Ministeriële regeling · BWBR0022061

Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 4 juni 2007 nr. VO/OK/2007/13731, houdende vaststelling van de examenprogramma’s v.w.o., h.a.v.o. en v.m.b.o. (Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs)Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijsDe Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Gelet op artikel 7 van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o.;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen, die ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, J.M. vanBijsterveldt-Vliegenthart

De examenprogramma’s v.w.o. en h.a.v.o. worden vastgesteld zoals aangegeven in bijlage 1 bij deze regeling.

De examenprogramma’s v.m.b.o. worden vastgesteld zoals aangegeven in bijlage 2 bij deze regeling.

De volgende regelingen worden ingetrokken:

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2007 en is voor het eerst van toepassing op de leerlingen die in het schooljaar 2007–2008 beginnen met het vierde leerjaar vwo of havo en op de leerlingen die in het schooljaar 2007–2008 beginnen met het vierde leerjaar vmbo.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs.

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Domein A Leesvaardigheid

Domein B Mondelinge taalvaardigheid

Domein C Schrijfvaardigheid

Domein D Argumentatieve vaardigheden

Domein E Literatuur

Domein F Oriëntatie op studie en beroep.

Bij de uitvoering van het examenprogramma worden de referentieniveaus Nederlandse taal in acht genomen, bedoeld in artikel 2, onderdeel c en onderdeel d, van het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen

Het centraal examen

Het centraal examen heeft betrekking op domein A en domein D voor zover het analyseren en beoordelen betreft.

Het schoolexamen

Het schoolexamen heeft betrekking op:

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het centraal examen heeft betrekking op domein A.

Het schoolexamen heeft betrekking op:

Ingangsdatum: augustus 2014

Eerste examenjaar: 2017

Griekse taal en cultuur (GTC) vwo

Latijnse taal en cultuur (LTC) vwo

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Domein A Reflectie op klassieke teksten (subdomein 1) en antieke cultuur (subdomein 2)

Domein B Reflectie op relaties tussen de antieke cultuur en de latere Europese cultuur

Domein C Zelfstandige oordeelsvorming

Domein D Oriëntatie op studie en beroep

Domein E Informatievaardigheden.

Het centraal examen heeft betrekking op de domeinen A (subdomein 1: reflectie op klassieke teksten), B1 (B.3) en C (C.5).

Het centraal examen heeft betrekking op authentieke en vertaalde teksten van een of meer auteurs, behorend tot eenzelfde genre.

Het CvE stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast.

Het CvE maakt een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen.

Het schoolexamen heeft betrekking op de domeinen A, B, C, D en E.

Deze domeinen komen aan de orde aan de hand van:

Daarnaast komen deze domeinen aan de orde aan de hand van:

Het bevoegd gezag kiest tenminste drie van de volgende cultuurdomeinen waarop de eindtermen betrekking hebben: verhalengoed, drama, beeldende kunst, architectuur, filosofie.

Het bevoegd gezag kan, naast bovengenoemde domeinen, ook eigen cultuurdomeinen toevoegen.

Domein A: Reflectie op klassieke teksten en antieke cultuur

subdomein 1: Reflectie op klassieke teksten

subdomein 2: (alleen van toepassing op het schoolexamen) Reflectie op antieke cultuur

Domein B: Reflectie op relaties tussen de antieke cultuur en de latere Europese cultuur

De kandidaat kan

Domein C: Zelfstandige oordeelsvorming

Domein D: Oriëntatie op studie en beroep

Domein E: Informatievaardigheden

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Domein A Reflectie op klassieke teksten (subdomein 1) en antieke cultuur (subdomein 2)

Domein B Reflectie op relaties tussen de antieke cultuur en de latere Europese cultuur

Domein C Zelfstandige oordeelsvorming

Domein D Oriëntatie op studie en beroep

Domein E Informatievaardigheden

Het centraal examen heeft betrekking op de domeinen A (subdomein 1: reflectie op klassieke teksten), B2 (B.3) en C (C.5)

Het centraal examen heeft betrekking op authentieke en vertaalde teksten van een of meer auteurs, behorend tot eenzelfde genre.

Het CvE stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast.

Het CvE maakt een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen.

Het schoolexamen heeft betrekking op:

Deze bevat geen teksten van de auteur(s) die voor het centraal examen zijn vastgesteld, tenzij deze teksten behoren tot een ander genre en thema.

Daarnaast komen deze domeinen aan de orde aan de hand van:

Het bevoegd gezag kiest tenminste drie van de volgende cultuurdomeinen waarop de eindtermen betrekking hebben: verhalengoed, drama, beeldende kunst, architectuur, filosofie.

Het bevoegd gezag kan, naast bovengenoemde domeinen, ook eigen cultuurdomeinen toevoegen.

Domein A: Reflectie op klassieke teksten en antieke cultuur

subdomein 1: Reflectie op klassieke teksten

subdomein 2: (alleen van toepassing op het schoolexamen) Reflectie op antieke cultuur

Domein B: Reflectie op relaties tussen de antieke cultuur en de latere Europese cultuur

De kandidaat kan:

Domein C: Zelfstandige oordeelsvorming

Domein D: Oriëntatie op studie en beroep

Domein E: Informatievaardigheden

Het eindexamen bestaat uit het schoolexamen.

Het eindexamenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Domein A Leesvaardigheid

Domein B Kijk- en luistervaardigheid

Domein C Gespreksvaardigheid

Domein D Schrijfvaardigheid

Domein E Chinese cultuur

Domein F Oriëntatie op studie en beroep

Het schoolexamen heeft betrekking op:

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het centraal examen heeft betrekking op domein A.

Het schoolexamen heeft betrekking op:

It eineksamen bestiet út it sintraal eksamen en in skoaleksamen.

It eksamenprogramma bestiet út de neikommende domeinen:

It sintraal eksamen slacht op domein A.

It skoaleksamen slacht op:

Het eindexamen bestaat uit het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het schoolexamen heeft betrekking op domein A tot en met E, en indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen.

Het eindexamen bestaat uit het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het schoolexamen heeft betrekking op domein A tot en met E, en indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen.

Het eindexamen bestaat uit het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Dit examenprogramma is ook van toepassing op het havo, waar de school voor havo ervoor kiest om algemene natuurwetenschappen als afzonderlijk vak in het eindexamen op te nemen, met dien verstande dat voor het havo een selectie kan worden gemaakt uit de examenstof. De domeinen A en B behoren altijd tot de examenstof.

Het schoolexamen heeft betrekking op:

Het eindexamen bestaat uit het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het schoolexamen heeft betrekking op de domeinen A tot en met D, en indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen.

Het eindexamen bestaat uit het schoolexamen.

Het eindexamen bestaat uit praktische bewegingsactiviteiten.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het schoolexamen heeft betrekking op de domeinen A tot en met E, (met dien verstande dat de eindtermen uit de domeinen A en C, D en E slechts in samenhang met domein B aan de orde komen), en indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen.

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het centraal examen heeft betrekking op domeinen B, C en D in combinatie met de vaardigheden uit domein A.

Het CvE stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast.

Het CvE maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen.

Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en:

Subdomein A1: Algemene vaardigheden

Subdomein A2: Profielspecifieke vaardigheden

Subdomein A3: Wiskundige vaardigheden

Subdomein B1: Algebra

Subdomein B2: Telproblemen

Subdomein C1: Standaardfuncties

Subdomein C2: Functies, grafieken, vergelijkingen en ongelijkheden

Subdomein D1: Rijen

Subdomein D2: Helling

Subdomein D3: Afgeleide

Subdomein E1: Probleemstelling en onderzoeksontwerp

Subdomein E2: Visualisatie van data

Subdomein E3: Kwantificering

Subdomein E4: Kansbegrip

Subdomein E5: Kansverdelingen

Subdomein E6: Verklarende statistiek

Subdomein E7: Statistiek met ICT

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het centraal examen heeft betrekking op domein C en de subdomeinen B1, B2, E1, E2, E3 en E4 in combinatie met de vaardigheden uit domein A.

Het CvE stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast.

Het CvE maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen.

Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en:

Subdomein A1: Algemene vaardigheden

Subdomein A2: Profielspecifieke vaardigheden

Subdomein A3: Wiskundige vaardigheden

Subdomein B1: Rekenen

Subdomein B2: Algebra

Subdomein B3: Telproblemen

Subdomein C1: Tabellen

Subdomein C2: Grafieken, vergelijkingen en ongelijkheden

Subdomein C3: Formules met één of meer variabelen

Subdomein C4: Lineaire verbanden

Subdomein C5: Exponentiële verbanden

12. De kandidaat kan bij een grafiek uitspraken doen over stijgen, dalen, maximum en minimum en kan veranderingen beschrijven met behulp van differenties, hellingen en toenamediagrammen.

Subdomein E1: Presentaties van data interpreteren en beoordelen

Subdomein E2: Data verwerken

Subdomein E3: Data en verdelingen

Subdomein E4: Statistische uitspraken doen

en het resultaat interpreteren in termen van de context.

Subdomein E5: Statistiek met ICT

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het centraal examen heeft betrekking op de domeinen B, C, D en E in combinatie met de vaardigheden uit domein A.

Het CvE stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast.

Het CvE maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen.

Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en:

Subdomein A1: Algemene vaardigheden

Subdomein A2: Profielspecifieke vaardigheden

Subdomein A3: Wiskundige vaardigheden

Subdomein B1: Formules en functies

Subdomein B2: Standaardfuncties

Subdomein B3: Functies en grafieken

Subdomein B4: Inverse functies

Subdomein B5: Vergelijkingen en ongelijkheden

Subdomein B6: Asymptoten en limietgedrag van functies

Subdomein C1: Afgeleide functies

Subdomein C2: Technieken voor differentiëren

Subdomein C3: Integraalrekening

Subdomein E1: Meetkundige vaardigheden

Subdomein E2: Algebraïsche methoden in de vlakke meetkunde

Subdomein E3: Vectoren en inproduct

Subdomein E4: Toepassingen

Keuzeonderwerpen

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het centraal examen heeft betrekking op de domeinen B, C en D in combinatie met de vaardigheden uit domein A.

Het CvE stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast.

Het CvE maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen.

Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en:

Subdomein A1: Algemene vaardigheden

Subdomein A2: Profielspecifieke vaardigheden

Subdomein A3: Wiskundige vaardigheden

Subdomein B1: Standaardfuncties

Subdomein B2: Vergelijkingen en ongelijkheden

Subdomein B3: Evenredigheidsverbanden

Subdomein B4: Periodieke functies

Subdomein C1: Afstanden en hoeken in concrete situaties

Subdomein C2: Algebraïsche methoden

Subdomein D1: Veranderingen

Subdomein D2: Afgeleide functies

Subdomein D3: Bepaling afgeleide functies

Subdomein D4: Toepassing afgeleide functies

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het centraal examen heeft betrekking op de domeinen B, C, D, F en G in combinatie met de vaardigheden uit domein A.

Het CvE stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast.

Het CvE maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen.

Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en:

Subdomein A1: Algemene vaardigheden

Subdomein A2: Profielspecifieke vaardigheden

Subdomein A3: Wiskundige vaardigheden

Subdomein B1: Rekenen en algebra

Subdomein B2: Telproblemen

Subdomein E1: Probleemstelling en onderzoeksontwerp

Subdomein E2: Visualisatie van data

Subdomein E3: Kwantificering

Subdomein E4: Kansbegrip

Subdomein E5: Kansverdelingen

Subdomein E6: Statistiek met ICT

Het eindexamen bestaat uit het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en:

Subdomein A1: Algemene vaardigheden

Subdomein A2: Profielspecifieke vaardigheden

Subdomein A3: Wiskundige vaardigheden

Subdomein B1: Combinatoriek

Subdomein B2: Kansrekening

Subdomein B3: Toevalsvariabelen

Subdomein B4: Kansverdelingen

Subdomein B5: Het toetsen van hypothesen

Subdomein B6: Correlatie en regressie

Subdomein B7: Profielspecifieke verdieping

Subdomein C1: Discrete dynamische systemen

Subdomein C2: Continue dynamische systemen

Subdomein C3: Toepassingen van discrete en continue dynamische systemen

Subdomein D1: Analytische en synthetische methoden

Subdomein D2: Kegelsneden: synthetisch en in coördinaten

Subdomein D3: De ruimte

Subdomein D4: Toepassingen en ICT

Subdomein E1: Basisoperaties

Subdomein E2: Profielspecifieke verdieping

20. De kandidaat heeft kennis van een profielspecifiek onderwerp dat aansluit bij de wijze waarop wiskunde wordt gebruikt in het hoger onderwijs.

Keuzeonderwerpen

Het eindexamen bestaat uit het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Domein A Vaardigheden

Domein B Statistiek en kansrekening

Domein C Ruimtemeetkunde

Domein D Wiskunde in technologie

Domein E Keuzeonderwerpen

Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en:

Subdomein A1: Algemene vaardigheden

Subdomein A2: Profielspecifieke vaardigheden

Subdomein A3: Wiskundige vaardigheden

Subdomein B1: Visualisatie en interpretatie van data

Subdomein B2: Combinatoriek

Subdomein B3: Kansbegrip

Subdomein B4: Kansverdelingen

Subdomein B5: Toepassingen van statistische verwerkingsmethoden

Subdomein B6: Profielspecifieke verdieping

Subdomein C1: Oppervlakte en inhoud

Subdomein C2: Fragmenttekeningen van ruimtelijke objecten

Subdomein C3: Onderlinge ligging van punten, lijnen, vlakken in concrete situaties

Subdomein C4: Coördinaten en vectoren

14. De kandidaat heeft kennis van een profielspecifiek onderwerp dat aansluit bij de wijze waarop wiskunde wordt gebruikt in het hoger onderwijs.

Keuzeonderwerpen

Het eindexamen

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het centraal examen

Het centraal examen heeft betrekking op de (sub)domeinen B1, B2, C1, C2, C3, D1, D2, E2, F1 en H in combinatie met de vaardigheden uit domein A.

Het CvE kan bepalen, dat het centraal examen ten dele betrekking heeft op andere subdomeinen, mits de subdomeinen van het centraal examen tezamen dezelfde studielast hebben als de in de vorige zin genoemde.

Het CvE stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast.

Het CvE maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen.

Het schoolexamen

Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en:

Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken

Subdomein A2: Communiceren

Subdomein A3: Reflecteren op leren

Subdomein A4: Studie en beroep

Subdomein A5: Onderzoeken

Subdomein A6: Ontwerpen

Subdomein A7: Modelvorming

Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium

Subdomein A9: Waarderen en oordelen

Subdomein A10: Kennisontwikkeling en -toepassing

Subdomein A11: Technisch-instrumentele vaardigheden

Subdomein A12: Rekenkundige en wiskundige vaardigheden

Subdomein A13: Vaktaal

Subdomein A14: Vakspecifiek gebruik van de computer

Subdomein A15: Kwantificeren en interpreteren

Subdomein B1: Informatieoverdracht

Subdomein B2: Medische beeldvorming

Subdomein C1: Kracht en beweging

Subdomein C2: Energie en wisselwerking

Subdomein C3. Gravitatie

Subdomein D1: Elektrische systemen

Subdomein D2: Elektrische en magnetische velden

Subdomein E1: Eigenschappen van stoffen en materialen

Subdomein E2: Elektromagnetische straling en materie

Subdomein E3: Kern- en deeltjesprocessen1

Subdomein F1: Quantumwereld

Subdomein F2: Relativiteitstheorie1

Subdomein G1: Biofysica1

Subdomein G2: Geofysica1

Ook kan de kandidaat een model hanteren en de grenzen van de toepasbaarheid en betrouwbaarheid van een bepaald model voor een fysisch verschijnsel beoordelen.

Subdomein I1: Experiment

Subdomein I2: Modelstudie

Subdomein I3: Ontwerp

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het centraal examen

Het centraal examen heeft betrekking op de (sub)domeinen B1, B2, C1, C2, D1, E1, G1 en H in combinatie met de vaardigheden uit domein A.

Het CvE kan bepalen, dat het centraal examen ten dele betrekking heeft op andere subdomeinen, mits de subdomeinen van het centraal examen tezamen dezelfde studielast hebben als de in de vorige zin genoemde.

Het CvE stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast.

Het CvE maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen.

Het schoolexamen

Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en:

Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken

Subdomein A2: Communiceren

Subdomein A3: Reflecteren op leren

Subdomein A4: Studie en beroep

Subdomein A5: Onderzoeken

Subdomein A6: Ontwerpen

Subdomein A7: Modelvorming

Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium

Subdomein A9: Waarderen en oordelen

Subdomein A10: Kennisontwikkeling en -toepassing

Subdomein A11: Technisch-instrumentele vaardigheden

Subdomein A12: Rekenkundige en wiskundige vaardigheden

Subdomein A13: Vaktaal

Subdomein A14: Vakspecifiek gebruik van de computer

Subdomein A15: Kwantificeren en interpreteren

Subdomein B1: Informatieoverdracht

Subdomein B2: Medische beeldvorming

Subdomein B3: Optica1

Subdomein C1: Kracht en beweging

Subdomein C2: Energieomzettingen

Subdomein D1: Eigenschappen van stoffen en materialen

Subdomein D2: Functionele materialen

Subdomein E1: Zonnestelsel en heelal

Subdomein E2: Aarde en klimaat1

25. De kandidaat kan in de context van het menselijk lichaam fysische processen beschrijven, analyseren en verklaren en hun functie voor gezondheid en veiligheid toelichten.

Subdomein G1: Gebruik van elektriciteit

Subdomein G2: Technische automatisering1

28. De kandidaat kan in voorbeelden van technologische ontwikkeling die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen natuurkundige principes en wetmatigheden herkennen, benoemen en toepassen.

Subdomein I1: Experiment

Subdomein I2: Modelstudie

Subdomein I3: Ontwerp

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Domein A Vaardigheden

Domein B Stoffen en materialen in de chemie

Domein C Chemische processen en behoudswetten

Domein D Ontwikkelen van chemische kennis

Domein E Innovatie en chemisch onderzoek

Domein F Industriële (chemische) processen

Domein G Maatschappij, chemie en technologie

Het centraal examen heeft betrekking op de subdomeinen B1, B2, B3, B4, C1, C2, C3, C4, C5, C6, D1, D3, E1, E2, F1, F2, F3, G1, G2 en G3, in combinatie met de vaardigheden uit domein A.

Het CvE kan bepalen, dat het centraal examen ten dele betrekking heeft op andere subdomeinen, mits de subdomeinen van het centraal examen tezamen dezelfde studielast hebben als de in de vorige zin genoemde.

Het CvE stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast.

Het CvE maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen.

Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en:

Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken

Subdomein A2: Communiceren

Subdomein A3: Reflecteren op leren

Subdomein A4: Studie en beroep

Subdomein A5: Onderzoeken

Subdomein A6: Ontwerpen

Subdomein A7: Modelvorming

Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium

Subdomein A9: Waarderen en oordelen

Subdomein A10: Toepassen van chemische concepten

Subdomein A11: Redeneren in termen van context-concept

Subdomein A12: Redeneren in termen van structuur-eigenschappen

Subdomein A13: Redeneren over systemen, verandering en energie

Subdomein A14: Redeneren in termen van duurzaamheid

Subdomein A15: Redeneren over ontwikkelen van chemische kennis

Subdomein B1: Deeltjesmodellen

Subdomein B2: Eigenschappen en modellen

Subdomein B3: Bindingen en eigenschappen

Subdomein B4: Bindingen, structuren en eigenschappen

Subdomein C1: Chemische processen

Subdomein C2: Chemisch rekenen

Subdomein C3: Behoudswetten en kringlopen

Subdomein C4: Reactiekinetiek

Subdomein C5: Chemisch evenwicht

Subdomein C6: Energieberekeningen

Subdomein C7: Classificatie van reacties

Subdomein C8: Technologische aspecten

Subdomein C9: Kwaliteit van energie

Subdomein C10: Activeringsenergie

Subdomein D1: Chemische vakmethodes

Subdomein D2: Veiligheid

Subdomein D3: Chemische synthese

Subdomein D4: Molecular modelling

Subdomein E1: Chemisch onderzoek

Subdomein E2: Selectiviteit en specificiteit

Subdomein E3: Duurzaamheid

Subdomein E4: Nieuwe materialen

Subdomein E5: Onderzoek en ontwerp

Subdomein F1: Industriële processen

Subdomein F2: Groene chemie

Subdomein F3: Energieomzettingen

Subdomein F4: Risico en veiligheid

Subdomein F5: Duurzame productieprocessen

Subdomein G1: Chemie van het leven

Subdomein G2: Milieueffectrapportage

Subdomein G3: Energie en industrie

Subdomein G4: Milieueisen

Subdomein G5: Bedrijfsprocessen

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Domein A Vaardigheden

Domein B Kennis van stoffen en materialen

Domein C Kennis van chemische processen en kringlopen

Domein D Ontwerpen en experimenten in de chemie

Domein E Innovatieve ontwikkelingen in de chemie

Domein F Processen in de chemische industrie

Domein G Maatschappij en chemische technologie

Het centraal examen heeft betrekking op de subdomeinen B1, B2, B3, B4, B5, C1, C2, C3, C6, C7, C8, D1, D3, E1, F1, F3, G1 en G2, in combinatie met de vaardigheden uit domein A.

Het CvE kan bepalen, dat het centraal examen ten dele betrekking heeft op andere subdomeinen, mits de subdomeinen van het centraal examen tezamen dezelfde studielast hebben als de in de vorige zin genoemde.

Het CvE stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast.

Het CvE maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen.

Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en:

Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken

Subdomein A2: Communiceren

Subdomein A3: Reflecteren op leren

Subdomein A4: Studie en beroep

Subdomein A5: Onderzoeken

Subdomein A6: Ontwerpen

Subdomein A7: Modelvorming

Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium

Subdomein A9: Waarderen en oordelen

Subdomein A10: Gebruiken van chemische concepten

Subdomein A11: Redeneren in termen van context-concept

Subdomein A12: Redeneren in termen van structuur-eigenschappen

Subdomein A13: Redeneren over systemen, verandering en energie

Subdomein A14: Redeneren in termen van duurzaamheid

Subdomein A15: Redeneren over ontwikkelen van chemische kennis

Subdomein B1: Deeltjesmodellen

Subdomein B2: Eigenschappen en modellen

Subdomein B3: Bindingen en eigenschappen

Subdomein B4: Bindingen, structuren en eigenschappen

Subdomein B5: Macroscopische eigenschappen

Subdomein C1: Chemische processen

Subdomein C2: Chemisch rekenen

Subdomein C3: Energieberekeningen

Subdomein C4: Chemisch evenwicht

Subdomein C5: Technologische aspecten

Subdomein C6: Reactiekinetiek

Subdomein C7: Behoudswetten en kringlopen

Subdomein C8: Classificatie van reacties

Subdomein D1: Chemische vakmethodes

Subdomein D2: Veiligheid

Subdomein D3: Chemische procesontwerpen

Subdomein D4: Molecular modelling

Subdomein E1: Kenmerken van innovatieve processen

Subdomein E2: Duurzaamheid

Subdomein E3: Innovatieve processen

Subdomein F1: Industriële processen

Subdomein F2: Procestechnologie en duurzaamheid

Subdomein F3: Energieomzettingen

Subdomein F4: Risico en veiligheid

Subdomein F5: Kwaliteit en gezondheid

Subdomein G1: Chemie van het leven

Subdomein G2: Milieueisen

Subdomein G3: Duurzame chemische technologie

Subdomein G4: Groene chemie

Subdomein G5: Ketenanalyse

Het eindexamen

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het centraal examen

Het centraal examen heeft betrekking op de subdomeinen B1, B2, B3, B4, B5, B8, C1, C3, D1, D2, D5, E3, F1 en F2, in combinatie met de vaardigheden uit domein A.

Het CvE kan bepalen dat het centraal examen ten dele betrekking heeft op andere subdomeinen, mits de subdomeinen van het centraal examen tezamen dezelfde studielast hebben als de in de vorige zin genoemde.

Het CvE stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast.

Het CvE maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen.

Het schoolexamen

Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en:

Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken

Subdomein A2: Communiceren

Subdomein A3: Reflecteren op leren

Subdomein A4: Studie en beroep

Subdomein A5: Onderzoeken

Subdomein A6: Ontwerpen

Subdomein A7: Modelvorming

Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium

Subdomein A9: Waarderen en oordelen

Subdomein A10: Beleven

Subdomein A11: Vorm­functie­denken

Subdomein A12: Ecologisch denken

Subdomein A13: Evolutionair denken

Subdomein A14: Systeemdenken

Subdomein A15: Kennisontwikkeling en -toepassing

Subdomein A16: Contexten

Subdomein B1: Eiwitsynthese

Subdomein B2: Stofwisseling van de cel

Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme

Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme

Subdomein B5: Afweer van het organisme

Subdomein B6: Beweging van het organisme

Subdomein B7: Waarneming door het organisme

Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen

Subdomein C1: Zelforganisatie van cellen

Subdomein C2: Zelforganisatie van het organisme

Subdomein C3: Zelforganisatie van ecosystemen

Subdomein D1: Moleculaire interactie

Subdomein D2: Cellulaire interactie

Subdomein D3: Gedrag en interactie

Subdomein D4: Seksualiteit

Subdomein D5: Interactie in ecosystemen

Subdomein E1: DNA­replicatie

Subdomein E2: Levenscyclus van de cel

Subdomein E3: Reproductie van het organisme

Subdomein F1: Selectie

Subdomein F2: Soortvorming

Subdomein F3: Biodiversiteit

Subdomein F4: Ontstaan van het leven

Het eindexamen

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het centraal examen

Het centraal examen heeft betrekking op de subdomeinen B2, B3, B4, B5, B8, C1, D4, E4, F1 en F2, in combinatie met de vaardigheden uit domein A.

Het CvE kan bepalen dat het centraal examen ten dele betrekking heeft op andere subdomeinen, mits de subdomeinen van het centraal examen tezamen dezelfde studielast hebben als de in de vorige zin genoemde.

Het CvE stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast.

Het CvE maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen.

Het schoolexamen

Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en:

Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken

Subdomein A2: Communiceren

Subdomein A3: Reflecteren op leren

Subdomein A4: Studie en beroep

Subdomein A5: Onderzoeken

Subdomein A6: Ontwerpen

Subdomein A7: Modelvorming

Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium

Subdomein A9: Waarderen en oordelen

Subdomein A10: Beleven

Subdomein A11: Vorm­functie­denken

Subdomein A12: Ecologisch denken

Subdomein A13: Evolutionair denken

Subdomein A14: Systeemdenken

Subdomein A15: Contexten

Subdomein A16: Kennisontwikkeling en ­toepassing

Subdomein B1: Eiwitsynthese

Subdomein B2: Stofwisseling van de cel

Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme

Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme

Subdomein B5: Afweer van het organisme

Subdomein B6: Beweging van het organisme

Subdomein B7: Waarneming door het organisme

Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen

Subdomein C1: Zelforganisatie van cellen

Subdomein C2: Zelforganisatie van het organisme

Subdomein C3: Zelforganisatie van ecosystemen

Subdomein D1: Moleculaire interactie

Subdomein D2: Gedrag en interactie

Subdomein D3: Seksualiteit

Subdomein D4: Interactie in ecosystemen

Subdomein E1: DNA­replicatie

Subdomein E2: Levenscyclus van de cel

Subdomein E3: Voortplanting van het organisme

Subdomein E4: Erfelijke eigenschap

Subdomein F1: Selectie

Subdomein F2: Soortvorming

Subdomein F3: Biodiversiteit

Het eindexamen bestaat uit het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het schoolexamen

Het schoolexamen heeft betrekking op:

Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken

Subdomein A2: Communiceren

Subdomein A3: Reflecteren op leren

Subdomein A4: Studie en beroep

Subdomein A5: Onderzoeken

Subdomein A6: Ontwerpen

Subdomein A7: Modelvorming

Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium

Subdomein A9: Waarderen en oordelen

Subdomein A10: Interdisciplinaire vraagstukken in studie- en beroepspraktijk

Subdomein A11: Redeneren

Subdomein A12: Rekenkundige en wiskundige vaardigheden

Subdomein A13: Samenwerken

Subdomein B1: Interdisciplinariteit

Subdomein B2: Wisselwerking tussen natuurwetenschap en technologie

16. De kandidaat kan natuurwetenschappelijke en wiskundige concepten toepassen op interdisciplinaire vraagstukken met betrekking tot het monitoren en (duurzaam) beheren van de natuurlijke en ingerichte leefomgeving.

17. De kandidaat kan natuurwetenschappelijke en wiskundige concepten toepassen op interdisciplinaire vraagstukken met betrekking tot bescherming, diagnose, genezing, verzorging of revalidatie van mensen.

Subdomein E1: Methoden en technieken van technologische ontwikkeling

Subdomein E2: Processen en producten

Het eindexamen bestaat uit het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het schoolexamen

Het schoolexamen heeft betrekking op:

Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken

Subdomein A2: Communiceren

Subdomein A3: Reflecteren op leren

Subdomein A4: Studie en beroep

Subdomein A5: Onderzoeken

Subdomein A6: Ontwerpen

Subdomein A7: Modelvorming

Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium

Subdomein A9: Waarderen en oordelen

Subdomein A10: Interdisciplinaire vraagstukken in studie- en beroepspraktijk

Subdomein A11: Redeneren

Subdomein A12: Rekenkundige en wiskundige vaardigheden

Subdomein A13: Samenwerken

Subdomein B1: Interdisciplinariteit

Subdomein B2: Wisselwerking tussen natuurwetenschap en technologie

Subdomein C1: Processen in levende natuur, aarde en ruimte

Subdomein C2: Duurzaamheid

Subdomein D1: De gezonde en zieke mens

Subdomein D2: Bescherming en veiligheid

Subdomein E1: Methoden en technieken van technologische ontwikkeling

Subdomein E2: Processen en producten

Subdomein F1: Fundamentele theorieën

Subdomein F2: Methoden en technieken van onderzoek

Het eindexamen bestaat uit het schoolexamen.

Het schoolexamen heeft betrekking op:

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het centraal examen heeft betrekking op de (sub)domeinen A1, B1, C1, D1 en E1.

Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en:

Hij betrekt bij beide soorten vraagstukken aspecten van duurzame ontwikkeling en plannen voor de ruimtelijke inrichting van Nederland.

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het centraal examen heeft betrekking op de (sub)domeinen A1, B2, C2, D1, E1.

Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en:

Hij betrekt bij beide soorten vraagstukken aspecten van duurzame ontwikkeling en plannen voor de ruimtelijke inrichting van Nederland.

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Domein A Historisch besef

Domein B Oriëntatiekennis

Domein C Thema's

Domein D Geschiedenis van de rechtsstaat en van de parlementaire democratie

Domein E Oriëntatie op studie en beroep.

Het centraal examen heeft betrekking op de domeinen A en B.

Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en:

Voor tijdvak 1 gelden de volgende kenmerkende aspecten:

Voor tijdvak 2 gelden de volgende kenmerkende aspecten:

Voor tijdvak 3 gelden de volgende kenmerkende aspecten:

Voor tijdvak 4 gelden de volgende kenmerkende aspecten:

Voor tijdvak 5 gelden de volgende kenmerkende aspecten:

Voor tijdvak 6 gelden de volgende kenmerkende aspecten:

Voor tijdvak 7 gelden de volgende kenmerkende aspecten:

Voor tijdvak 8 gelden de volgende kenmerkende aspecten:

Voor tijdvak 9 gelden de volgende kenmerkende aspecten:

Voor tijdvak 10 gelden de volgende kenmerkende aspecten:

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Domein A Historisch besef

Domein B Oriëntatiekennis

Domein C Thema's

Domein D Geschiedenis van de rechtsstaat en van de parlementaire democratie

Domein E Oriëntatie op studie en beroep.

Het centraal examen heeft betrekking op de domeinen A en B, de tijdvakken 5 t/m 10.

Het schoolexamen heeft betrekking op domein A, domein B de tijdvakken 1 t/m 4 en:

Voor tijdvak 1 gelden de volgende kenmerkende aspecten:

Voor tijdvak 2 gelden de volgende kenmerkende aspecten:

Voor tijdvak 3 gelden de volgende kenmerkende aspecten:

Voor tijdvak 4 gelden de volgende kenmerkende aspecten:

Voor tijdvak 5 gelden de volgende kenmerkende aspecten:

Voor tijdvak 6 gelden de volgende kenmerkende aspecten:

Voor tijdvak 7 gelden de volgende kenmerkende aspecten:

Voor tijdvak 8 gelden de volgende kenmerkende aspecten:

Voor tijdvak 9 gelden de volgende kenmerkende aspecten:

Voor tijdvak 10 gelden de volgende kenmerkende aspecten:

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het centraal examen:

Het centraal examen heeft betrekking op de domeinen D, E, F, G, H, I, in combinatie met domein A.

Het schoolexamen:

Het schoolexamen heeft betrekking op domein B, C, J en K, in combinatie met domein A en:

De kandidaat kan economische concepten herkennen en toepassen in uiteenlopende contexten.

De kandidaat kan in contexten analyseren dat beperkte middelen en ongelimiteerde behoeften dwingen tot het maken van keuzes.

De kandidaat kan in contexten analyseren dat het ruilproces de basis vormt voor een optimale inzet van middelen en een optimale benutting van comparatieve voordelen. Voorts kan de kandidaat analyseren dat ruil arbeidsdeling mogelijk maakt en op welke manier geld het ruilproces soepeler laat verlopen.

De kandidaat kan in contexten analyseren dat keuzes en ruil die plaatsvinden worden gecoördineerd via de markt. Prijsvorming is het coördinatiemechanisme waarmee vraag en aanbod op elkaar worden afgestemd. De manier waarop prijsvorming plaatsvindt is afhankelijk van de marktstructuur (marktvormen) en heeft gevolgen voor toetreding, welvaart en economische politiek.

De kandidaat kan, binnen de contexten van gezinshuishoudingen, bedrijfshuishoudingen en overheidshuishoudingen, analyseren dat ruil niet alleen op één moment in de tijd plaatsvindt, maar ook over de tijd. De prijs die deze intertemporele ruil coördineert is de rente.

De kandidaat kan in contexten analyseren dat, wanneer belangen van individuele actoren conflicteren, samenwerken en onderhandelen meer oplevert voor (markt)partijen dan vertrouwen op individuele acties. Centralisatie, waarbij (collectieve) dwang het middel is om acties tot stand te brengen, kan een alternatief coördinatiemechanisme zijn voor keuzes.

De kandidaat kan in contexten analyseren dat gezinnen en bedrijven bij het maken van keuzes informatie verzamelen ten einde onzekerheid te verkleinen. Aangezien de informatie vaak een beperkt karakter zal hebben moeten transactiepartijen een inschatting maken van mogelijke gebeurtenissen (risico) en de mate waarin transactiepartners gebeurtenissen beïnvloeden of informatie achterhouden die relevant is voor het tot stand brengen van een transactie (asymmetrische informatie).

De kandidaat kan in contexten analyseren wat op nationaal en op mondiaal niveau de oorzaken zijn van economische groei en van de verdeling van inkomen en welvaart. Keuzes op microniveau werken door op macroniveau in elke economie die gekenmerkt wordt door wederzijds afhankelijke markten.

De kandidaat kan in contexten analyseren waarom er sprake is van korte termijn schommelingen in economische activiteiten en welke mogelijkheden en grenzen er zijn voor conjunctuurbeleid. Markten laten zich niet gemakkelijk reguleren mede door toedoen van rigiditeiten.

De kandidaat kan door het deelnemen aan experimenten een conclusie trekken die getuigt van een ‘economische kijk’ op maatschappelijke verschijnselen en van strategisch inzicht. De kandidaat kan analyseren welke grenzen aan de verklaringskracht van theoretische concepten gesteld kunnen worden.

De kandidaat kan een economisch concept in verschillende contexten vergelijkenderwijs analyseren.

De kandidaat kiest ten minste twee keuzeonderwerpen om deze analyse uit te voeren.

Het eindexamen

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Domein A Vaardigheden

Domein B Van persoon naar rechtspersoon

Domein C Interne organisatie en personeelsbeleid

Domein D Investeren en financieren

Domein E Marketing

Domein F Financieel beleid

Domein G Verslaggeving

Domein H Keuze-onderwerpen

Het centraal examen

Het centraal examen heeft betrekking op de (sub)domeinen A, B, C2, D2, E2, F en G zoals hieronder nader uitgewerkt.

CvTE stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast.

CvTE maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen.

Het schoolexamen

Het schoolexamen heeft betrekking op domeinen A, B en:

De examenstof

Domein A: Vaardigheden

Algemene vaardigheden

Subdomein A1: Informatie-vaardigheden gebruiken

Subdomein A2: Communiceren

Subdomein A3: Reflecteren op leren

Subdomein A4: Studie en beroep

Subdomein A5: Onderzoeken

Vakspecifieke vaardigheden

Subdomein A6: Benaderingswijzen

Domein B: Van persoon naar rechtspersoon

Subdomein B1: Persoonlijke financiële zelfredzaamheid

Subdomein B2: De oprichting van een eenmanszaak

Subdomein B3: Van eenmanszaak naar rechtspersoon

Subdomein B4: Perspectief op de organisatie

Domein C: Interne organisatie en personeelsbeleid

Subdomein C1: Interne organisatie

Subdomein C2: Personeelsbeleid

Domein D: Investeren en financieren

Subdomein D1: Investeren

Subdomein D2: Financieren

Domein E: Marketing

Subdomein E1: Doel en organisatie van marketingactiviteiten

Subdomein E2: Marketingbeleid

Subdomein E3: Marketing vanuit het perspectief van de consument en de samenleving

Domein F: Financieel beleid

Subdomein F1: Vastleggen van financiële en niet-financiële informatie

Subdomein F2: Kosten- en winstvraagstukken en beheermaatregelen

Domein G: Verslaggeving

Domein H: Keuze-onderwerpen

Het eindexamen

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Domein A Vaardigheden

Domein B Van persoon naar rechtspersoon

Domein C Interne organisatie en personeelsbeleid

Domein D Investeren en financieren

Domein E Marketing

Domein F Financieel beleid

Domein G Verslaggeving

Domein H Keuze-onderwerpen

Het centraal examen

Het centraal examen heeft betrekking op de (sub)domeinen A, B, C2, D2, E2, F en G zoals hieronder nader uitgewerkt.

CvTE stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast.

CvTE maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen.

Het schoolexamen

Het schoolexamen heeft betrekking op domein A, B en:

De examenstof

Domein A: Vaardigheden

Subdomein A1: Informatie-vaardigheden gebruiken

Subdomein A2: Communiceren

Subdomein A3: Reflecteren op leren

Subdomein A4: Studie en beroep

Subdomein A5: Onderzoeken

Vakspecifieke vaardigheden

Subdomein A6: Benaderingswijzen

Domein B: Van persoon naar rechtspersoon

Subdomein B1: Persoonlijke financiële zelfredzaamheid

Subdomein B2: De oprichting van een eenmanszaak

Subdomein B3: Van eenmanszaak naar rechtspersoon

Subdomein B4: Perspectief op de organisatie

Domein C: Interne organisatie en personeelsbeleid

Subdomein C1: Interne organisatie

Subdomein C2: Personeelsbeleid

Domein D: Investeren en financieren

Subdomein D1: Investeren

Subdomein D2: Financieren

Domein E: Marketing

Subdomein E1: Doel en organisatie van marketingactiviteiten

Subdomein E2: Marketingbeleid

Domein F: Financieel beleid

Subdomein F1: Vastleggen van financiële en niet-financiële informatie

Subdomein F2: Kosten- en winstvraagstukken

Domein G: Verslaggeving

Domein H: Keuze-onderwerpen

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het centraal examen heeft betrekking op de (sub)domeinen B1, B2 en B3, C, D en E, in combinatie met domein A.

Het College voor Examens stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast.

Het College voor Toetsen en Examens maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen.

Het schoolexamen heeft betrekking op de (sub)domeinen B4 en B5, F, en G, in combinatie met domein A en:

indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: ook een of meer domeinen of subdomeinen waarop het centraal examen betrekking heeft;

indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen.

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het centraal examen heeft betrekking op de (sub)domeinen B, C, D, E1 en E2, in combinatie met domein A.

Het College voor Toetsing en Examens stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast.

Het College voor Toetsing en Examens maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen.

Het schoolexamen heeft betrekking op subdomeinen E3 en E4 en, naar keuze van het bevoegd gezag, domein F of G, in combinatie met domein A en:

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het centraal examen heeft betrekking op de subdomeinen A1 en A2, in combinatie met een door het College voor toetsen en examens vastgesteld onderwerp. Dit onderwerp is gerelateerd aan een van de domeinen B, C, D of E als hoofddomein, waarbij een of meer andere domeinen betrokken kunnen zijn, en de subdomeinen 1. van de domeinen B, C, D en E, die zowel afzonderlijk als in relatie met het onderwerp kunnen worden geëxamineerd.

Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en:

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het centraal examen heeft betrekking op de subdomeinen A1 en A2, in combinatie met een door het College voor toetsen en examens vastgesteld onderwerp. Dit onderwerp is gerelateerd aan een van de domeinen B, C of D als hoofddomein, waarbij een of meer andere domeinen betrokken kunnen zijn, en de subdomeinen 1. van de domeinen B, C of D, die zowel afzonderlijk als in relatie met het onderwerp kunnen worden geëxamineerd.

Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en:

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het centraal examen heeft betrekking op de domeinen B en C in combinatie met de vaardigheden uit domein A.

Het College voor toetsen en examens wijst uit domein C drie onderwerpen aan voor het havo-examen en vier onderwerpen voor het vwo-examen.

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit dat van het vak kunst (algemeen) en de volgende domeinen:

Het schoolexamen heeft betrekking op de domeinen A, B en C, en indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen.

Indien de kandidaat met het profiel cultuur en maatschappij het eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (beeldende vormgeving, muziek, drama of dans) in het vrije deel om te voldoen aan de verplichting dat in dat vrije deel het eindexamen tenminste één vak omvat met een normatieve studielast van tenminste 440 studielasturen, en hij ook als onderdeel van het profieldeel reeds eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (een andere variant), wordt het onderdeel kunst (algemeen) in het examen (en dus het centraal examen) vervangen door aanvullende verdiepende en/of verbredende onderdelen op het gebied van kunst in het schoolexamen met een normatieve studielast van ten minste 160 studielasturen, door het bevoegd gezag te bepalen. Er is dan dus geen centraal examen.

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit dat van het vak kunst (algemeen) en de volgende domeinen:

Het centraal examen is dat van het vak kunst (algemeen).

Het schoolexamen heeft betrekking op de domeinen A, B en C, en indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen.

Indien de kandidaat met het profiel cultuur en maatschappij het eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (beeldende vormgeving, muziek, drama of dans) in het vrije deel om te voldoen aan de verplichting dat in dat vrije deel het eindexamen tenminste één vak omvat met een normatieve studielast van tenminste 320 studielasturen, en hij ook als onderdeel van het profieldeel reeds eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (een andere variant), wordt het onderdeel kunst (algemeen) in het examen (en dus het centraal examen) vervangen door aanvullende verdiepende en/of verbredende onderdelen op het gebied van kunst in het schoolexamen met een normatieve studielast van ten minste 120 studielasturen, door het bevoegd gezag te bepalen. Er is dan dus geen centraal examen.

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit dat van het vak kunst (algemeen) en de volgende domeinen:

Het centraal examen is dat van het vak kunst (algemeen).

Het schoolexamen heeft betrekking op de domeinen A, B en C, en indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen.

Indien de kandidaat met het profiel cultuur en maatschappij het eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (beeldende vormgeving, muziek, drama of dans) in het vrije deel om te voldoen aan de verplichting dat in dat vrije deel het eindexamen tenminste één vak omvat met een normatieve studielast van tenminste 440 studielasturen, en hij ook als onderdeel van het profieldeel reeds eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (een andere variant), wordt het onderdeel kunst (algemeen) in het examen (en dus het centraal examen) vervangen door aanvullende verdiepende en/of verbredende onderdelen op het gebied van kunst in het schoolexamen met een normatieve studielast van ten minste 160 studielasturen, door het bevoegd gezag te bepalen. Er is dan dus geen centraal examen.

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit dat van het vak kunst (algemeen) en de volgende domeinen:

Het centraal examen is dat van het vak kunst (algemeen).

Het schoolexamen heeft betrekking op de domeinen A, B en C, en indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen.

Indien de kandidaat met het profiel cultuur en maatschappij het eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (beeldende vormgeving, muziek, drama of dans) in het vrije deel om te voldoen aan de verplichting dat in dat vrije deel het eindexamen tenminste één vak omvat met een normatieve studielast van tenminste 320 studielasturen, en hij ook als onderdeel van het profieldeel reeds eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (een andere variant), wordt het onderdeel kunst (algemeen) in het examen (en dus het centraal examen) vervangen door aanvullende verdiepende en/of verbredende onderdelen op het gebied van kunst in het schoolexamen met een normatieve studielast van ten minste 120 studielasturen, door het bevoegd gezag te bepalen. Er is dan dus geen centraal examen.

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit dat van het vak kunst (algemeen) en de volgende domeinen:

Het centraal examen is dat van het vak kunst (algemeen).

Het schoolexamen heeft betrekking op de domeinen A, B en C, en indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen.

Indien de kandidaat met het profiel cultuur en maatschappij het eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (beeldende vormgeving, muziek, drama of dans) in het vrije deel om te voldoen aan de verplichting dat in dat vrije deel het eindexamen tenminste één vak omvat met een normatieve studielast van tenminste 440 studielasturen, en hij ook als onderdeel van het profieldeel reeds eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (een andere variant), wordt het onderdeel kunst (algemeen) in het examen (en dus het centraal examen) vervangen door aanvullende verdiepende en/of verbredende onderdelen op het gebied van kunst in het schoolexamen met een normatieve studielast van ten minste 160 studielasturen, door het bevoegd gezag te bepalen. Er is dan dus geen centraal examen.

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit dat van het vak kunst (algemeen) en de volgende domeinen:

Het centraal examen is dat van het vak kunst (algemeen).

Het schoolexamen heeft betrekking op de domeinen A, B en C, en indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen.

Indien de kandidaat met het profiel cultuur en maatschappij het eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (beeldende vormgeving, muziek, drama of dans) in het vrije deel om te voldoen aan de verplichting dat in dat vrije deel het eindexamen tenminste één vak omvat met een normatieve studielast van tenminste 320 studielasturen, en hij ook als onderdeel van het profieldeel reeds eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (een andere variant), wordt het onderdeel kunst (algemeen) in het examen (en dus het centraal examen) vervangen door aanvullende verdiepende en/of verbredende onderdelen op het gebied van kunst in het schoolexamen met een normatieve studielast van ten minste 120 studielasturen, door het bevoegd gezag te bepalen. Er is dan dus geen centraal examen.

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit dat van het vak kunst (algemeen) en de volgende domeinen:

Het centraal examen is dat van het vak kunst (algemeen).

Het schoolexamen heeft betrekking op de domeinen A, B en C, en indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen.

Indien de kandidaat met het profiel cultuur en maatschappij het eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (beeldende vormgeving, muziek, drama of dans) in het vrije deel om te voldoen aan de verplichting dat in dat vrije deel het eindexamen tenminste één vak omvat met een normatieve studielast van tenminste 440 studielasturen, en hij ook als onderdeel van het profieldeel reeds eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (een andere variant), wordt het onderdeel kunst (algemeen) in het examen (en dus het centraal examen) vervangen door aanvullende verdiepende en/of verbredende onderdelen op het gebied van kunst in het schoolexamen met een normatieve studielast van ten minste 160 studielasturen, door het bevoegd gezag te bepalen. Er is dan dus geen centraal examen.

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit dat van het vak kunst (algemeen) en de volgende domeinen:

Het centraal examen is dat van het vak kunst (algemeen).

Het schoolexamen heeft betrekking op de domeinen A, B en C, en indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen.

Indien de kandidaat met het profiel cultuur en maatschappij het eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (beeldende vormgeving, muziek, drama of dans) in het vrije deel om te voldoen aan de verplichting dat in dat vrije deel het eindexamen tenminste één vak omvat met een normatieve studielast van tenminste 320 studielasturen, en hij ook als onderdeel van het profieldeel reeds eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (een andere variant), wordt het onderdeel kunst (algemeen) in het examen (en dus het centraal examen) vervangen door aanvullende verdiepende en/of verbredende onderdelen op het gebied van kunst in het schoolexamen met een normatieve studielast van ten minste 120 studielasturen, door het bevoegd gezag te bepalen. Er is dan dus geen centraal examen.

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het centraal examen heeft betrekking op domein A.

Het schoolexamen heeft betrekking op:

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het centraal examen heeft betrekking op domein A.

Het schoolexamen heeft betrekking op:

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het centraal examen bestaat uit een theoretisch en een praktisch gedeelte.

Het theoretische gedeelte heeft betrekking op domein A.

Het praktische gedeelte heeft betrekking op de (sub)domeinen A2 en B.

Het schoolexamen heeft betrekking op:

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het centraal examen heeft betrekking op domein A.

Het schoolexamen heeft betrekking op:

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het centraal examen bestaat uit een theoretisch en een praktisch gedeelte.

Het theoretische gedeelte heeft betrekking op domein A.

Het praktische gedeelte heeft betrekking op de (sub)domeinen A2 en B.

Het schoolexamen heeft betrekking op:

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het centraal examen heeft betrekking op domein A.

Het schoolexamen heeft betrekking op:

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het centraal examen bestaat uit een theoretisch en een praktisch gedeelte.

Het theoretische gedeelte heeft betrekking op domein A.

Het praktische gedeelte heeft betrekking op de (sub)domeinen A2 en B.

Het schoolexamen heeft betrekking op:

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het centraal examen heeft betrekking op domein A.

Het schoolexamen heeft betrekking op:

Het eindexamen bestaat uit het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het schoolexamen heeft betrekking op:

Het eindexamen bestaat uit het schoolexamen.

Het eindexamenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Domein A Leesvaardigheid

Domein B Kijk- en luistervaardigheid

Domein C Gespreksvaardigheid

Domein D Schrijfvaardigheid

Domein E Chinese cultuur

Domein F Oriëntatie op studie en beroep

Het schoolexamen heeft betrekking op:

Het eindexamen bestaat uit het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het schoolexamen heeft betrekking op de domeinen A tot en met E, (met dien verstande dat de eindtermen uit de domeinen A en C, D en E in beginsel in samenhang met domein B aan de orde komen), en indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen.

Het eindexamen bestaat uit het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

Het schoolexamen heeft betrekking op de domeinen A tot en met E, (met dien verstande dat de eindtermen uit de domeinen A en C, D en E in beginsel in samenhang met domein B aan de orde komen), en indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen.

De zes algemene onderwijsdoelen die voor alle vakken en profielen in het vmbo gelden, zijn:

Hieronder worden de examenprogramma's per vak gedefinieerd in exameneenheden met de bijbehorende code. Elke exameneenheid bestaat uit één of meer eindtermen. In de kolommen achter de exameneenheden staat aangegeven door middel van een X voor welke leerweg de exameneenheid deel uitmaakt van het examenprogramma.

Het centraal examen voor een vak of programma per leerweg heeft betrekking op die exameneenheden die aangeduid zijn met CE. Het schoolexamen voor een bepaalde leerweg heeft voor de algemeen vormende vakken in ieder geval betrekking op exameneenheid K3 (Leervaardigheden) en voor de beroepsgerichte vakken op exameneenheid K2 (Professionele vaardigheden).

Daarnaast heeft het schoolexamen betrekking op:

Bij de uitvoering van het examenprogramma Nederlandse taal worden de referentieniveaus Nederlandse taal in acht genomen, bedoeld in artikel 2, onderdelen e en f, van het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.

¹ Het CvE kan bepalen dat het centraal examen geen betrekking heeft op NE/K/4; dit kan per leerweg verschillen.

¹ Het CvE kan bepalen dat het centraal examen geen betrekking heeft op MVT/K/5; deze bepaling kan per leerweg verschillen.

² Het CvE kan bepalen dat het centraal examen geen betrekking heeft op MVT/K/7; deze bepaling kan per leerweg verschillen.

¹ Het CvE kan bepalen dat het centraal examen geen betrekking heeft op MVT/K/5; deze bepaling kan per leerweg verschillen.

² Het CvE kan bepalen dat het centraal examen geen betrekking heeft op MVT/K/7; deze bepaling kan per leerweg verschillen.

[1] Het CvTE kan bepalen dat het centraal examen geen betrekking heeft op MVT/K/5; deze bepaling kan per leerweg verschillen.

[2] Het CvTE kan bepalen dat het centraal examen geen betrekking heeft op MVT/K/7; deze bepaling kan per leerweg verschillen.

¹ Het CvE kan bepalen dat het centraal examen geen betrekking heeft op MVT/K/5; deze bepaling kan per leerweg verschillen.

² Het CvE kan bepalen dat het centraal examen geen betrekking heeft op MVT/K/7; deze bepaling kan per leerweg verschillen.

¹ Het CvE kan bepalen dat het centraal examen geen betrekking heeft op MVT/K/5; deze bepaling kan per leerweg verschillen

² Het CvE kan bepalen dat het centraal examen geen betrekking heeft op MVT/K/7; deze bepaling kan per leerweg verschillen.

¹ Het CvE kan bepalen dat het centraal examen geen betrekking heeft op MVT/K/5; deze bepaling kan per leerweg verschillen

In de centrale examens voor BB, KB en GL/TL worden de volgende eindtermen getoetst: 3, 5, 6, 11, 12, 17 en 18. In het centraal examen (CE) voor GL/TL worden bovendien de eindtermen 22, 24 en 26 getoetst.

De overige eindtermen worden in het schoolexamen (SE) getoetst.

Eindterm 3 wordt zowel in het schoolexamen als in het centraal examen getoetst.

De school kan besluiten om de eindtermen 5, 6, 11, 12, 17, 18 – en voor GL/TL ook 22, 24 en 26 – ook in het schoolexamen te toetsen.

1. Het schoolexamen moet in ieder geval bestaan uit 2 exameneenheden naar keuze van de school te maken uit GS/K/4, GS/K/6, GS/K/7, GS/K/8, GS/K/9 en GS/K/11.

2. Het schoolexamen moet in ieder geval bestaan uit 3 exameneenheden naar keuze van de school te maken uit GS/K/4, GS/K/6, GS/K/7, GS/K/8, GS/K/9 en GS/K/11.

3. De school kan één of meer van de exameneenheden V1 t/m V6 in de gemengde en theoretische leerweg toetsen op het schoolexamen, maar is daartoe niet verplicht.

1 Met devices bedoelen we hier een PC, laptop, tablet, smartphone of singleboard computer.

2 Met apparatuur bedoelen we hier sensoren, actuatoren en randapparatuur.

Domein A: Praktijkgerichte opdrachten

Eindterm 1: Ontwikkelen van interesses

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 2: Ontwikkelen van kwaliteiten

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

Domein B: Programmaoverstijgende vaardigheden

Eindterm 3: Sociaal handelen

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 4: Samenwerken

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 5: Taalvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 6: Rekenvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 7: Digitale vaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 8: Analytische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 9: Kritische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 10: Creatieve denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 11: Onderzoeken

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Domein C: Programmaspecifieke vaardigheden

Eindterm 12: Ontwerpen van een ruimte

Doelzin: De leerling ontwerpt de inrichting van een binnenruimte.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 13: Maken van een product

Doelzin: De leerling maakt een technisch product.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 14: Adviseren over oplossingen

Doelzin: De leerling adviseert over bouwkundige oplossingen.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 15: Adviseren over materialen

Doelzin: De leerling adviseert over circulaire bouwmaterialen.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 16: Monteren van elementen

Doelzin: De leerling monteert bouwelementen.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 17: Onderhouden van een gebouw

Doelzin: De leerling onderhoudt een deel van een gebouw.

Het gaat hierbij om:

Domein A: Praktijkgerichte opdrachten

Eindterm 1: Ontwikkelen van interesses

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 2: Ontwikkelen van kwaliteiten

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

Domein B: Programmaoverstijgende vaardigheden

Eindterm 3: Sociaal handelen

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 4: Samenwerken

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 5: Taalvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 6: Rekenvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 7: Digitale vaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 8: Analytische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 9: Kritische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 10: Creatieve denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 11: Onderzoeken

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Domein C: Programmaspecifieke vaardigheden

Eindterm 12: Ontwerpen van een omgeving

Doelzin: De leerling ontwerpt een deel van een groene leefomgeving.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 13: Maken van een technisch product

Doelzin: De leerling maakt een technisch product.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 14: Maken van een mediaproduct

Doelzin: De leerling maakt een digitaal mediaproduct.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 15: Adviseren over een proces

Doelzin: De leerling adviseert over het verbeteren van een proces.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 16: Adviseren over een evenement

Doelzin: De leerling adviseert over de organisatie van een evenement.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 17: Organiseren van een activiteit

Doelzin: De leerling organiseert een sociale activiteit.

Het gaat hierbij om:

Domein A: Praktijkgerichte opdrachten

Eindterm 1: Ontwikkelen van interesses

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 2: Ontwikkelen van kwaliteiten

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

Domein B: Programmaoverstijgende vaardigheden

Eindterm 3: Sociaal handelen

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 4: Samenwerken

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 5: Taalvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 6: Rekenvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 7: Digitale vaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 8: Analytische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 9: Kritische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 10: Creatieve denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 11: Onderzoeken

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Domein C: Programmaspecifieke vaardigheden

Eindterm 12: Ontwerpen van een product

Doelzin: De leerling ontwerpt een product dat past bij het bedrijfsconcept.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 13: Maken van een product

Doelzin: De leerling maakt een product dat past bij het bedrijfsconcept.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 14: Adviseren over activiteiten

Doelzin: De leerling adviseert over marketing- en communicatieactiviteiten.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 15: Adviseren over een strategie

Doelzin: De leerling adviseert over de verkoopstrategie van een commerciële organisatie.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 16: Adviseren over een proces

Doelzin: De leerling adviseert over een bedrijfsondersteunend proces.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 17: Organiseren van een activiteit

Doelzin: De leerling organiseert een activiteit die past bij de bedrijfsdoelstelling.

Het gaat hierbij om:

Domein A: Praktijkgerichte opdrachten

Eindterm 1: Ontwikkelen van interesses

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 2: Ontwikkelen van kwaliteiten

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

Domein B: Programmaoverstijgende vaardigheden

Eindterm 3: Sociaal handelen

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 4: Samenwerken

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 5: Taalvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 6: Rekenvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 7: Digitale vaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 8: Analytische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 9: Kritische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 10: Creatieve denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 11: Onderzoeken

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Domein C: Programmaspecifieke vaardigheden

Eindterm 12: Ontwerpen van een ruimte

Doelzin: De leerling ontwerpt een buitenruimte.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 13: Maken van een product

Doelzin: De leerling maakt een product van natuurlijke en plantaardige materialen.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 14: Adviseren over bedrijfsvoering

Doelzin: De leerling adviseert over duurzame bedrijfsvoering.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 15: Telen van een gewas

Doelzin: De leerling teelt een gewas.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 16: Verzorgen van dieren

Doelzin: De leerling verzorgt dieren.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 17: Produceren van voedingsmiddelen

Doelzin: De leerling produceert verantwoorde voedingsmiddelen.

Het gaat hierbij om:

Domein A: Praktijkgerichte opdrachten

Eindterm 1: Ontwikkelen van interesses

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 2: Ontwikkelen van kwaliteiten

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

Domein B: Programmaoverstijgende vaardigheden

Eindterm 3: Sociaal handelen

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 4: Samenwerken

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 5: Taalvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 6: Rekenvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 7: Digitale vaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 8: Analytische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 9: Kritische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 10: Creatieve denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 11: Onderzoeken

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Domein C: Programmaspecifieke vaardigheden

Eindterm 12: Ontwerpen van een product

Doelzin: De leerling ontwerpt een product dat past bij de bedrijfsformule.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 13: Maken van promotiemateriaal

Doelzin: De leerling maakt promotiemateriaal voor een product.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 14: Adviseren over een aankoop

Doelzin: De leerling adviseert over de aankoop van een arrangement.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 15: Organiseren van een activiteit

Doelzin: De leerling organiseert een recreatieve activiteit.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 16: Organiseren van een bezoek

Doelzin: De leerling organiseert een gastvrij bezoek.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 17: Bereiden van een gerecht

Doelzin: De leerling bereidt een gerecht.

Het gaat hierbij om:

Domein A: Praktijkgerichte opdrachten

Eindterm 1: Ontwikkelen interesses

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 2: Ontwikkelen kwaliteiten

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

Domein B: Programmaoverstijgende vaardigheden

Eindterm 3: Sociaal handelen

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 4: Samenwerken

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 5: Taalvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 6: Rekenvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 7: Digitale vaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 8: Analytische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 9: Kritische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 10: Creatieve denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 11: Onderzoeken

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Domein C: Programmaspecifieke vaardigheden

Eindterm 12: Ontwerpen van een product

Doelzin: De leerling ontwerpt een 3D-product.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 13: Maken van een mediaproduct

Doelzin: De leerling maakt een digitaal mediaproduct.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 14: Adviseren over ontwikkelingen

Doelzin: De leerling adviseert over de toepasbaarheid van IT-ontwikkelingen.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 15: Programmeren van een product

Doelzin: De leerling programmeert een softwareproduct.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 16: Beheren van een dienst

Doelzin: De leerling beheert een IT-dienst.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 17: Ondersteuners van afnemers

Doelzin: De leerling ondersteunt afnemers van IT-diensten.

Het gaat hierbij om:

Domein A: Praktijkgerichte opdrachten

Eindterm 1: Ontwikkelen van interesses

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 2: Ontwikkelen van kwaliteiten

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

Domein B: Programmaoverstijgende vaardigheden

Eindterm 3: Sociaal handelen

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 4: Samenwerken

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 5: Taalvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 6: Rekenvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 7: Digitale vaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 8: Analytische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 9: Kritische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 10: Creatieve denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 11: Onderzoeken

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Domein C: Programmaspecifieke vaardigheden

Eindterm 12: Ontwerpen van een schip

Doelzin: De leerling ontwerpt een onderdeel van een schip.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 13: Maken van een prototype

Doelzin: De leerling maakt een maritiem prototype.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 14: Adviseren over onderhoud

Doelzin: De leerling adviseert over duurzaam onderhoud.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 15: Adviseren over een proces

Doelzin: De leerling adviseert over het verbeteren van een logistiek proces.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 16: Organiseren van een activiteit

Doelzin: De leerling organiseert een maritieme activiteit.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 17: Navigeren van een schip

Doelzin: De leerling navigeert efficiënt een schip.

Het gaat hierbij om:

Domein A: Praktijkgerichte opdrachten

Eindterm 1: Ontwikkelen van interesses

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 2: Ontwikkelen van kwaliteiten

Doelzin: De leerling ontwikkelt diens kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

Domein B: Programmaoverstijgende vaardigheden

Eindterm 3: Sociaal handelen

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 4: Samenwerken

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 5: Taalvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 6: Rekenvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 7: Digitale vaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 8: Analytische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 9: Kritische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 10: Creatieve denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 11: Onderzoeken

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Domein C: Programmaspecifieke vaardigheden

Eindterm 12: Ontwerpen van een voertuig

Doelzin: De leerling ontwerpt een onderdeel voor een voertuig.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 13: Maken van een product

Doelzin: De leerling maakt een technisch product.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 14: Adviseren over een aankoop

Doelzin: De leerling adviseert over de aankoop van een voertuig.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 15: Organiseren van een proces

Doelzin: De leerling organiseert een logistiek proces.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 16: Onderhouden van een voertuig

Doelzin: De leerling onderhoudt een voertuig.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 17: Repareren van een voertuig

Doelzin: De leerling repareert een voertuig.

Het gaat hierbij om:

Domein A: Praktijkgerichte opdrachten

Eindterm 1: Ontwikkelen van interesses

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 2: Ontwikkelen van kwaliteiten

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

Domein B: Programmaoverstijgende vaardigheden

Eindterm 3: Sociaal handelen

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 4: Samenwerken

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 5: Taalvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 6: Rekenvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 7: Digitale vaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 8: Analytische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 9: Kritische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 10: Creatieve denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 11: Onderzoeken

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Domein C: Programmaspecifieke vaardigheden

Eindterm 12: Ontwerpen van een model

Doelzin: De leerling ontwerpt een digitaal 3D-model.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 13: Maken van een mediaproduct

Doelzin: De leerling maakt een digitaal mediaproduct.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 14: Maken van een audiovisueel product

Doelzin: De leerling maakt een audiovisueel product.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 15: Adviseren over een omgeving

Doelzin: De leerling adviseert over een digitale omgeving.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 16: Programmeren van een product

Doelzin: De leerling programmeert een digitaal product.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 17: Programmeren van een game

Doelzin: De leerling programmeert een deel van een game.

Het gaat hierbij om:

Domein A: Praktijkgerichte opdrachten

Eindterm 1: Ontwikkelen van interesses

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 2: Ontwikkelen van kwaliteiten

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

Domein B: Programmaoverstijgende vaardigheden

Eindterm 3: Sociaal handelen

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 4: Samenwerken

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 5: Taalvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 6: Rekenvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 7: Digitale vaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 8: Analytische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 9: Kritische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 10: Creatieve denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 11: Onderzoeken

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Domein C: Programmaspecifieke vaardigheden

Eindterm 12: Ontwerpen van een product

Doelzin: De leerling ontwerpt een technisch product.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 13: Maken van een product

Doelzin: De leerling maakt een technisch product.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 14: Adviseren over oplossingen

Doelzin: De leerling adviseert over technische installatieoplossingen.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 15: Adviseren over een proces

Doelzin: De leerling adviseert over het verbeteren van een productieproces.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 16: Installeren van een installatie

Doelzin: De leerling installeert een deel van een technische installatie.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 17: Onderhouden van een installatie

Doelzin: De leerling onderhoudt een deel van een technische installatie.

Het gaat hierbij om:

Domein A: Praktijkgerichte opdrachten

Eindterm 1: Ontwikkelen van interesses

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 2: Ontwikkelen van kwaliteiten

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

Domein B: Programmaoverstijgende vaardigheden

Eindterm 3: Sociaal handelen

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 4: Samenwerken

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 5: Taalvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 6: Rekenvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 7: Digitale vaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 8: Analytische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 9: Kritische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 10: Creatieve denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 11: Onderzoeken

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Domein C: Programmaspecifieke vaardigheden

Eindterm 12: Ontwerpen van een product

Doelzin: De leerling ontwerpt een innovatief product.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 13: Maken van een product

Doelzin: De leerling maakt een functioneel product.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 14: Adviseren over oplossingen

Doelzin: De leerling adviseert over duurzame technische oplossingen.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 15: Organiseren van een proces

Doelzin: De leerling organiseert een logistiek proces.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 16: Monteren van elementen

Doelzin: De leerling monteert bouwelementen.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 17: Onderhouden van een installatie

Doelzin: De leerling onderhoudt een deel van een technische installatie.

Het gaat hierbij om:

Domein A: Praktijkgerichte opdrachten

Eindterm 1: Ontwikkelen van interesses

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 2: Ontwikkelen van kwaliteiten

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

Domein B: Programmaoverstijgende vaardigheden

Eindterm 3: Sociaal handelen

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 4: Samenwerken

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 5: Taalvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 6: Rekenvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 7: Digitale vaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 8: Analytische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 9: Kritische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 10: Creatieve denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 11: Onderzoeken

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Domein C: Programmaspecifieke vaardigheden

Eindterm 12: Ontwerpen van een product

Doelzin: De leerling ontwerpt een innovatief product.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 13: Ontwerpen van een omgeving

Doelzin: De leerling ontwerpt een duurzame leefomgeving.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 14: Maken van een prototype

Doelzin: De leerling maakt een functioneel prototype.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 15: Adviseren over toepassingen

Doelzin: De leerling adviseert over technologische toepassingen in de maatschappelijke sector.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 16: Adviseren over een energiesysteem

Doelzin: De leerling adviseert over het verbeteren van een energiesysteem.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 17: Programmeren van software

Doelzin: De leerling programmeert een deel van de software voor de realisatie van een eindproduct.

Het gaat hierbij om:

Domein A: Praktijkgerichte opdrachten

Eindterm 1: Ontwikkelen van interesses

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 2: Ontwikkelen van kwaliteiten

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

Domein B: Programmaoverstijgende vaardigheden

Eindterm 3: Sociaal handelen

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 4: Samenwerken

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 5: Taalvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 6: Rekenvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 7: Digitale vaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 8: Analytische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 9: Kritische denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 10: Creatieve denkvaardigheden

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 11: Onderzoeken

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

Domein C: Programmaspecifieke vaardigheden

Eindterm 12: Ontwerpen van een product

Doelzin: De leerling ontwerpt een product ter verbetering van de zelfredzaamheid van een klant.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 13: Adviseren over leefstijl

Doelzin: De leerling adviseert over het verbeteren van een leefstijl.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 14: Organiseren van een activiteit

Doelzin: De leerling organiseert een activiteit.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 15: Ondersteunen van een klant

Doelzin: De leerling ondersteunt een klant bij algemene dagelijkse levensverrichtingen.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 16: Verzorgen van het uiterlijk

Doelzin: De leerling verzorgt het uiterlijk van een klant.

Het gaat hierbij om:

Eindterm 17: Bereiden van een maaltijd

Doelzin: De leerling bereidt een gezonde maaltijd.

Het gaat hierbij om:

De vaardigheden worden niet in het centrale examen getoetst.

De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen.

systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’:

In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier wordt beschreven bij een aantal uitgevoerde activiteiten: