Wijzigingen Officiële bron
Overdrachtsbelasting, vrijstelling; diverse onderwerpenOverdrachtsbelasting, vrijstelling; diverse onderwerpenDe Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit is een actualisering en samenvoeging van besluiten over diverse onderwerpen betreffende de vrijstelling van overdrachtsbelasting. Met dit besluit wordt geen beleidswijziging beoogd. Een aantal besluiten wordt ingetrokken.

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag11 september 2008De Staatssecretaris van Financiën, namens deze:de directeur-generaal Belastingdienst, J.Thunnissen

Artikel 15, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer bevat de vrijstellingen van overdrachtsbelasting. Dit besluit bevat het beleid over diverse onderwerpen die in het genoemde artikel zijn geregeld. Daarbij behoren enkele goedkeuringen op grond van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De inspecteur van de Belastingdienst kan de goedkeuringen toepassen.

Per 1 januari 2007 is er een nieuwe vrijstelling voor de verkrijging van cultuurgrond in de wet opgenomen (artikel 15, eerste lid, onderdeel q, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer). Op de genoemde datum zijn ook een aantal vrijstellingen komen te vervallen (artikel 15, eerst lid, onderdelen q-oud, s, t, v en w). Als gevolg van deze wetswijziging hebben de besluiten over de thans vervallen vrijstellingen hun belang verloren. Deze worden in dit besluit ingetrokken.

AWR: Algemene wet inzake rijksbelastingen

Monument: Onroerende zaak ingeschreven in een van de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers van beschermde monumenten

Monumentenrechtspersoon: Rechtspersoon die naar het oordeel van de Ministerie van Financiën hoofdzakelijk de instandhouding van monumenten ten doel heeft

Registers: De ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers van beschermde monumenten

Samenwoners: Personen die een duurzame samenwoning beogen en een gemeenschappelijke huishouding voeren

WBR: Wet op belastingen van rechtsverkeer

UBBR: Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer

De verkrijging bij een verdeling van een gemeenschap tussen samenwoners is onder voorwaarden vrijgesteld van overdrachtsbelasting (artikel 15, eerste lid, onderdeel g, van de WBR). Als voorwaarde geldt onder meer dat de gerechtigdheid tot de gemeenschap moet zijn ontstaan door een gezamenlijke verkrijging, waarbij de ene samenwoner is gerechtigd tot ten minste 40% en de andere tot ten hoogste 60%. Aan deze bandbreedte-eis moet direct bij de eerste gezamenlijke verkrijging zijn voldaan.

De vrijstelling geldt niet alleen voor de verkrijging bij een verdeling van het gezamenlijk verkregen woonhuis, maar ook voor andere gezamenlijk verkregen onroerende zaken of beperkte rechten daarop.

Het feit dat meer dan twee samenwoners in de onroerende zaak zijn gerechtigd, is geen belemmering voor de toepassing van de vrijstelling.

A, B en C zijn vanaf de aanvang samenwoners. A en B zijn elk voor 40% gerechtigd tot de woning en C voor 20%. Bij het verbreken van de samenwoning delen B en C hun aandeel toe aan A. De verkrijging door A van het aandeel van B valt onder de vrijstelling. Immers zowel A als B voldeed bij aanvang van de samenwoning aan de bandbreedte-eis van 40%–60%. Over het aandeel dat A van C verkrijgt is wel overdrachtsbelasting verschuldigd.

De vrijstelling geldt uitsluitend voor de verkrijging bij verdeling van onroerende zaken die tijdens de samenwoning gezamenlijk zijn verkregen. Het is mogelijk dat een onroerende zaak of beperkt recht daarop wordt verkregen in het zicht van de samenwoning. Ik acht het niet altijd gewenst dat in die situatie overdrachtsbelasting wordt geheven. Daarom keur ik het volgende goed.

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR goed dat de vrijstelling ook geldt voor de verkrijging bij verdeling van onroerende zaken of beperkte rechten daarop, die verkregen zijn in het zicht van de samenwoning.

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

Aan het bovenstaande voeg ik het volgende toe. Als een woning in aanbouw wordt verkregen geldt de in de eerste voorwaarde genoemde termijn van uiterlijk één jaar niet, mits de woning na oplevering hoofdverblijf van de samenwoners is geworden.

Het is mogelijk dat een relatie tussen twee personen wordt verbroken en een verdeling plaatsvindt. Dit terwijl de betrokken personen door omstandigheden niet daadwerkelijk tot een samenwoning zijn gekomen. Hiervan kan sprake zijn bij de aankoop van een woning in aanbouw of van een woning die eerst ingrijpend moet worden verbouwd. Ik acht het niet altijd gewenst dat in die situaties overdrachtsbelasting wordt geheven. Daarom keur ik het volgende goed.

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR goed dat de vrijstelling ook geldt voor de verkrijging bij verdeling van onroerende zaken of beperkte rechten daarop, zonder dat de deelgerechtigden hebben samengewoond.

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

Over de eerstgenoemde voorwaarde merk ik nog het volgende op. In geval van een minder ingrijpende verbouwing heeft men het zelf in de hand om te gaan samenwonen. Als men in dat geval ervoor kiest om niet te gaan samenwonen, is er geen sprake van een onbillijkheid van overwegende aard.

De vrijstelling geldt voor de verkrijging bij verdeling tijdens de samenwoning. Veelal echter zal de verdeling plaatsvinden nadat de samenwoning is beëindigd. Ik acht het niet altijd gewenst dat in die situatie overdrachtsbelasting wordt geheven. Daarom keur ik het volgende goed

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR goed dat de vrijstelling ook geldt voor de verkrijging bij verdeling van onroerende zaken of beperkte rechten daarop, nadat de samenwoning is beëindigd.

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

De verkrijging van een zaak die is aangebracht door of in opdracht en voor rekening van de verkrijger of zijn rechtsopvolger onder algemene titel is vrijgesteld van overdrachtsbelasting (artikel 15, eerste lid, onderdeel i, van de WBR).

Bij de toepassing van deze vrijstelling wordt het begrip ‘aanbrengen’ ruim opgevat. Het begrip omvat naast bouw ook verbouwing, verbetering, beplanting, het bouwrijp maken van grond en ander uitgevoerd werk.

Het ontmoet bij mij geen bezwaar de vrijstelling toe te passen als een naamloze of besloten vennootschap in oprichting de zaken heeft aangebracht en deze vervolgens verkrijgt. Als voorwaarde geldt dat de hiermee verband houdende rechtshandelingen na de oprichting worden bekrachtigd overeenkomstig artikel 2:93 of 2:203 van het Burgerlijk Wetboek.

De verkrijging van monumenten door monumentenrechtspersonen is onder voorwaarden vrijgesteld van overdrachtsbelasting (artikel 15, eerste lid, onderdeel p, van de WBR). De vrijstelling geldt als de onroerende zaak op het moment van de verkrijging is ingeschreven in één van de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers van beschermde monumenten. De vrijstelling geldt ook voor de verkrijging van een onverdeeld aandeel of een appartementsrecht in een monument.

De vrijstelling bij verkrijging van monumenten geldt niet als een onroerende zaak wordt verkregen voordat deze als monument is ingeschreven in de registers. Met het oog op het behoud wordt soms al voor de bedoelde inschrijving een onroerende zaak verkregen. Dit bijvoorbeeld als een dringende restauratie noodzakelijk is. Ik acht het niet altijd gewenst dat in een dergelijk geval overdrachtsbelasting wordt geheven. Ik keur daarom het volgende goed

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR goed dat de vrijstelling ook geldt voor de verkrijging van een onroerende zaak voordat deze als monument is ingeschreven in de registers.

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

Over de in de bovengenoemde tweede voorwaarde genoemde termijn van tien maanden, merk ik nog het volgende op. De termijn sluit aan bij het bepaalde in artikel 3, zesde lid, van de Monumentenwet 1988. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beslist binnen tien maanden na ontvangst van een verzoek om een onroerend monument aan te wijzen als beschermd monument.

Soms wordt een monument verkregen door een rechtspersoon die op dat moment nog niet is aangewezen als monumentenrechtspersoon. In dat geval kan de vrijstelling niet worden toegepast. Dit kan tot ongewenste of onduidelijke situaties leiden. Ik keur daarom het volgende goed

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR goed dat de vrijstelling ook geldt als een monument wordt verkregen door een rechtspersoon die op dat moment nog niet is aangewezen als monumentenrechtspersoon.

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

Voor de goede orde merk ik het volgende op. Het bovenstaande leidt ertoe dat voor de toepassing van de vrijstelling de rechtspersoon wordt geacht te zijn aangewezen als monumentenrechtspersoon met ingang van de datum waarop het verzoek tot aanwijzing is ingekomen.

Gelet op artikel 10:3, eerste lid en artikel 10:5 van de Algemene wet bestuursrecht is de voorzitter gemandateerd tot het aanwijzen van een rechtspersoon als monumentenrechtspersoon en tot het intrekken of wijzigen van een zodanige aanwijzing. De verzoeken kunnen rechtstreeks aan de genoemde voorzitter (kantoor ’s-Hertogenbosch) worden gericht.

De voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Oost-Brabant is ook bevoegd tot het verlenen van ondermandaat en machtiging aan daartoe aan te wijzen functionarissen.

In artikel 6 van het UBBR staan de nadere voorwaarden waaraan moet worden voldaan voor de toepassing van de vrijstelling. Op grond van deze voorwaarden is het mogelijk dat de overdrachtsbelasting die aanvankelijk niet is geheven, alsnog verschuldigd wordt binnen een tijdvak van 25 jaren na de verkrijging.

Het bovenstaande is onder meer het geval als naar het oordeel van de Minister van Financiën de verkrijger niet meer hoofdzakelijk de instandhouding van monumenten ten doel heeft (artikel 6, tweede lid, onderdeel b, van het UBBR). De verkrijger kwalificeert dan niet meer als monumentenrechtspersoon. In een tweetal gevallen echter acht ik het niet redelijk of functioneel om op de aanvankelijk genoten vrijstelling terug te komen. Het eerste geval betreft de situatie waarbij een monumentenrechtspersoon verdwijnt na een juridische fusie. Het tweede geval betreft de situatie waarbij een monumentenrechtspersoon het (laatste) in zijn bezit zijnde monument vervreemdt.

Bij een juridische fusie tussen twee of meer monumentenrechtspersonen gaan alle activa en passiva van de verdwijnende rechtspersoon onder algemene titel over op de verkrijgende rechtspersoon. Het gevolg van de juridische fusie is dat de verdwijnende monumentenrechtspersoon niet langer voldoet aan het vereiste van de instandhouding van monumenten en aldus niet meer kwalificeert als monumentenrechtspersoon. Ik acht het niet altijd gewenst dat in een dergelijk geval alsnog overdrachtsbelasting wordt geheven. Ik keur daarom het volgende goed.

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR goed dat de overdrachtsbelasting niet alsnog verschuldigd wordt als een monumentenrechtspersoon als verdwijnende rechtspersoon is betrokken bij een juridische fusie.

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

Het is mogelijk dat een monumentenrechtspersoon het (laatste) in zijn bezit zijnde monument vervreemdt. Dit kan tot gevolg hebben dat deze rechtspersoon niet langer kwalificeert als monumentenrechtspersoon. Ik acht het niet altijd gewenst dat in een dergelijk geval alsnog overdrachtsbelasting wordt geheven. Ik keur daarom het volgende goed.

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR goed dat de overdrachtsbelasting niet alsnog verschuldigd wordt als een monumentenrechtspersoon het (laatste) in zijn bezit zijnde monument vervreemdt.

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

De in dit besluit opgenomen goedkeuringen worden verleend als volgens de wettelijke bepalingen overdrachtsbelasting verschuldigd is. Door deze wettelijke verschuldigdheid kan de verkrijger bij een volgende overdracht van de verkregen onroerende zaken, onder omstandigheden, formeel gezien aanspraak maken op een vermindering van overdrachtsbelasting op grond van artikel 9, vierde lid, of artikel 13 van de WBR. Voor zover een toekomstige verkrijger een beroep doet op één van de genoemde bepalingen, vervalt de verleende goedkeuring.

Onderdeel 13 van het besluit van 27 december 1988, nr. IB88/1084, heeft met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit zijn belang verloren.

De volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit:

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met de dagtekening van het besluit.