Beleidsregel · BWBR0018379

Besluit beroep in belastingzaken 2005

Wijzigingen Officiële bron
Besluit beroep in belastingzaken 2005Besluit beroep in belastingzaken 2005

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Voor de uitvoering van dit besluit wordt verstaan onder:

Indien er een bezwaarschrift wordt ontvangen met daarin een verzoek om rechtstreeks beroep te mogen instellen, stemt de inspecteur in met het overslaan van de bezwaarschriftenprocedure als hij de zaak geschikt acht voor rechtstreeks beroep.

De hoofdregel blijft dat eerst de bezwaarschriftenprocedure wordt gevolgd.

De zaak is alleen dan geschikt voor rechtstreeks beroep als in de primaire fase reeds een zodanig uitputtende gedachtewisseling tussen inspecteur en belanghebbende heeft plaatsgevonden, dat de bezwaarschriftenprocedure daaraan weinig of niets meer kan toevoegen, terwijl tevens vaststaat dat het besluit nog altijd in geschil is. Hetzelfde geldt voor de situatie waarin een besluit nauw samenhangt met een besluit waartegen reeds beroep is ingesteld.

De zaak is in ieder geval niet geschikt voor rechtstreeks beroep als het bezwaarschrift gericht is tegen het niet tijdig nemen van een besluit (fictief besluit) of – in meerpartijengeschillen – als niet alle indieners van een bezwaarschrift om het overslaan van de bezwaarprocedure hebben verzocht.

Alvorens de inspecteur zijn beslissing op het verzoek neemt, vindt een collegiale toetsing plaats.

Als de inspecteur instemt met het verzoek om rechtstreeks beroep te mogen instellen, zendt hij het bezwaarschrift, met daarop aangetekend de dagtekening van ontvangst, onverwijld door aan de bevoegde rechter.

Indien de zaak niet geschikt is voor rechtstreeks beroep wijst de inspecteur het verzoek af. Als het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is neemt de inspecteur de afwijzing in de beslissing op het bezwaarschrift op. In de overige gevallen deelt hij de beslissing uiterlijk tegelijkertijd met de uitnodiging voor de hoorzitting aan de verzoeker schriftelijk mede.

Behoudens in de in § 7 en § 8 bedoelde gevallen zendt de inspecteur steeds overeenkomstig artikel 8:42 Awb binnen de daarvoor gestelde termijn van vier weken zijn geschriften, zoals een ondertekend verweerschrift, en alle andere op de zaak betrekking hebbende stukken (zie § 9) aan de rechtbank.

Ter bevordering van de kwaliteit en de eenheid van beleid en uitvoering vindt op de inhoud van het verweerschrift een collegiale toetsing plaats. Het is daarbij van belang dat nogmaals wordt beoordeeld of er sprake is van een rechtsvraag als bedoeld in het besluit van 25 februari 2004, nr. DGB2003/6662M. Als het geschil een rechtsvraag blijkt te betreffen die ten onrechte nog niet aan de desbetreffende kennisgroep is voorgelegd, dan legt de inspecteur de rechtsvraag alsnog onverwijld voor aan die kennisgroep.

Voorbeelden waarbij tot vergoeding kan worden overgegaan:

In gevallen waarin het niet mogelijk blijkt het verweerschrift in te zenden binnen de in artikel 8:42, eerste lid, Awb gestelde termijn van vier weken, kan de inspecteur de rechtbank schriftelijk verzoeken om verlenging van deze termijn. De inspecteur maakt van deze mogelijkheid slechts in uitzonderingsgevallen gebruik onder vermelding van de omstandigheden die het tijdig inzenden van het verweerschrift verhinderen.

Na ontvangst van het afschrift van de conclusie van repliek, zendt de inspecteur steeds, binnen de door de rechtbank vastgestelde termijn, een conclusie van dupliek aan de rechtbank.

In gevallen waarin het niet mogelijk blijkt de conclusie van dupliek in te zenden binnen de door de rechtbank gestelde termijn, kan de inspecteur schriftelijk om verlenging van deze termijn verzoeken. De inspecteur maakt van deze mogelijkheid slechts in uitzonderingsgevallen gebruik onder vermelding van de omstandigheden die het tijdig inzenden van de conclusie van dupliek verhinderen.

In de conclusie van dupliek worden in elk geval de in de conclusie van repliek naar voren gebrachte punten behandeld. Het is niet de bedoeling dat de conclusie van dupliek een doublure wordt van het verweerschrift. Zo nodig verwijst de inspecteur in de conclusie van dupliek naar bepaalde punten van het verweerschrift.

De inspecteur verschijnt ter zitting wanneer hij een oproep voor de mondelinge behandeling van het beroepschrift heeft ontvangen. Dit geldt ook indien de oproep betrekking heeft op de behandeling van een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening.

Indien de inspecteur dit noodzakelijk acht, kan hij zich op een zitting van de rechtbank door een andere ambtenaar van de Belastingdienst doen bijstaan. Bij voorkeur wordt hiervan bij inzending van het verweerschrift reeds melding gemaakt.

De inspecteur kan indien de rechtbank hem hierom verzoekt toestemming geven voor het achterwege laten van het onderzoek ter zitting. Hij geeft de toestemming alleen indien de feiten en omstandigheden met betrekking tot het geschil zelf niet in geschil zijn (er is sprake van een zuivere rechtsvraag) en een mondelinge behandeling geen toegevoegde waarde meer kan hebben.

Na ontvangst van het afschrift van de uitspraak van de rechtbank (waaronder de uitspraak in geval van vereenvoudigde behandeling van het beroep óf, ingeval van mondelinge uitspraak, het afschrift van het proces-verbaal) wordt de inhoud daarvan in het kort vastgelegd in het in § 2 genoemde bestand. Op de originele afschriften mag niet worden geschreven.

B/CKC draagt zorg voor verdere communicatie binnen de Belastingdienst van de uitspraak met inachtneming van artikel 27g AWR. Zie in dit verband het bepaalde in § 9.

Wanneer de inspecteur geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, beoordeelt hij steeds of hij tegen de uitspraak hoger beroep in zal stellen. Bij de beslissing om al dan niet hoger beroep in te stellen vindt steeds een collegiale toetsing plaats. Als het geschil een rechtsvraag betreft, dan overlegt de inspecteur voorafgaand aan het instellen van hoger beroep met de desbetreffende kennisgroep.

Van de zijde van de belastingdienst wordt geen beroep gedaan op artikel 8:29, eerste lid, Awb, tenzij naar het oordeel van de belastingplichtige stukken aan het dossier moeten worden toegevoegd omdat zij op de zaak betrekking hebben. De inspecteur dient de toepassing van artikel 8:29 Awb te melden aan DGBel, team particulieren en formeel recht.

Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift, blijft de inspecteur verplicht uitspraak te doen op het bezwaar. De rechtbank kan in dat geval bepalen dat Hoofdstuk VIII, afdeling 2, van de AWR gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn van toepassing blijft.

Indien belanghebbende op grond van artikel 8:81 Awb de rechtbank heeft verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, verstrekt de inspecteur binnen de door de rechtbank gestelde termijn de op de zaak betrekking hebbende stukken.

Als de inspecteur besluit hoger beroep in te stellen (zie § 18), zendt hij steeds binnen de in artikel 6:7 Awb daarvoor gestelde termijn van zes weken zijn beroepschrift in.

In gevallen waarin het niet mogelijk blijkt een gemotiveerd beroepschrift in te dienen binnen de termijn van zes weken, gaat de inspecteur pro forma in hoger beroep en kan de inspecteur het gerechtshof om verlenging van deze termijn verzoeken.

De bepalingen van § 6 (Eenheid van beleid en uitvoering) en § 9 (Inhoud verweerschrift en over te leggen stukken) zijn mutatis mutandis van overeenkomstige toepassing.

Op de volgende punten wijkt het beroepschrift in hoger beroep af van het verweerschrift in beroep:

De bepalingen in § 10 tot en met § 12 over de conclusies van dupliek zijn mutatis mutandis van overeenkomstige toepassing.

De bepalingen in § 22 (Geheimhouding) en § 24 (Voorlopige voorziening) zijn mutatis mutandis van overeenkomstige toepassing.

In het geval dat belanghebbende hoger beroep instelt tegen de beslissing van de rechtbank, kan de inspecteur in zijn verweerschrift aangeven dat hij incidenteel beroep instelt. De inspecteur stelt incidenteel beroep in als hij meent dat het geschil in hoger beroep meer moet omvatten dan de door belanghebbende omschreven geschilpunten.

De instructies voor het schrijven en opsturen van verweerschriften zijn beschreven in § 5 tot en met § 9. Voor rechtbank moet gerechtshof worden gelezen. Tot de over te leggen stukken behoren verder nog de processtukken van de procedure bij de rechtbank (beroepschrift, verweerschrift, conclusie van repliek, conclusie van dupliek, eventueel gevoerde correspondentie met de rechtbank, pleitnota’s en andere ter zitting overgelegde stukken, door de griffier opgesteld verslag van de zitting, proces-verbaal van de mondelinge uitspraak) en de uitspraak van de rechtbank.

De bepalingen in § 10 tot en met § 12 over de conclusies van dupliek zijn mutatis mutandis van overeenkomstige toepassing.

De bepalingen in § 22 (Geheimhouding) en § 24 (Voorlopige voorziening) zijn mutatis mutandis van overeenkomstige toepassing.

De inspecteur beoordeelt of hij een cassatievoorstel wil indienen. Zie § 35.

DGBel, team cassatie zendt een afschrift van een ontvangen conclusie van de Advocaat-generaal en een afschrift van de reactie hierop aan de inspecteur en aan B/CKC.

De inspecteur zendt na ontvangst van een uitspraak, waarin de rechtbank of het gerechtshof prejudiciële vragen stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, onverwijld een afschrift van deze uitspraak en de overige processtukken (§ 35, lid 2) aan DGBel, team cassatie.

Indien het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen zich richt tot de inspecteur, zendt deze onverwijld afschriften van de brieven (met eventuele bijlagen) van dit Hof aan DGBel, team cassatie. Eerst na overleg met DGBel, team cassatie reageert de inspecteur op de brieven van dit Hof. Als de inspecteur door het Hof van Justitie in de gelegenheid wordt gesteld om schriftelijke opmerkingen in te dienen over de prejudiciële vragen, dan schrijft de inspecteur een brief aan het Hof van Justitie waarin hij laat weten voor opmerkingen over de prejudiciële vragen te refereren aan het oordeel van de Nederlandse regering. Daarnaast stuurt hij onverwijld afschriften van de brieven en bijlagen van het Hof van Justitie aan DGBel, team cassatie.

Team cassatie zendt de inbreng van de Nederlandse regering, de conclusie van de Advocaat-generaal en het arrest van het Hof van Justitie aan de inspecteur.

De inspecteur en/of de staatssecretaris kunnen, op grond van artikel 8:74 Awb, door de rechter worden veroordeeld het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. De inspecteur stelt vervolgens de belanghebbende c.q. diens gemachtigde in kennis van de beslissing om het griffierecht te vergoeden. Deze kennisgeving is niet voor bezwaar en beroep vatbaar. Een kopie van de kennisgeving bewaart de inspecteur bij de stukken.

Indien de inspecteur door de rechtbank of het gerechtshof, op grond van artikel 8:75 Awb, in de proceskosten is veroordeeld, dan wel indien de staatssecretaris door de Hoge Raad in de proceskosten is veroordeeld, zorgt de inspecteur voor vergoeding van de kosten, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Het Besluit Beroep in Belastingzaken 2000 (besluit van 20 oktober 1995, nr. 664 DGM/5, Stcrt. 1995, 223, zoals dit is gewijzigd bij besluit van 20 april 1998, nr. 506DGM/8, en bij besluit van 23 augustus 2000, nr. CPP2000/789M, Stcrt. nr. 165) wordt ingetrokken.

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2005.

Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit beroep in belastingzaken 2005. De citeertitel kan worden afgekort tot Bbib.