Ministeriële regeling · BWBR0016412

Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 20 februari 2004, nr. EV 2004017428, Directoraat-Generaal Milieubeheer, Directie Externe Veiligheid, houdende Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Gelet op artikel 24, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen, artikel 1.1.1, eerste lid, artikel 2.1.1 en artikel 3.1.2 van het Vuurwerkbesluit;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Kuala Lumpur20 februari 2004De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerP.L.B.A . van Geel

In deze regeling wordt verstaan onder:

Consumentenvuurwerk en theatervuurwerk mag niet de stoffen bevatten vermeld in bijlage II.

Consumentenvuurwerk dat een roterende beweging maakt, is niet aan een stok of een draad bevestigd.

Consumentenvuurwerk is niet herlaadbaar.

Consumentenvuurwerk mag niet door gebruikmaking van vermeldingen of voorstellingen de indruk wekken dat het vuurwerk niet voldoet aan de in deze regeling aan consumentenvuurwerk gestelde eisen.

Het in bijlage V vermelde vuurwerk wordt aangewezen als theatervuurwerk voor zover het voldoet aan de in die bijlage gestelde eisen met betrekking tot de lading.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004.

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het besluit van 16 januari 2004 tot wijziging van het Vuurwerkbesluit en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer en enkele andere besluiten (Stb. 26) in werking treedt, met dien verstande dat:

Fop- en schertsvuurwerk (artikel 2, eerste en tweede lid)

Stoffen die niet mogen voorkomen in consumentenvuurwerk en theatervuurwerk (artikel 3)

A. Zichzelf niet voortdrijvend vuurwerk dat na ontsteking door de reactie geheel of gedeeltelijk uiteen wordt gereten;

A1. niet-gecompartimenteerd – lading: uitsluitend zwart buskruit tot een gewicht van ten hoogste 2,5 gram;

A2. gecompartimenteerd, zoals snoeren, strengen of zevenklappers – lading: uitsluitend zwart buskruit tot een gewicht van ten hoogste 2500 gram mits elk compartiment niet meer bevat dan ten hoogste 0,5 gram.

B. Zichzelf niet voortdrijvend vuurwerk dat na ontsteking door de reactie niet uiteen wordt gereten met een geleidelijke uitstoot van het effect op de grond tot een maximale hoogte van 5 meter;

B1. niet-gecompartimenteerd vuurwerk zonder knal met een lading tot een gewicht van ten hoogste 100 gram;

B2. gecompartimenteerd vuurwerk zonder knal met een lading tot een gewicht van ten hoogste 200 gram mits elk compartiment niet meer bevat dan ten hoogste 100 gram.

C. Zichzelf niet voortdrijvend vuurwerk dat na ontsteking door de reactie niet uiteen wordt gereten; indien zich in het vuurwerk een bursteffect bevindt, dient dit pas boven een hoogte van 5 meter tot ontbranding te komen;

C1. niet-gecompartimenteerd vuurwerk met niet meer dan een pyrotechnische unit zonder knal met een lading tot een gewicht van ten hoogste 50 gram; de totale lading van de burst mag maximaal 10 gram zwart buskruit bevatten of 4 gram andere nitraathoudende lading of 2 gram perchloraat/metaal;

C2. gecompartimenteerd vuurwerk zonder knal met een lading tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 500 gram en een lading per compartiment van ten hoogste 15 gram; de totale lading van de burst mag per compartiment maximaal 10 gram zwart buskruit bevatten of 4 gram andere nitraathoudende lading of 2 gram perchloraat/metaal;

C3. niet-gecompartimenteerd vuurwerk zonder knal met twee of meer pyrotechnische units tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 50 gram waarbij de lading per pyrotechnische unit niet meer bedraagt dan 10 gram; de totale lading van de bursteffecten mag maximaal 10 gram zwart buskruit bevatten of 4 gram andere nitraathoudende lading of 2 gram perchloraat/metaal; de constructie dient zodanig te zijn uitgevoerd dat het vuurwerk eenvoudig in de grond is te plaatsen.

D. Zichzelf voortdrijvend, verticaal opstijgend vuurwerk;

D1. met knal – lading voor knaleffect: uitsluitend zwart buskruit tot een gewicht van ten hoogste 2 gram; overige lading: zwart buskruit of een andere lading waarvan het gezamenlijk gewicht, met inbegrip van het gewicht van de lading voor het knaleffect, ten hoogste 5 gram mag bedragen; het vuurwerk moet een vast verbonden stok voor vluchtstabilisatie bezitten;

D2. met bursteffect dat na de ontsteking door de reactie geheel of gedeeltelijk uiteen wordt gereten – lading: zwart buskruit of een andere lading tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 40 gram; de totale lading van de burst mag maximaal 10 gram zwart buskruit bevatten of 4 gram andere nitraathoudende lading of 2 gram perchloraat/metaal; het vuurwerk moet een vast verbonden stok voor vluchtstabilisatie bezitten;

D3. met een geluid- of lichteffect anders dan een burst of een knal – lading: zwart buskruit tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 40 gram; het vuurwerk moet een vast verbonden stok voor vluchtstabilisatie bezitten.

E. Zichzelf voortdrijvend, roterend vuurwerk;

E1. dat niet opstijgt en na de ontsteking door de reactie geheel of gedeeltelijk uiteen wordt gereten – lading voor knaleffect: uitsluitend zwart buskruit tot een gewicht van ten hoogste 1 gram; overige lading: zwart buskruit of een andere lading waarvan het gezamenlijk gewicht, met inbegrip van het gewicht van de lading voor het knaleffect, ten hoogste 5 gram mag bedragen;

E2. dat niet opstijgt en na de ontsteking door de reactie niet uiteen wordt gereten – lading: zwart buskruit of een andere lading, waarvan het gezamenlijk gewicht ten hoogste mag bedragen:

E3. dat opstijgt en na de ontsteking door de reactie niet uiteen wordt gereten – lading: zwart buskruit of een andere lading tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 5 gram.

F. Zichzelf niet voortdrijvend vuurwerk dat na ontsteking door de reactie niet uiteen wordt gereten met een effect dat per pyrotechnische unit gelijktijdig geheel wordt uitgestoten en vanaf de grond tot een maximale hoogte van 10 meter reikt;

F1. niet-gecompartimenteerd vuurwerk met niet meer dan een pyrotechnische unit zonder knal met een lading tot een gewicht van ten hoogste 50 gram;

F2. gecompartimenteerd vuurwerk zonder knal met een lading tot een gewicht van ten hoogste 200 gram mits elke pyrotechnische unit niet meer lading bevat dan 15 gram.

G. Vuurwerk bestaande uit door de fabrikant samengestelde combinaties van B1, C2, C3 of F2 zijn toegestaan mits ieder type afzonderlijk functioneert en voldoet aan de individuele eisen die gesteld zijn – lading: tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 500 gram.

Methode van onderzoek in verband met omvallen van vuurwerk (artikel 9, zesde lid, alsmede artikel 12, achtste lid)

1. Het te testen artikel wordt overeenkomstig de gebruiksaanwijzing geplaatst op een houten blok. Het bovenvlak van dit blok heeft een helling van 10 graden ten opzichte van het horizontale vlak en is bekleed met schuurpapier met grit P80 volgens ISO 6344-2.

2. Plaats de basis van het artikel op het houten blok en ontsteek de lont. Voor een polygone basis (bijvoorbeeld een driehoek of ruit): plaats één zijde van de basis evenwijdig aan de bovenrand van het blok.

3. Observeer of het artikel eerder omvalt dan na het uitstoten van het laatste pyrotechnische effect en dit omvallen de werking van een of meer pyrotechnische effecten in enigerlei opzicht heeft beïnvloed. Wanneer dit het geval is, kan de test worden gestaakt.

4. Plaats het volgende exemplaar van het artikel 90° met de klok mee gedraaid ten opzichte van de oriëntatie in de vorige test op het houten blok en ontsteek de lont.

5. Herhaal stap 4. voor ieder artikel uit de steekproef, tenzij het artikel eerder omvalt dan na het uitstoten van het laatste pyrotechnische effect en dit omvallen de werking van een of meer pyrotechnische effecten in enigerlei opzicht heeft beïnvloed.

Theatervuurwerk (artikel 13)

1. Testlocatie

2. Weersomstandigheden

De test moet worden uitgevoerd bij droog weer. De windsnelheid, gemeten op 1,5 meter hoogte boven de grond, mag niet groter zijn dan 5 meter per seconde.

3. Meetsysteem

4. Meetopstelling

5. Meetmethode

6. Testrapport

Het testrapport moet ten minste de volgende informatie bevatten: