Ministeriële regeling · BWBR0019806

Regeling aanvullende regels veiligheid wegtunnels

Wijzigingen Officiële bron
Regeling aanvullende regels veiligheid wegtunnelsRegeling aanvullende regels veiligheid wegtunnelsDe Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op de artikelen 3, tweede lid, 5, tweede en vierde lid, 6, eerste en tweede lid, 7, 8, tweede lid, 9, 10 en 12 van de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels, de artikelen 2, zesde lid, van het Besluit aanvullende regels veiligheid wegtunnels, de artikelen 120 en 120a van de Woningwet en artikel 14 van de Wegenverkeerswet 1994;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Verkeer en Waterstaat, K.M.H.Peijs

Vervallen

Vervallen

De risicoanalyse, bedoeld in artikel 6, derde lid, van de wet, wordt uitgevoerd overeenkomstig het in bijlage 1 bij deze regeling opgenomen model QRA-tunnels.

De analyse van scenario’s van ongevallen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet en in artikel 6, tweede lid, onderdeel e, van deze regeling, wordt uitgevoerd overeenkomstig de in bijlage 2a bij deze regeling opgenomen Scenarioanalyse Ongevallen in Tunnels.

De veiligheidsbeambte werkt mee aan de afstemming tussen het calamiteitenbestrijdingsplan, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder f, en de aanvalsplannen van de binnen een veiligheidsregio, als bedoeld in de Wet veiligheidsregio’s, samenwerkende hulpverleningsdiensten. Hij neemt kennis van de rampenbestrijdingsplannen van de desbetreffende veiligheidsregio’s, voor zover de tunnel betreffende.

De veiligheidsbeambte controleert regelmatig of de tunnelconstructies en -voorzieningen worden onderhouden en waar nodig hersteld.

Indien het een tunnel onder een waterweg betreft, beschikt de tunnel in aanvulling op de gestandaardiseerde uitrusting genoemd in artikel 13 of artikel 13a over hittewerende bekleding die de constructie twee uur bescherming biedt tegen brand conform de RWS-brandkromme als bedoeld in NEN-EN 1991-1-2.

Indien de doorrijhoogte van een tunnel langer dan 500 meter lager is dan 4,7 meter beschikt de tunnel in aanvulling op de gestandaardiseerde uitrusting genoemd in artikel 13 over de volgende uitrusting:

Met de onderdelen van de gestandaardiseerde uitrusting als bedoeld in de artikelen 13, 13a, 13b, 13c, 13d en in de bijlagen 4, 5 en 6 bij deze regeling worden gelijkgesteld die goederen die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie die partij is bij een tot een douane-uniestrekkende verdrag, dan wel rechtmatig zijn vervaardigd in een staat die partij is bij een tot de vrijhandelszone strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de onderdelen van de gestandaardiseerde uitrusting wordt nagestreefd.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanvullende regels veiligheid wegtunnels.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag nadat zij in de Staatscourant is geplaatst.

Deze bijlage betreft de QRA tunnels en wordt niet in de Nederlandse Staatscourant geplaatst maar ter inzage gelegd in de bibliotheek van het ministerie van IenM en wordt ook per internet beschikbaar gesteld.

Deze bijlage betreft de leidraad veiligheidsdocumentatie en is niet in de Nederlandse Staatscourant geplaatst maar ter inzage gelegd in de bibliotheek van het ministerie van IenM en wordt ook per internet beschikbaar gesteld.

Deze bijlage betreft de Scenarioanalyse en is niet in de Nederlandse Staatscourant geplaatst maar ter inzage gelegd in de bibliotheek van het ministerie van IenM en wordt ook per internet beschikbaar gesteld.

Indien een te hoog voertuig het advies om de tunnel te mijden negeert, wordt de betreffende verkeersbuis gesloten.

Bij brand in de verkeerscentrale wordt indien dat mogelijk is voordat de verkeerscentrale wordt ontruimd een snelheidsmaatregel in en bij de tunnel getroffen. De tunneloperators gaan over tot lokale bediening vanuit de hen toegewezen lokale bedienpost bij de tunnel. Zolang de lokale bediening nog niet is geactiveerd, is er op de weg bij de tunnel toezicht van de weginspecteurs van de tunnelbeheerder.

Vluchtdeuren van de incidentbuis of calamiteitenbuis naar het middentunnelkanaal blijven altijd ontgrendeld zodat personen zich altijd op eigen initiatief in veiligheid kunnen brengen via de vluchtroute.

Uitwisseling van informatie tussen de tunneloperator, de weginspecteur, de officier van dienst van de tunnelbeheerder en de gemeenschappelijke meldkamer van de hulpverleningsdiensten geschiedt met een gemeenschappelijk uitvraagprotocol met als onderdelen:

De weginspecteur, de officier van dienst van de tunnelbeheerder en de hulpverleningsdiensten benaderen incidenten in principe via de incidentbuis met de rijrichting mee. Bij gevaar voor mensen is de incidentbuis gesloten.

Het is de verantwoordelijkheid van de weginspecteur of de officier van dienst van de tunnelbeheerder om, na veiligstelling van alle bij het incident of de calamiteit betrokken personen en na toestemming van de bevelvoerder van de hulpverleningsdiensten indien aanwezig, zo snel mogelijk een rijstrook open te stellen voor doorstroming van het verkeer.

In deze bijlage wordt verstaan onder:

aanstraalverlichting:

verlichting bij vluchtdeuren die de deur aanstraalt en zo zichtbaar maakt;

accentverlichting:

verlichting die een bepaalde plek extra benadrukt;

AFFF:

Aqueous Film Forming Foam – schuimvormend middel dat aan water wordt toegevoegd om branden beter te kunnen blussen;

buitenopstellingskast:

apparatuurkast die geschikt is om buiten opgesteld te worden, en voldoende bescherming aan de ingebouwde apparatuur biedt;

calamiteitendoorsteek:

gedeelte van de geleiderails waarmee een gedeelte van de tussenberm vrij wordt gemaakt waardoor de hulpverleningsdienst en de tussenberm kunnen doorkruisen;

C2000:

communicatiesysteem als bedoeld in de Regeling C2000 en GMS;

contourverlichting:

verlichting rond een vluchtdeur die wordt aangezet als evacuatie nodig is;

drempelwaardeverhoging:

mate waarin het contrast moet worden verhoogd, om het verlies aan waarneming, veroorzaakt door verblinding ten gevolge van de armaturen van de verlichtingsinstallatie, te compenseren;

droogloopniveau:

het vloeistofniveau waarop de pompen moeten worden uitgezet om drooglopen te voorkomen;

dwarshelling:

helling in de richting loodrecht op de rijrichting van de weg;

eventrecorder:

opnamevoorziening die gebeurtenissen vastlegt;

grensruimte:

een ruimte die grenst aan een vloeistofbassin en die een directe verbinding heeft met een vloeistofbassin die niet te allen tijde geheel dampdicht is;

hoofdkelder:

vloeistofkelder waarin uit de tunnel afgevoerde vloeistoffen tijdelijk worden opgeslagen, alvorens deze worden afgevoerd naar een lozingspunt buiten de tunnel;

kopdeur:

deur aan het einde, de kop, van een middentunnelkanaal;

langsgelijkmatigheid:

verhouding tussen de laagste en de hoogste waarde van de verlichting in de lengterichting gezien;

langsventilatie:

ventilatie in de lengterichting van een verkeersbuis;

lichtreductiecoëfficient:

mate waarin het licht gereduceerd wordt

luminantiemeting:

meting van verlichtingswaarden;

maatgevende bui:

gestandaardiseerde maat voor een regenbui die door het vuilwatersysteem van een tunnel verwerkt moet kunnen worden;

middenkelder:

vloeistofkelder waarin uit de tunnel afgevoerde vloeistoffen tijdelijk worden opgeslagen, alvorens ze worden afgevoerd naar de hoofdkelder;

middentunnelkanaal:

kanaal tussen twee aangrenzende verkeersbuizen dat dienst doet als vluchtroute;

no-break voorziening:

voorziening die bij uitval van de netstroomvoorziening kan zorgen voor een tijdelijke ononderbroken stroomvoorziening;

nuttige berging:

netto bergingscapaciteit die wordt bepaald door het maximum toegestane vloeistofniveau en het droogloopniveau;

ontwerpsnelheid:

de snelheid waarmee rekening gehouden is bij het wegontwerp;

pan tilt zoom CCTV camera’s:

camera’s in een gesloten tv-circuit die kunnen bewegen in een horizontaal en een verticaal vlak en waarmee het beeld kan worden uitvergroot;

profiel van de vrije ruimte:

doorsnede van de verkeersbuis, loodrecht op het wegdek en loodrecht op de langsrichting, die de begrenzing aangeeft waarbinnen objecten het verkeer niet mogen hinderen;

RDS:

Radio Data System -digitale informatie die wordt meegestuurd met een FM-radiosignaal voor autoradio’s, zoals verkeersinformatie

raai:

denkbeeldige lijn dwars over een weg;

signaleringsraai:

portaal dwars over de snelweg met verkeerssignaleringsborden;

STI-waarde:

Speech Transmission Index – eenheid om de verstaanbaarheid van gesproken tekst aan te geven;

stopafstand:

de afstand die is vereist om een met de ontwerpsnelheid rijdend voertuig tot volledige stilstand te brengen, daarbij rekening houdend met de reactietijd van de bestuurder en de remvertraging;

T-DAB kanalen:

Terrestrial-Digital Audio Broadcasting – methode om digitale radiosignalen over te sturen;

verrijdbare bermbeveiliging:

horizontaal bewegend geleideprofiel waarmee het verkeer van de ene rijbaan naar de andere geleid kan worden;

zandvang:

gedeelte van de vloeistofkelder waarin zand kan bezinken.

De in artikel 13, 13a, 13c en 13d van de regeling genoemde uitrusting en de onderdelen daarvan:

Zowel elk onderdeel van de gestandaardiseerde uitrusting als de gestandaardiseerde uitrusting als geheel voldoet aan de eisen aan elektromagnetische compatibiliteit overeenkomstig richtlijn 2004/108 en NEN-EN-IEC 61000, waarbij voor immuniteit en emissie het niveau van industriële omgevingen wordt toegepast.

De hulppost wordt ontgrendeld door de deurklink van de eerst openende deur te draaien of naar beneden te bewegen, de deur opent met de rijrichting mee.

Links naast de hulppost op een hoogte van 1.200 millimeter boven het wegdek is een vlakke hulppostcodering aangebracht met zwarte letters op een witte ondergrond en een letterhoogte van 100 millimeter.

In een dagsituatie is het lichtniveau in het eerste deel van de drempelzone zodanig ingesteld dat er voor de weggebruikers voldoende contrast waarneembaar is tussen voertuigen en wegdek. Het lichtniveau in het tweede deel van de drempelzone neemt gelijkmatig af naar 40% van het lichtniveau in het eerste deel van de drempelzone.

In een dagsituatie neemt het lichtniveau in de overgangszone gelijkmatig af, met de ontwerprijrichting mee, naar het lagere lichtniveau in de centrale zone van de verkeersbuis.

Het lichtniveau in de centrale zone is voldoende om de voertuigen, het wegdek, de wanden van de verkeersbuis en het wegverloop te kunnen onderscheiden.

Het lichtniveau in de uitgangszone neemt in een dagsituatie zodanig gelijkmatig toe met de ontwerprijrichting mee, dat de weggebruikers voldoende tijd hebben om te wennen aan de overgang van het lichtniveau in de centrale zone naar het hogere lichtniveau buiten de verkeersbuis.

Vervallen.

De drempelwaardeverhoging van de verlichting is ten hoogste 15%.

Verlichtingsarmaturen zijn zodanig geplaatst dat er geen flikkeringen optreden met:

Aan het samenstel van verkeerslichten gaat een waarschuwingsbord J32 als bedoeld in RVV 1990 vooraf.

De afsluitboom detecteert of zich voertuigen onder de afsluitboom bevinden.

De verkeersbuis beschikt over een mechanisch vergrendelde afsluitboomkast van waaruit de afsluitboom plaatselijk elektrisch bediend kan worden.

Op elke rijstrook en ruimtereserveringsstrook worden snelheidsonderschrijdingen in de rijrichting en spookrijders gedetecteerd.

De in artikel 8.1, eerste lid bedoelde detectie wordt uitgevoerd ten minste vanaf de afsluitboom bij de toerit van de betreffende verkeersbuis tot ten minste 600 m voorbij de verkeersbuis, tenzij dit verkeerstechnisch niet inpasbaar is, dan tot ten minste die afstand die wel inpasbaar is.

Het is mogelijk om een vastgestelde snelheidsbeperking aan te vragen op alle rijstrookgebonden signaalgevers op de 3 signaleringsraaien voor de verkeerslichten en op de rijstrookgebonden signaalgevers op de signaleringsraai met de verkeerslichten.

De ventilatie wordt zodanig ontworpen dat de concentratie NO2 voor de ontworpen verkeerssamenstelling in de verkeersbuis niet hoger wordt dan 1 ppm.

De kans op technisch falen van de ventilatie is kleiner dan 0,02 per keer dat de ventilatie wordt ingeschakeld.

Het gemiddelde geluidsdrukniveau bij inschakeling van de ventilatie bedraagt ten hoogste 87dB (A). Op geen enkele plaats in de verkeersbuis, gemeten op een hoogte van 1,60 meter boven het wegdek, is een geluidsdrukniveau van meer dan 90 db(A).

In elke verkeersbuis wordt de waarde van de lichtreductiecoëfficient op 100 meter van het ingangsportaal en 100 meter van het uitgangsportaal en daartussen ten minste elke 250 meter bepaald.

De camera's zijn bij afsluitbomen en calamiteitendoorsteken zo geplaatst dat in uitgangspositie gekeken wordt met zicht op de personen en voertuigen en de beweegbare toegang inclusief het intercomtoestel.

Camerabeelden ten behoeve van het herkennen van personen in het tunneltracé, de stand van het verkeerslicht, de situatie bij hulpposten en vluchtdeuren, en het identificeren van voertuigen in het tunneltracé zijn op aanvraag beschikbaar voor de wegverkeersleider.

De noodtelefoon in de verkeersbuis in tunnels langer dan 500 meter realiseert een gelijktijdige spreek- en luisterverbinding met de actieve bediening indien de noodtelefoon in de gesprekstand staat.

In geval van een middentunnelkanaal met uitsluitend kopdeuren als vluchtuitgang is een verkeersbuis uitgerust met een rij van vluchtdeuren.

De vluchtdeuren weren in gesloten toestand de stroming van verontreinigde lucht naar de vluchtroute.

De vluchtdeuren aan de zijde van de calamiteitenbuis worden met een neerwaarts bewegende handgreep geopend. De daartoe noodzakelijke kracht is ten hoogste 100N.

De vrije doorgang van vluchtdeuren is ten minste 850 millimeter breed en 2.100 millimeter hoog.

Vluchtdeuren die, vanuit naast elkaar gelegen verkeersbuizen, op één middentunnelkanaal uitkomen, zijn recht tegenover elkaar geplaatst.

De bovenzijde van elke handgreep is aan de verkeersbuiszijde van de vluchtdeur op een hoogte tussen 0,9 en 1,2 meter boven de onderkant van de dagmaat van het kozijn geplaatst.

Vluchtdeuren zijn zelfsluitend. De benodigde tijd voor het zelf sluiten van een vluchtdeur is ten hoogste 15 seconden.

De vluchtdeuren worden aan de verkeersbuiszijde als volgt uitgevoerd:

Inkassingen van vluchtdeuren aan de verkeersbuiszijde worden als volgt uitgevoerd:

Aan de linkerzijde van de vluchtdeur aan de verkeersbuiszijde op een hoogte van 1.200 millimeter boven het wegdek is een vlakke deurnummering aangebracht. Hierbij worden zwarte letters op een witte ondergrond gebruikt met een letterhoogte van 100 millimeter.

Elke vluchtdeur van een rij van vergrendelbare vluchtdeuren kan in vergrendelde toestand met een handgreep geopend worden door middel van een neerwaartse beweging van de handgreep. De daartoe noodzakelijke kracht bedraagt ten minste 390N en ten hoogste 510N.

Bij uitval van energie of het besturingsysteem worden alle vergrendelbare vluchtdeuren automatisch ontgrendeld.

Contourverlichting wordt aangebracht boven de voertuigkerende barrier rondom vluchtdeuren door middel van groene LED-verlichting, die:

De vluchtdeuren worden permanent aangestraald door de aanstraalverlichting welke wordt aangebracht als accentverlichting. De verlichtingssterkte, gemeten ter plaatse van elk van de afbeeldingen met een vluchtend persoon is ten minste 200 lux en ten hoogste 400 lux.

Vervallen.

Op het wegdek, aan weerszijden van de rijbaan ter plaatse van elke vluchtdeur, vanaf de kantstreep tot 150 millimeter voor de barrier, is een witte pijl aangebracht volgens onderstaande figuur wijzend in de richting van de vluchtdeur:

Een tunnel heeft vluchtdeuraanduidingen volgens bord L19 uit het RVV 1990 die:

Een kopdeur biedt bij evacuatie een veilige uitgang uit het middentunnelkanaal.

De statische vluchtroute indicatie in het middentunnelkanaal wordt als volgt uitgevoerd:

Indien borden zich binnen het profiel van de vrije ruimte in de veilige vluchtroute bevinden zijn deze flexibel opgehangen.

De verlichting van het middentunnelkanaal is tijdens een calamiteit ingeschakeld en heeft:

Indien de no break voorziening zorgt voor de elektrische voeding, heeft de verlichting:

Vervallen.

De door de overdruk optredende luchtsnelheden, in het middentunnelkanaal en door de geopende vluchtdeuren, zijn zodanig dat vluchten nog mogelijk is.

De bediening van een tunnel bestaat uit:

De eventrecorder slaat de gegevens van gebeurtenissen gedurende ten minste twaalf weken op.

De tunnel levert binnen de verkeersbuizen en veilige vluchtroutes binnenhuisdekking van het C2000 verbindingsnetwerk.

Een intercomtoestel voor afsluitbomen en calamiteitendoorsteken is geplaatst in een eigen kast in gele kleur met daarop aangebracht een pictogram zoals in onderstaande figuur weergegeven:

Personen die zich in de nabijheid van een bewegende calamiteitendoorsteek bevinden worden er automatisch auditief en visueel op attent gemaakt dat zij zich in de nabijheid van een automatisch bewegende constructie bevinden.

De beeldvoorziening meldkamer zorgt er voor dat in de meldkamer het detailbeeld dat door het camerasysteem wordt getoond aan de wegverkeersleider, kan worden weergegeven.

De vloeistofafvoer bestaat uit:

Vloeistofkelders kunnen zijn uitgevoerd als een hoofdkelder of als een middenkelder waarbij geldt dat er ten minste één hoofdkelder aanwezig is.

De rioolbuizen en de vloeistofkelders zijn gasdicht van elkaar gescheiden met een waterslot.

Bij iedere vloeistofbassin is er een koppelpunt waarmee de afvoer van vloeistof door een tankwagen mogelijk is totdat het droogloopniveau is bereikt.

In een middentunnelkanaal is er een voorziening voor afvoeren van vrijkomend lekwater, als het ontbreken van die voorziening er toe zou leiden dat er een waterplas kan ontstaan in een diep punt of het diepste punt van het middentunnelkanaal.

Indien sprake is van meerdere hoofdkelders, heeft de middenkelder zowel een afvoerleiding naar één hoofdkelder in de richting van oplopende hectometrering als een afvoerleiding naar één hoofdkelder in de richting van aflopende hectometrering. Bij een calamiteit wordt de afvoerleiding naar één te kiezen hoofdkelder afgesloten.

De benodigde pompcapaciteit voorkomt, in samenhang met de bergingscapaciteit van de vloeistofkelders en de gebruikte regeling van de pompen, dat de vloeistofkelders overstromen in het geval dat er een maatgevende regenbui plaatsvindt, met een overschrijdingsfrequentie van één keer per 250 jaar conform het diagram ‘Extreme neerslagcurves voor de 21ste eeuw’:

De pompcapaciteit is per vloeistofkelder minimaal 2m3 per minuut.

De te realiseren overdruk in de grensruimtes is indien de overdrukvoorziening aan staat ten minste 10Pa hoger dan de luchtdruk in de verkeersbuizen, waarbij als uitgangspunt wordt genomen dat de overdruk in de verkeersbuizen, ten opzichte van de buitenlucht, niet hoger wordt dan 50Pa.

Daar waar delen van de verrijdbare bermbeveiliging op de rijbaan komen is de zijde die in de richting van het verkeer is gekeerd, voorzien van een aanrijdbuffer.

Personen die zich in de nabijheid van de verrijdbare bermbeveiliging bevinden worden bij een in beweging zijnde installatie auditief attent op gemaakt dat zij zich in de nabijheid van een automatisch bewegende constructie bevinden.

De verrijdbare bermbeveiliging is in gesloten stand buiten de bergingszone geplaatst.

De plaatselijke bediening geschiedt vanaf een bedienlocatie waarvandaan de bedienaar direct zicht heeft op de betreffende verrijdbare bermbeveiliging en de toe- en afleidende wegvakken.

Vervallen.

In deze paragraaf wordt verstaan onder Tidal flow verkeer: In een wisselbuis de mogelijkheid om het verkeer afhankelijk van het verkeersaanbod de ene of de andere kant op te laten rijden.

Het van rijbaan wisselen van verkeer is ter plaatste van de beweegbare barrier mogelijk met een snelheid van 100 km/u.

De beweegbare barrier is binnen tien minuten, na het commando daartoe, gesloten.

Personen die zich in de nabijheid van de beweegbare barrier worden bij een in beweging zijnde installatie er automatisch auditief op attent gemaakt dat zij zich in de nabijheid van een constructie bevinden die automatisch kan bewegen.

De beweegbare barrier is in open stand buiten de bergingszone geplaatst.

De beweegbare barrier heeft op het uiteinde een amberkleurige lamp, die bij gesloten stand van de barrier continu brandt.

Vervallen.