Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 29 januari 2004 tot algemeen verbindendverklaring van het op 21 september 1998 en 23 mei 2003 door De Nederlandsche Bank N.V. en een aantal representatieve organisaties overeengekomen beleggerscompensatiestelselBesluit algemeen verbindendverklaring beleggerscompensatiestelsel van 21 september 1998 en 23 mei 2003 overeengekomen door De Nederlandsche Bank en representatieve organisatiesWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 19 januari 2004, FM 2003-0687M, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten, Afdeling Financiële Stabiliteit;

Gelet op artikel 28a, tweede lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 en artikel 84, tweede lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage 29 januari 2004BeatrixDe Minister van Financiën,G.Zalmde vierde maart 2004De Minister van Justitie,J. P. H.Donner

Effecteninstellingen als bedoeld in artikel 28a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, met uitzondering van de effecteninstellingen die uitsluitend optreden als effectenbemiddelaar in de zin van artikel 1, onderdeel b, onder 3° van die wet, werken mee aan de uitvoering van het beleggerscompensatiestelsel, zoals dat is geregeld in de Collectieve Garantieregeling van Kredietinstellingen voor Terugbetaalbare Gelden en Beleggingen van 17 september 1998 en in de Beleggerscompensatieregeling van Effecteninstellingen voor Vorderingen van Beleggers van 23 mei 2003, waarover overeenstemming is bereikt tussen De Nederlandsche Bank N.V. en een aantal representatieve organisaties, welke regelingen als bijlage bij dit besluit zijn gevoegd.

Het koninklijk besluit van 21 september 1998 tot algemeen verbindendverklaring van het beleggerscompensatiestelsel van 17 september 1998 op grond van artikel 28a, tweede lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 en artikel 84, tweede lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 (Stb. 556) wordt ingetrokken. Op vorderingen waarop de Beleggerscompensatieregeling van 23 mei 2003 niet rechtstreeks van toepassing is en die verband houden met een betalingsonmacht die is ontstaan voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, wordt beslist met toepassing van het beleggerscompensatiestelsel van 17 september 1998.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

De Nederlandsche Bank NV, optredend in het kader van en artikel 28a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) en artikel 84 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 (hierna: Wtk 1992), heeft de navolgende regeling opgesteld in overleg met representatieve organisaties. Deze regeling geeft uitwerking aan de richtlijn beleggerscompensatiestelsels van 3 maart 1997 (97/9/EG; Pb. L 84/22), voor zover deze betrekking heeft op effecteninstellingen, niet zijnde kredietinstellingen, die beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, Wte 1995.

Voor de toepassing van het bij of krachtens deze regeling bepaalde, wordt verstaan onder:

Amsterdam, mei 2003

De Nederlandsche Bank NV

Prof Dr A. Schilder RA

Drs. S. de Wilde

Nederlandse Vereniging van Banken

Ir J.H.M. Lindenbergh

Drs P.M. Feenstra

Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A.

J.J. Verhaegen

Dr P.W. Moerland

Vereniging van Commissionairs in Effecten

Drs J.P. Stam rba

J.A.J. Koster

Vereniging van Vermogensbeheerders

M.J. van Poeteren rba

P. Loos

Dutch Fund Association

Ir G.A.M.J. Daeninck

Mr J.H.M. Janssen Daalen

Beleggers die niet onder de dekking van de Beleggerscompensatieregeling 2003 vallen zijn:

De hervorming van de toezichtstructuur per 1 september 2002 bracht mee dat de taken rond de Beleggerscompensatieregeling – gegeven haar overwegend prudentiële aspecten – bij De Nederlandsche Bank NV (de Bank) zijn ondergebracht. Tot 1 september 2002 werd de Beleggerscompensatieregeling nog volledig uitgevoerd door de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Per 1 september 2002 is de Bank verantwoordelijk geworden voor het overleg in het kader van de Beleggerscompensatieregeling met representatieve organisaties. Om de beleidsverantwoording en de uitvoeringstaken rond de Beleggerscompensatieregeling daadwerkelijk in een hand te kunnen brengen was het noodzakelijk de regeling te wijzigen. De Bank heeft daartoe overleg gevoerd met de representatieve organisaties als bedoeld in artikel 28a, eerste lid Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995). Het overleg heeft geleid tot overeenstemming over wijziging van de regeling.

De toelichting heeft tot doel de werking van de gehele Beleggerscompensatieregeling 2003 (BCR 2003) toe te lichten en niet primair de aangebrachte wijzigingen. De onderhavige toelichting is grotendeels gelijk gebleven aan de toelichting bij de voorgaande regeling uit 1998.

Op hoofdlijnen komt de BCR 2003 overeen met de regeling van 17 september 1998 (Staatsblad 1998, 556). Op drie onderdelen is de regeling aangepast:

Daarnaast is een aantal technische wijzigingen en tekstuele verbeteringen doorgevoerd.

De voornaamste inhoudelijke aanpassing in de BCR 2003 is de beperking van de reikwijdte ervan. In tegenstelling tot de regeling uit 1998 omvat de groep van deelnemende instellingen als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a BCR 2003, uitsluitend de effecteninstellingen die uit hoofde van hun vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid Wte 1995, diensten kunnen aanbieden of verrichten voor beleggers. Effectenbemiddelaars als bedoeld in artikel 1, sub b, onder 3°, Wte 1995 (waaronder met name «market makers») vallen niet langer onder de reikwijdte van de BCR 2003. In de regeling uit 1998 vielen dergelijke instellingen nog wel onder de werking van het beleggerscompensatiestelsel. Onderhavige beperking van de reikwijdte volgt op de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven als gedaan in een geschil tussen een market maker en AFM, voorheen STE (CBb 31 juli 2001, nr. AWB 99/992). Deze uitspraak impliceerde een aanpassing van de regeling.

De nu van de reikwijdte van de BCR 2003 uitgezonderde groep effectenbemiddelaars valt niet onder het begrip «beleggingsonderneming» als gedefinieerd in artikel 1, sub 2 van de richtlijn inzake beleggingsdiensten omdat zij, op grond van hun vergunning, slechts effectentransacties voor eigen rekening en risico verrichten en uit dien hoofde niet zijn betrokken bij transacties voor derden. De richtlijn inzake beleggercompensatiestelsels verplicht niet tot toepasselijkheid van een beleggerscompensatiestelsel op deze groep effecteninstellingen. Mede gelet op het oogmerk om de door de richtlijn inzake beleggerscompensatiestelsels minimaal voorgeschreven dekking niet uit te breiden en omdat ook de formulering van artikel 28a Wte 1995 er niet toe noopt om dergelijke instellingen onder de werking van de een beleggerscompensatiestelsel te brengen, is in vervolg op voornoemde rechterlijke uitspraak besloten om effecteninstellingen als bedoeld in artikel 1, sub b, onder 3° Wte 1995 vooralsnog buiten de reikwijdte van de BCR 2003 te brengen.

Bij het overleg met de betrokken representatieve organisaties als bedoeld in artikel 28a Wte 1995 is verder afgesproken dat in de loop van 2003 zal worden aangevangen met overleg over de verdere integratie van de BCR 2003 met de Collectieve garantieregeling voor terugbetaalbare gelden en beleggingen (CGR).

De BCR 2003 biedt aan beleggers een beperkte bescherming in het geval dat een deelnemende effecteninstelling niet langer in staat is om zijn verplichtingen te voldoen die voorvloeien uit vorderingen van beleggers. Het in de Wte 1995 neergelegde vergunning- en toezichtstelsel kan dergelijke situaties niet onder alle omstandigheden uitsluiten. Dit neemt niet weg dat de effecteninstellingen die een Wte-vergunning hebben om hun diensten als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder te mogen aanbieden of verrichten, aan regels onderworpen zijn die het in gebreke blijven in bovenbedoelde zin zoveel mogelijk beogen te voorkomen. Met name zijn in dat kader van belang de regels inzake de kapitaaltoereikendheid van effecteninstellingen alsmede de vermogensscheidingsregels.

Laatstgenoemde regels schrijven voor dat effecteninstellingen geen geld of effecten van beleggers onder zich mogen houden. Voor het geval een effecteninstelling die deelneemt aan deze regeling in gebreke blijft bij de nakoming van zijn verplichtingen en ter zake sprake is van financiële verplichtingen die voortvloeien uit vorderingen van beleggers, biedt de BCR 2003 als sluitstuk op het wettelijk toezichtregime aan beleggers een beperkte mogelijkheid van verhaal. Daarbij is uitgangspunt dat professionele marktpartijen, anders dan de niet professionele beleggers, geacht moeten worden om zelf de risico’s van het in gebreke blijven van een effecteninstelling genoegzaam te kunnen beoordelen.

De BCR 2003 ziet daarom slechts op de compensatie van niet-inbare vorderingen van niet professionele beleggers. De BCR 2003 ziet daarnaast uitsluitend op (betalingsonmachtige) effecteninstellingen die onder deze regeling kwalificeren als «deelnemende instelling». Dit zijn effecteninstellingen die – al dan niet aangewezen – beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid Wte 1995 met uitzondering van effectenbemiddelaars als bedoeld in artikel 1, sub b, onder 3°, Wte 1995. Voorts vallen onder de regeling de effecteninstellingen gevestigd in een andere lidstaat die opteren voor deelname aan de BCR 2003. Voor de compensatie van vorderingen van beleggers op kredietinstellingen die tevens het effectenbedrijf uitoefenen, is voorzien in een separaat stelsel, de Collectieve Garantieregeling van Kredietinstellingen voor Terugbetaalbare Gelden en Beleggingen (CGR). De uitvoering van dat stelsel berust bij de Bank. Bij de implementatie van de richtlijn inzake beleggerscompensatiestelsels en richtlijn depositogarantiestelsels zijn in nauw overleg tussen, de Bank, AFM en de betrokken representatieve organisaties de modaliteiten van beide regelingen zoveel mogelijk op elkaar afgestemd. Vorderingen van beleggers ten aanzien van effecteninstellingen die niet onder de BCR 2003 noch onder de CGR vallen, worden niet beschermd via het compensatie- of garantiestelsel.

Tenslotte is bij de opstelling van de BCR 2003, evenals bij de CGR, als uitgangspunt gehanteerd dat de uit de regeling voortvloeiende verplichtingen in beginsel worden gelegd bij de bedrijfstak zelf, dus bij de deelnemende instellingen. In overleg met representatieve organisaties is vastgesteld dat aan dat uitgangspunt is voldaan indien de BCR 2003 er in voorziet dat op enig moment vorderingen van beleggers tot een bedrag ten belope van EUR 22,6 miljoen door de effecteninstellingen, niet zijnde kredietinstellingen (met andere woorden de deelnemende instellingen als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a), zelf kunnen worden gedragen. Tevens is vastgesteld dat vanwege de op zichzelf als theoretisch te beschouwen mogelijkheid van een totaal aan vorderingen dat vorengenoemd bedrag overschrijdt, het eventuele meerdere zal worden omgeslagen over de gehele bedrijfstak, dat wil zeggen over alle instellingen die effectendiensten kunnen verlenen en hetzij onder de reikwijdte van de BCR 2003, hetzij onder de reikwijdte van de CGR vallen. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op artikel 10 van de BCR 2003.

De wijze waarop en de mate waarin aan beleggers minimaal bescherming moet worden geboden is voor de lidstaten van de Europese Unie geharmoniseerd in de richtlijn inzake beleggerscompensatiestelsels. Voor zover deze richtlijn dekking van beleggers bij effecteninstellingen, niet zijnde kredietinstellingen, voorschrijft, is zij in Nederland geïmplementeerd in de Beleggerscompensatieregeling van 17 september 1998 (Staatsblad 1998, 556), welke regeling grotendeels wordt gecontinueerd via de onderhavige BCR 2003.

De richtlijn inzake beleggerscompensatiestelsels gaat uit van het beginsel van home country control, dat wil zeggen dat de lidstaat waar de instelling is gevestigd (haar hoofdkantoor heeft) zorg dient te dragen voor de invoering van een stelsel dat dekking biedt aan de beleggers bij alle vestigingen van die instelling binnen de Europese Unie en de Europese Economische Ruimte. Bijkantoren van effecteninstellingen uit andere lidstaten vallen dus onder de garantieregeling van hun thuisstaat. Indien het gaststaatstelsel echter een ruimere dekking biedt dan het thuisstaatstelsel van een bijkantoor, moet dat bijkantoor ter aanvulling van de dekking aan de garantieregeling van de gaststaat kunnen deelnemen. De BCR 2003 schept daartoe de mogelijkheid in artikel 2, vijfde lid. Indien een bijkantoor hiertoe een verzoek indient, dienen nadere regels en procedures voor deelname en uitkering in bilateraal overleg met de bevoegde autoriteit in de desbetreffende lidstaat geregeld te worden. Hierbij kan gedacht worden aan het sluiten van een overeenkomst tussen de Bank en de bevoegde autoriteit(en) van de desbetreffende lidstaat.

In de BCR 2003 wordt de door de richtlijn inzake beleggerscompensatiestelsels als minimum voorgeschreven dekking vrijwel niet uitgebreid. Voor zover sprake is van een meer uitgebreide regeling, houdt dit verband met het feit dat ter zake de definitie van het begrip instrumenten (artikel 1 sub 9 BCR 2003) de in de Wte 1995 neergelegde definitie is gevolgd die, anders dan in de richtlijn inzake beleggerscompensatiestelsels, tevens goederentermijncontracten omvat. Tevens maakt de regeling geen onderscheid naar valuta. Aangezien de implementatie van de richtlijn inzake beleggerscompensatiestelsels de minimum voorgeschreven dekking biedt en nagenoeg geen uitbreiding kent, speelt de hiervoor beschreven aanvullende dekking in de praktijk naar verwachting enkel voor in Nederland gevestigde instellingen die deelnemen aan een regeling in een andere lidstaat die een uitgebreidere dekking biedt.

De definities sluiten grotendeels aan bij die van artikel 1 van de CGR.

In de omschrijving van het begrip belegger in sub 1, dient het begrip «toevertrouwd» zo ruim mogelijk te worden uitgelegd. Elke vordering van de belegger die verband houdt met door de deelnemende instelling als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a, in kwestie gedane beleggingsverrichtingen, wordt hieronder begrepen. Derhalve ook vorderingen die niet het gevolg zijn van het feit dat de deelnemende instelling als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a, geld of instrumenten van beleggers onder zich heeft gehouden. In de definitie van beleggingsverrichtingen is verduidelijkt dat de regeling slechts dekking biedt voor zover vorderingen voortvloeien uit relaties met vestigingen in een lidstaat van een deelnemende instelling. Uit het systeem van de richtlijn vloeit voort dat een ruimere dekking niet geboden hoeft te worden.

In artikel 28a, eerste lid Wte 1995 wordt ten aanzien van de reikwijdte van de BCR 2003 en de CGR verwezen naar effecteninstellingen met een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid Wte, alsmede naar kredietinstellingen en andere financiële instellingen waaraan het ingevolge artikel 6, onderscheidenlijk artikel 45 Wtk 1992 is toegestaan effectendiensten aan te bieden of te verrichten. Gegeven het feit dat laatstgenoemde categorieën onder de CGR vallen, zal de onderhavige regeling zien op de effecteninstellingen, niet zijnde kredietinstellingen, in de BCR 2003 (en deze toelichitng) omschreven als «deelnemende instellingen als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a». Daarbij wordt aangetekend dat artikel 28a, eerste lid Wte 1995 ziet op in Nederland gevestigde effecteninstellingen, maar dat daarnaast het derde lid van dat artikel voorziet in de bevoegdheid voor de Minister van Financiën om een niet in een lidstaat gevestigde effecteninstelling die beschikt over een vergunning om in Nederland het effectenbedrijf uit te oefenen, te verplichten om aan de uitvoering van de BCR 2003 OF DE CGR mee te werken, en wel indien de Minister van Financiën van oordeel is dat op vorderingen van beleggers op die instelling geen beleggerscompensatiestelsel van toepassing is dat gelijkwaardig is aan de door de richtlijn voorgeschreven dekking.

Indien een instelling door de minister van Financiën is aangewezen om deel te nemen aan de BCR 2003, is zij daartoe verplicht. Het niet voldoen aan de verplichtingen uit hoofde van de BCR 2003 kan reden zijn voor intrekking van de vergunning om als effecteninstelling werkzaam te zijn. Zie hiervoor artikel 19, tweede lid Wte 1995. Hierbij kan gedacht worden aan het niet voldoen aan de verplichting om de overeenkomst als bedoeld in artikel 2, tweede lid aan te gaan of aan het niet voldoen aan de bijdrageverplichtingen.

Voor nadere toelichting ter zake van de definitie van deelnemende instelling wordt verwezen naar hetgeen hiervoor is gesteld in het algemene deel van de toelichting.

De BCR 2003 hanteert het begrip representatieve organisaties. Hieronder vallen diverse organisaties die belangen vertegenwoordigen van effecteninstellingen en kredietinstellingen die in deze regeling een rol spelen vanwege het feit dat een belegger bij die instellingen beschermd wordt uit hoofde van deze regeling en/of het feit dat uitkeringen uit hoofde van de regeling op die instellingen verhaald kunnen worden. In de BCR uit 1998 werd voor dit begrip nog aansluiting gezocht bij een regeling van 18 augustus 1997 van de Minister van Financiën. Aangezien die regeling niet alle organisaties omvat die de belangen vertegenwoordigen van de bij de huidige BCR betrokken partijen, is er voor gekozen de betrokken organisaties te noemen. De representatieve organisaties in deze bedrijfstak zijn allen in de gelegenheid gesteld te participeren in het overleg. Een aantal representatieve organisaties heeft ervoor gekozen niet direct in het overleg te participeren, te weten de Vereniging van Marketmakers (MMA), het Samenwerkingsverband Bedrijfsmatige effecten-

handelaren (SBE) en de Vereniging van Zetelhouders AAT. Deze partijen zijn geïnformeerd over de voortgang van het overleg als bedoeld in artikel 28a Wte.

Zoals gezegd zal iedere door de minister aangewezen instelling verplicht zijn om deel te nemen aan de BCR 2003. In verband met de door de richtlijn voorgeschreven subrogatie is het daarnaast nodig om een overeenkomst van de Bank met iedere deelnemende instelling als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a tot stand te brengen (zie hierna onder subrogatie). Om die reden is de BCR 2003, analoog aan de regeling in de CGR, opgesteld in overleg met de representatieve organisaties. De verplicht deelnemende instellingen als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a zijn vervolgens gehouden om onder meer de in artikel 2, tweede lid beschreven overeenkomst met de Bank aan te gaan.

In de richtlijn wordt de eis gesteld dat de lidstaten er zorg voor dragen dat het stelsel, dat uit hoofde van de compensatie van beleggers uitkeringen verricht, het recht zal hebben om in liquidatieprocedures gesubrogeerd te worden in de rechten van deze beleggers, tot een bedrag gelijk aan het bedrag van hun uitkering. In de plaats treding door middel van een overeenkomst tussen schuldeiser en betalende derde kan enkel via een cessie. Het gehouden zijn tot betaling is thans onvoldoende om subrogatie te bewerkstelligen, tenzij sprake is van hoofdelijke verbondenheid (artikel 6:12 BW) dan wel er goederen van de betalende derde zijn verbonden (artikel 6:150 aanhef en sub a, b of c BW). De Bank neemt in de BCR 2003 naar haar mening geen hoofdelijke verplichting op zich, noch zijn haar goederen verbonden voor de schulden van de deelnemende instellingen. Teneinde desondanks buiten twijfel te stellen dat sprake is van subrogatie, is gekozen voor de subrogatie krachtens artikel 6:150 aanhef en sub d BW. In dat kader is een overeenkomst nodig tussen iedere deelnemende instelling als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a en de Bank. Om deze reden bevat de BCR 2003, naar analogie van de CGR, een aanbod van de Bank, vervat in artikel 2, tweede lid, dat door iedere deelnemende instellingen als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a, dient te worden aanvaard voordat zij door de BCR 2003 gedekte activiteiten ontwikkelt.

Met het oog op artikel 13 van de richtlijn beleggerscompensatiestelsels is in artikel 2, derde lid bepaald dat de Bank de beleggers uit zal betalen.

Artikel 2, tweede lid van de richtlijn inzake beleggerscompensatiestelsels laat het moment van dekkingsaanvang van de Beleggerscompensatieregeling afhangen van de vaststelling van de bevoegde autoriteiten dat de deelnemende instelling als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a, om redenen die rechtstreeks verband houden met haar financiële positie, momenteel maar ook niet op afzienbare termijn in staat lijkt te zijn om haar verplichtingen te voldoen die voortvloeien uit vorderingen van beleggers. In artikel 3, eerste lid is gekozen voor toepasselijkverklaring als aan de ene óf aan de andere eis wordt voldaan. De vaststelling moet krachtens de richtlijnen zo spoedig mogelijk geschieden. Blijkens de richtlijn depositogarantiestelsels moet de vaststelling uiterlijk plaatsvinden 21 dagen nadat de autoriteiten voor het eerst hebben geconstateerd dat een deelnemende instelling als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a, heeft nagelaten een verschuldigd en betaalbaar deposito terug te betalen. In de BCR 2003 is, naar analogie van de CGR, deze bepaling overgenomen. Verwezen wordt naar de toelichting op artikel 3 van de CGR.

Uit de richtlijn inzake beleggerscompensatiestelsels blijkt voorts dat een termijn mag worden gesteld voor de indiening van de vorderingen van beleggers. Conform de minimumtermijn genoemd in artikel 9, eerste lid van de richtlijn inzake beleggerscompensatiestelsels, is deze vastgesteld op vijf maanden na de datum van publicatie van de eerste advertentie van de Bank dat verzoeken om een uitkering kunnen worden gedaan. De advertentie zal zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de betalingsonmacht worden gepubliceerd. De meeste verzoeken om uitkering zullen vermoedelijk vrij snel daarna worden ontvangen. Bij de bepaling over de verschoonbare termijnoverschrijding (vijfde lid) is aansluiting gezocht bij artikel 6:11 AWB. Een ieder die zich aanmeldt, zal in de praktijk een in te vullen formulier krijgen, waarin de formele kanten (cessie, acceptatie van de subrogatie) en de materiële kanten (welke vordering, uit hoofde waarvan) stapsgewijs worden behandeld. Indien deze gegevens en verklaringen niet tijdig worden verstrekt, zal de Bank in beginsel niet tot uitkering overgaan. De in dit artikel neergelegde termijn van vijf maanden ziet overigens slechts op de indiening van de vorderingen van beleggers en niet op de gegevens die zij krachtens artikel 9 van deze regeling aan de Bank moeten doen toekomen teneinde voor een uitkering in aanmerking te kunnen komen. Voor dat laatste is in artikel 9, eerste lid voorzien in een termijn van drie maanden vanaf het moment dat de belegger zijn vordering heeft ingediend.

In de bij de BCR 2003 behorende bijlage zijn de beleggers opgesomd wier vorderingen niet door de regeling worden gedekt. Het betreft met name «insiders», professionele marktpartijen en grotere ondernemingen. In de lijst is vrij nauw aangesloten bij de toegestane of verplichte uitzonderingen die zijn genoemd in de richtlijn inzake beleggerscompensatiestelsels en in de daarbijbehorende bijlage I. Ter verduidelijking is in het derde lid van artikel 4 opgenomen dat alleen vorderingen welke hun grondslag hebben in een rechtsverhouding die wordt gerekend tot het in of vanuit Nederland uitgeoefende bedrijf van de aan de BCR 2003 deelnemende instelling als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a, onder de dekking van de bcr 2003 vallen. Aangezien juridisch bezien bijkantoor en hoofdvestiging (en eventuele andere vestigingen) onderdelen van één juridische entiteit vormen, zou anders verwarring kunnen ontstaan over de reikwijdte van de dekking. Ten onrechte zou het beeld kunnen ontstaan dat ook vorderingen op het hoofdkantoor onder de BCR 2003 wordt gedekt.

De definitie van gemeenschappelijke beleggingsverrichting is ruim gedefinieerd. Het was echter niet de bedoeling om vorderingen van instellingen voor gemeenschappelijke belegging hieronder te brengen, aangezien hun expertise aan hun investeerders kan worden toegerekend. Teneinde dit buiten twijfel te stellen is hiertoe in het tweede lid een bepaling opgenomen.

De richtlijn inzake beleggerscompensatiestelsels verplicht tot een minimum dekking van EUR 20 000. Indien de Europese Commissie het minimum uit te keren bedrag zou willen aanpassen dan zal zij de normale weg moeten bewandelen voor het aanpassen van een richtlijn en een voorstel moeten indienen bij de Raad en het Europees Parlement. Indien een aanpassing van de richtlijn inzake beleggercompensatiestelsels meebrengt dat de hoogte van de minimumdekking wijzigt, is de Bank bevoegd de hoogte van het bedrag in de BCR 2003 dienovereenkomstig aan te passen.

Volgens artikel 10 van de richtlijn depositogarantiestelsels moet het stelsel in staat zijn om terdege getoetste aanspraken uiterlijk binnen drie maanden te honoreren nadat een deelnemende instelling als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a, een betalingsonmachtige instelling is geworden. Aangezien de termijn van indiening van de vorderingen ruimer kan zijn, kan het niet de bedoeling zijn dat alle uitkeringen binnen drie maanden na aanvang van de geldigheid van de regeling plaatsvinden. Het stelsel moet het zo spoedig mogelijk doen en binnen drie maanden na aanvang financieel in staat zijn om de benodigde uitkeringen te doen. Gezien de wijze van financiering is in de mogelijkheid voorzien om alle uitkeringen tijdig te doen. De bovenstaande uitleg stemt tevens overeen met het uitvoeriger omschreven uitkeringentijdpad van artikel 9 van de richtlijn inzake beleggerscompensatiestelsels. Uitkering moet zo spoedig mogelijk plaatsvinden, waarbij geldt dat het stelsel daartoe in staat moet zijn uiterlijk drie maanden nadat de geldigheid en het bedrag van een vordering zijn vastgesteld. Aangezien voor de financiering geen uitstel noodzakelijk is, en voor de vaststelling een uiterlijke termijn van drie maanden redelijk is, is gekozen voor een uitkering binnen drie maanden na de indiening. Indien voordien is vastgesteld dat het geen valide vordering is, hoeft vanzelfsprekend niet te worden uitgekeerd. Indien nadien wordt vastgesteld dat de vordering niet gedekt was, zal het bedrag bij de ontvanger teruggevorderd worden uit hoofde van onverschuldigde betaling. Voor de verjaring van deze vordering gelden de normale termijnen uit het BW.

Tot uitkering hoeft niet te worden overgegaan indien aan één of meerdere formele vereisten niet is voldaan (bijvoorbeeld de cessie), of indien het aan de belegger te wijten is dat zijn vordering niet tijdig kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld doordat hij na het indienen van zijn vordering niet tijdig informatie verschaft over de oorsprong van zijn vordering, op grond waarvan de Bank kan overgaan tot vaststelling van de geldigheid en het bedrag van de vordering. In dit laatste geval wordt de termijn waarbinnen de Bank moet uitkeren verlengd met dezelfde tijdsduur als de belegger te lang heeft gedaan over het verstrekken van de gevraagde informatie of stukken.

Beleggers dienen hun vorderingen jegens de deelnemende instelling als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a, die niet aan zijn verplichtingen voldoet aan de Bank te cederen. Dit wordt vereist teneinde te verzekeren dat de Bank, ter behartiging van de belangen van de BCR 2003, in de rechten van de belegger treedt voor zover deze door de BCR 2003 is vergoed. De uit de richtlijnen voortvloeiende regeling brengt enkel met zich mee dat beleggers een bepaald bedrag in ieder geval moeten krijgen. Een verder voordeel (dubbele uitkering of voorrang boven de aan het stelsel over te dragen vordering) is niet bedoeld.

Voor zover de subrogatie gebreken vertoont, kan tevens uit hoofde van de gecedeerde vordering een vordering worden neergelegd bij de bewindvoerder of bij de curator van de in problemen verkerende deelnemende instelling. Indien de aandelen in de deelnemende instelling als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a, inmiddels zijn overgenomen en zij van voldoende liquiditeit en solvabiliteit is voorzien, kan de vordering worden ingediend bij de bestuurders van de instelling.

Bij vorderingen van beleggers zal het vaak voorkomen dat de effecten die niet worden teruggegeven, niet door de deelnemende instelling gehouden worden (ten behoeve van administratie of beheer), maar door een derde of in een afgezonderd depot. Hierbij dient gedacht te worden aan de situatie dat de deelnemende instelling als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a, de effecten op naam van de belegger heeft geregistreerd in een verzameldepot als bedoeld in de Wet Giraal Effectenverkeer of in bewaring heeft gegeven aan een apart bewaarbedrijf. In beginsel zal de belegger de stukken dan terug krijgen omdat zij ofwel niet in het vermogen van de deelnemende instelling als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a, vallen (doordat zij afgescheiden zijn bewaard) ofwel bij een andere instelling (bewaarbedrijf) zijn gedeponeerd. De curator of de derde zal de stukken in beginsel aan de belegger teruggeven, waardoor de belegger geen vordering (meer) heeft op de deelnemende instelling als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a die voortvloeit uit het feit dat die instelling niet in staat is die stukken terug te geven. Hierbij kan echter iets mis gaan of vertraging ontstaan. In dat geval zou de belegger een gedekte vordering kunnen hebben op het stelsel, naast de eventuele honoreerbare vordering op een eventuele derde. Deze vordering moet de belegger dan tevens cederen, opdat hij niet zowel de schadevergoeding kan krijgen alsook, uiteindelijk, de stukken.

Aangezien veilig is gesteld dat op basis van de BCR 2003 tijdig uitkeringen kunnen worden gedaan, laat de richtlijn inzake beleggerscompensatiestelsels de wijze van financiering vrij. In de uitvoering van de BCR 2003 is gekozen voor een voorfinanciering door de Bank, samen met een ook in andere lidstaten toegepaste figuur van financiering via de figuur van een fonds waaraan alle deelnemende instellingen als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a bijdragen. De Bank schiet voor, waarna het fonds wordt aangesproken en het eventueel resterende bedrag wordt omgeslagen over de deelnemende instellingen als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a en andere deelnemende instellingen.

Ten behoeve van de omslag zijn er drie tranches. Uitkeringen uit hoofde van de BCR 2003 komen in eerste instantie ten laste van het compensatiefonds. Dit compensatiefonds wordt gevuld door bijdragen van deelnemende instellingen als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a. Indien het fonds is uitgeput wordt een resterend bedrag ten belope van maximaal EUR 11,3 miljoen omgeslagen over de deelnemende instellingen als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a. Mocht ook deze tranche ontoereikend zijn om de uitkeringen uit te voldoen, dan zal het meerdere daarboven worden omgeslagen over alle instellingen betrokken bij de BCR 2003 (dat zijn de instellingen bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a tot en met d). Daarmee is enerzijds gewaarborgd dat onder normale omstandigheden de deelnemende instellingen als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a, zélf de financiering van de BCR 2003 op zich nemen en anderzijds dat in uitzonderlijke omstandigheden, te weten het geval dat de uit de BCR 2003 voortvloeiende kosten het geheel van de in het fonds bijeen gebrachte gelden en de aanvullende omslag van EUR 11,3 miljoen overschrijdt, het meerdere wordt omgeslagen over de gehele bedrijfstak van effecteninstellingen (dus inclusief kredietinstellingen). Deze systematiek wordt voldoende geacht om, extreme omstandigheden daargelaten, aan de uit de BCR 2003 voortvloeiende verplichtingen te kunnen voldoen.

Wat betreft de wijze waarop de uit de BCR 2003 voortvloeiende kosten over de bedrijfstak worden omgeslagen, is ter zake van het bedrag als bedoeld in artikel 10, eerste lid sub c, bepaald dat dit conform het bepaalde in artikel 12 over de gehele bedrijfstak worden omgeslagen. Hierbij wordt de methode van de CGR gehanteerd; deze gaat uit van een omslagpercentage naar rato van de geconsolideerde bedrijfseconomische balansen. Hierbij zal er overigens voor worden gezorgd dat dubbeltelling wordt voorkomen bij die deelnemende instelling die een zelfstandige dochter is en die tevens is opgenomen in de geconsolideerde balans van de moeder die ook een deelnemende instelling is. Ter zake van het bedrag als bedoeld in artikel 10, eerste lid sub b dat over de effecteninstellingen niet zijnde kredietinstellingen wordt omgeslagen, wordt een omslagpercentage gehanteerd naar rato van het aantal cliënten.

De Bank zal – aangezien zij de vordering van de betrokken beleggers verder afwikkelt – trachten de vorderingen in de faillissementsprocedure uitbetaald te krijgen. In die gevallen waarin de uitkering uit hoofde van de BCR 2003 samenhangt met ernstige nalatigheid van de bestuurders van de betrokken deelnemende effecteninstelling, kan de Bank ook via het aansprakelijk stellen van de betrokken bestuurder(s) trachten de vorderingen te verhalen.

Dit artikel is analoog aan artikel 13 van de CGR. Het artikel ziet op de mogelijkheid dat voor de toepassing van deze regeling de Rabobank Nederland, de daarbij aangesloten Rabobanken en de dochters van Rabobank Nederland voor de werking van de onderhavige regeling gezien kunnen worden als één instelling. Voor de nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op artikel 13 van de CGR.

Zoals opgemerkt bij artikel 11 stellen de richtlijnen de eis dat het financiële stelsel niet in gevaar mag komen door de financieringsverplichtingen ten aanzien van de te verrichten uitkeringen. In Nederland is hieraan vorm gegeven door artikel 14. Bij verhaal binnen één kalenderjaar van meer geld dan de aangegeven percentages, wordt naar de mening van de Bank en representatieve organisaties het financiële stelsel in ongezonde mate aangetast. Het maximale verhaal stelt een jaarlijks plafond vast voor elke individuele deelnemende instelling en voor de deelnemende instellingen gezamenlijk. Het jaarlijkse plafond als benoemd in het derde en vierde lid van ziet daarbij op combinatie van verhaal uit hoofde van de BCR 2003 met verhaal uit hoofde van de CGR. In dergelijke gevallen wordt de bijdrageverplichting opgeschort naar een volgend jaar en eventueel een daaropvolgend jaar.

Artikel 16 voorziet in de grondslag voor een fonds waaruit de door de BCR 2003 voorziene compensatie van beleggers wordt gefinancierd. Een dergelijke regeling is van belang geacht met het oog op de geringere financiële draagkracht van sommige aan de BCR 2003 deelnemende instellingen als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a. Het compensatiefonds wordt beheerd door een speciaal daartoe opgerichte stichting, de Stichting Beleggers Compensatiefonds. Deze stichting is opgericht op 18 augustus 1999. Teneinde het handelen van de stichting in de regeling in te bedden is zij gehouden haar activiteiten te verrichten in overeenstemming met de regels als vastgesteld door de Bank na overleg met representatieve organisaties. Voorts is wijziging van de statuten van de stichting door de Bank te initiëren.

Het compensatiefonds heeft een doelvermogen van EUR 11,3 miljoen, welk doelvermogen wordt bereikt door bijdragen van deelnemende instellingen als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a. De Bank stelt, na overleg met de representatieve organisaties, de omvang van de dotatie aan het compensatiefonds vast en geeft de bijdrage per instelling. Belangrijk uitgangspunt voor de Bank is deze instellingen zoveel mogelijk zekerheid te geven over de omvang van de reguliere heffing. De Bank zal de deelnemende instellingen als bedoeld in artikel 1 vijfde lid sub a, derhalve melden welke financieringsmethodiek zij voornemens is te hanteren voor het compensatiefonds. Tevens worden de deelnemende instellingen als bedoeld in artikel 1 vijfde lid sub a, tijdig op de hoogte gebracht van de omvang van de dotatie aan het fonds en de individuele heffing. Zij kunnen zo indien nodig reserveren. Het is tegen deze achtergrond dat de in de BCR uit 1998 opgenomen opbouwtermijn is geschrapt. Juist een gefixeerde opbouwtermijn kan – gegeven aanspraken op het compensatiefonds – tot een grillig en onvoorspelbaar patroon van de dotatie en de individuele heffingen leiden. Aangezien het gewenst is de opbouw van het compensatiefonds aan zekere randvoorwaarden te binden, is in de BCR 2003 opgenomen dat, zolang het doelvermogen van het compensatiefonds niet bereikt is, de omvang van de dotatie jaarlijks in ieder geval EUR 750 000,– dient te bedragen. Wanneer dit bedrag enkel is te realiseren door een dramatische stijging van de bijdrage per doterende instelling, welke stijging geheel onvoorzien was bij het vaststellen van de financieringsmethodiek (bijvoorbeeld doordat een groot aantal doterende instellingen uit de BCR 2003 treedt), is dit voor de Bank reden om met representatieve organisaties de financiering van het compensatiefonds opnieuw te bespreken.

Uit de richtlijn inzake beleggerscompensatiestelsels volgt zowel een informatiegebod als een publicatieverbod. Beide bepalingen zijn opgenomen in artikel 16 van de richtlijn. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de deelnemende instellingen informatie over de bepalingen van de garantieregeling(en) waaraan de instelling en haar bijkantoren deelne(e)m(t)(en) aan hun beleggers ter beschikking stellen. Waar de grens ligt tussen informeren en reclame maken kan onduidelijk zijn. Daar waar dit naar het oordeel van de Bank niet evident is, zal door haar in overleg met de representatieve organisaties worden bepaald welke informatie wel als reclame gebruikt mag worden. Vanzelfsprekend mag in ieder geval vermeld worden aan welk stelsel een effecteninstelling deelneemt.

De Bank is de in artikel 28a Wte bedoelde organisatie die in overleg treedt met de representatieve organisaties en is voor wat betreft de uitvoeringsaspecten via deze regeling verantwoordelijk gemaakt. Daarnaast heeft de Bank een rol inzake de voorfinanciering van uitkeringen, welke voorfinanciering via verhaal op het compensatiefonds en via omslag over deelnemende instellingen, wordt terugbetaald. Een specifieke financieringsrol is voor de Bank beschreven in artikel 20.

In verband met de overdracht van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de regeling van AFM naar de Bank is geregeld dat afhandeling van uitkeringsverzoeken als gedaan onder de werking van de Beleggerscompensatieregeling uit 1998 uitgevoerd blijft worden door AFM, ook nadat de BCR 2003 in werking is getreden. Indien dergelijke verzoeken tot uitkering leiden, vindt afwikkeling plaats ten laste van het compensatiefonds, één en ander uit voeren in samenwerking tussen AFM en de Bank.

In het algemene deel van de toelichting is reeds beschreven dat de aanpassing van de regeling onder meer een beperking van de reikwijdte van de regeling betreft. Een aantal partijen zal niet langer aan de BCR 2003 deelnemen, hun bijdrage is daarmee niet langer gegeven voor het compensatiefonds. Dit zijn de effecteninstellingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid sub b onder 3° van de Wte 1995. De Bank doet de toezegging van AFM gestand die meebrengt dat de bijdrage van niet langer aan de regeling deelnemende effecteninstellingen wordt terugbetaald, ook al bestaat daartoe geen verplichting. Eén en ander heeft niet alleen tot gevolg dat het aantal schouders waarover de financiële lasten kunnen worden verdeeld is verminderd, ook is het fondsvermogen van het compensatiefonds geslonken. Teneinde de mogelijk nadelige effecten van deze aanpassing voor de omslag over alle bij de BCR 2003 betrokken instellingen te beperken, stelt de Bank een renteloos voorschot beschikbaar ten behoeve van uitkeringen uit het compensatiefonds. Deze faciliteit geldt tot 31 december 2008. Mocht het compensatiefonds voor 31 december 2008 op enig moment zijn uitgeput, dan kan, voordat de omslag conform artikel 10, eerste lid sub b wordt toegepast, eerst het renteloos voorschot worden aangesproken. Het renteloos voorschot zal corresponderen met de som van de bedragen die worden terugbetaald aan de partijen die niet langer aan de regeling deelnemen (de effecteninstellingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid sub b onder 3° van de Wte 1995), met dien verstande dat dit voorschot in totaal ten hoogste EUR 1 miljoen bedraagt. Er kan een beroep op deze faciliteit worden gedaan, totdat het renteloos voorschot volledig is benut. De terugbetaling van een op deze wijze voorgeschoten bedrag vangt aan na afloop van de periode waarin gebruik kan worden gemaakt van het renteloos voorschot (dat wil zeggen na 31 december 2008). Om te voorkomen dat enige terugbetaling tot een ongezonde aantasting van het financiële stelsel leidt, dient de terugbetaling in lijn met de in artikel 14 gegeven waarborg te worden vormgegeven. De definitieve modaliteiten inzake de terugbetaling dienen op dat moment te worden vastgesteld na overleg met de representatieve organisaties.

De bijlage bij de BCR 2003 bevat de beleggers die mede op grond van de richtlijn inzake beleggerscompensatiestelsels worden uitgezonderd. Punt 5 van de bijlage beoogt (elke schijn van) bevoordeling en/of belangenverstrengeling uit te sluiten. Punt 7 gaat voor een afbakening van het begrip groep uit van artikel 2:24b BW.

De Nederlandsche Bank NV en de Stichting Toezicht Effectenverkeer, optredend in het kader van artikel 84 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 (Wtk 1992) en artikel 28a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995), hebben de navolgende regeling opgesteld in overleg met de Nederlandse Vereniging van Banken, de Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank BA en de Nederlandse Spaarbankbond, die hierbij hebben opgetreden als de representatieve organisaties in de zin van de Wtk 1992 en als organisaties van de effecteninstellingen die aan deze regeling gebonden zullen zijn (effecteninstellingen tevens zijnde kredietinstellingen) in de zin van de Wte 1995.

In deze regeling wordt uitwerking gegeven aan de richtlijn depositogarantiestelsels van 30 mei 1994 (94/19/EG; L 135/5) en, voorzover deze betrekking heeft op kredietinstellingen, de richtlijn beleggerscompensatiestelsels van 3 maart 1997 (97/9/EG; L 84/22). In verband met de vaststelling van laatstgenoemde richtlijn en de daarmee samenhangende invoering van artikel 28a Wte 1995 voldeed de Collectieve Garantieregeling dd 23 mei 1996 niet meer aan de daaraan te stellen eisen.

Voor de toepassing van het bij of krachtens deze regeling bepaalde, wordt verstaan onder:

Het totaalbedrag van deze bijdragen zal over de deelnemende instellingen, die niet onder deze grens komen, worden omgeslagen aan de hand van het omslagpercentage vastgesteld conform artikel 12.