Beleidsregel · BWBR0021142

Aanwijzing 12-minners incl. stopreactie

Wijzigingen Officiële bron
Aanwijzing 12-minners incl. stopreactieAanwijzing 12-minners incl. stopreactie

Het plegen van misdrijven door zogenoemde ‘12-minners’ – kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaren – heeft, naar algemeen wordt aangenomen, een grote voorspellende waarde voor een problematische ontwikkeling. De kans dat in het bijzonder kinderen, die veelvuldig misdrijven plegen en/of ernstige misdrijven plegen, later in de categorie veelplegers terechtkomen wordt hoog ingeschat. Om die ontwikkeling tegen te gaan is het zaak, op die delicten in een zo vroeg mogelijk stadium een reactie te geven, en wel van een zodanige indringendheid dat het beoogde resultaat kan worden bereikt. De keuze in die reacties wordt beperkt doordat ingevolge het Wetboek van Strafvordering (art. 486) niemand strafrechtelijk kan worden vervolgd wegens een feit, begaan voordat hij de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt.1 De wetgever heeft ten aanzien van deze categorie bewust gekozen voor andere dan strafrechtelijke maatregelen, in de sfeer van preventie, hulpverlening en zonodig beschermingsmaatregelen.

Voorkomen moet worden dat 12-minners tussen wal en schip vallen omdat er tussen de betrokken instanties onvoldoende communicatie plaatsvindt door het ontbreken van meldingen en aandachtsvestigingen. De praktijk wijst uit dat het aantal meldingen bij de Raad voor de Kinderbescherming laag is, terwijl de Raad in een aantal gevallen wèl al bemoeienis heeft met niet-gemelde 12-minners.

Deze aanwijzing geeft regels, die ervoor moeten zorgen dat er een sluitend ‘vangnet’ wordt gevormd voor 12-minners die zich schuldig maken aan strafbare feiten; dit vraagt om zorgvuldige afstemming en samenwerking tussen de verschillende betrokken organisaties.

Aan de hand van de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden van de jeugdige kunnen 12-minners worden ingedeeld in de volgende categorieën:

Het OM rekent het tot zijn preventieve taak om de ouders van kinderen beneden de twaalf jaren die relatief lichte strafbare feiten plegen, een handreiking te doen als hulpmiddel bij de opvoeding van die kinderen. Die pedagogische handreiking staat sinds 1999 bekend als de STOP-reactie. Zij wordt uitgevoerd door de Halt-bureaus onder verantwoordelijkheid van het OM.

De STOP-reactie is geen strafrechtelijk instrument; het strafrecht biedt daarvoor geen grondslag. Het aanbod van een STOP-reactie aan de ouders of verzorgers van een kind maakt duidelijk dat het er enerzijds om gaat ouders behulpzaam te zijn bij het corrigerend optreden jegens hun kinderen; een functie van de STOP-reactie is tevens dat eventuele problemen of risico’s worden gesignaleerd en ouders zonodig worden verwezen naar passende hulpverlening. Anderzijds maakt STOP de kinderen duidelijk dat het plegen van strafbare feiten ontoelaatbaar is. Algemeen aanvaard is de stelling dat op strafbare feiten van kinderen beneden de twaalf jaren steeds moet worden gereageerd.

De STOP-reactie is mogelijk bij de zogenoemde Haltwaardige feiten. Dat zijn feiten, waarvoor een jongere, als hij of zij 12 jaar of ouder zou zijn geweest, naar Halt zou zijn verwezen. Die feiten zijn omschreven in het Besluit aanwijzing Halt-feiten2, alsmede in de Aanwijzing Halt-afdoening3. Gegadigden voor een STOP-reactie worden rechtstreeks door de politie verwezen naar het Haltbureau, zonder tussenkomst van het Justitieel Casusoverleg. Is er sprake van (een vermoeden van) ernstig problematische achtergronden, dan volgt geen STOP-verwijzing, maar meldt de politie rechtstreeks aan bij het Bureau Jeugdzorg.

Ernstiger misdrijven – te zwaar voor STOP – of een reeks van (ook relatief lichte) misdrijven, èn gevallen van recidive, meldt de politie middels het landelijk overdrachtsformulier (LOF) aan bij het Justitieel Casusoverleg (JCO) voor (in ieder geval) registratie en eventueel bespreking van de meest passende reactie. Via het JCO wordt zorggedragen voor verwijzing naar gemeentelijke voorzieningen, naar het Bureau Jeugdzorg (BJZ) (met terugmelding aan het JCO voor het geval geen vrijwillige hulpverlening tot stand komt), of naar de Raad voor de Kinderbescherming voor nader onderzoek.

In het JCO brengen politie en Raad voor de Kinderbescherming de beschikbare informatie over het kind en/of het gezin waartoe het behoort. Als de politie reeds naar BJZ heeft verwezen kan dit aanleiding zijn voor overleg tussen Raad en BJZ. Als de Raad onderzoek uitvoert, wordt dit afgestemd met BJZ.

Bespreking in het JCO zal in het algemeen achterwege blijven indien in een regio op dit vlak goede afspraken zijn gemaakt tussen politie, BJZ en Raad voor de Kinderbescherming; elk individueel geval wordt wèl gewoon geregistreerd.

De rol van de officier van justitie ten aanzien van 12-minners in het JCO omvat uiteraard niet het nemen van een vervolgingsbeslissing.

Indien er sprake is van (een vermoeden van) ernstige achterliggende problematiek wordt geen STOP-reactie aangeboden, maar verwijst de politie rechtstreeks naar het Bureau Jeugdzorg (BJZ). Als een dergelijke problematiek pas op het Haltbureau tijdens het eerste gesprek met ouders en kind aan het licht komt, dan kan het Haltbureau die problematiek signaleren en alsnog verwijzen naar het Bureau Jeugdzorg.4

Op zijn beurt kan het Bureau Jeugdzorg, wanneer blijkt dat de problemen te ernstig zijn voor vrijwillige hulp, zonodig doorverwijzen naar de Raad voor de Kinderbescherming voor het initiëren van maatregelen van kinderbescherming. Het OM kan aansturen op een maatregel van kinderbescherming als genoemd in Boek I van het Burgerlijk Wetboek: ondertoezichtstelling (OTS, art. 254, lid 2 jo lid 1), ontheffing van het ouderlijk gezag (art. 270, lid 1 jo 269, lid 1). Voor een OTS is maatgevend of ‘de jeugdige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen’ (art. 254, lid 1, Boek I BW). In acute noodsituaties kan de kinderrechter ex art 1:255 BW de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen, onder meer op vordering van het OM.

Voor 12-minners die, al dan niet in groepsverband, met 12-plussers strafbare feiten plegen, zijn de regels van deze Aanwijzing onverminderd van toepassing.

Gesproken wordt over de door de officier van justitie aangewezen opsporingsambtenaren die als STOP-verwijzer kunnen optreden. Het gaat daarbij om een gedelegeerde bevoegdheid, die door de officier aan een opsporingsambtenaar kan worden verleend. Dat kan en mag categoraal; per korps kunnen meerdere (of zelfs alle) opsporingsambtenaren worden aangewezen. Met betrekking tot 12-minners geldt voor de opsporingsambtenaar temeer dat ingevoerd zijn in jeugdzaken een praktisch vereiste is. Waar in de tekst van de Aanwijzing wordt verwezen naar art. 77e WvSr, zij nog vermeld dat de toestemming van de officier, vermeld in de leden 1 en 3, niet bedoeld is per feit en per kind te worden verleend.

Omtrent de naleving en uitvoering van deze aanwijzing wordt door de opsporingsambtenaar verantwoording afgelegd op een door de officier van justitie te bepalen wijze.

De voor een STOP-reactie in aanmerking komende strafbare feiten zijn gelijk aan de Halt-waardige feiten als bedoeld in het Besluit aanwijzing Halt-feiten van 25 januari 1995, Stb.1995, 62, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 25 augustus 2003, houdende wijzigingen van het Besluit aanwijzing Halt-feiten, Stb. 2003, 341. Het betreft de volgende feiten:

8. Vuurwerkbesluit: het voorhanden hebben van illegaal en/of ondeugdelijk vuurwerk (par. 1.2.2), de verbodsbepaling als bedoeld in par. 1.2.4 betreffende hoeveelheden vuurwerk van meer dan tien kilogram en het afsteken van vuurwerk buiten de daarvoor toegestane tijd (par. 2.3.6).

Indien sprake is van een serieus vermoeden van achterliggende problematiek, doet de opsporingsambtenaar hieromtrent (op basis van de Wet op de Jeugdzorg) melding aan het Bureau Jeugdzorg. Indien niet kan worden volstaan met vrijwillige hulpverlening, kan een verwijzing naar de Raad voor de Kinderbescherming volgen voor een beschermingsonderzoek. Het aanbod van een STOP-reactie door de opsporingsambtenaar blijft in die gevallen achterwege. Blijkt eerst in het gesprek van ouders en kind op het Haltbureau dat er sprake is van ernstige achterliggende problematiek, dan kan het Halt-bureau alsnog doorverwijzen naar vrijwillige vormen van hulp (gemeentelijke voorzieningen) danwel naar het Bureau Jeugdzorg voor geïndiceerde hulp.

Toelichting: Het Haltbureau signaleert en verwijst (gericht) in zo’n geval; Halt doet niet aan hulpverlening. Het Bureau Jeugdzorg verwijst naar geïndiceerde zorg, of naar de Raad voor de Kinderbescherming voor het initiëren van kinderbeschermingsmaatregelen.

a. Van deelname aan een STOP-reactie zijn uitgesloten:

b. De officier van justitie kan in individuele gevallen op een daartoe strekkend verzoek van de ouder(s) of opvoeder(s) toestaan dat in afwijking van het onder 3 bepaalde deelname aan een STOP-reactie kan plaatsvinden.

De beperking die in de Aanwijzing Halt-afdoening is aangebracht aan de bevoegdheid van de officier om voor niet-Haltwaardige feiten toch naar Halt te verwijzen – daar wordt aangedrongen op terughoudend beleid – geldt hier niet omdat geen sprake is van een vervolgingsdreiging, indien niet aan de STOP-reactie wordt deelgenomen.

c. Na een eerdere weigering van ouders om in te stemmen met een STOP-reactie (waarop dus geen STOP-reactie is uitgevoerd) kan bij herhaald STOP-waardig gedrag een tweede aanbod daartoe worden gedaan; als dat aanbod wederom door de ouders wordt afgeslagen, volgt melding aan het JCO door middel van een LOF.

Elk politiecontact van een kind dat een strafbaar feit pleegt, wordt geregistreerd in de politiesystemen en in het cliëntvolgsysteem.

Het Halt-bureau stelt de met het wettelijk gezag belaste ouder(s) of opvoeder(s), alsmede de opsporingsambtenaar, in kennis van de afloop van de STOP-reactie en verschaft informatie over de deelname van ouders en kind daaraan.

Toelichting

De STOP-reactie bestaat uit de volgende onderdelen:

De Haltbureaus beschikken over verschillende STOP-materialen en -spellen die in samenwerking met gedragsdeskundigen zijn ontwikkeld (computerspellen, delictgerelateerde opdrachten en handreikingen aan de ouders waarmee zij het delictgedrag met hun kind bespreekbaar kunnen maken).

De beleidsregels in deze aanwijzing hebben gelding vanaf de dag van inwerkingtreding.