Wijzigingen Officiële bron
Besluit van het Productschap Pluimvee en Eieren van 14 juni 2007 houdende voorwaarden voor de erkenning van laboratoria alsmede voorschriften met betrekking tot de werkwijze (Besluit erkenningsvoorwaarden en werkwijzen laboratoria (PPE) 2007)Besluit erkenningsvoorwaarden en werkwijzen laboratoria (PPE) 2007 Het bestuur van het Productschap Pluimvee en Eieren;

Gelet op artikel 4, zesde, zevende, achtste en tiende lid van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij (PPE) 2007 alsmede artikel 4, zesde lid, van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveeverwerkende industrie (PPE) 2007;

Besluit:

Zoetermeer14 juni 2007J.J.RamekersvoorzitterS.B.M.Jongeriussecretaris

Dit besluit verstaat onder branchemethode: de door het productschap vastgestelde methode voor de analyse van monsters.

De voorzitter kan een laboratorium als bedoeld in artikel 4 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij (PPE) 2007 en artikel 4 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveeverwerkende industrie (PPE) 2007 erkennen, indien het naar zijn oordeel voldoet aan de in bijlage l opgenomen voorwaarden voor erkenning.

Een laboratorium dat door de voorzitter op grond van artikel 2 erkend is, blijft voldoen aan de in de bijlage l genoemde voorwaarden voor erkenning.

De voorzitter kan een laboratorium tijdelijk erkennen en kan een verleende erkenning intrekken indien het laboratorium niet meer aan de in de bijlage l genoemde voorwaarden voor erkenning voldoet.

Het laboratorium voert de analyse van de monsters uit overeenkomstig de voorschriften opgenomen in Bijlagen II en III.

Erkenningsvoorwaarden voor laboratoria die de analyses van monsters uitvoeren inzake het aantonen van Salmonella en Campylobacter.

Analysemethoden voor het aantonen van Salmonella en Camopylobacter in dons, mest en vlees, afkomstig van pluimvee.

Voor het aantonen van Salmonella of Campylobacter in de pluimveesector staan de volgende door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerde en door het productschap vastgestelde branchemethoden ter beschikking.

Algemene informatie alsmede bovenstaande branchemethoden zijn tevens beschikbaar via de website: www.pve.nl en kies vervolgens voor bedrijfsnet.

PVE Branchemethode voor het aantonen van Salmonella met behulp van MSRV in dons, mest en vlees, afkomstig van pluimvee.

Dit protocol beschrijft een methode voor het aantonen van Salmonella in dons, mest en vlees, afkomstig van pluimvee.

De versie van de hier beschreven PVE Branchemethode MSRV is gebaseerd op Annex D va ISO 6579. De wijzigingen in het huidige protocol ten opzichte van de vorige versie (2004) zijn samengevat in hoofdstuk 9.

Salmonella: micro-organismen die de voor deze bacteriën karakteristieke groei vertonen en specifieke biochemische en serologische reacties vertonen wanneer wordt gekweekt respectievelijk getest volgens de beschreven werkwijze.

Na voorincubatie van de te onderzoeken matrix in een voorophopingsmedium, wordt geënt op een half-vast medium, waarna wordt afgestreken op een selectief isolatiemedium, met aansluitend biochemische bevestiging en serotypering.

De samenstelling en bereiding van media en reagentia is opgenomen in bijlage 1. Er mag echter ook gebruik worden gemaakt van media die kant-en-klaar commercieel verkrijgbaar zijn.

Alle gebruikte grondstoffen en het water moeten van analysekwaliteit zijn.

Voor algemene eisen en richtlijnen voor microbiologische onderzoeken wordt verder verwezen naar NEN-EN-ISO 7218:2005 Ontw.

Gebruikelijke apparatuur en glaswerk voor een microbiologisch laboratorium en in het bijzonder de onderstaande:

5.1 Broedstoof voor het bebroeden bij 37 °C ± 1 °C

5.2 Broedstoof voor het bebroeden bij 41, 5 °C ± 1 °C

5.3 Waterbad ingesteld op 47 – 50 °C

5.4 Steriele entnaalden met een oog (öses) van ca 1 µl.

5.5 Steriele pipetten met een schaalverdeling van 0,1 ml en een meetvolume van 1 ml.

5.6 Petrischalen met een middellijn van ca 9 cm.

5.7 Cultuurbuizen van 17/18 x 150 mm en van 8 x 160 mm.

Opmerking:

Gesteriliseerde materialen voor éénmalig gebruik mogen worden toegepast.

Bederfelijke pluimveeproducten zoals borstvellen en filet dienen gekoeld (1-8 °C) te worden aangeleverd. Zie voor de ontvangst van monsters en registratie van afwijkingen bijlage III.

De monsters dienen binnen 4 uur na ontvangst ingezet te worden. Indien de monsters echter binnen 48 uur na monstername op het laboratorium aanwezig zijn, mag gewacht worden met het inzetten van de monsters totdat maximaal 48 uur + 4 uur na het tijdstip van monstername is verstreken.

Stel monsters zo min mogelijk bloot aan temperatuurschommelingen.

Opmerking:

Komen mestmonsters mee met vleesmonsters in een koelbox, sla dan alle monsters gekoeld op. Worden mestmonsters per post ongekoeld verstuurd, sla dan op bij kamertemperatuur, tenzij deze monsters pas de volgende dag worden ingezet.

Voeg zoveel monster toe aan BPw (kamertemperatuur) zodat het monster (minimaal) 1:10 verdund wordt (bijvoorbeeld 25 g monster in 225 ml BPw).

Een ruimere verdunning dan 1:10 is toegestaan, een kleinere verdunning niet.

In Tabel 1 is ter illustratie de relatie tussen de verschillende monsterhoeveelheden en het volume BPw weergegeven:

Ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2160/2003 is in Verordening (EG) nr. 1003/2005 aangegeven dat de monsters van vermeerderingskoppels van Gallus gallus als volgt behandeld dienen te worden:

Inlegvellen van uitkomstladen:

– Plaats de inlegvellen in 1 liter BPw (kamertemperatuur) en schud voorzichtig. Volg verder de procedure vanaf 6.3.

Overschoentjes:

Andere feces (mest) monsters:

Opmerking:

Belangrijk is dat de overschoentjes minimaal 1:10 verdund worden in BPw. Bij 1 paar overschoentjes kan 225 ml BPw een grote overmaat zijn. Het is eventueel mogelijk om het paar overschoentjes te wegen en vervolgens zoveel BPw toe te voegen dat de overschoentjes minimaal 1:10 verdund zijn. Bijvoorbeeld als 2 paar overschoentjes 10 g weegt volstaat het om 90 ml BPw toe te voegen (zorg wel dat de monsters volledig ondergedompeld zijn).

Incubeer de BPw 18 uur ± 2 uur bij 37 °C ± 1 °C.

In uitzonderlijke gevallen kan de BPw na incubatie maximaal 2 dagen bewaard worden bij 5 °C ± 3 °C.

Breng 0,1 ml BPw-cultuur op een MSRV plaat (9 cm) door 3 druppels, met een gezamenlijk volume van 0,1 ml, in een driehoek op de MSRV aan te brengen. Incubeer de platen 24 uur ± 3 uur bij 41, 5 °C ± 1 °C.De platen moeten met het deksel van de Petrischaal naar boven geïncubeerd worden, aangezien het een half-vast medium is. Niet verdachte of negatieve platen dienen nogmaals 24 uur ± 3 uur bij 41,5 °C ± 1 °C bebroed te worden.

Een verdachte MSRV-plaat vertoont groei in de agar (zwerming vanuit de entingsplaats) en heeft een wit/grijze kleur.

Verdachte MSRV platen worden afgeënt door aan de rand van de zwermzone met een (1 µl) öse materiaal uit de agar te nemen en daarmee een gedroogde XLD plaat te beënten.

Incubeer de XLD platen gedurende 24 uur ± 3 uur bij 37 °C ± 1 °C.

De meeste Salmonella stammen zijn lactose-negatief en HIS-positief en zijn op Xt-D te herkennen als roze kolonies met een zwart centrum (vaak helemaal zwart). Lactosenegatieve en H2S-negatieve stammen vormen alleen roze kolonies (zonder zwarting).

Beschouw daarom alle roze kolonies, met en zonder zwart centrum, als verdacht voor Salmonella.

Er zijn ook lactose-positieve en H2S-positieve Salmonella stammen die op XLD gele kolonies met een zwart centrum vormen en lactose-positieve en H2S-negatieve stammen die helemaal geel zijn. Deze laatste twee groepen (met gele kolonies) komen bij pluimvee zelden voor.

Voer de bevestiging uit met minimaal 1 tot maximaal 3 specifieke kolonies per plaat in geval van reincultuur en tot 5 specifieke kolonies (indien aanwezig) in geval van mengcultuur totdat een positief resultaat wordt verkregen. De kolonies worden vanaf de XI-D plaat geënt in UA middels het afstrijken op het oppervlak van de agar en in TSI middels ladderen over het schuin gestolde oppervlak en een steekenting tot op de bodem van de buis. Beënt tevens een buis LDC door een hoeveelheid koloniemateriaal tegen de wand van de buis net onder het vloeistofoppervlak af te strijken. De buizen worden 24 uur ± 3 uur bij 37 °C ± 1 °C geïncubeerd.

Opmerking:

Wanneer geen goed losliggende kolonies op de XLD plaat zijn verkregen, of bij de aanwezigheid van veel spreidende of overgroeiende stoorflora, is het nodig ter zuivering een nieuwe reinstrijk op een gedroogde XLD- of nutriëntenagarplaat te maken. Bij verontreiniging van de Salmonella-kolonie met andere bacteriën wordt een afwijkend biochemisch patroon verkregen. Het is toegestaan om eerst de bevestigingstest met de TSI uit te voeren, en bij een verdachte uitslag door te gaan met ureum en LDC.

Na incubatie geven voor Salmonella verdachte kolonies de volgende biochemische resultaten:

Het gebruik van biochemische kits (zoals bijvoorbeeld API of BBI- Crystal) is ook toegestaan.

Alle biochemisch verdachte kolonies dienen geserotypeerd te worden volgens het Kauffmann-White schema. Een toelichting op de serotypering van 6 veel voorkomende Salmonella serotypes is beschreven in PVE-SALMONELLA-SERO-140607.

Voor de eerstelijnscontrole van de methode dienen te worden meegenomen:

De kwaliteitscontrole per batch MSRV is beschreven in bijlage 2.

Geef het resultaat op als ‘Salmonella aangetoond / niet aangetoond in het betreffende monstermateriaal’ als Salmonella al dan niet is aangetoond volgens dit protocol. Bij de uitslag kan tussen haakjes aangegeven worden hoeveel gram monstermateriaal is onderzocht.

Indien bij het aanleveren van de monsters afwijkingen worden geconstateerd van de wijze waarop de monsters aangeleverd moeten worden (zie bijlage III) dan dient het laboratorium op het analysecertificaat hierover een opmerking te maken en de eventuele gevolgen voor de betrouwbaarheid van de uitslag aan te geven.

De huidige versie van de PVE Branchemethode MSRV is gebaseerd op Annex D van ISO 6579. Om de PVE branchemethode zoveel mogelijk gelijk te trekken met Annex D van ISO 6579 zijn de volgende wijzigingen ten opzichte van het vorige protocol (2004) doorgevoerd:

Met deze wijzigingen is de PVE branchemethode MSRV zoveel mogelijk gelijk gemaakt aan Annex D van ISO 6579. Echter op een tweetal aspecten verschilt de PVE branchemethode nog met Annex D:

Samenstelling:

Bereiding:

Oplossing A (basis):

Bereiding

Oplossing B (novobiocine):

Bereiding MSRV medium:

Samenstelling

Bereiding:

Oplossing A (basismedium):

Bereiding:

Oplossing B (ureumoplossing):

Bereiding:

Samenstelling compleet medium:

Bereiding:

Samenstelling:

Bereiding:

Samenstelling:

Bereiding:

Onderwerp

Deze bijlage beschrijft een methode voor de kwaliteitscontrole van batches MSRV.

Volg onderstaand schema voor de kwaliteitscontrole per batch MSRV.

Inoculum: Kolonie aanstippen met een entoogje en afstrijken langs de wand van een buisje met (10 ml) gebufferd peptonwater (BPw). Incubeer 18 uur ± 2 uur bij 37 °C ± 1 °C. De cultuur zal in BPw uitgroeien tot circa 108 cfu/ml. Maak verdunningen in BPw tot circa 103 cfu/ml.

Als negatieve controle kan een Escherichia coli stam gebruikt worden.

Kweek de stam op zoals beschreven voor de positieve controle. Maak verdunningen in BPw tot 105 – 106 cfu/ml.

Volg de procedure zoals beschreven voor de positieve controle.

E. coli dient geen zwerming te vertonen op MSRV.

Opmerking:

Controlestammen zijn onder andere verkrijgbaar bij de VWA in Groningen (www.vwa.nl/chek).

Toelichting op de serotypering van Salmonella volgens het Kauffmann-White schema.

Voor de serotypering van Salmonella spp. volgens het Kauffmann-White schema (Popoff, 2001) worden door diverse fabrikanten verschillende voorschriften geleverd.

Voor de juiste wijze van typeren dient dan ook altijd het voorschrift van de fabrikant gevolgd te worden.

Details over de taxonomie van Salmonella alsmede over de antigene formules van de Salmonella serotypen staan beschreven in Popoff (2001 ). Onderstaande informatie is een korte toelichting hierop.

De serotypering van Salmonella spp. bestaat uit de volgende stappen:

In het onderstaande stuk wordt de procedure beschreven voor het serotyperen van 6 Salmonella serotypes welke momenteel (2007) regelmatig bij pluimvee worden aangetroffen (zie ook bijlage 1). Deze 6 Salmonella serotypes betreffen:

Salmonella Typhimurium (1, 4, [5], 12 : i : 1, 2)

Salmonella Paratyphi B var. Java (1, 4, [51, 12 : b : 1, 2)

Salmonella Enteritidis (1, 9, 12 : g, m : -)

Salmonella Infantis (6, 7, 14 : r : 1,5)

Salmonella Virchow (6, 7, 14 : r : .1,2)

Salmonella Hadar (6, 8 : zlo : e, n, x)

Kweek een reincultuur van een kolonie welke middels biochemische typering als verdacht voor Salmonella kan worden beschouwd. Gebruik de kweekmethode en het medium zoals voorgeschreven door de fabrikant.

Voer het onderzoek naar auto-agglutinatie uit volgens het voorschrift van de fabrikant. De wijze van onderzoek naar auto-agglutinatie alsmede het aflezen geschiedt op gelijke wijze als de agglutinatie met O-antisera (zie ook 4. Agglutinatie met O-antisera).

Een voorbeeld voor onderzoek naar auto-agglutinatie is hieronder beschreven.

Breng op een objectglas een druppel zoutoplossing (0,85% NaCl);

Breng met een steriele entnaald bacteriemateriaal in de druppel zodat een lichte melkachtige suspensie wordt verkregen;

Beweeg het objectglas heen-en-weer (druppel laten zwenken). De tijd van zwenken varieert per fabrikant van 5 sec tot 60 sec;

Beoordeel de suspensie. De aanwezigheid van klontjes in het preparaat duidt op autoagglutinatie van de onderzochte stam. De stammen die auto-agglutinatie vertonen kunnen niet verder onderzocht worden voor serotypering.

Controleer voor gebruik of de antisera (O en H) helder zijn. Indien troebeling zichtbaar is volg dan de aanwijzingen van de fabrikant.

Opmerking: Bewaar goed getypeerde Salmonella stammen van ringonderzoeken om antisera te testen.

Voor het aantonen van de 6 bovengenoemde Salmonella serotypes worden de volgende O-antisera gebruikt (in volgorde van de hierboven genoemde serotypes):

Begin de agglutinatie met O:4 antiserum. Levert dit een negatief resultaat op, test dan met O:9 antiserum. Levert dit ook een negatief resultaat op test dan met O:7 antiserum. Levert dit ook een negatief resultaat op test dan met O:8 antiserum.

Volg voor de uitvoering en het aflezen van de agglutinatiereactie strikt het voorschrift van de fabrikant.

Een aantal fabrikanten gebruikt een objectglas methode voor het agglutineren. Daarbij wordt een druppel antiserum gemengd met bacteriemateriaal (direct vanaf plaat of vanuit een bacteriesuspensie) op het objectglas, zodanig dat een lichte melkachtige suspensie wordt verkregen. Het objectglas wordt vervolgens heen-en-weer bewogen (druppel laten zwenken).

Vervolgens wordt de reactie afgelezen. De aanwezigheid van klontjes in het preparaat duidt op een positieve reactie. Per fabrikant kunnen o.a. de volgende zaken verschillen:

Na het agglutineren met O-antisera, vindt de agglutinatie met H-antisera plaats.

Salmonella bezit vaak twee typen H-antigeen (fase 1 en fase 2). Indien bij difasische stammen één H-fase negatief wordt gevonden, dient de tweede fase aangetoond te worden middels een fase-inversie methode. Bij fase-inversie wordt het dominante H-antigeen onderdrukt zodat het 2e H-antigeen tot expressie kan komen en kan worden aangetoond.

Het medium dat hiervoor gebruikt wordt dient zodanig te zijn dat Salmonella hier goed in kan bewegen. Een voorbeeld van een dergelijk ‘zwerm medium’ is Sven Gard agar.

Een voorbeeld van een fase inversie methode wordt onder 6. beschreven.

Volg voor zowel het opkweken van de stam als voor het uitvoeren en het aflezen van de agglutinatiereactie met H-antiserum de voorschriften van de fabrikant.

Gebruik de volgende H-antisera voor het aantonen van de 6 hierboven genoemde Salmonella serotypes.

Agglutineer met H:i én H:2 antisera. Indien beiden een positief resultaat opleveren dan is de uitslag: Salmonella Typhimurium.

Voor Salmonella Paratyphi B var. Java dient de agglutinatie met H:b én H:2 antisera positief te zijn.

Test met H:G(complex) antiserum. Indien dit een positief resultaat oplevert, test dan vervolgens met H:m antiserum. Indien dit ook een positief resultaat oplevert voer dan een negatieve controle uit op H:g, H:s en H:t antisera. Indien het resultaat als volgt is:

H:G : + , H:m : + , H:g : -, H:s : - en H:t : -, test dan met 0:46 of met O:12 (O:2,12 of O:4, 12) . Indien vervolgens de agglutinatie met O :46 negatief is, of de agglutinatie met O: 12 positief is, dan is de uitslag: Salmonella Enteritidis.

N.b.: Let op bij de aanschaf van H:G(complex) antiserum dat onderscheid gemaakt kan worden tussen H:g,m en H:m,t. Bijvoorbeeld: met H:g,p antiserum kan onderscheid gemaakt worden tussen H:g,m en H:m,t. Echter met een H:g,m antiserum kan dit onderscheid niet gemaakt worden. Bovendien kan met een H:g,m antiserum geen H:g aangetoond worden bij H:g,m stammen. Dit kan wel met H:g,p antiserum.

Agglutineer met H:r én H:2 én H: 5 antisera.

Indien H:r én H: 5 positief zijn dan is de uitslag: Salmonella Infantis.

Indien H:r én H: 2 positief zijn dan is de uitslag: Salmonella Virchow.

Agglutineer met H:z10 én H:x antisera. Indien beiden positief zijn agglutineer dan vervolgens met O:6,7 of met O:61 antiserum. Indien ook O:6,7 of O:61 een positief resultaat oplevert dan is de uitslag: Salmonella Hadar.

N.b.: Let op bij de aanschaf van O:6, 7 antiserum dat dit antiserum ook goed reageert met O:6,8 stam en (informeer bij de fabrikant).

Het hieronder beschreven voorbeeld voor een fase inversie methode betreft de serotypering van Salmonella Typhimurium. In zijn algemeenheid is de methode ook toepasbaar voor andere Salmonella serotypes.

Indien O:4 en H:i positief zijn en H:2 negatief, handel dan als volgt:

Bereid een agarplaat met anti-H:i (bijvoorbeeld Sven Gard serum-mix welke H:i bevat). Ent de stam op het centrum van deze plaat (volg voorschrift van de fabrikant). Agglutineer na incubatie met H:2. Indien dit opnieuw een negatief resultaat oplevert, agglutineer dan opnieuw met H:i. Indien H:i een negatieve of zwakke agglutinatie vertoont dan is het resultaat geen Salmonella Typhimurium. Indien H:i wel een positieve (sterke) agglutinatie vertoont voer dan een tweede fase inversie uit. Bereid hiertoe opnieuw een agarplaat met anti-H:i. Neem bacteriemateriaal van de buitenrand van de eerste fase inversie plaat voor het beënten van de tweede fase inversie plaat. Herhaal de procedure zoals hierboven beschreven.

• Popoff, M.Y, 2001. Antigenic formulas of the Salmonella serovars. WHO Collaborating Centre for Reference and Research on Salmonella. Institute Pasteur, Paris, France.

PVE Branchemethode voor het aantonen van Salmonella met behulp van VIDAS SLM in dons, afkomstig van pluimvee.

Dit protocol beschrijft een 48-uurs methode voor het aantonen van Salmonella met behulp van de VIDAS SLM test (bio Mérieux) in dons afkomstig van pluimvee.

Salmonella: alle typen Salmonella waarvan zowel O als H antigenen met behulp van de Enzyme Linked Fluorescent Assay (ELFA) techniek worden aangetoond, wanneer wordt getest volgens de beschreven werkwijze.

VIDAS SLM is een enzym immunoassay voor detectie van Salmonella antigenen, waarbij gebruik wordt gemaakt van de ELFA methode en geautomatiseerd uitgevoerd op het VIDAS analyse apparaat.

De voorophoping en de selectieve ophopingen vinden achtereenvolgens plaats gedurende 18 uur in een voorophopingsmedium, 6-8 uur in 2 verschillende selectieve ophopingsmedia en als laatste gedurende 18 uur in een 3e ophopingsmedium. Van dit laatste ophopingsmedium wordt een hoeveelheid verhit en in een reagens strip gebracht. De reagens strip wordt in het VIDAS analyse apparaat gebracht, waarna het aantonen van aanwezigheid van Salmonella antigenen met behulp van een cocktail van specifieke monoclonale antilichamen en een fluorescentie reactie volledig geautomatiseerd verloopt. Het test resultaat van deze aantoningsstap is na ca. 45 minuten beschikbaar.

Alle gebruikte grondstoffen en het water moeten van analysekwaliteit zijn.

De samenstelling en bereiding van media en reagentia is opgenomen in bijlage 1 van PVE-SALMONELLA-MSRV-140607 dan wel NEN-EN-ISO 6579: 2002. Er mag echter ook gebruik worden gemaakt van media die kant-en-klaar commercieel verkrijgbaar zijn.

De VIDAS SLM test bestaat uit kant-en-klare reagentia, zoals omschreven in de gebruiksaanwijzing van de VIDAS SLM 30 702 test, instructie van de fabrikant.

Voor algemene eisen en richtlijnen voor microbiologische onderzoeken wordt verder verwezen naar NEN-EN-ISO 7218:2005 Ontw.

De gebruikelijke apparatuur voor een microbiologisch laboratorium en de voor de VIDAS SLM test benodigde apparatuur, zoals onderstaand vermeld:

5.11 Broedstoof voor het bebroeden bij 37°C ± 1 °C

5.12 Broedstoof voor het bebroeden bij 41,5°C ± 1 °C

5.13 Micropipet (500 µl)

5.14 Steriele micropipetpunten

5.15 Waterbad (95-100 °C) of equivalent

5.16 Steriele entnaalden met een oog met een diameter van ca. 3 mm

5.17 Steriele pipetten met een schaalverdeling van 0,1 ml en een meetvolume van 1 ml

5.18 Petrischalen met een middellijn van ca. 9 cm

5.1 9 Cultuurbuizen van 17/18 x 150 mm en van 8 x 160 mm

5.20 Stomacherzakken (met filter)

5.21 VIDAS analyse apparaat

Opmerking:

Gesteriliseerde materialen voor éénmalig gebruik mogen worden toegepast.

Zie voor de acceptatie criteria voor monstermateriaal bijlage III.

De monsters dienen binnen 4 uur na ontvangst ingezet te worden. Indien de monsters echter binnen 48 uur na monstername op het laboratorium aanwezig zijn, mag gewacht worden met het inzetten van de monsters totdat maximaal 48 uur + 4 uur na het tijdstip van monstername is verstreken.

Verdun het monster 1 : 10 in BPw (25 gram dons in 225 ml BPw).

Stomacher, en incubeer de BPw 18 uur ± 2 uur bij 37 °C ± 1°C.

Breng na incubatie van de BPw 1 ml van deze suspensie over in 10 ml MKTTn bouillon.

Incubeer 6-8 uur bij 37°C ± 1°C.

Breng tegelijkertijd ook 0,1 ml van deze BPw suspensie over in 10 ml RVS bouillon. Incubeer 6-8 uur bij 41,5°C ± 1°C.

Breng na incubatie van de MKTTn bouillon 0,1 ml hiervan over in 10 ml M bouillon. Breng na incubatie van de RVS bouillon 1 ml hiervan over in een 2e buis met 10 ml M bouillon. Herincubeer de MKTTn bouillon en de RVS bouillon voor nog eens 16-20 uur, om bevestiging achteraf mogelijk te maken.

Incubeer de M bouillon buizen gedurende 16-20 uur bij 41,5°C ± 1°C.

Meng de M bouillon buizen na incubatie en breng uit elke buis 1 ml over in 1 gezamenlijk eppendorfbuisje. Sluit het buisje en verhit gedurende 15 ± 1 minuten in een waterbad van 95-100°C. Voer vervolgens de VIDAS SLM test uit volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant.

Bewaar de overgebleven bouillons bij 2-8°C voor eventuele bevestiging.

Resultaten worden beoordeeld zoals omschreven in het voorschrift van de fabrikant (gebruiksaanwijzing VIDAS SLM 30 702 test). Deze zijn gebaseerd op metingen van de fluorescentie en worden gestandaardiseerd naar de zgn. Test Value. Resultaten met een Test Value onder de 0,23 betreffen monsters waarin Salmonella antigenen niet aantoonbaar waren. Resultaten met een test Value > / = 0,23 worden als Salmonella-positief gerapporteerd. Positieve resultaten moeten worden bevestigd met behulp van de bewaarde ophopings- en na-ophopingsmedia.

Ent met een öse vanuit de ophopingsbouillons (MKTTn en RVS) en vanuit de koel bewaarde M bouillons af op gedroogde XLD platen. Incubeer deze platen gedurende 24 uur ± 3 uur bij 37°C ± 1 °C.

De meeste Salmonella stammen zijn lactose-negatief en H2S-positief en zijn op XLD te herkennen als roze kolonies met een zwart centrum (vaak helemaal zwart). Lactosenegatieve en H2S-negatieve stammen vormen alleen roze kolonies (zonder zwarting).

Beschouw daarom alle roze kolonies, met en zonder zwart centrum, als verdacht voor Salmonella.

Er zijn ook lactose-positieve en H2S-positieve Salmonella stammen die op XLD gele kolonies met een zwart centrum vormen en lactose-positieve en H2S-negatieve stammen die helemaal geel zijn. Deze laatste twee groepen (met gele kolonies) komen bij pluimvee zelden voor.

Bevestiging van verdachte kolonies, zowel biochemisch als serologisch, vindt vervolgens plaats zoals omschreven in PVE-SALMONELLA-MSRV-140607 en PVE-SALMONELLA-SERO-140607.

De VIDAS SLM test kit bevat een positieve en een negatieve VIDAS reagens controle en een bijbehorende standaard. Deze worden meegenomen in de bepalingen zoals omschreven in de gebruiksaanwijzing van de VIDAS SLM test, instructie van de fabrikant.

Voor de eerstelijnscontrole van de methode dienen te worden meegenomen:

Geef het resultaat op als ‘Salmonella aangetoond / niet aangetoond in het betreffende monstermateriaal’ als Salmonella al dan niet is aangetoond volgens dit protocol. Bij de uitslag kan tussen haakjes aangegeven worden hoeveel gram monstermateriaal is onderzocht.

Indien bij het aanleveren van de monsters afwijkingen worden geconstateerd van de wijze waarop de monsters aangeleverd moeten worden (zie bijlage III) dan dient het laboratorium op het analysecertificaat hierover een opmerking te maken en de eventuele gevolgen voor de betrouwbaarheid van de uitslag aan te geven.

PVE Branchemethode voor het aantonen van Salmonella met behulp van iQ CheckTM realtime PCR in dons, mest en vlees, afkomstig van pluimvee.

Dit protocol beschrijft een 24-uurs methode voor het aantonen van Salmonella met behulp van de iQ CheckTMSalmonella kit (Bio-Rad Laboratories b.v.) in dons, mest en vlees afkomstig van pluimvee.

Salmonella: alle typen Salmonella waarvan het DNA aan de hand van de Polymerase Chain Reactie (PCR) wordt aangetoond, wanneer wordt getest volgens de beschreven werkwijze.

Uit een voorophopingsmedium wordt, na voorincubatie, het DNA van Salmonella geïsoleerd.

Met behulp van de real-time polymerase chain reaction (PCR) worden Salmonella-specifieke DNA sequenties gelijktijdig vermenigvuldigd en gedetecteerd middels fluorescente probes.

Inclusief voorophoping wordt een positieve of negatieve uitslag verkregen binnen 24 uur.

De samenstelling en bereiding van media en reagentia is opgenomen in bijlage 1. Er mag echter ook gebruik worden gemaakt van media die kant-en-klaar commercieel verkrijgbaar zijn. De iQ Check.TMSalmonella kit bestaat uit kant-en-klare reagentia.

Alle gebruikte grondstoffen en het water moeten van analysekwaliteit zijn.

Voor algemene eisen en richtlijnen voor microbiologische onderzoeken wordt verder verwezen naar NEN-EN-ISO 7218:2005 Ontw.

De gebruikelijke apparatuur voor een moleculair/microbiologisch laboratorium en de voor de iQ CheckTMSalmonella test benodigde apparatuur en verbruiksmaterialen, zoals onderstaand vermeld:

Opmerking: Gesteriliseerde materialen voor éénmalig gebruik mogen worden toegepast.

Apparatuur

5.1 iCycler Thermal Cycler met 96-wells reactiemodule (Bio-Rad cat. #: 170-8720)

5.2 iCycler iQ Optical Module (Bio-Rad cat. #: 170-8740)

5.3 iCycler iQ Filter set Texas Red/ Rox Dyes (Bio-Rad cat. #: 170-8781)

5.4 Stomacher

5.5 Broedstoof voor het bebroeden bij 37 ± 1 °C

5.6 Verhittingsblok voor 1,5 ml buizen 100 ± 1 °C

5.7 Tafelcentrifuge (maximaal 12.000 rpm, voor 1,5 ml buizen)

5.8 Vortex

5.9 Magnetische roerder

5.10 20 µl, 200 µl and 1000 µl micropipetten

5.11 Combi-tips pipetten

Opmerking: Het gebruik van een universal power source (UPS) in combinatie met de iCycler iQTM wordt aanbevolen. Inmiddels staat ook de Chromo4 Real time PCR machine in de gebruiksaanwijzing vermeld.

Verbruiksmaterialen

5.12 iCycler iQ 96-well PCR platen (Bio-Rad cat. #: 223-9441)

5.13 iCycler iQ Optical sealing tape (Bio-Rad cat. #: 223-9444)

5.14 200 ml 8-strip tubes (Bio-Rad cat. #: 223-9469)

5.15 200 ml 8-strip caps for 200 µl tubes (Bio-Rad cat. #: 223-9472)

5.16 Stomacher zakken met filter

5.17 1 ml en 10 ml pipetten

5.18 Steriele filtertips, passend op 20 µl, 200 µl en 1000 µl micropipetten

5.19 1,5 ml Eppendorf SafeLock buisjes

5.20 Combi-tips tips, steriel, individueel verpakt

5.21 2 ml and 5 ml steriele buizen of flesjes

5.22 Poeder-vrije handschoenen

5.23 Milli-Q of gedestilleerd steriel water

5.24 Ethanol 96% of NaOH 5%

Opmerking:

MLP-9601 PCR plates (Bio-Rad) in combinatie met MSB 1001 Sealing film is ook mogelijk.

De test dient te worden uitgevoerd door op juiste wijze getraind personeel.

Monsters en kweken dienen te worden behandeld en afgevoerd als potentieel infectieus materiaal.

De kwaliteit van de resultaten is afhankelijk van een strikte uitvoering conform Good Laboratory Practice, in het bijzonder aangaande PCR:

Bederfelijke pluimveeproducten zoals borstvellen en filet dienen gekoeld (1-8°C) te worden aangeleverd. Zie voor de acceptatie criteria voor monstermateriaal bijlage III.

De monsters dienen binnen 4 uur na ontvangst ingezet te worden. Indien de monsters echter binnen 48 uur na monstername op het laboratorium aanwezig zijn, mag gewacht worden met het inzetten van de monsters totdat maximaal 48 uur + 4 uur na het tijdstip van monstername is verstreken.

Stel monsters zo min mogelijk bloot aan temperatuurschommelingen.

Opmerking:

Komen mestmonsters mee met vleesmonsters in een koelbox, sla dan alle monsters gekoeld op. Worden mestmonsters per post ongekoeld verstuurd, sla dan op bij kamertemperatuur, tenzij deze monsters pas de volgende dag worden ingezet.

Ophopingsmedium dient op incubatie temperatuur (37°C) te zijn voorafgaand aan gebruik.

Homogenizeer 25 g monster in 225 ml gebufferd pepton water, in een stomacher zak met filter.

Incubeer zonder schudden gedurende 21 uur ± 1 uur bij 37°C.

Opmerking:

Bij verwerking van borstvel ten behoeve van de verdunning dient zo min mogelijk onderhuids vet meegesneden te worden; een overmaat vet kan de isolatie van DNA bemoeilijken en inhibitie van de PCR-reactie veroorzaken. Mest en dons vergen geen bijzondere voorbehandeling.

Pipetteer 1 ml ophoping met een disposable pipet in een 1,5 ml Eppendorf buis (voorkom pipetteren van grote fragmenten van monsterresten). Schudt de ophoping niet voorafgaand aan het pipetteren van het monster.

De overige stappen voor de DNA extractie worden uitgevoerd zoals omschreven in de gebruiksaanwijzing van de iQ CheckTMSalmonella testkit (Bio-Rad, 2004).

Opmerking:

In geval van ophopingen met een vettig supernatant, neem het monster juist onder deze vetlaag.

Apparatuur en software gebruik, uitvoering PCR en data analyse worden allen uitgevoerd zoals omschreven in de gebruiksaanwijzing van de iQ CheckTMSalmonella testkit (Bio-Rad, 2004).

Resultaten worden geïnterpreteerd middels analyse van de Ct-waarden (threshold cycle) van elk monster. Volg hiervoor het voorschrift van de fabrikant.

Een positief Salmonella monster dient een Ct-waarde > / = 10 voor de FAM fluorophore te hebben.

Indien de Ct-waarde lager dan 10 is, dient het verloop van de amplificatiecurve gecontroleerd te worden via de ‘Background subtracted’ mode; de curve dient een vlakke basislijn te vertonen, gevolgd door een geleidelijke toename van fluorescentie. Indien de curve correct is, kan het monster positief voor Salmonella worden bevonden.

Indien geen Ct-waarde (Ct = N/A, ‘not applicable’) voor FAM is toegekend aan een monster, of de curve een niet-kenmerkend verloop vertoont, moet de interne controle van dat monster worden geanalyseerd. Wanneer geen Ct-waarde (Ct = N/A) wordt verkregen voor FAM, dan is de uiteindelijke interpretatie van het resultaat afhankelijk van de interne controle:

Interpretatie van monsterresultaten:

* Wanneer zowel Salmonella als interne controle detectie een Ct = N/A oplevert, dient het monster opnieuw getest te worden middels een 1/1 0 verdunning van het DNA-extract.

Opmerking:

Bio-Rad heeft inmiddels software ter beschikking gesteld waarin de FAM en Texas Red waarden via ‘Copy-Paste’ ingevuld kunnen worden. Er volgen automatisch antwoorden per monster als: positief, negatief en inhibitie. Tevens worden automatisch de waarden van de kitcontroles gevalideerd. Dit rapport kan in een PDF file geconverteerd worden. De software heet : iQCheck Analysis TM.

Voor een positief resultaat geldt: Salmonella aangetoond.

Voor een negatief resultaat geldt: Salmonella niet aangetoond.

Verdere bevestiging van positieve uitslagen verkregen met de iQ CheckTMSalmonella test is ter beoordeling van de gebruiker maar is niet vereist.

Omdat echter in alle gevallen van Salmonella-positieve monsters betreffende het PVE actieplan 2000+ een nadere serotypering van de Salmonella bevinding is vereist, dient met dezelfde BPw-voorophoping als waaruit de PCR is uitgevoerd alsnog een isolatie met MSRV en XLD uitgevoerd te worden volgens PVE-SALMONELLA-MSRV-140607, gevolgd door serotypering van het isolaat (PVE-SALMONELLA-SERQ-140607).

De iQ CheckTMSalmonella test kit bevat een positieve en een negatieve controle. Een additionele interne controle in elk monster bepaald de efficiëntie van de PCR-reactie en is een indicator voor vals-negatieve reacties. Genoemde controles worden in elke test meegenomen.

Ten behoeve van de validatie van het gehele experiment dienen de controles te voldoen aan de volgende eisen, weergegeven in onderstaande tabel. Is dit niet het geval, dan moet de PCR reactie worden herhaald.

* De software geeft een Ct waarde ‘N/A (not applicable)’ indien de fluorescentie van een monster niet significant boven de achtergrond ruis uitkomt en dus de threshold niet snijdt.

Voor de eerstelijnscontrole van de methode als geheel dienen te worden meegenomen:

Geef het resultaat op als ‘Salmonella aangetoond / niet aangetoond in het betreffende monstermateriaal’ als Salmonella al dan niet is aangetoond volgens dit protocol. Bij de uitslag kan tussen haakjes aangegeven worden hoeveel gram monstermateriaal is onderzocht.

Indien bij het aanleveren van de monsters afwijkingen worden geconstateerd van de wijze waarop de monsters aangeleverd moeten worden (zie bijlage III), dan dient het laboratorium op het analysecertificaat hierover een opmerking te maken en de eventuele gevolgen voor de betrouwbaarheid van de uitslag aan te geven.

Samenstelling:

Bereiding:

Samenstelling:

De iQ-CheckTMSalmonella kit, Bio-Rad code 357-8 100, bevat reagentia ten behoeve van 96 testen.

PVE Branchemethode voor het aantonen van thermotolerante Campylobacter met behulp van Preston en CCDA in mest en vlees, afkomstig van pluimvee.

Dit protocol beschrijft een methode voor het aantonen van thermotolerante Campylobacter (in dit protocol verder als Campylobacter aangeduid) in monsters mest en vlees, afkomstig van pluimvee.

Campylobacter: micro-organismen die de voor deze bacteriën karakteristieke groei vertonen en specifieke morfologische, biochemische en serologische reacties vertonen wanneer wordt gekweekt respectievelijk getest volgens de beschreven werkwijze.

Mestmonsters en blindedarm mestmonsters worden rechtstreeks geënt op een selectieve vaste voedingsbodem (mCCDA).

Vlees (bijvoorbeeld vel van de borstkap of filet) wordt in porties van 25 gram gedurende 1 minuut gestomacherd met 100 ml selectief ophopingsmedium (Preston). Hierna wordt het monstermateriaal verwijderd en alleen het ophopingsmedium gedurende 24 uur bebroed bij 41,5 °C. Vervolgens wordt afgeënt op een selectieve vaste voedingsbodem (mCCDA).

Selectieve vaste voedingsbodems worden microaëroob gedurende 48 uur bij 41,5 °C bebroed, waarna beoordeeld wordt op aanwezigheid van specifieke kolonies.

Specifieke kolonies worden bevestigd met behulp van oxidase reactie en microscopie. Als extra controle kan een deel van de isolaten met behulp van een latex agglutinatie test worden bevestigd.

Alle gebruikte grondstoffen en het water moeten van analysekwaliteit zijn.

Er mag ook gebruik worden gemaakt van media die kant-en-klaar commercieel verkrijgbaar zijn.

Voor algemene eisen en richtlijnen voor microbiologische onderzoeken wordt verder verwezen naar NEN-EN-ISO 7218:2005 Ontw.

4.2.1 Preston basismedium

4.2.1.1 Samenstelling

OPMERKING

a ook tezamen kant-en-klaar verkrijgbaar onder de naam Nutriënt Broth No.2

b ook tezamen verkrijgbaar als supplement (zgn. ‘groeisupplement’ of FBP supplement)

4.2.1.2 Bereiding

Los de ingrediënten op in het water (indien nodig d.m.v. verhitting).

Indien nodig, stel de pH, zodat deze na sterilisatie 7,5 ± 0,2 bij 25° C bedraagt.

Steriliseer gedurende 15 minuten bij 121 °C ± 1 °C.

4.2.2 Preston antibiotica oplossing

4.2.2.1 Samenstelling

OPMERKING

Deze antibiotica zijn ook tezamen verkrijgbaar als Preston supplement. Let op, ook het ‘vroeger’ gebruikte Preston supplement, met cycloheximide in plaats van amphotericine-B, is nog steeds verkrijgbaar. De voorkeur wordt echter gegeven aan gebruik van supplement met amphotericine-B.

4.2.2.2 Bereiding

Los de antibiotica op in het water en steriliseer door middel van filtratie (0,22 µm filter)

4.2.3 Compleet Preston ophopingsmedium

4.2.3.1 Samenstelling compleet Preston ophopingsmedium

4.2.3.2 Bereiding compleet Preston ophopingsmedium

Koel het basismedium af tot onder de 47°C.

Voeg op aseptische wijze de antibiotica oplossing toe en meng zorgvuldig.

OPMERKING

In de originele beschrijving van Preston ophopingsmedium wordt paardenbloed gebruikt. In dit voorschrift wordt echter geen paardenbloed toegepast, omdat uit onderzoek is gebleken dat dat voor onderhavige monstermatrix niet noodzakelijk is (Jacobs-Reitsma et al., 2003).

4.3.1 mCCDA Basismedium

4.3.1.1 Samenstelling

OPMERKING

a ook tezamen kant-en-klaar verkrijgbaar onder de naam Nutriënt Broth No.2

4.3.1.2 Bereiding

Los de ingrediënten op in het water (indien nodig d.m.v. verhitting).

Indien nodig, stel de pH, zodat deze na sterilisatie 7,4 °C ± 0,2 bij 25 °C bedraagt.

Steriliseer gedurende 15 minuten bij 121 °C ± 1 °C.

4.3.2 mCCDA antibiotica supplement

4.3.2.1 Samenstelling

OPMERKING

Deze antibiotica zijn ook tezamen verkrijgbaar als mCCDA supplement.

4.3.2.2 Bereiding

Los de antibiotica op in het water en steriliseer door middel van filtratie (0,22 µm filter)

4.3.3 Complete mCCDA voedingsbodem

4.3.3.1 Samenstelling

4.3.3.2 Bereiding

Koel het basismedium af tot 47-50 °C.

Voeg op aseptische wijze de antibiotica oplossing toe en meng zorgvuldig.

Giet de agar uit in petrischalen met nok en laat stollen.

4.4.1 Oxidase reagens

4.4.1.1 Samenstelling

4.4.1.2 Bereiding

Los het N,N,N’,N’-tetramethyl-1,4-fenyleendiammoniumdichloride op in het water. Bereid het reagens vlak voor uitvoering van de oxidasetest.

Dit reagens is ook kant-en-klaar commercieel verkrijgbaar. Handel dan volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant.

4.4.2 Latexagglutinatietest voor bevestiging van Campylobacter

Latexagglutinatietesten voor bevestiging van thermotolerante Campylobacter zijn commerciëel verkrijgbaar.

Gebruikelijke toestellen en steriel glaswerk voor microbiologische laboratoria en in het bijzonder de onderstaande:

5.1 Broedstoof voor het bebroeden bij 41,5 °C ± 1 °C.

5.2 Suspendeertoestel, Stomacher 5.3 Geschikte apparatuur en hulpmiddelen om te bebroeden in een micro-aërobe atmosfeer (ca. 6% zuurstof, 10% kooldioxide en 84% stikstof). Voor het verkrijgen van microaëroob milieu kan gebruik gemaakt worden van commerciële systemen (‘gas-zakjes’).

5.4 Microscoop, bij voorkeur met fase-contrast, vergroting 1000x.

OPMERKING

Gesteriliseerde materialen voor éénmalig gebruik mogen worden toegepast.

Bederfelijke pluimveeproducten zoals borstvellen en filet dienen gekoeld (l -8 °C) te worden aangeleverd. Zie voor de acceptatie criteria voor monstermateriaal bijlage III.

De monsters dienen binnen 4 uur na ontvangst ingezet te worden. Indien de monsters echter binnen 48 uur na monstername op het laboratorium aanwezig zijn, mag gewacht worden met het inzetten van de monsters totdat maximaal 48 uur + 4 uur na het tijdstip van monstername is verstreken.

Stel monsters zo min mogelijk bloot aan temperatuurschommelingen.

Opmerking:

Komen mestmonsters mee met vleesmonsters in een koelbox, sla dan alle monsters gekoeld op. Worden mestmonsters per post ongekoeld verstuurd, sla dan op bij kamertemperatuur, tenzij deze monsters pas de volgende dag worden ingezet.

Campylobacter is zeer gevoelig voor invriezen en daarom is het invriezen van monsters niet toegestaan.

In alle gevallen geldt dat de agarplaten na beënten zonder uitstel onder micro-aërobe condities geïncubeerd dienen te worden, omdat Campylobacter obligaat micro-aërofiel is en onder andere omgevingscondities snel afsterft.

6.2.1 Monstervoorbehandeling

Monsters waarin hoge aantallen Campylobacter worden verwacht, zoals mest en blindedarm, worden rechtstreeks op het isolatiemedium afgestreken.

Maak 1 mengmonster van de 30 afzonderlijke blindedarmen door deze elk op steriele wijze open te knippen en uit elke darm een evenredige hoeveelheid materiaal over te brengen in een lege steriele petrischaal. Meng goed (bijvoorbeeld met een steriele swab of entoog).

6.2.2 Isolatie

Beënt vanuit het mengmonster met behulp van de swab of entoog een halve mCCDA-plaat.

Beënt de rest van de plaat middels verdunningsstrepen met behulp van een steriele öse, zodanig dat na incubatie losliggende kolonies kunnen ontstaan.

Incubeer mCCDA platen micro-aëroob gedurende 48 uur ± 4 uur bij 41, 5 °C ± 1°C.

6.3.1 Monstervoorbehandeling

Breng 25 gram ± 1 gram van het monster, bijvoorbeeld een stuk huid van de borstkap of filet, in een stomacherzak en voeg 100 ml Preston bouillon toe. Stomacher gedurende 1 minuut en scheidt het monstermateriaal van de ophopingsbouillon (bijvoorbeeld door het verwijderen van de binnenzak van de stomacherzak met daarin het monstermateriaal of door overschenken van de ophopingsvloeistof in een schoon steriel flesje).

6.3.2 Ophoping

Incubeer de ophopingsbouillon 24 uur ± 2 uur bij 41, 5 °C ± 1 °C in micro-aëroob milieu.

Indien geïncubeerd wordt in flesjes of (stomacher)-zakken met weinig kopruimte (d.w.z. < / = 2 cm), kan zonder eisen aan het milieu geïncubeerd worden.

6.3.3 Isolatie

Ent met behulp van een entoog (10 µl) de Preston-cultuur na incubatie uit op een mCCDA-plaat. Incubeer mCCDA platen micro-aëroob gedurende 48 uur ± 4 uur bij 41,5 °C ± 1°C.

Beoordeel bebroede mCCDA-platen op de aanwezigheid van kolonies met de volgende morfologische eigenschappen: grijs, metalig, laag convex, amorf en de neiging om met de entstreep mee te groeien. Deze kolonies worden als ‘verdacht positief’ aangemerkt.

Voer de bevestiging uit met minimaal 1 tot maximaal 3 verdachte kolonies per plaat in geval van reincultuur en tot 5 verdachte kolonies (indien aanwezig) in geval van mengcultuur, totdat een positief resultaat wordt verkregen.

Ter bevestiging wordt een oxidase reactie uitgevoerd en worden de verdachte kolonies microscopisch beoordeeld. Voer zonodig eerst een reinstrijk uit op bijvoorbeeld een bloedplaat of een mCCDA-basis agar plaat (zonder antibiotica supplement).

Ent met een entoog (anders dan van nikkel/chroom) vanaf de mCCDA plaat een verdachte kolonie op een filtreerpapiertje bevochtigd met oxidasereagens. Lees na maximaal 10 seconden de reactie af. De reactie is positief bij paarskleuring en negatief indien er geen verkleuring optreedt.

Maak van de verdachte kolonie een hangende-druppel-preparaat of nat-preparaat en beoordeel met een fasecontrast of donkerveld microscoop (100x objectief) op de karakteristieke kurketrekker-vormige morfologie en grote beweeglijkheid van Campylobacter.

Bij kleuring volgens Gram tonen Campylobacter bacteriën zich als kurketrekker-vormig gebogen Gram-negatieve staafjes. De karakteristieke vorm is ook goed te zien bij kleuring met Oost-Indische inkt. Bij oude culturen ( > 2 dagen op plaat) kan Campylobacter coccoïde en minder beweeglijke vormen aannemen.

Bij twijfel of als extra controle op de juiste identificatie wordt aanbevolen om regelmatig een aanvullende bevestiging uit te voeren met een latexagglutinatietest, bijvoorbeeld met 1 op 50 bevestigde kolonies.

7.4.1 Latexegglutinatietest

Latexagglutinatietesten zijn bij diverse firma’s commercieel verkrijgbaar en moeten volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant worden uitgevoerd en afgelezen.

Campylobacter bacteriën vertonen de karakteristieken zoals omschreven in tabel 1.

Voor de eerstelijnscontrole van de methode dienen te worden meegenomen:

Geef het resultaat op als ‘Campylobacter aangetoond / niet aangetoond in het betreffende monstermateriaal’ als Campylobacter al dan niet is aangetoond volgens dit protocol. Bij de uitslag kan tussen haakjes aangegeven worden hoeveel gram monstermateriaal is onderzocht.

Indien bij het aanleveren van de monsters afwijkingen worden geconstateerd van de wijze waarop de monsters aangeleverd moeten worden (zie bijlage III), dan dient het laboratorium op het analysecertificaat hierover een opmerking te maken en de eventuele gevolgen voor de betrouwbaarheid van de uitslag aan te geven.

PVE Branchemethode voor het aantonen van thermotolerante Campylobacter spp. met behulp van VIDAS CAM in vlees, afkomstig van pluimvee.

Dit protocol beschrijft een methode voor het aantonen van thermotolerante Campylobacter (in dit protocol verder als Campylobacter aangeduid) in vlees, afkomstig van pluimvee.

Campylobacter: alle typen Campylobacter waarvan de specifieke antigenen met behulp van de Enzyme Linked Fluorescent Assay (ELFA) techniek worden aangetoond, wanneer wordt getest volgens de beschreven werkwijze.

VIDAS CAM is een enzym immunoassay voor de detectie van Campylobacter antigenen, waarbij gebruik wordt gemaakt van de ELFA methode en die geautomatiseerd wordt uitgevoerd op het VIDAS analyse apparaat.

Pluimveevlees (bijvoorbeeld vel van de borstkap of filet) wordt in porties van 25 gram gedurende 1 minuut gestomacherd met 100 ml selectief ophopingsmedium (Preston). Hierna wordt het monstermateriaal verwijderd en alleen het ophopingsmedium gedurende 48 uur bebroed bij 41,5 °C. Vervolgens wordt de VIDAS CAM assay uitgevoerd. Het test resultaat van deze aantoningsstap is na ca. 70 minuten beschikbaar. Verdere bevestiging van positieve uitslagen is niet noodzakelijk.

Alle gebruikte grondstoffen en het water moeten van analysekwaliteit zijn.

Er mag ook gebruik worden gemaakt van media die kant-en-klaar commercieel verkrijgbaar zijn.

Voor algemene eisen en richtlijnen voor microbiologische onderzoeken wordt verder verwezen naar NEN-EN-ISO 7218:2005 Ontw.

4.2.1 Preston basismedium

4.2.1.1 Samenstelling

OPMERKING

a ook tezamen kant-en-klaar verkrijgbaar onder de naam Nutriënt Broth No.2

book tezamen verkrijgbaar als supplement (zgn. ‘groeisupplement’ of FBP supplement)

4.2.1.2 Bereiding

Los de ingrediënten op in het water (indien nodig d.m.v. verhitting).

Stel de pH zo in dat deze na sterilisatie 7,5 ± 0, 2 bedraagt bij 25°C.

Steriliseer gedurende 15 minuten bij 121 °C ± 1°C.

4.2.2 Preston antibiotica oplossing

4.2.2.1 Samenstelling

OPMERKING

Deze antibiotica zijn ook tezamen verkrijgbaar als Preston supplement. Let op, ook het ‘vroeger’ gebruikte Preston supplement, met cycloheximide in plaats van amphotericine-B, is nog steeds verkrijgbaar. De voorkeur wordt echter gegeven aan gebruik van supplement met amphotericine-B.

4.2.2.2 Bereiding

Los de antibiotica op in het water en steriliseer door middel van filtratie (0,22 µm filter).

4.2.3 Compleet Preston ophopingsmedium

4.2.3.1 Samenstelling compleet Preston ophopingsmedium

4.2.3.2 Bereiding compleet Preston ophopingsmedium

Koel het basismedium af tot onder de 47°C.

Voeg op aseptische wijze de antibiotica oplossing toe en meng zorgvuldig.

OPMERKING

In de originele beschrijving van Preston ophopingsmedium wordt paardenbloed gebruikt. In dit voorschrift wordt echter geen paardenbloed toegepast, omdat uit onderzoek is gebleken dat dat voor onderhavige monstermatrix niet noodzakelijk is (Jacobs-Reitsma et al., 2003).

Gebruikelijke toestellen en steriel glaswerk voor microbiologische laboratoria en in het bijzonder de onderstaande:

5.1 Broedstoof voor het bebroeden bij 41,5 °C ± 1°C.

5.2 Suspendeertoestel, Stomacher

5.3 Geschikte apparatuur en hulpmiddelen om te bebroeden in een micro-aërobe atmosfeer (ca. 6% zuurstof, 10% kooldioxide en 84% stikstof). Voor het verkrijgen van microaëroob milieu kan gebruik gemaakt worden van commerciële systemen (‘gas-zakjes’), bijvoorbeeld:

GenBox micro-aërofiel (10 zakjes, ref. 96125, bioMérieux).

5.4 VIDAS of mini VIDAS analyser (bioMérieux).

5.5 VIDAS CAM assay (30 testen, ref. 30111, bioMérieux)

OPMERKING

Gesteriliseerde materialen voor éénmalig gebruik mogen worden toegepast.

Bederfelijke pluimveeproducten zoals borstvellen en filet dienen gekoeld (1-8 °C) te worden aangeleverd. Zie voor de acceptatie criteria voor monstermateriaal bijlage III.

De monsters dienen binnen 4 uur na ontvangst ingezet te worden. Indien de monsters echter binnen 48 uur na monstername op het laboratorium aanwezig zijn, mag gewacht worden met het inzetten van de monsters totdat maximaal 48 uur + 4 uur na het tijdstip van monstername is verstreken.

Campylobacter is zeer gevoelig voor invriezen en daarom is het invriezen van monsters niet toegestaan.

Breng 25 gram ± 1 gram van het monster, bijvoorbeeld een stuk huid van de borstkap of filet, in een stomacherzak en voeg 100 ml Preston bouillon toe. Stomacher gedurende 1 minuut en scheidt het monstermateriaal van de ophopingsbouillon (bijvoorbeeld door het verwijderen van de binnenzak van de stomacherzak met daarin het monstermateriaal of door overschenken van de ophopingsvloeistof in een schoon steriel flesje).

Incubeer de ophopingsbouillon 48 uur ± 2 uur bij 41, 5 °C ± 1 °C in micro-aëroob milieu.

Indien geïncubeerd wordt in flesjes of (stomacher)-zakken met weinig kopruimte (d.w.z. < / = 2 cm), kan zonder eisen aan het milieu geïncubeerd worden.

OPMERKING

In tegenstelling tot PVE-CAMPYLOBACTER-140607 is de incubatietijd in dit voorschrift 48 uur.

Meng het ophopingsmedium na incubatie en breng 2 ml over in een eppendorfbuisje. Sluit de buisjes en verhit gedurende 15 minuten in een kokend waterbad. Voer vervolgens de VIDAS CAM test uit volgens de gebruiksaanwijzing. Runtime VIDAS CAM test bedraagt ongeveer 70 minuten.

OPMERKING

Indien de VIDAS CAM test niet direct kan worden uitgevoerd is het mogelijk de ophoping (of een deel ervan) in te vriezen voor maximaal 48 uur. Na ontdooien moet de ophoping opgekookt worden en kan bovenstaande werkwijze worden gevolgd.

Resultaten worden beoordeeld conform de gebruiksaanwijzing van de VIDAS CAM test.

Deze zijn gebaseerd op metingen van de fluorescentie en worden gestandaardiseerd naar een zogenaamde Test Value (TV). Resultaten met een TV onder de 0,1 betreffen monsters waarin Campylobacter antigenen niet aantoonbaar waren. Resultaten met een TV = 0,1 worden als Campylobacter-positief gerapporteerd.

De in dit voorschrift beschreven VIDAS CAM methode is een detectie methode. Verdere confirmaties zijn niet nodig.

De VIDAS CAM test kit bevat een positieve en een negatieve VIDAS reagens controle en een bijbehorende standaard. Deze worden meegenomen in de bepalingen zoals omschreven in de gebruiksaanwijzing van de VIDAS CAM test.

Voor de eerstelijnscontrole van de methode als geheel dienen te worden meegenomen:

Geef het resultaat op als ‘Campylobacter aangetoond / niet aangetoond in het betreffende monstermateriaal’ als Campylobacter al dan niet is aangetoond volgens dit protocol. Bij de uitslag kan tussen haakjes aangegeven worden hoeveel gram monstermateriaal is onderzocht.

Indien bij het aanleveren van de monsters afwijkingen worden geconstateerd van de wijze waarop de monsters aangeleverd moeten worden (zie bijlage III), dan dient het laboratorium op het analysecertificaat hierover een opmerking te maken en de eventuele gevolgen voor de betrouwbaarheid van de uitslag aan te geven.

Indien afwijkingen in de voorgeschreven kwaliteit en wijze van aanleveren van monsters zijn geconstateerd, moet in ieder geval bij de volgende punten richting de opdrachtgever een opmerking worden gemaakt, waaruit blijkt dat er in de procedure van monstername en inzenden een afwijking is geconstateerd en om welke afwijking het gaat.

Ten algemene:

Monsters.

Inlegvellen (opfokbedrijven, opfokvermeerderingsbedrijven en vleeskuikenbedrijven):

Dons (broederijen):

Mest (swabs of overschoentjes) ((op)fokbedrijven, vermeerderingsbedrijven en vleeskuikenbedrijven):

Swabs:

Overschoentjes:

Blindedarmmest (slachterijen):

Borstkapvellen (slachterijen):

Eindproducten (slachterijen/uitsnijderijen):

A. Norm Salmonella detectie-ringonderzoek

Monsters met Faeces

- blanco’s: min. 80% negatief

- hoog besmette capsules: min. 80 % positief

- laag besmette capsules: min. 50 % positief

Controles

- blanco’s: 100% negatief

- hoog besmette capsules: 100 % positief

- laag besmette capsules: min. 50 % positief

Goed: Als aan bovenstaande eisen voldaan wordt

Onvoldoende: Als niet aan bovenstaande eisen voldaan wordt

• Consequenties indeling resultaten

o Goed: Geen consequenties

o Onvoldoende: Extra monsters worden nagestuurd. Wanneer bij dit extra onderzoek onvoldoende gepresteerd wordt, wordt het laboratorium tijdelijk geschorst voor de detectie van Salmonella totdat de resultaten bij een volgend ringonderzoek detectie Salmonella van het NRL ’goed’ zijn.

B. Norm Salmonella serotypering-ringonderzoek

• Voor de beoordeling van de fouten wordt uitgegaan van de opgegeven lijst van te typeren stammen per laboratorium.

• Onderverdeling in grove fouten en kleine fouten. Per grove fout krijgt het laboratorium 2 punten en per kleine fout l punt. Het totale aantal punten bepaalt hoe het laboratorium gescoord heeft bij het ringonderzoek.

o Geen fout

- Typering derden voor stammen die niet op de opgegeven lijst staan

- Niet volledig uittyperen van stammen die niet op de opgegeven lijst staan

o Kleine fouten (l punt)

- Typering derden voor stammen die op de opgegeven lijst staan

- Serotype naam fout, maar groep goed van stammen die niet op de opgegeven lijst staan

o Grove fouten (2 punten)

- Serotype naam fout en groep fout (ongeacht of het serotype op de lijst staat of niet)

- Serotype naam fout van stammen die op de opgegeven lijst staan

- Niet volledig uittyperen van stammen die op de opgegeven lijst staan

- Onterecht S. Enteritidis of S. Typhimurium afgeven

- Indeling op basis van fouten

o Goed: O - l punt

o Matig: 2 - 4 punten

o Onvoldoende: meer dan 4 punten

- Consequenties indeling resultaten

o Goed: Geen consequenties

o Matig: Advies kan worden opgevraagd bij het WKL-Salmonella te Bilthoven.

o Onvoldoende: Extra set stammen wordt nagestuurd. Wanneer bij dit extra onderzoek onvoldoende gepresteerd wordt, wordt het laboratorium tijdelijk geschorst voor het typeren totdat de resultaten bij een volgend ringonderzoek serotypering Salmonella van het NRL ’matig’ of ’goed’ zijn.

o 2 keer ’onvoldoende’: Extra set stammen wordt nagestuurd. Wanneer bij dit extra onderzoek onvoldoende gepresteerd wordt, wordt het laboratorium tijdelijk geschorst voor het typeren totdat de resultaten bij een volgend ringonderzoek serotypering Salmonella van het NRL ‘goed’ zijn.

o l keer ‘onvoldoende’ en l keer ‘matig’: Extra set stammen wordt nagestuurd. Wanneer bij dit extra onderzoek onvoldoende gepresteerd wordt, wordt het laboratorium tijdelijk geschorst voor het typeren totdat de resultaten bij een volgend ringonderzoek serotypering Salmonella van het NRL ‘matig’ of ‘goed’ zijn.

o 2 keer ’matig’: Extra set stammen wordt nagestuurd. Wanneer bij dit extra onderzoek onvoldoende gepresteerd wordt, wordt het laboratorium tijdelijk geschorst voor het typeren totdat de resultaten bij een volgend ringonderzoek serotypering Salmonella van het NRL ‘matig’ of ‘goed’ zijn.

o 3 keer ‘matig’: Extra set stammen wordt nagestuurd. Wanneer bij dit extra onderzoek onvoldoende gepresteerd wordt, wordt het laboratorium tijdelijk geschorst voor het typeren totdat de resultaten bij een volgend ringonderzoek serotypering Salmonella van het NRL ‘goed’ zijn.

NB. De score van het extra onderzoek wordt meegerekend om de uiteindelijke indeling van het laboratorium te bepalen.