Wijzigingen Officiële bron
Wet van 20 november 2006, houdende invoering van de Wet op het financieel toezicht en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht)Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezichtWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de invoering te regelen van de Wet op het financieel toezicht en in verband daarmee de wetgeving aan te passen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te ’s-Gravenhage20 november 2006BeatrixDe Minister van Financiën, G.Zalmde zevende december 2006De Minister van Justitie, E. M. H.Hirsch Ballin

Artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht is van overeenkomstige toepassing op dit hoofdstuk.

De kosten van werkzaamheden die de toezichthouder op grond van artikel 1:40 van de Wet op het financieel toezicht in rekening brengt, kunnen mede betrekking hebben op de werkzaamheden die hij heeft verricht in verband met de uitvoering van zijn taak op grond van de Wet financiële dienstverlening, de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen, de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993. Onder toepassing van de bedragen die direct voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht golden op grond van de in de vorige volzin bedoelde wetten, brengt de toezichthouder de hier bedoelde kosten in rekening bij de ondernemingen ten aanzien waarvan die werkzaamheden zijn verricht, voorzover deze kosten niet ten laste komen van de Rijksbegroting.

De tweede volzin van artikel 1:40, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht is van overeenkomstige toepassing op de kosten die ingevolge artikel 2 in rekening worden gebracht.

Vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht zijn met het toezicht op de naleving van de regels, gesteld bij en krachtens de Wet financiële dienstverlening, de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen, de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, belast de personen die ingevolge artikel 1:72 van de Wet op het financieel toezicht zijn belast met het toezicht op de naleving van overeenkomstige regels bij of krachtens die wet.

Een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete die is opgelegd terzake van overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens de Wet financiële dienstverlening, de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen, de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1:79 onderscheidenlijk 1:80 van laatstgenoemde wet.

Een aanwijzing die is gegeven terzake van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet financiële dienstverlening, de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen, de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75 van laatstgenoemde wet.

Een besluit op grond van de Wet financiële dienstverlening, de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 tot aanzegging dat vanaf een bepaald tijdstip alle of bepaalde organen of vertegenwoordigers van een financiële onderneming hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na goedkeuring van een of meer door de toezichthouder aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:76 van laatstgenoemde wet.

De toezichthouder kan vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht een openbare waarschuwing uitvaardigen, indien nodig onder vermelding van de overwegingen die tot die waarschuwing hebben geleid, terzake van de feiten, bedoeld in de artikelen 85 van de Wet financiële dienstverlening, 33n van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, 48n van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, 90n van de Wet toezicht kredietwezen 1992, 93n van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en 188n van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, voorzover deze feiten tevens een overtreding van de Wet op het financieel toezicht opleveren.

Op een voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht afgegeven verklaring door een rechtbank, inhoudende de instelling van de noodregeling, bedoeld in hoofdstuk X van de Wet toezicht kredietwezen 1992, hoofdstuk 8 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of hoofdstuk IX van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, blijft het voor dat tijdstip geldende recht van toepassing.

Op de afhandeling van een noodregeling of een faillietverklaring van een kredietinstelling of verzekeraar die is vastgesteld onderscheidenlijk uitgesproken voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht, blijft het op het tijdstip van de vaststelling van de noodregeling onderscheidenlijk het uitspreken van de faillietverklaring geldende recht van toepassing.

Op een op of na 1 januari 2007 plaatsgevonden faillietverklaring van een kredietinstelling of verzekeraar of gedaan verzoek of voordracht daartoe en op de gevolgen van een op of na die datum uitgesproken faillissement van een kredietinstelling of verzekeraar ten aanzien waarvan onderscheidenlijk van wie voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht een noodregeling is uitgesproken op grond van artikel 71 van de Wet toezicht kredietwezen 1992, artikel 66 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf onderscheidenlijk artikel 156 Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, is de Faillissementswet van toepassing zoals die luidt op het moment van het verzoek of de voordracht.

Een levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht ingevolge de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf verplicht is tot afwikkeling van zijn bedrijf of het betrokken gedeelte daarvan is gedurende de afwikkeling onderworpen aan de bepalingen van de Wet op het financieel toezicht.

Indien de toezichthouder de betrouwbaarheid heeft vastgesteld van een persoon die het dagelijks beleid van een financiële onderneming bepaalt of mede bepaalt of van een persoon die onderdeel is van een orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van een financiële onderneming voor de toepassing van de Wet financiële dienstverlening, de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht de betrouwbaarheid van die persoon geacht buiten twijfel te staan voor de toepassing van laatstgenoemde wet.

Indien de deskundigheid van een persoon die het dagelijks beleid van een financiële onderneming bepaalt of van een persoon die onderdeel uitmaakt van een orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken binnen een financiële onderneming als voldoende is aangemerkt voor de toepassing van de Wet financiële dienstverlening, de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht die persoon geacht deskundig te zijn in de zin van overeenkomstige bepalingen in laatstgenoemde wet.

Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht de betalingsonmacht van een financiële onderneming is vastgesteld ingevolge het op grond van het op 21 september 1998 en 23 mei 2003 door de Nederlandsche Bank en een aantal representatieve organisaties overeengekomen beleggerscompensatiestelsel, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 januari 2004, of op grond van de Collectieve Garantieregeling van kredietinstellingen voor Terugbetaalbare Gelden en Beleggingen van 17 september 1998, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 januari 2004, blijft op de afwikkeling van vorderingen op die financiële onderneming dat stelsel, onderscheidenlijk die regeling, van toepassing.

Voorschriften die zijn verbonden en beperkingen die zijn gesteld aan een vergunning of een ontheffing die is verleend op grond van de Wet financiële dienstverlening, de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berusten vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:102, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

Andere dan de in artikel 26 bedoelde ontheffingen die zijn verleend op grond van de Wet financiële dienstverlening gelden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht als ontheffingen van corresponderende vereisten in laatstgenoemde wet voor een periode van ten hoogste een jaar.

Een verbod dat aan een financiële dienstverlener is opgelegd op grond van artikel 21, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als een verbod als bedoeld in artikel 4:4, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening door een financiële onderneming met zetel in Nederland die vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat bemiddelt in verzekeringen onderscheidenlijk herverzekeringsbemiddelt, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:125, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 2:126, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Het is een financiële onderneming met zetel in een andere lidstaat, die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland bemiddelt in verzekeringen onderscheidenlijk herverzekeringsbemiddelt, toegestaan gedurende zes maanden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van die wet zonder mededeling als bedoeld in artikel 2:84, eerste lid, onderscheidenlijk 2:90, eerste lid, haar werkzaamheden voort te zetten.

Artikel 4:30a, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht is niet van toepassing op aanbieders van beleggingsobjecten, voorzover zij overeenkomsten inzake beleggingsobjecten die voor 1 januari 2006 zijn aangegaan, beheren of uitvoeren of daarbij assisteren.

Een beleggingsinstelling die op 1 september 2005 beschikte over een vergunning als bedoeld in artikel 4 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen zoals dit artikel luidde direct voorafgaand aan dat tijdstip, kan haar werkzaamheden overeenkomstig de bestaande vergunning voortzetten, indien de beheerder van die beleggingsinstelling voor 2 maart 2006 een verzoek heeft ingediend om een vergunning als bedoeld in artikel 4 van die wet zoals dit artikel luidde direct voorafgaand aan dat tijdstip, tot het moment dat onherroepelijk op het verzoek is beslist. De vergunning en de daaraan verbonden voorschriften en gestelde beperkingen worden beheerst door de Wet toezicht beleggingsinstellingen zoals deze luidde direct voorafgaand aan 1 september 2005.

De in de artikelen 2:67, tweede lid, 2:68, tweede lid en 2:69, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht bedoelde beheerders en beleggingsmaatschappijen waaraan vóór 1 september 2005 een vergunning als bedoeld in artikel 4 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen is verleend, kunnen op basis van die vergunning hun werkzaamheden voortzetten tot 14 februari 2007. Een vóór 1 september 2005 verleende vergunning en de aan die vergunning verbonden voorwaarden worden, tot het moment dat de vergunning is verleend op grond van artikel 2:68 van de Wet op het financieel toezicht, beheerst door de Wet toezicht beleggingsinstellingen zoals deze luidde direct voorafgaand aan 1 september 2005, met dien verstande dat met betrekking tot informatieverstrekking artikel 4:61 van de Wet op het financieel toezicht van toepassing is.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 14a, eerste lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:65, derde lid, van laatstgenoemde wet.

Andere dan de in artikel 37 bedoelde ontheffingen die zijn verleend op grond van de Wet toezicht beleggingsinstellingen gelden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht als ontheffingen van corresponderende vereisten in laatstgenoemde wet voor een periode van ten hoogste een jaar.

Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 12, tiende lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:100 van laatstgenoemde wet.

Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 17a, eerste lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen door een beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten met zetel in een andere lidstaat die voornemens is door middel van dienstverrichting of vanuit een bijkantoor rechten van deelneming in die instelling in Nederland aan te bieden, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:72, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 2:70, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 17c, tweede lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen door een beleggingsinstelling met zetel in een aangewezen staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:73, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Een verbod dat op grond van artikel 17c, derde lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen is opgelegd, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:4, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 21a van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:78, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Vervallen

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 5:27, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

Andere dan de in artikel 48 bedoelde ontheffingen die zijn verleend op grond van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 gelden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht als ontheffingen van corresponderende vereisten in laatstgenoemde wet voor een periode van ten hoogste een jaar.

Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op grond van artikel 16 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 een aanvraag voor een verklaring van geen bezwaar is ingediend waarop de Autoriteit Financiële Markten op dat tijdstip nog niet heeft beslist, wordt hierop door de Autoriteit Financiële Markten een beslissing genomen met inachtneming van de toepasselijke bepalingen van de laatstgenoemde wet.

Vervallen

Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 28b van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:78, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Een financiële onderneming die op het tijdstip waarop artikel 112a van de Wet toezicht kredietwezen 1992 in werking trad, in Nederland het bedrijf van elektronischgeldinstelling uitoefende, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht geacht te beschikken over een vergunning als bedoeld in 2:11, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 83, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:7, vierde lid, van laatstgenoemde wet.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 42 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:5, vierde lid, van laatstgenoemde wet.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 31, vijfde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als de mededeling, bedoeld in artikel 2:15, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

Een kennisgeving die is gedaan op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 door een kredietinstelling met zetel in Nederland, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:110, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Een kennisgeving als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 die is gedaan door een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als de mededeling, bedoeld in artikel 2:14, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Een kennisgeving die is gedaan op grond van artikel 32, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 door een bank met zetel in een andere lidstaat, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:18, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Een kennisgeving die is gedaan op grond van artikel 32a van de Wet toezicht kredietwezen 1992 door een elektronischgeldinstelling met zetel in een andere lidstaat, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:19 van laatstgenoemde wet.

Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 48, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als de instemming, bedoeld in artikel 2:112, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Een bank met zetel in een andere lidstaat die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht voor het ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden door middel van het verrichten van diensten in Nederland op grond van artikel 115 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 wordt geacht te beschikken over een ontheffing als bedoeld in artikel 82 van die wet en die van de toezichthoudende instantie in de andere lidstaat een voor de uitoefening van het bedrijf van bank benodigde vergunning heeft, wordt geacht te hebben voldaan aan artikel 2:18, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht.

Een financiële onderneming met zetel in een andere lidstaat die op 1 juli 2002 in Nederland door middel van een bijkantoor dan wel het verrichten van diensten het bedrijf van elektronischgeldinstelling uitoefent, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht geacht te hebben voldaan aan artikel 2:14, eerste lid, onderscheidenlijk 2:19, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 26, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 voor een handeling als bedoeld in artikel 23, eerste lid, of 24, eerste lid, van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:97, eerste lid, artikel 3:100, onderscheidenlijk artikel 3:101 van laatstgenoemde wet.

Een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 23 of 24 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 die vóór 15 september 2004 is verleend, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht geacht te zijn verleend voor een deelneming tot de eerstvolgende bovengrens van 20, 33, 50 of 100 procent, tenzij:

Een besluit dat is genomen op grond van artikel 12 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:111, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 14a van de Wet toezicht kredietwezen 1992, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:78, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Een verklaring van ondertoezichtstelling die is afgegeven op grond van artikel 45, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:110, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 55, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:72, zesde lid, van laatstgenoemde wet.

Een vergunning die is verleend op grond van artikel 14 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:49 van laatstgenoemde wet.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 36, tweede lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:165, derde lid, van laatstgenoemde wet.

Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 84, eerste lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:97, eerste lid, of op artikel 3:100 van laatstgenoemde wet.

Een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 82 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf die vóór 15 september 2004 is verleend, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht geacht te zijn verleend voor een deelneming tot de eerstvolgende bovengrens van 20, 33, 50 of 100 procent, tenzij:

Een beslissing tot toestemming die is gegeven op grond van artikel 40a, vijfde lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als de instemming, bedoeld in artikel 2:121, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Een overlegging van bescheiden op grond van artikel 49, tweede lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf door een natura-uitvaartverzekeraar met zetel buiten Nederland, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als de kennisgeving, bedoeld in artikel 2:54, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 51, tweede lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:67, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Ten aanzien van overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering die met een onderlinge waarborgmaatschappij zijn gesloten voor 26 juli 1976 en waaruit rechten en verplichtingen na 31 december 1995 zijn of zullen worden overgedragen, geldt artikel 62, aanhef en onderdeel a, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van de overdracht af, zulks in afwijking van artikel 47, tweede lid, van de Overgangswet voor het nieuwe Burgerlijk Wetboek.

Ingeval voor 1 januari 1996 de faillietverklaring van een natura-uitvaartverzekeraar is uitgesproken, blijven op het faillissement en op de vereffening of de overdracht van verbintenissen de bepalingen van toepassing die voor dat tijdstip golden.

Een vergunning die is verleend op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:31, eerste lid, voorzover de vergunning is verleend aan een persoon met zetel in Nederland voor het uitoefenen van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar, 2:37, eerste lid, voorzover de vergunning is verleend aan een persoon met zetel in een andere lidstaat voor het vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor uitoefenen van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar dan wel op grond van artikel 2:41, eerste lid, van laatstgenoemde wet, voorzover de vergunning is verleend aan een persoon met zetel in een staat die geen lidstaat is voor het uitoefenen van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar vanuit een bijkantoor in Nederland.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 13, zesde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 blijft vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht voor een periode van ten hoogste een jaar geldig.

Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 176, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:97, tweede lid, van die wet, voorzover de verklaring van geen bezwaar is verleend voor een handeling als bedoeld in het eerste lid van laatstgenoemd artikel, of op artikel 3:100 van de Wet op het financieel toezicht, voorzover de verklaring van geen bezwaar is verleend voor een handeling als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, van die wet.

Een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 175 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 die voor 15 september 2004 is verleend, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht geacht te zijn verleend voor een deelneming tot de eerstvolgende bovengrens van 20, 33, 50 of 100 procent, tenzij:

Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 111, eerste lid, of artikel 113, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 door een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:34, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 50g, 50m, 50t of 50z van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf door een schadeverzekeraar of levensverzekeraar met zetel in een andere lidstaat, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:34, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 116, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 door een levensverzekeraar of een schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:46, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 118, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 door een levensverzekeraar of een schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:45, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Een verklaring die is afgegeven op grond van artikel 49, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als een ontheffing op grond van artikel 3:60, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Een machtiging die is verleend op grond van artikel 147e, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:154, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Een besluit dat is genomen op grond van een van de artikelen van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf, genoemd in kolom A, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht, aangemerkt als besluit in de zin van het in kolom B genoemde artikel van de Wet op het financieel toezicht.

Ten aanzien van overeenkomsten van schadeverzekering of levensverzekering die door een onderlinge waarborgmaatschappij zijn gesloten voor 26 juli 1976 en waaruit rechten en verplichtingen na 1 januari 1994 zijn of zullen worden overgedragen, geldt artikel 62, aanhef en onderdeel a, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van de overdracht af, zulks in afwijking van artikel 47, tweede lid, van de Overgangswet voor het nieuwe Burgerlijk Wetboek.

De artikelen 85, 86, 86a, 86b, 88 en 89 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing op een vruchtgebruik van en een pandrecht op aandelen in het waarborgkapitaal van een onderlinge waarborgmaatschappij, gevestigd voor 1 januari 1986.

Wijzigt de Brandweerwet 1985.

Wijzigt de Wet gevolgen privatisering ABP voor het personeel van de Koninklijke Hofhouding.

Wijzigt de Wet privatisering ABP.

Wijzigt de Sanctiewet 1977.

Wijzigt de Colportagewet.

Wijzigt de Handelsregisterwet 1996.

Wijzigt de Mededingingswet.

Wijzigt de Vestigingswet Bedrijven 1954.

Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming.

Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Wijzigt de Comptabiliteitswet 2001.

Wijzigt de Fusiewet De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Pensioen- & Verzekeringskamer.

Wijzigt de Invorderingswet 1990.

Wijzigt de Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën.

Wijzigt de Noodwet financieel verkeer.

Wijzigt de Wet giraal effectenverkeer.

Wijzigt de Wet identificatie bij dienstverlening.

Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.

Wijzigt de Wet inzake de geldtransactiekantoren.

Wijzigt de Wet melding ongebruikelijke transacties.

Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer.

Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965.

Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.

Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Wijzigt de Wet op het financieel toezicht.

Wijzigt de Wet toezicht financiële verslaggeving.

Wijzigt de Wet toezicht trustkantoren.

Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1.

Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2.

Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7.

Wijzigt de Faillissementswet.

Wijzigt de Gerechtsdeurwaarderswet.

Wijzigt de Onteigeningswet.

Wijzigt de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.

Wijzigt de Wet aansprakelijkheid olietankschepen.

Wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.

Wijzigt de Wet bescherming persoonsgegevens.

Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.

Wijzigt de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

Wijzigt de Wet op de economische delicten.

Wijzigt de Wet op het notarisambt.

Wijzigt de Uitvoeringswet enkele conflictenrechtelijke bepalingen van richtlijn nr. 88/357/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juni 1988, enz..

Wijzigt de Uitvoeringswet Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.

Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Wijzigt het Wetboek van Strafvordering.

Wijzigt de Wet agrarisch grondverkeer.

Wijzigt de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer.

Wijzigt de Pensioen- en spaarfondsenwet.

Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen.

Vervallen

Wijzigt de Wet privatisering FVP.

Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Wijzigt de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000.

Wijzigt de Wet werk en bijstand.

Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

Wijzigt de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet.

Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg.

Wijzigt de Zorgverzekeringswet.

Wijzigt de Wet toezicht financiële verslaggeving en deze wet.

Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming.

Wijzigt de Fusiewet De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Pensioen- & Verzekeringskamer.

Vervallen.

Wijzigt deze wet.

Wijzigt deze wet.

Artikel 5:86 van de Wet op het financieel toezicht is van toepassing met ingang van het boekjaar aanvangt op of na het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.

Onze Minister brengt voor plaatsing van deze wet in het Staatsblad de in deze wet voorkomende verwijzingen naar artikelen uit de Wet op het financieel toezicht in overeenstemming met de op grond van artikel 7:1 van die wet opnieuw vastgestelde nummering.

Deze wet wordt aangehaald als: Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht.