vennootschap, worden twee entiteiten gevormd. De aandeelhouder/maat wordt gevoegd bij de entiteit van de maatschap.

NB: Hierop geldt de volgende uitzondering:

Als de gezamenlijke maten 100% van de aandelen in een vennootschap bezitten, wordt m.b.t. deze vennootschap niet in het structuurschema geknipt; de vennootschap wordt bij de entiteit van de maatschap gevoegd.

Als de partners ieder aandeelhouder of certificaathouder zijn voor minder dan 100%, doch niet in dezelfde vennootschappen, worden verschillende entiteiten gevormd. De partners worden gezamenlijk gevoegd bij de vennootschap waaruit het hoogste gezamenlijke inkomen wordt genoten.

Als de partners beide maat zijn, maar in verschillende maatschappen, worden verschillende entiteiten gevormd. De partners worden gezamenlijk gevoegd bij de maatschap waaruit de hoogste winst wordt genoten.

Als de partner van een maat in een maatschap aandeelhouder of certificaathouder (maar voor minder dan 100%) is in een vennootschap, worden verschillende entiteiten gevormd. De partners worden gevoegd bij de entiteit van de maatschap.

NB: Als de aandeelhouder-partner 100% van de aandelen in de vennootschap bezit, wordt de vennootschap bij de entiteit van de maatschap gevoegd.

Indien het structuurschema uitsluitend bestaat uit particulieren en in het buitenland gevestigde ondernemingen wordt geen entiteit gevormd.

De joint venture vormt zelfstandig een onderneming en wordt niet gevoegd bij de entiteiten van deelnemers of aandeelhouders in de ondernemingen die de joint venture vormen.

De kostenmaatschap vormt zelfstandig een onderneming indien maten voor gezamenlijke kosten een kostenmaatschap vormen of indien landbouwers gezamenlijk landbouwmachines kopen en deze onderbrengen in een maatschap.

Ondernemingen zonder winstoogmerk met daarmee gelieerde stichtingen en (coöperatieve) verenigingen worden tot een entiteit gerekend indien zij vallen onder een (hoofd)bestuur of groep bestuurders.

Verenigingen en stichtingen worden in beginsel niet in een entiteit gevoegd. Slechts in bijzondere gevallen, bijvoorbeeld bij onderling fiscaal relevante verbanden, kan tot entiteitvorming worden overgegaan.

Een pensioenfonds wordt bij de entiteit gevoegd mits alle premiebetalende ondernemingen tot die entiteit behoren.

De ondernemer die niet in Nederland woont of is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft, kan in Nederland een fiscaal vertegenwoordiger aanstellen. Deze ondernemer ressorteert onder dezelfde regio als waaronder zijn fiscaal vertegenwoordiger ressorteert.

Met betrekking tot het vormen van de entiteit in de gevallen van belaste verhuur van onroerende zaken geldt het volgende.

a) belaste verhuur van onroerende zaken door een natuurlijk persoon

Tot de entiteit behoort de natuurlijk persoon (verhuurder), de partner en minderjarig kind van de natuurlijk persoon.

b) belaste verhuur van onroerende zaken door samenwerkingsverbanden

Het samenwerkingsverband vormt zelfstandig een onderneming en wordt niet gevoegd bij de entiteit van de deelnemers.

Tot de entiteit van het samenwerkingsverband behoren wél de deelnemende particulieren die niet reeds op andere gronden tot een entiteit behoren.

Indien een in het buitenland gevestigde moedermaatschappij twee of meer dochtermaatschappijen in Nederland heeft, is sprake van twee of meer afzonderlijke entiteiten. Indien de onderstaande omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan wel een entiteit worden gevormd.

Deze omstandigheden kunnen zijn:

Indien een Nederlandse vennootschap een in het buitenland gevestigde dochtermaatschappij heeft met daaronder een of meer Nederlandse dochtermaatschappijen is er altijd sprake van een entiteit.

Indien natuurlijke personen deelnemen in een buitenlands samenwerkingsverband en uit deze deelneming winst uit onderneming genieten in de zin van afdeling 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, worden deze natuurlijke personen niet in een entiteit gevoegd.

Voor het bepalen van het onderdeel van de Belastingdienst (als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a van de Regeling) waaronder een belastingplichtige ressorteert, is de woon- of vestigingsplaats van de belastingplichtige of entiteit bepalend. Waar een particulier woont en waar een onderneming of een entiteit is gevestigd, wordt naar de omstandigheden beoordeeld. Hierna wordt aangegeven welke omstandigheden bepalend zijn.

De vestigingsplaats van de onderneming wordt achtereenvolgens bepaald door:

De vestigingsplaats van de entiteit is de vestigingsplaats van de belangrijkste onderneming van die entiteit (zie voor het bepalen van de belangrijkste onderneming paragraaf 1.2, onderdeel i).

In afwijking van het bovenstaande is de vestigingsplaats van:

Met betrekking tot de overdracht van een belastingplichtige of entiteit van de ene Belastingregio naar een andere regio, geldt als hoofdregel dat de overdracht plaatsvindt zo spoedig mogelijk na het tijdstip waarop de voor de overdracht relevante omstandigheden zich voordoen.

De nieuwe regio behandelt niet alleen de periode na de overdracht, maar is ook belast met de afhandeling met betrekking tot het verleden.

Bij relevante omstandigheden kan worden gedacht aan verhuizing, het starten of staken van een onderneming, alsmede aan het al dan niet langer behoren tot een entiteit.

Veelal zal het tijdstip waarop de voor overdracht relevante omstandigheden zich voordoen niet samenvallen met het tijdstip van daadwerkelijke overdracht. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als deze omstandigheden eerst later bij de Belastingdienst bekend worden.

De nieuwe regio stelt belastingplichtige schriftelijk in kennis dat de overdracht heeft plaatsgevonden.

Het is mogelijk dat de voorheen aangewezen eenheid nog een aantal lopende zaken afwerkt. Hiervan kan met name sprake zijn als er over de betreffende aangelegenheid al contact is geweest met de belastingplichtige of diens gemachtigde of als er een termijn in het geding is (voorrangspost, aanslagtermijn). De belastingplichtige zal hierover op de gebruikelijke wijze door de Belastingdienst worden geïnformeerd.

In dit onderdeel worden relevante omstandigheden beschreven die aanleiding zijn voor het overdragen van een belastingplichtige of entiteit van de ene regio aan een andere regio van de Belastingdienst.

Een particulier wordt overgedragen als de woonplaats van die particulier binnen Nederland wijzigt met als gevolg dat deze particulier gaat ressorteren onder een andere regio.

Een particulier die verhuist naar het buitenland wordt overgedragen aan de Belastingdienst/Limburg zodra vaststaat dat deze particulier buitenlands belastingplichtig wordt of is geworden. Deze regio is daarmee ook belast met de afhandeling (heffing en invordering) met betrekking tot het verleden. Voor een particulier die niet buitenlands belastingplichtig wordt, geldt dat de overdracht eerst plaatsvindt nadat de heffing en invordering over de binnenlandse periode volledig (incl. bezwaar en beroep) zijn afgerond.

Een particulier die tot het moment van immigratie naar Nederland buitenlands belastingplichtig was, ressorteert onder Belastingdienst/Limburg met betrekking tot het gehele jaar waarin de immigratie heeft plaatsgevonden.

Na afronding van de heffing en invordering over dit jaar (incl. bezwaar en beroep) vindt overdracht plaats aan de regio waaronder de particulier op basis van zijn woonadres ressorteert.

Een particulier die tot het moment van immigratie naar Nederland niet buitenlands belastingplichtig was, wordt direct toebedeeld aan de regio waaronder hij op basis van het woonadres ressorteert.

Mocht na immigratie en overdracht van een particulier blijken dat over de periode van verblijf in het buitenland nog belasting geheven of ingevorderd moet worden, dan wordt de Belastingdienst/Limburg zo nodig belast met de heffing en inning daarvan.

De vestigingsplaats van een entiteit wijzigt binnen Nederland met als gevolg dat deze entiteit onder een andere regio komt te ressorteren.

Bij verhuizing van een onderneming van een plaats in Nederland naar het buitenland vindt de overdracht aan de Belastingdienst/Limburg pas plaats nadat de heffing en inning van het jaar waarin de binnenlandse belastingplicht is geëindigd volledig is afgewerkt.

Bij verhuizing van een onderneming van het buitenland naar een plaats in Nederland draagt de Belastingdienst/Limburg de onderneming zo spoedig mogelijk na het bekend worden van de immigratie over aan de regio waaronder die onderneming op basis van het vestigingsadres volgens de Regeling ressorteert.

Deze situatiewijziging doet zich bijvoorbeeld voor als een ondernemer zijn eenmanszaak staakt (ten gevolge waarvan een entiteit kan ophouden te bestaan) of als een persoon de aandelen in een onderneming verkoopt (de entiteit als zodanig blijft dan bestaan).

In deze gevallen werkt de overdragende regio de belastingzaken (heffing en inning) zo spoedig mogelijk af tot en met het belastingjaar waarin zich de wijziging heeft voorgedaan. De particulier (met zijn eventuele partner en minderjarige kinderen) wordt in beginsel binnen 8 weken na het onherroepelijk worden van de definitieve aanslag inkomstenbelasting over het hiervoor bedoelde belastingjaar verwijderd uit de entiteit en vervolgens – indien van toepassing – terstond overgedragen aan de regio waaronder belastingplichtige volgens de Regeling op basis van het woonadres ressorteert.

Deze situatiewijziging doet zich bijvoorbeeld voor als iemand een eenmanszaak start of zich een aandelenpakket verwerft.

In deze gevallen wordt de onderneming of de particulier binnen vier weken nadat de Belastingdienst kennis heeft genomen van de situatiewijziging overgedragen aan de regio onder welke de entiteit waarin de onderneming of particulier is of wordt opgenomen, ressorteert.

Dit besluit dient ter vervanging van het besluit van 23 augustus 2001, nr. CPP2001/2318M.