Wijzigingen Officiële bron
Vaststelling Programma Transportbesparing (5e aanvraagperiode)Vaststellingsbesluit Programma Transportbesparing (5e aanvraagperiode) De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op artikel 2 van de Subsidieregeling milieu- en energie-efficiency in het goederenvervoer 2002;

Besluit:

Vast te stellen het navolgende Programma Transportbesparing (5e aanvraagperiode):

Dit programma zal in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,K.M.H.Peijs

Het Programma Transportbesparing is een programma als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Subsidieregeling milieu- en energie-efficiency in het goederenvervoer (SMEG). De bepalingen van de SMEG zijn van toepassing op de indiening en behandeling van de in het kader van dit programma in te dienen aanvragen, welke bepalingen op enige specifieke onderdelen in dit programma nader uitgewerkt zijn. Het Programma Transportbesparing is gericht op het Nationaal Milieubeleidsplan 4 en de in de Nota Milieu en Economie geformuleerde doelstelling van de regering om de milieubelasting door het goederenvervoer in de periode tot het jaar 2010 aanzienlijk te beperken. Het Programma Transportbesparing kent een looptijd van acht jaar (van 2000 tot en met 2007) en wordt opgedeeld in afzonderlijke aanvraagperioden. Dit betreft de vijfde aanvraagperiode.

De afgelopen jaren is het goederenvervoer fors gestegen. Naar verwachting zal het ook de komende jaren toenemen. Dit leidt tot een vermindering van de bereikbaarheid en heeft negatieve effecten voor het milieu en de veiligheid. Op diverse manieren is geprobeerd om deze negatieve effecten te beperken of te verminderen. Transportbesparing onderscheidt zich van de andere beleidslijnen doordat het zich richt op het verminderen van de vraag naar goederenvervoer, zonder de economische ontwikkeling te beperken. Het betreft projecten waarmee door de innovatie van een fysiek product of productieproces een vermindering van het aantal ritkilometers wordt gerealiseerd.

De doelstellingen van het programma zijn:

De belangrijkste doelgroepen van dit programma zijn producenten, verladers en brancheorganisaties.

Ten behoeve van transportbesparing kunnen twee clusters van mogelijke maatregelen worden onderscheiden:

In dit programma wordt verstaan onder:

Voor subsidiëring op grond van dit programma komen in aanmerking:

Voor subsidiëring komen uitsluitend in aanmerking transportbesparingsprojecten in de zin van:

De maximale projectduur bedraagt twee jaar.

Haalbaarheidsprojecten en demonstratieprojecten worden beoordeeld volgens de tendermethodiek, inclusief advisering van een commissie van externe deskundigen.

De uitvoering van het transportbesparingsproject wordt binnen drie maanden na de beslissing op de aanvraag gestart. Van de hierboven genoemde termijnen kan alleen afgeweken worden na voorafgaande schriftelijke toestemming van de Minister.

Het agentschap van het Ministerie van Economische Zaken ‘Senter’ is aangewezen als programmabeheerder als bedoeld in artikel 1 onder b van de SMEG en is door de Minister gemandateerd om dit programma uit te voeren.

De subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een aanvraagformulier dat bij Senter verkrijgbaar is. Ook nadere informatie over dit subsidieprogramma is verkrijgbaar bij Senter. Naast een plan van aanpak, hierna toegelicht, dienen ook alle overige bescheiden genoemd in het aanvraagformulier mede te worden opgestuurd.

Het plan van aanpak ten aanzien van elk van de drie soorten projecten bevat in ieder geval de hieronder bedoelde informatie:

De Minister geeft op de aanvraag een beschikking binnen dertien weken na afloop van de in artikel 4 genoemde indieningstermijn. Indien de beschikking niet binnen dertien weken kan worden gegeven, stelt de minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden gezien.

De Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag:

Daarnaast wordt afwijzend beslist in de gevallen, bedoeld in de artikelen 4:25 en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht.

Met betrekking tot de beoordeling van haalbaarheidsprojecten en demonstratieprojecten adviseert de Adviescommissie Programma Transportbesparing (hierna: de Commissie) de Minister over de aanvragen terzake van de projecten die niet op een van de onder 5 bedoelde gronden zijn afgewezen. De Minister kan de Commissie desgewenst vragen ook op overige zaken betreffende dit programma te adviseren.

De Commissie bestaat, naast de voorzitter, uit twee tot zes personen. De samenstelling is bekendgemaakt in de Staatscourant. De voorzitter en de leden zijn voor een termijn van vier jaar benoemd.

Een lid van de Commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van het advies indien hij een persoonlijk belang heeft bij de beschikking op de aanvraag. Overigens stelt de Commissie haar eigen werkwijze vast. De Minister kan waarnemers aanwijzen die het recht hebben de vergaderingen van de Commissie bij te wonen, en voorziet in het secretariaat van de Commissie.

In afwijking van artikel 8, tweede lid van de SMEG worden deze aanvragen niet behandeld in volgorde van binnenkomst, maar op basis van een tendersysteem.

De Commissie rangschikt de aanvragen die voldoen aan de criteria van de SMEG en van dit programma zodanig dat een project hoger gerangschikt wordt naarmate het project meer bijdraagt aan de volgende criteria:

De aanvrager verklaart bekend te zijn met de inhoud van de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen en verklaart zich te zullen inspannen deze naar vermogen in zijn onderneming toe te passen.

Bij het opstellen van de rangschikking wegen alle genoemde criteria even zwaar.

De Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van de door de Commissie voorgestelde wijze van totstandkoming van advies. De Minister kan afwijken van het advies van de Commissie als hij van mening is dat het advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen, dan wel in strijd is met de SMEG of dit programma. De Minister zal in de regel dan ook subsidie verlenen, beginnend bij de hoogst gerangschikte aanvraag tot dat het subsidieplafond is bereikt.

Aanvragen voor kennisoverdrachtprojecten worden door de Minister beoordeeld. Conform artikel 8 eerste en tweede lid van de SMEG geldt hierbij het zogenaamde ‘wie het eerst komt, het eerst maalt’-principe. Als datum van ontvangst geldt de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften voor indiening.

Ten einde voor honorering in aanmerking te komen, dient een kennisoverdrachtproject te passen binnen de doelstellingen van dit programma en in ieder geval ook te voldoen aan de volgende criteria:

Voor alle projecten geldt dat de kosten in aanmerking worden genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt deze omzetbelasting niet kan verrekenen met door hem af te dragen omzetbelasting.

Per deelproject gelden de volgende percentages:

Het subsidieplafond voor de vijfde aanvraagperiode van het Programma Transportbesparing bedraagt € 1.000.000,– voor haalbaarheidsprojecten en demonstratieprojecten gezamenlijk en € 400.000,– voor kennisoverdrachtprojecten.

Ten opzichte van de SMEG gelden de volgende afwijkende regels met betrekking tot rapportages, voorschotten en declaraties:

De subsidieontvanger geeft bij het uitvoeren van het transportbesparingsproject op de in de subsidiebeschikking aangegeven manier bekendheid aan het feit dat het project wordt uitgevoerd in het kader van het Programma Transportbesparing van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. De subsidieontvanger zal daarbij ingaan op de achtergronden en doelstellingen van het Programma Transportbesparing. Daarnaast zal de subsidieontvanger in het kader van de uitvoering van het Programma Transportbesparing medewerking aan de volgende zaken:

Voor de overige verplichtingen wordt verwezen naar de verplichtingen voortvloeiend uit de SMEG.

Dit besluit treedt in werking met ingang van 2 dagen na publicatie in de Staatscourant.