Wijzigingen Officiële bron
Verordening van het Hoofdproductschap Akkerbouw van 9 juni 2005 tot vaststelling van de Verordening HPA gedroogde voedergewassen 2005Verordening HPA gedroogde voedergewassen 2005Het bestuur van het Hoofdproductschap Akkerbouw;

Gelet op artikel 1 van de Overdrachtsregeling bevoegdheden Landbouwwet 1966 Algemeen, artikel 115 van de regeling GLB-inkomenssteun, de artikelen 96, 97 en 98 van de Wet op de bedrijfsorganisatie en artikel 16, derde lid, van het Instellingsbesluit akkerbouwproductschappen, en in aanmerking nemende Verordening (EG) nr. 1786/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector gedroogde voedergewassen (PbEG L 270);

Gehoord het Productschap Diervoeder;

Besluit:

Den Haag 9 juni 2005Th. A.M.MeijervoorzitterR.J.M. tenBergesecretaris

Goedgekeurd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij beschikking van 10 augustus 2005, nr. TRCJZ/2005/2294.

Deze verordening verstaat onder:

en neemt overigens over de terminologie van de EG-verordeningen.

De aanvraag ter verkrijging van de steun dient door het verwerkingsbedrijf te geschieden door binnen de in de EG-verordeningen gestelde termijnen bij het hoofdproductschap de volgende, bij het hoofdproductschap verkrijgbare en door de aanvrager ingevulde en ondertekende, formulieren in te dienen:

Met het oog op een juiste toepassing van het bij of krachtens de EG-verordeningen bepaalde, is degene die een aanvraag als bedoeld in artikel 6 indient, verplicht, voor zover van toepassing binnen de in de EG-verordeningen gestelde termijnen:

Zowel bij het contract als bij de leveringsaangifte bedoeld in artikel 7 onderdeel a dienen de percelen te zijn geïdentificeerd door middel van een uniek perceelsnummer met behulp van een topografische kaart, schaal 1:10.000, afkomstig van de Dienst Regelingen (DR) van het Ministerie van LNV.

Het verwerkingsbedrijf dient vóór het einde van de maand een opgave, gespecificeerd per week, van de voor de volgende maand te verwachten afleveringen in bij de AID, teneinde de AID in staat te stellen in elk verkoopseizoen

Het is het verwerkingsbedrijf toegestaan gedurende het verkoopseizoen 2005/2006 de in artikel 35 van de Commissieverordening bedoelde steun als voorschot aan de producent uit te betalen, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

Indien blijkt dat degene, die een aanvraag als bedoeld in artikel 6, heeft ingediend, niet aan één of meer van de in de vorige artikelen gestelde voorwaarden en voorschriften heeft voldaan, kan het hoofdproductschap de aan hem uitbetaalde bedragen, onverminderd het recht tot terugvordering daarvan, in mindering brengen op de later uit hoofde van deze verordening uit te betalen bedragen dan wel overgaan tot inhouding onderscheidenlijk uitsluiting van de steun ingevolge de EG-verordeningen.

Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening HPA gedroogde voedergewassen 2005.

Van iedere zelf gedroogde partij moeten, op het moment dat de gedroogde voedergewassen het verwerkingsbedrijf of de erkende opslagplaats verlaten, door het bedrijf monsters worden genomen conform de Eerste Richtlijn nr. 76/371/EEG van de Commissie van 1 maart 1976 houdende vaststelling van gemeenschappelijke bemonsteringsmethoden voor de officiële controle van diervoeders (PB nr. L 102). Ook van toevoegingsmiddelen moeten monsters worden genomen volgens genoemde richtlijn.

Van de ondermonsters wordt een eindmonster in drievoud samengesteld. Dit eindmonster moet voorzien zijn van een uniek nummer.

Wanneer de gedroogde voedergewassen in het verwerkingsbedrijf worden samengevoegd tot een mengsel, moeten de monsters vóór het samenvoegen worden genomen.

Als er een mengsel wordt samengesteld vóór of tijdens het droogproces, moeten de monsters worden genomen na afloop van het droogproces. In het bemonsteringsrapport moet worden vermeld dat het een mengsel betreft. Van de toevoegingen moet de hoeveelheid (in gewichtspercenten t.o.v. het eindproduct), soort en naam van de toevoegingen en het stikstofgehalte in de droge stof worden vermeld.

De eindmonsters moeten overeenkomen met de doorsneekwaliteit van de afgeleverde partij. Eén van deze eindmonsters moet op het verwerkingsbedrijf worden bewaard, waarbij de volgende termijnen worden gehanteerd:

In alle gevallen moeten de C-monsters van de partijen, die deel uitmaken van het 110-tons monster, bewaard blijven totdat de AID toestemming geeft tot vernietiging.

De beide andere eindmonsters zijn bestemd voor het laten maken van een analyse. Zij moeten worden verzegeld en voorzien van de aanduiding op welke partij het eindmonster betrekking heeft (naam, woonplaats van de afnemer, datum aflevering) en van een uniek nummer ter identificatie van het eindmonster. De unieke nummers van de eindmonsters moeten worden vermeld op de afleveringsspecificatie gedroogde voedergewassen, die deel uitmaakt van de steunaanvraag.

Als de partij wordt afgeleverd in het bijzijn van een vertegenwoordiger van de afnemer of factor, moet deze het eindmonster (mede) verzegelen.

Analyse moet plaatsvinden conform de Tweede Richtlijn nr. 71/393/EEG van de Commissie van 18 november 1971 (PB nr. L 279) en de Derde richtlijn nr. 72/199/EEG van de Commissie van 27 april 1972 (PB nr. L 123), beide betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor de officiële controle van diervoeders.

Hierbij kunnen drie situaties worden onderscheiden:

Het samengestelde eindmonster mag derhalve maximaal betrekking hebben op 110 ton. In dat geval moet van de onderliggende eindmonsters, die betrekking hebben op diverse partijen, een samengesteld eindmonster in drievoud worden gemaakt. Hiervan moeten twee monsters gezonden worden aan het laboratorium. Het derde exemplaar van het samengesteld eindmonster (C-monster) moet op het bedrijf worden bewaard bij de onderliggende eindmonsters van deze partijen.

Het samenstellen van 110-tons monsters is aan een aantal voorwaarden gebonden. De partijen waaruit een 110-tons monster wordt samengesteld:

Bij het samenstellen van de 110-tons monsters mag geen rekening worden gehouden met het al dan niet bemonsterd zijn van een partij door de AID in het kader van de officiële controle.

In de administratie moet worden vastgelegd uit welke eindmonsters de samengestelde eindmonsters zijn opgebouwd.

Het laboratorium analyseert één monster en bewaart het tweede monster voor een eventuele heranalyse. Als het verwerkingsbedrijf het niet eens is met het analyseresultaat, bericht hij dit binnen 7 werkdagen schriftelijk aan het hoofdproductschap.

Het hoofdproductschap zal dit laboratorium dan verzoeken het reservemonster naar het laboratorium van het Comité van Graanhandelaren (LABCO) in Europoort (Rotterdam) te verzenden.

De uitslag van de heranalyse dient ter bevestiging of ontkrachting van de resultaten van de eerste analyse.

De aangewezen laboratoria voor de eerste analyse zijn:

Van de door deze laboratoria opgemaakte en andere analyserapporten moet een exemplaar bij de administratie van het verwerkingsbedrijf worden bewaard.

De monsters die door de AID worden genomen, worden geanalyseerd door het Rikilt.

De kosten van de eerste analyse alsmede van de analyse van de toevoegingen worden door het hoofdproductschap betaald.

De kosten van monsterverzending en heranalyse zijn voor rekening van het verwerkingsbedrijf.