Ministeriële regeling · BWBR0018542

Regeling aanwijzing filminvesteringen 2005

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Staatssecretaris van Financiën van 5 juli 2005, nr. WJZ/2005/26190(1558) tot aanwijzing van filminvesteringen als bedoeld in artikel XXXIa van de Wet van 16 december 2004, houdende wijziging van enkele belastingwetten (Belastingplan 2005) (Stb. 653), in verbinding met artikel 3.33 en omtrent de verklaringen, bedoeld in de artikelen 3.37 en 3.42b van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals deze artikelen luidden op 31 december 2003 (Regeling aanwijzing filminvesteringen 2005)Regeling aanwijzing filminvesteringen 2005 De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Staatssecretaris van Financiën,

Gelet op artikel XXXIA van de wet van 16 december 2004, Stb. 653, tot wijziging van enkele belastingwetten (Belastingplan 2005), in verbinding met de artikelen 3.33, tweede lid, 3.37, eerste lid, 3.38 en 3.42b, zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals deze artikelen luidden op 31 december 2003;

Besluiten:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M.C. van derLaanDe Staatssecretaris van Financiën, J.G.Wijn

In deze regeling wordt verstaan onder:

Als een filminvestering, bedoeld in artikel 3.33 van de wet, wordt aangewezen een investering in een film die primair is bestemd voor vertoning in bioscopen, doch niet een reclamefilm of voorlichtingsfilms betreffend, aan de voortbrenging waarvan een projectvoorstel ten grondslag ligt, bestaande uit:

De minister geeft op een door of namens de belastingplichtige gedaan verzoek een verklaring af als bedoeld in artikel 3.42b, eerste lid, van de wet, indien de filminvesteringen voldoen aan de vereisten, bedoeld in artikel 3, en toekenning van de filminvesteringsaftrek terzake past binnen het hiervoor in de rijksbegroting opgenomen bedrag.

De verklaring, bedoeld in artikel 5 wordt afgegeven onder de voorwaarde dat:

De minister kan een verklaring als bedoeld in de artikelen 4 en 5 intrekken

De periode, bedoeld in artikel 3.38 van de wet, wordt gesteld op vijf jaren met ingang van de dag waarop de dagtekening van de in artikel 4 bedoelde verklaring is gesteld.

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop artikel XXXIA van de Wet van 16 december 2004, houdende wijziging van enkele belastingwetten (Belastingplan 2005) ingevolge artikel XXXIII, zevende lid, van die wet in werking treedt.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing filminvesteringen 2005.