Wijzigingen Officiële bron
Besluit houdende vaststelling van het Subsidieprogramma Proeftuinen duurzame mobiliteit: hybride en elektrisch rijdenBesluit vaststelling Subsidieprogramma Proeftuinen duurzame mobiliteit: hybride en elektrisch rijden De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Kaderregeling subsidies duurzaamheid verkeer en waterstaat;

Besluit:

Dit besluit zal met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Verkeer en Waterstaat, C.M.P.S.Eurlings

Als subsidieprogramma als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Kaderregeling subsidies duurzaamheid verkeer en waterstaat, wordt vastgesteld het Subsidieprogramma Proeftuinen duurzame mobiliteit: hybride en elektrisch rijden, dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit.

Op een subsidie die is aangevraagd of verleend voor 1 januari 2011 blijft dit besluit en het daarbij vastgestelde subsidieprogramma van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2011.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2011.

Inhoudsopgave

§ 1. Begripsomschrijvingen

§ 2. Subsidiabele projecten

§ 3. Weigeringsgronden

§ 4. Subsidieplafond

§ 5. Subsidiemaxima en subsidiepercentages

§ 6. Verdeling van de gelden en rangschikkingscriteria

§ 7. Aanwijzing uitvoeringsinstantie

§ 8. Indiening van aanvragen

§ 9. Voorschotten

§ 10. Subsidievaststelling

§ 11. Nadere verplichting

Bijlage A: Aanvraagformulier Subsidieprogramma Proeftuinen duurzame mobiliteit: hybride en elektrisch rijden.

Bijlage B: Controleprotocol aangaande het geven van aanwijzingen over de reikwijdte en intensiteit van de accountantscontrole van subsidies waarop de kaderregeling subsidies duurzaamheid verkeer en waterstaat van toepassing is.

In dit subsidieprogramma wordt verstaan onder:

Het onderhavige subsidieprogramma vloeit voort uit de innovatieagenda energie voor het thema duurzame mobiliteit- getiteld Proeftuinen voor Duurzame Mobiliteit. Dit subsidieprogramma ziet op haalbaarheidsprojecten en op eerste toepassingsprojecten om zodoende de praktijktoepassing van innovaties zo snel mogelijk naar de markt te brengen. Het programma is bestemd voor ondernemers. Decentrale overheden die handelen als ondernemers kunnen een aanvraag indienen. Ook samenwerkingsverbanden kunnen een aanvraag indienen. Bij samenwerkingsverbanden kan een deel of de gehele keten bij het project betrokken raken. Dat zal de meeste leereffecten opleveren.

In deze paragraaf zijn, in aanvulling op de kaderregeling de begrippen omschreven die in het subsidieprogramma voorkomen. Zo nodig wordt in het navolgende per begrip een toelichting gegeven.

Aanvragers zijn beperkt tot ondernemingen. Het begrip onderneming is in artikel 1 van de kaderregeling omschreven en heeft een zeer ruime betekenis: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm en ongeacht de wijze waarop zij wordt gefinancierd, die een economische activiteit uitoefent. Decentrale overheden en andere publiekrechtelijke instellingen en organisaties kunnen ook onderneming in deze zin zijn, voor zover zij een economische activiteit uitoefenen. Zij kunnen een aanvraag indienen indien zij optreden als marktpartijen.

Particulieren, dat wil zeggen natuurlijke personen die niet als onderneming handelen, kunnen geen aanvraag indienen en zijn van subsidieverlening uitgesloten. Hiermee wordt beoogd de niet-professionele ontwikkelaars en bouwers van hybride en elektrische voertuigen uit te sluiten. Opgemerkt zij dat eenmanszaken of vennootschappen onder firma wel een aanvraag kunnen indienen, omdat zij onder de begripsomschrijving van ondernemingen vallen.

Voor de omschrijving van wegvoertuigen is gekozen voor aansluiting bij de begripsbepalingen van bestaande regelgeving, de Wegenverkeerswet 1994, Regeling voertuigen en het RVV 1990. Het subsidieprogramma richt zich op wegvoertuigen met meer dan twee wielen daarom zijn in de omschrijving van bromfietsen de tweewielige wegvoertuigen niet opgenomen. In de begripsbepalingen is niet opgenomen het begrip bussen. Deze vallen niet onder de reikwijdte van het subsidieprogramma.

De kaderregeling kent een ruime begripsomschrijving van een milieu-investeringsproject die is ontleend aan de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming (PB EU 2008, C 82). Artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de kaderregeling maakt het mogelijk om in een subsidieprogramma onderdelen van projecten op te nemen die voor subsidie in aanmerking kunnen komen. Voor het onderhavige subsidieprogramma is de begripsomschrijving van een milieu-investeringsproject nader afgebakend en omschreven als een eerste toepassingsproject. Een eerste toepassingsproject is een project gericht op energiebesparing en moet als resultaat hebben dat de betreffende wegvoertuigen worden toegepast in een operationele praktijkomgeving.

Ook een haalbaarheidsproject is ten opzichte van de begripsomschrijving van de kaderregeling nader afgebakend en is gericht op het tot stand brengen van een rapport inzake de haalbaarheid van een eerste toepassingsproject in de zin van dit subsidieprogramma op basis van het beproeven van in de omschrijving genoemde nieuw ontwikkelde wegvoertuigen in een operationele praktijkomgeving. Een uitsluitend schriftelijke haalbaarheidsstudie is dus geen haalbaarheidsproject in de zin van dit subsidieprogramma. Uit de proefnemingen met de voertuigen kan blijken dat verdere product- of procesontwikkeling nodig is.

In deze paragraaf zijn de projecten opgenomen waarvoor subsidie kan worden gevraagd. Voor alle projecten geldt dat een project betrekking moet hebben op minimaal drie wegvoertuigen. Dit wordt geacht de minimum projectomvang te zijn op basis waarvan het project nog zinvolle resultaten kan genereren, ook voor andere potentiële gebruikers van hybride elektrische of elektrische voertuigen.

Het is de bedoeling dat in een haalbaarheidsproject de wegvoertuigen ter beschikking worden gesteld voor beproeving in een operationele praktijkomgeving. De wegvoertuigen worden in het kader van een haalbaarheidsproject niet door de subsidieontvanger, zijnde eindgebruiker aangeschaft om in de betreffende praktijksituatie operationeel te blijven.

Een eerste toepassingsproject moet ertoe leiden dat wegvoertuigen worden toegepast in een operationele praktijkomgeving. Bij dit project worden de voertuigen, zoals aangegeven in de begripsomschrijving, door de subsidieontvanger, zijnde eindgebruiker aangeschaft om in de betreffende praktijksituatie operationeel te blijven.

In een combinatieproject zullen de wegvoertuigen in eerste instantie worden beproefd en vervolgens aangeschaft om in de betreffende praktijkomgeving operationeel te blijven. Een combinatieproject is mogelijk, wanneer de vervolginvesteringen op basis van de voorziene resultaten van het onderdeel haalbaarheidsproject deel uitmaken van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Dit kan met zich mee brengen dat als de resultaten van het onderdeel haalbaarheidsproject relevant anders uitvallen dan voorzien, het wenselijk zal zijn het onderdeel eerste toepassingsproject van het combinatieproject te wijzigen of stop te zetten. Hiertoe zal dan op grond van artikel 35, tweede lid, van de kaderregeling een verzoek tot ontheffing van de verplichting het project overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening uit te voeren moeten worden ingediend.

De keuze van het soort project (haalbaarheidsproject of eerste toepassingsproject of combinatieproject) is, mede afhankelijk van de vraag of de wegvoertuigen ter beschikking worden gesteld door voertuigproducenten voor een (nadere) beproeving in de dagelijkse praktijk (haalbaarheidsproject) of dat de wegvoertuigen worden aangeschaft door eindgebruikers die de betreffende voertuigen in een operationele praktijkomgeving toe gaan passen (eerste toepassingsproject) of een combinatie van beide elementen (combinatieproject).

Bij de keuze van de in aanmerking komende wegvoertuigen is gestreefd naar zo breed mogelijke toepassingsmogelijkheden zoals ook al blijkt uit de begripsomschrijvingen. Een combinatie van verschillende wegvoertuigen in één project is ook mogelijk. Bussen zijn niet in de begripsbepalingen opgenomen en vallen ook niet onder subsidiabele projecten. Een wegvoertuig moet in gevolge de Wegenverkeerswet 1994 zijn toegelaten voor het verkeer op de weg om als wegvoertuig in de zin van dit subsidieprogramma te kunnen worden aangemerkt. Wegvoertuigen die niet zijn toegelaten op de weg dragen immers onvoldoende bij aan de mogelijkheden van het toepassen van hybride en elektrisch rijden op grotere schaal.

Verder geldt dat de aanvraag de voor het project benodigde elektrische oplaadpunten moet bevatten. Immers zonder elektrische oplaadpunten kunnen de wegvoertuigen niet rijden. Vereist is dat met deze oplaadpunten met duurzaam opgewekte elektriciteit wordt geladen. Aan deze eis kan worden voldaan door bijvoorbeeld de stroomvoorziening van de oplaadpunten te laten geschieden door middel van een groene-stroomcontract met een elektriciteitsleverancier. Het onderstreept het duurzaamheidskarakter van het subsidieprogramma.

Indien het gewenst of noodzakelijk is dat een elektriciteitsleverancier of decentrale overheid bij de uitvoering van het project is betrokken, dient de aanvraag de wijze te bevatten waarop daarin is voorzien. Betrokkenheid kan gewenst of noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld met het oog op kwaliteitseisen die aan elektrische installaties worden gesteld of benodigde vergunningen voor infrastructuur. Indien de elektriciteitsleverancier of de decentrale overheid als aanvrager onderdeel uitmaakt van een samenwerkingsverband van aanvragers blijkt hun rol uit de aanvraag en is een aparte vermelding vaak niet noodzakelijk. Uiteraard moet dan wel blijken dat ook dan aan de eventueel vereiste vergunningen is voldaan.

Voorbeelden van projecten die onder de reikwijdte van dit subsidieprogramma kunnen vallen zijn opgenomen op www.senternovem.nl/proeftuinen.

Een aanvraag wordt, op grond van artikel 34, eerste lid, onderdeel a, afgewezen als die niet voldoet aan het bepaalde in de kaderregeling en dit subsidieprogramma. Verder moet ten tijde van de aanvraag voldoende aannemelijk zijn dat het project vóór 1 januari 2013 kan worden afgerond. In de beschikking tot subsidieverlening zal het tijdstip waarop het project moet zijn voltooid worden opgenomen (artikel 35 kaderregeling).

In artikel 34 van de kaderreling zijn nog meer weigeringsgronden opgenomen. Zo wordt een aanvraag afgewezen, indien de minister aanwijzingen heeft dat de aanvrager het project onvoldoende kan financieren. Voor de beoordeling van de haalbaarheid van de financiering wordt gekeken naar de eigen middelen die de aanvrager kan inzetten en naar de middelen waarvan de aanvrager aantoont dat derden die ter beschikking zullen stellen. Daarnaast wordt het bedrag van de aangevraagde subsidie meegenomen in de beoordeling. Voorts wordt de subsidie geweigerd indien de minister aanwijzingen heeft dat de technische, organisatorische of economische haalbaarheid van het project onvoldoende is. Tenslotte mogen de werkzaamheden voor het project niet zijn begonnen voor het indienen van de subsidieaanvraag. Voor die tijd mogen ook nog geen verplichtingen ten behoeve van het project zijn aangegaan. Artikel 34, eerste lid, onderdeel d van de kaderregeling biedt ruimte om een uitzondering te maken voor verplichtingen die worden aangegaan onder de ontbindende voorwaarde dat de subsidie wordt verleend. Deze voorwaarde moet zodanig zijn opgenomen, dat als de subsidie niet wordt verleend, partijen op geen enkele wijze, direct noch indirect, aan de betreffende overeengekomen verplichtingen zijn gebonden.

Ook mag ten aanzien van de subsidieontvanger geen uitstaand bevel tot terugvordering van staatssteun bestaan op grond van een eerdere beschikking van de Europese Commissie. Daarnaast zijn ook de weigeringsgronden van artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zo wordt de subsidie in ieder geval geweigerd indien er gegronde verwachting bestaat dat de activiteiten niet zullen plaatsvinden, dat niet aan de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen zal worden voldaan, dat niet op behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal worden afgelegd en bij onjuiste of onvolledige gegevensverstrekking, indien dat geleid zou hebben tot een onjuiste beschikking, en in het geval van faillissement, surseance van betaling, of indien daartoe een verzoek bij de rechtbank is ingediend.

De weigeringsgrond van het eerste lid houdt verband met eisen die in de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming aan grote ondernemingen voor milieusteun worden gesteld. Er moet een stimulerend effect zijn vastgesteld voordat milieusteun aan grote ondernemingen toelaatbaar is. Dit lid bepaalt hoe dit stimulerend effect kan worden vastgesteld.

De weigeringsgrond in het derde lid houdt verband met eisen die in de Algemene groepsvrijstelling aan steun aan grote ondernemingen worden gesteld. Er moet een stimulerend effect zijn vastgesteld voordat steun aan grote ondernemingen toelaatbaar is. Het derde lid geeft aan hoe dit stimulerend effect kan worden vastgesteld.

Het subsidieplafond bedraagt € 10.000.000,–.

In deze paragraaf zijn de maximale subsidiepercentages en subsidiebedragen opgenomen. In de kaderregeling zijn verschillende subsidiepercentages opgenomen voor een milieu-haalbaarheidsproject en een milieu-investeringsproject gericht op energiebesparing. Voorts verschillen de subsidiepercentages al naar gelang de aanvrager een kleine, een middelgrote of een grote onderneming is. Zie voor het begrip onderneming de toelichting op paragraaf 1 en voor het onderscheid tussen kleine, grote en middelgrote onderneming de Verordening (EG) 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (Pb EU 2008, L214). In de toelichting op artikel 1 van de kaderregeling is dit nader toegelicht. Een handzaam overzicht daarvan is te vinden op www.senternovem.nl/proeftuinen.

In geval van een combinatieproject dient de subsidie van de onderdelen van het combinatieproject apart te worden bepaald alvorens de subsidie voor het combinatieproject als geheel kan worden bepaald. Dit betekent dat in de aanvraag voor een combinatieproject het activiteitenplan (projectbeschrijving) en de begroting van de onderdelen van het combinatieproject duidelijk van elkaar worden onderscheiden.

In geval van een samenwerkingsverband dienen in de aanvraag de door de verschillende aanvragers van het samenwerkingsverband te maken kosten afzonderlijk te worden vermeld. Hetzelfde geldt bij het verzoek om subsidievaststelling nadat het project is uitgevoerd (zie ook paragraaf 10).

Voor eerste toepassingsprojecten gelden de subsidiabele kosten als bepaald in artikel 18 van de kaderregeling. Uiteraard geldt dat ook als het eerste toepassingsproject onderdeel uitmaakt van een combinatieproject. Het tweede lid van artikel 18 bepaalt, dat de subsidiabele kosten alleen de extra investeringskosten zijn die noodzakelijk zijn om de met het project beoogde energiebesparing te behalen die noodzakelijk zijn om de met het project beoogde energiebesparingen te behalen die de communautaire normen overtreffen, dan wel- indien er geen normen zijn- de investeringskosten die noodzakelijk zijn om een investeringsniveau te bereiken dat hoger is dan het niveau dat zonder enige subsidie zou zijn bereikt. Dit brengt met zich mee, tenzij deze extra investeringskosten gemakkelijk zijn aan te wijzen, dat de investeringskosten van het project vergeleken moeten worden met de investeringskosten van een referentiesituatie.

De in aanmerking komende subsidiabele kosten van een milieu-investeringsproject van een onderneming worden in twee fasen bepaald. In de eerste fase worden de extra investeringskosten voor het bereiken van de energiebesparing bepaald. Indien de extra investeringskosten niet gemakkelijk kunnen worden vastgesteld, dient dit te gebeuren door middel van een vergelijking met een referentiesituatie. De referentiesituatie is een technische vergelijkbare investering die een lager niveau van milieubescherming biedt, die overeenstemt met de voorgeschreven communautaire normen, waarvan aannemelijk is dat zij zonder subsidie zou worden uitgevoerd en die uit zakelijk oogpunt een geloofwaardig alternatief is voor de met het project beoogde investering.

In de tweede fase worden op grond van artikel 18, zevende lid, van de kaderregeling voor een kleine of middelgrote onderneming de extra exploitatiebaten en -lasten berekend die betrekking hebben op de extra investering gedurende de eerste drie jaar van de investering. Voor een grote onderneming die deelneemt aan het EU-systeem inzake CO2-emissiehandel is dat de eerste vier jaar van de exploitatie en voor een grote onderneming die daar niet aan deelneemt vijf jaar. Een positief saldo moet van de subsidiabele investeringskosten worden afgetrokken, een negatief saldo mag bij de subsidiabele investeringskosten worden opgeteld. Overigens mogen extra afschrijvingskosten en extra financieringskosten en rentevergoedingen niet worden meegenomen in de exploitatiekostenberekening. Financieringskosten en rentevergoedingen komen niet voor subsidie in aanmerking op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel b, van de kaderregeling. Door deze kosten wel in de exploitatiekostenberekening mee te nemen, zouden deze indirect alsnog subsidiabel worden gemaakt. Voor afschrijvingskosten geldt dat deze in feite investeringskosten zijn. Door de afschrijvingskosten in de exploitatiekostenberekening mee te nemen, zouden de investeringskosten voor dat deel indirect dubbel worden gesubsidieerd.

Indien de extra investeringskosten niet gemakkelijk zijn te bepalen en deze ook niet aan de hand van een referentiesituatie kunnen worden bepaald, kunnen er geen subsidiabele kosten worden bepaald en kan er ook geen subsidie worden verstrekt.

De aanvrager dient de referentiesituatie en het exploitatiesaldo aannemelijk te maken. Op het aanvraagformulier zijn daarover vragen opgenomen. Voor wat betreft de aanschaf van hybride of elektrische wegvoertuigen is de referentiesituatie de aanschaf van vergelijkbare wegvoertuigen die traditionele brandstoffen (benzine of minerale diesel) als motorbrandstof gebruiken, derhalve moderne standaard wegvoertuigen.

Ter illustratie van het voorgaande een voorbeeld. Een aanvrager schaft 10 plug-in hybride elektrische personenauto’s aan. Stel, de meerprijs van een plug-in hybride personenauto bedraagt € 8.000,– in vergelijking met een moderne standaard personenauto. De extra investeringskosten voor de personenauto’s bedragen daarmee € 80.000,–. Voorts investeert de onderneming in elektrische oplaadpunten voor een bedrag van € 10.000,–. Deze kosten zijn gemakkelijk te identificeren als de noodzakelijke extra kosten ter verwezenlijking van de milieudoelstelling (energiebesparing). Immers, zonder elektrische oplaadpunten kunnen de elektrische auto’s niet rijden. De kosten van de elektrische oplaadpunten zijn daarmee volledig subsidiabel. Op basis van de investeringskosten in de auto’s en de oplaadpunten bedragen de subsidiabel kosten derhalve in totaal € 90.000,–. Als de aanvrager aannemelijk maakt dat gedurende de eerste drie jaar van de exploitatie een exploitatiekostennadeel bestaat in vergelijking met de referentiesituatie, dan mag dit exploitatiekostennadeel bij de subsidiabele kosten worden opgeteld. Of er een exploitatiekostennadeel bestaat is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Uiteraard dient de besparing op traditionele brandstoffen in de berekening te worden meegenomen. Er kan per saldo derhalve ook een exploitatievoordeel ontstaan, dat van de subsidiabele kosten moet worden afgetrokken.

In dit subsidieprogramma is gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de beslissing op de aanvragen te nemen op basis van rangschikking, zoals bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de kaderregeling. Daartoe worden de aanvragen voor advies doorgestuurd aan de adviescommissie duurzame mobiliteit als bedoeld in artikel 30 van de kaderregeling. De adviescommissie stelt een advies op binnen acht weken na het verzoek om advies en geeft de rangorde van de projecten aan (zie artikel 31 van de kaderregeling). De minister kan ingevolge de artikelen 3:49 en 3:50 van de Algemene wet bestuursrecht in de beschikking tot subsidieverlening volstaan met een verwijzing naar het advies, indien het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven, dan wel gemotiveerd afwijken van het advies van de commissie.

De adviescommissie kan op basis van de in het tweede lid genoemde criteria een negatief advies geven over een aanvraag voor een project. Het project moet uiteraard binnen de doelstelling van het programma, zoals omschreven in de toelichting op het besluit, passen. Bij een negatief advies komt het project niet voor subsidie in aanmerking en de aanvraag zal worden afgewezen.

De aanvragen voor projecten waarover de adviescommissie geen negatief advies heeft gegeven, worden door de adviescommissie gerangschikt op basis van de rangschikkingscriteria genoemd in het vierde lid.

Er vindt één rangschikking plaats van alle projecten gezamenlijk. De nadruk van het subsidieprogramma ligt op het laten rijden van hybride elektrische en elektrische wegvoertuigen in de dagelijkse praktijk. In haalbaarheidsprojecten worden de wegvoertuigen in een operationele praktijksituatie beproefd, in een eerste toepassingsproject worden de wegvoertuigen in een operationele praktijksituatie toegepast en in gebruik genomen. In een combinatieproject gebeurt beide. Er is daarom inhoudelijk onvoldoende verschil tussen de verschillende projecten om deze afzonderlijk te rangschikken.

Bij het criterium ten aanzien van de bijdrage aan publieke kennis en publieke inzichten wordt beoordeeld in welke mate ook andere potentiële investeerders en andere private en publieke partijen hun voordeel kunnen doen met de kennis en de inzichten die in het project worden verworven. In de aanvragen dient dan ook duidelijk gemaakt te worden op welke wijze in kennisoverdracht wordt voorzien. Indien van toepassing dient daarbij te worden aangegeven of, en zo ja, welke beperkingen aan kennisoverdracht en gebruiksrechten worden gesteld.

Bij het criterium ten aanzien van de samenhang van technologie, infrastructuur, regelgeving en organisatie van mobiliteit wordt aan de hand van deze aspecten beoordeeld wat het bredere leereffect van het project is, naast het leereffect van het beproeven van de technologie als zodanig. Dat komt niet alleen tot uitdrukking in de inhoudelijke aanpak van het project, maar ook in de samenwerkingsvorm. Samenwerking tussen partijen met verschillende oogmerken geeft meer inzichten. Aanvragen die in een samenwerkingsverband van aanvragers worden uitgevoerd, worden daarom hoger gewaardeerd dan aanvragen die door een enkele aanvrager worden uitgevoerd. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat uitbesteding aan derden in dit verband niet als samenwerking geldt, ook niet als die relatie een intensieve samenwerking impliceert. Het gaat om partijen die als aanvragers bij het project betrokken zijn en in die hoedanigheid een samenwerkingsverband vormen.

Bij het criterium ten aanzien van de potentiële spin-off worden het herhalingspotentieel van het project en de opschalingsmogelijkheden van het project zelf beoordeeld. Hoe groter het herhalingspotentieel en de opschalingsmogelijkheden, hoe groter de potentiële energiebesparing en emissiebeperking die het project kan genereren. Daarbij is tevens van belang de mate waarin het project potentieel bijdraagt aan vervanging van wegvoertuigen met een traditionele verbrandingsmotor. Projecten waarvan de wegvoertuigen dienen als vervanging voor traditionele voertuigen scoren hoger dan projecten die ook of uitsluitend extra wegvoertuigen aan het bestaande arsenaal van wegvoertuigen toevoegen.

Het criterium ten aanzien van de bijdrage aan de acceptatiegraad van hybride of elektrisch rijden is opgenomen, omdat te hoge verwachtingspatronen of te kort schietende voorlichting of ondersteuning een negatieve beeldvorming opleveren. Daarmee wordt het risico verhoogd dat de acceptatiegraad van de toegepaste technologie ongunstig wordt beïnvloed. In de aanvragen dient duidelijk te worden gemaakt welke maatregelen worden genomen die bijdragen aan een zo hoog mogelijke acceptatiegraad.

Als uitvoeringsinstantie als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel l, van de kaderregeling wordt aangewezen Dienst Uitvoering, onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken.

Dienst Uitvoering, een onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken, is de opvolger van het agentschap SenterNovem van datzelfde ministerie. Tot het definitief opgaan van de Dienst Uitvoering in een per 1 januari 2010 nieuw te vormen agentschap, blijft de uitvoeringsinstantie uit praktisch oogpunt de naam SenterNovem op de website en in email-verkeer hanteren.

Een aanvraag moet zijn ontvangen uiterlijk op 23 december 2009 om 12.00 uur. Aanvragen die daarna worden ontvangen, worden afgewezen. Een tijdig ingediende aanvraag zal pas in behandeling worden genomen als deze voldoet aan alle vereisten en voldoende gegevens bevat om de aanvraag te kunnen beoordelen. In geval van een onvolledige aanvraag zal slechts eenmalig een korte termijn worden gegund om de aanvraag aan te vullen. Is de aanvraag daarna nog steeds incompleet, dan zal de aanvraag niet in behandeling worden genomen.

Een per telefax of e-mail ingediende aanvraag geldt altijd als een incomplete aanvraag, omdat een originele handtekening ontbreekt, ook al is de aanvraag voor het overige misschien compleet. Met het indienen van een aanvraag per telefax of per e-mail kan derhalve alleen worden bereikt dat een aanvraag, zij het onvolledig, nog op tijd bij Dienst Uitvoering wordt ontvangen. De tijdige ontvangst van een per telefax of e-mail ingediende aanvraag kan door Dienst Uitvoering echter niet worden gegarandeerd en komt voor rekening en risico van de aanvrager.

Het postadres van Dienst Uitvoering (voorheen SenterNovem) te Utrecht is:

Dienst Uitvoering

Afdeling Mobiliteit en Klimaat

Postbus 8242

3503 RE Utrecht

E-mail: proeftuinen@senternovem.nl

Fax: 030-231 6491

Informatie over het subsidieprogramma is te vinden op www.senternovem.nl/proeftuinen waar ook het aanvraagformulier kan worden gedownload. Nadere informatie over het subsidieprogramma en het aanvraagformulier zijn ook bij Dienst Uitvoering te verkrijgen (telefoonnummer 030-239 3601).

Aanvragen kunnen ook worden ingediend door een samenwerkingsverband. Een samenwerkingsverband kent een penvoerder die mede namens de andere deelnemers van het samenwerkingsverband optreedt en de subsidie ook mede voor de andere aanvragers ontvangt. De formele subsidierelatie ontstaat na subsidieverlening echter met alle leden van het samenwerkingsverband. In zoverre is elke deelnemer van het samenwerkingsverband een aanvrager. De aanvragers van het samenwerkingsverband ontvangen elk subsidie voor de door hen gemaakte en betaalde kosten in verband met de uitvoering van het betreffende project. De aanvragers van het samenwerkingsverband die niet investeren in voertuigen of andere hardware, zullen alleen subsidie kunnen ontvangen voor de kosten in verband met de uitvoering van een haalbaarheidsproject, al dan niet als onderdeel van een combinatieproject.

Een dergelijke aanvraag heeft meerwaarde omdat een project de grootste kans van slagen heeft en ook de meeste leereffecten genereert als de gehele keten in het samenwerkingsverband is vertegenwoordigd, zowel aanbod als vraagzijde en de elektriciteitslevering. Een aanvraag ingediend door een samenwerkingsverband zal in de rangschikking daarom hoger gewaardeerd worden (zie paragraaf 6, vijfde lid, onderdeel b,).

Voorschotten worden verstrekt overeenkomstig het bepaalde in artikel 44 van de kaderregeling. Een aanvraag voor een voorschot kan worden ingediend bij Dienst Uitvoering met behulp van het voorschotformulier dat bij Dienst Uitvoering verkrijgbaar is.

Op grond van artikel 44 van de kaderregeling kunnen voorschotten worden verstrekt. Van deze mogelijkheid wordt voor dit subsidieprogramma gebruik gemaakt. Voorschotten worden op aanvraag verstrekt tot maximaal 80% van het verleende subsidiebedrag en de aanvraag moet worden vergezeld van een halfjaarlijkse voortgangsrapportage. Voorschotten worden verstrekt over de tot de periode van de tussenrapportage gemaakte en, indien de aard van de kosten met zich meebrengt dat zij kunnen worden betaald, betaalde kosten. In die zin is er geen sprake van een voorschot in letterlijke zin, maar van een voorschot op de vaststelling van de subsidie. Een uitzondering wordt in artikel 44, vierde lid, van de kaderregeling gemaakt voor MKB-ondernemingen, die bij subsidieverlening een ambtshalve voorschot krijgen van maximaal 50% van het verleende subsidiebedrag tot een maximum van € 50.000,–. Dit ambtshalve voorschot wordt verstrekt over de projectkosten die tot de eerste tussenrapportage zijn begroot naar rato van de totale projectkosten.

Het voorschotformulier kan worden gedownload van de website van Dienst Uitvoering, voorheen SenterNovem via www.senternovem.nl/proeftuinen.

Wanneer het project is afgerond moet op grond van artikel 45 van de kaderregeling binnen dertien weken daarna een vaststellingsverzoek worden ingediend. Dat moet middels een vastellingsformulier dat bij Dienst Uitvoering verkrijgbaar is of te downloaden is via www.senternovem.nl/proeftuinen.

Een haalbaarheidsproject is afgerond na oplevering van het rapport, een eerste toepassingsproject is afgerond nadat de voertuigen in een operationele praktijkomgeving in gebruik zijn genomen. Een combinatieproject is afgerond nadat beide projecten zijn afgerond. Dit volgt uit de projectomschrijvingen als vermeld in paragraaf 1. Eerder kan geen aanvraag tot subsidievaststelling worden ingediend.

Artikel 45, derde lid, van de kaderregeling bepaalt dat bij het vaststellingsverzoek een accountantsverklaring wordt overgelegd, indien het bedrag waarvoor subsidievaststelling wordt verzocht € 50.000,– of meer bedraagt. Het controleprotocol is opgenomen in bijlage B. In geval van een samenwerkingsverband geldt dit drempelbedrag niet voor het totale subsidiebedrag waarvoor vaststelling wordt verzocht van alle aanvragers van het samenwerkingsverband tezamen, maar voor het subsidiebedrag waarvoor per aanvrager van het samenwerkingsverband om vaststelling wordt verzocht. Elke aanvrager van het samenwerkingsverband is een aanvrager voor wie het drempelbedrag van € 50.000,– geldt. Om dit drempelbedrag per aanvrager van het samenwerkingsverband te kunnen bepalen, is wel vereist dat het vaststellingsverzoek de gevraagde subsidiebedragen per aanvrager van het samenwerkingsverband duidelijk onderscheidt.

Voorbeeld: een samenwerkingsverband van vier aanvragers verzoekt om subsidievaststelling, waarbij het voor aanvrager A gaat om een subsidiebedrag waarvoor vaststelling wordt gevraagd van € 23.000,–, voor aanvrager B € 49.000,–, voor aanvrager C € 50.000,– en voor aanvrager D € 77.000,–. Aanvragers A en B hoeven geen accountantsverklaring over te leggen voor de door hen gevraagde subsidie, omdat het subsidiebedrag waarvoor elk van beiden om vaststelling verzoekt lager is dan € 50.000,–. Aanvragers C en D moeten wel een accountantsverklaring overleggen voor de door hen gevraagde subsidie, omdat het subsidiebedrag waarvoor elk van beiden om vaststelling verzoekt € 50.000,– of meer bedraagt. Wel dienen A en B de door hen gemaakte en betaalde kosten op andere wijze te verantwoorden. Voor aanschafkosten en kosten van derden zal dat kunnen geschieden door bij het verzoek tot subsidievaststelling facturen en betaalbewijzen van de betreffende kosten over te leggen.

In het tweede lid van artikel 38 van de kaderregeling wordt bepaald dat de subsidieontvanger medewerking verleent aan een door of vanwege de minister ter zake van de toepassing en de effecten van een subsidieprogramma ingesteld evaluatieonderzoek. De in deze paragraaf geformuleerde verplichting is hiervan een uitwerking voor de subsidieontvanger van een eerste toepassingsproject of een combinatieproject. De aard van een haalbaarheidproject brengt met zich mee dat deze verplichting voor dat project niet geldt. De genoemde aspecten komen wel aan bod in het op te leveren haalbaarheidsrapport.

Voorts zal naar verwachting gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid genoemd in het eerste lid van artikel 38 van de kaderregeling. Daarin wordt bepaald dat de subsidieontvanger op verzoek van de minister medewerking verleent aan de openbaarmaking van de gegevens en de resultaten van het project.

Aanbevolen wordt om alvorens het formulier in te vullen eerste de toelichting van dit formulier te lezen

Met dit aanvraagformulier kunt u een aanvraag voor subsidie indienen voor het Subsidieprogramma Proeftuinen duurzame mobiliteit: hybride en elektrisch rijden. De voor subsidie in aanmerking komende projecten zijn:

De begripsomschrijvingen van deze projecten zijn opgenomen in paragraaf 1 van het subsidieprogramma.

Als u al met het project bent gestart, heeft het geen zin om een subsidieaanvraag in te dienen. In dat geval kan voor het project geen subsidie worden verleend en wordt de aanvraag dus afgewezen. Gestart betekent dat u al met de projectwerkzaamheden bent begonnen of ten behoeve van het project al verplichtingen bent aangegaan.

Aandachtspunten bij het indienen van een aanvraag:

Uw subsidieaanvraag moet bij Dienst Uitvoering ingediend op 17 december 2009 om 12.00 uur. Te laat ontvangen aanvragen worden afgewezen. Een aanvraag bestaat uit een volledig ingevuld aanvraagformulier met een originele handtekening van de aanvrager of diens gemachtigde, en alle bijbehorende bijlagen.

Stuur uw aanvraag schriftelijk en in tweevoud naar:

Dienst Uitvoering (voorheen SenterNovem)

t.a.v. de afdeling Mobiliteit en Klimaat

Postbus 8242

3503 RE UTRECHT

U kunt de aanvraag ook bij de balie van Dienst Uitvoering (laten) inleveren op het volgende adres:

Catharijnesingel 59

3511 GG UTRECHT

Een complete subsidieaanvraag bestaat uit:

In geval van een samenwerkingsverband van aanvragers dienen deze gegevens voor elke aanvrager afzonderlijk uit de financiële gegevens te blijken.

Een onafhankelijke adviescommissie beoordeelt uw aanvraag. De adviescommissie ziet alleen de door u op papier gezette informatie, aangevuld met een analyse van Dienst Uitvoering. De kwaliteit van uw projectvoorstel is daarom van groot belang.

Een digitale versie van het aanvraagformulier kunt u vinden op de website van Dienst Uitvoering (voorheen SenterNovem): www.senternovem.nl/proeftuinen

De projecten worden gerangschikt op basis van de criteria opgenomen in paragraaf 6 van het subsidieprogramma.

Houd rekening met het volgende: Indien voor uw aanvraag subsidie wordt toegekend én u maakt tegelijkertijd gebruik van fiscale stimuleringsregelingen zoals MIA/VAMIL of EIA ten behoeve van (een gedeelte van) dit project, zal na afloop van het project slechts een zodanig bedrag aan subsidie worden vastgesteld dat het totaal van de subsidie en uw fiscaal ontvangen voordelen niet meer bedraagt dan het maximaal toegestane percentage van de totale subsidiabele projectkosten volgens dit subsidieprogramma.

Indien u vragen heeft ten aanzien van het invullen van het aanvraagformulier kunt u te allen tijden contact opnemen met een adviseur van Dienst Uitvoering.

Voordat u dit aanvraagformulier invult:

Bent u al gestart met het project vóór het indienen van deze subsidieaanvraag?

Gestart betekent dat u al met de projectwerkzaamheden bent begonnen of ten behoeve van het project al verplichtingen bent aangegaan. In dat geval kan voor het project geen subsidie worden verleend en wordt de aanvraag volledig afgewezen. Het verder invullen van het aanvraagformulier heeft dan geen zin.

□ nee, vul het aanvraagformulier verder in.

In geval van een samenwerkingsverband van twee of meer aanvragers treedt de aanvrager/penvoerder als vermeld in onderdeel B als penvoerder van het samenwerkingsverband op. De penvoerder vertegenwoordigt de andere aanvrager(s) van het samenwerkingsverband. De gegevens van de andere aanvrager(s) dient u hieronder vermelden. Indien het samenwerkingsverband uit meer dan twee aanvragers bestaat, dient u deze en de volgende bladzijde zo vaak als nodig is te kopiëren, in te vullen en met de aanvraag mee te sturen.

Let op! De andere aanvrager(s) van het samenwerkingsverband zijn verplicht de penvoerder van het samenwerkingsverband te machtigen om de subsidie mede namens hen aan te vragen, de correspondentie te voeren en ook de subsidie mede namens hen te ontvangen. De machtiging(en) dient/dienen bij de aanvraag te worden gevoegd.

Dit onderdeel hoeft u alleen in te vullen indien u zich als aanvrager / penvoerder door een derde laat vertegenwoordigen, bijvoorbeeld een tussenpersoon of intermediair. Voeg in dat geval een machtiging aan deze vertegenwoordiger toe, waaruit blijkt dat deze gemachtigd is om namens u de subsidieaanvraag in te dienen en de correspondentie te voeren en (eventueel) de subsidie te ontvangen. Een voorbeeldmachtiging kunt u vinden op de website van Dienst Uitvoering www.senternovem.nl/proeftuinen

Let op! De machtiging moet bij de aanvraag worden gevoegd.

Aldus naar waarheid ingevuld,

Naam ondertekenaar .....

Functie .....

Plaats .....

Datum .....

Handtekening .....

Als dit formulier wordt ondertekend door een ander dan de aanvrager moet een machtiging worden toegevoegd.

Geef een beschrijving van het project en voeg deze aan het aanvraagformulier toe. Volg voor de projectbeschrijving onderstaande elementen van het project.

De door u op te stellen projectbeschrijving moet de volgende elementen bevatten:

In de projectbeschrijving dient expliciet aangegeven te zijn:

Bij het aanduiden van de referentiesituatie dient duidelijk te worden gemaakt wat de praktijksituatie zou zijn indien u niet de elektrische voertuigen of plug-in hybride elektrische voertuigen zou gebruiken maar b.v. voertuigen met een conventionele aandrijving. De nieuwe praktijksituatie moet worden vergeleken met de referentiesituatie.

Financiële gegevens bestaan uit:

Deel 3a: berekening subsidiabele projectkosten en subsidiebedrag voor een haalbaarheidsproject

Deel 3b: berekening subsidiabele projectkosten en subsidiebedrag voor een eerste toepassingsproject;

Deel 3c: berekening extra besparingen/opbrengsten en extra kosten in de eerste drie, vier of vijf jaar van de exploitatie voor een eerste toepassingsproject

Deel 3d: onderbouwing van de projectkosten en een onderbouwing van de kosten van de referentiesituatie voor een eerste toepassingsproject

Deel 3e: de toets voor ondernemingsgrootte (door elke deelnemer in het project afzonderlijk in te vullen).

Voor het invullen van de delen 3a , 3b, 3c en 3d is een Excelbestand beschikbaar. Het Excelbestand vindt u onder ‘Formulieren’ op de webpagina van www.senternovem.nl/proeftuinen.

In de tekst van het subsidieprogramma treft u aan welk percentage subsidie per type project en per categorie onderneming maximaal aangevraagd kan worden. Welk percentage voor u van toepassing is, kunt u invullen en onderbouwen in deel 3a en deel 3b.

De onderbouwing van de projectkosten moet aansluiten op de informatie die u invult in deel 3a (haalbaarheidsproject), 3b en 3c (eerste toepassingsproject) en op de projectbeschrijving zoals u die heeft gegeven in deel 2. Geef een toelichting op deel 3a, respectievelijk op 3b en 3c waarbij de onderstaande onderwerpen aan de orde moeten komen. Uit de informatie moet duidelijk naar voren komen waarop de financiële waarden en uitgangspunten binnen uw projectvoorstel zijn gebaseerd.

Let op: in geval van een samenwerkingsverband moet uit de financiële onderbouwingen duidelijk blijken welke aanvrager welke kosten maakt én betaalt.

Pdf-bestand invoegen.

Op de website www.senternovem.nl/proeftuinen vindt u een hulpmiddel om de categorie ondernemingsgrootte te bepalen.

Voor de toets voor de ondernemingsgrootte wordt gebruik gemaakt van de criteria zoals deze zijn vastgelegd in de Verordening (EG) 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard. (Pb EU 2008, L 214).

Controleprotocol aangaande het geven van aanwijzingen over de reikwijdte en intensiteit van de accountantscontrole van subsidies waarop de Kaderregeling subsidies duurzaamheid Verkeer en Waterstaat van toepassing is.

behorende bij

Betreffende het verzoek tot vaststelling van een subsidie uit hoofde van het Subsidieprogramma Proeftuinen duurzame mobiliteit: hybride en elektrisch rijden

Voorbeeldtekst basis goedkeurende accountantsverklaring bij een subsidiedeclaratie waarop de Kaderregeling subsidies duurzaamheid verkeer en waterstaat van toepassing is.

Aan: Opdrachtgever

Accountantsverklaring bij een aanvraag tot subsidievaststelling ingevolge het Subsidieprogramma Proeftuinen duurzame mobiliteit: hybride en elektrisch rijden waarop de Kaderregeling subsidies duurzaamheid verkeer en waterstaat van toepassing is.

Afgegeven ten behoeve van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Dit controleprotocol heeft als doel het geven van aanwijzingen omtrent de reikwijdte en de intensiteit van de controle aan de accountant, die is belast met de controle van de, door de subsidieontvanger, bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (hierna te noemen VenW) in te dienen aanvraag om subsidievaststelling.

De controle kan worden uitgevoerd door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

De Departementale Auditdienst van het Ministerie van Verkeer van Waterstaat of een andere door deze dienst aangewezen accountant(s)dienst) kan een review uitvoeren op de uitgevoerde accountantscontrole inzake deze subsidie. De accountant, die de controle uitvoert, verstrekt de Auditdienst desgevraagd alle inlichtingen en bescheiden6 . De eventuele extra kosten van deze accountant in verband met de review zijn niet voor rekening van het ministerie.

Voor de controle van de rechtmatigheid volgens dit protocolis de volgende wet- en regelgeving (incl. eventuele wijzigingen) van toepassing:

Kaderregeling subsidies duurzaamheid verkeer en waterstaat en daarbinnen met name de artikelen 11 tot en met 24;

Het subsidieprogramma op basis waarvan de subsidie verleend is;

Eventuele specifieke subsidievoorwaarden volgens de beschikking tot subsidieverlening met directe financiële gevolgen voor de subsidieverantwoording;

De controle dient te voldoen aan de zogenaamde nadere voorschriften Controle- en overige standaarden (NV COS), die daarvoor door het Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants (NIVRA) zijn vastgesteld.

Zonder de in voorgaande alinea geformuleerde voorschriften in te perken zijn voor de controle van specifieke financiële verantwoordingen ten behoeve van de vaststelling van bijdragen vanuit het Ministerie van VenW met name de volgende voorgeschreven controlewerkzaamheden van toepassing:

De accountant stelt een risicoanalyse op inzake het risico dat de specifieke financiële verantwoording een materiële fout bevat. Deze risicoanalyse wordt specifiek gemaakt voor deze controle; niet volstaan kan worden met een standaard analyse. In de risicoanalyse maakt de accountant zichtbaar welke (eventuele aanvullende) controles gericht op deze risico’s zullen worden uitgevoerd.

De accountant ontwikkelt op grond van de risicoanalyse een controleplan waarin zijn vastgelegd: de aard, de tijdsfasering en de omvang van de controlewerkzaamheden die door leden van het opdrachtteam moeten worden uitgevoerd om toereikende controle-informatie te verkrijgen om het controlerisico tot een aanvaardbaar laag niveau te reduceren.

In het controleplan worden de feitelijk gebruikte controletolerantie (in relatie tot de financiële verantwoording) in euro’s vastgelegd. Hierbij wordt de goedkeuringstolerantie (zie paragraaf 2.2) vertaald naar toegepaste controletolerantie, waarbij de goedkeuringstolerantie het maximum is.

Bij de controle wordt vastgesteld of de in de financiële verantwoording opgenomen posten, met in achtneming van de gestelde marges (zie 2.2), rechtmatig (zie definitie 2.3) zijn besteed.

De accountant controleert of de financiële verantwoording voldoet aan de daarvoor gestelde eisen in de onder 1.3 genoemde wet- en regelgeving.

De accountant controleert de bij de aanvraag om subsidievaststelling verstrekte informatie op de volgende punten:

de juiste en volledige weergave van de door andere bestuursorganen of door de Commissie van de Europese Gemeenschappen verstrekte subsidies (en indien van toepassing bijdragen van andere derden) ter zake van de kosten van de gesubsidieerde activiteiten.

de juistheid van de verstrekte informatie over het al dan niet in aftrek kunnen brengen van de BTW.

De mededeling of de subsidieontvanger ten tijde van de beschikking tot subsidieverlening als een kleine of middelgrote onderneming moet worden aangemerkt in de zin van de bijlage 1 van de Verordening (EG) 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (Pb EU 2008, L 214).

De accountant kan bij zijn controle gebruik maken van controlewerkzaamheden die zijn uitgevoerd bij de controle van de jaarrekening. Een enkele verwijzing hiernaar is onvoldoende documentatie. In het controledossier voor de specifieke verklaring dienen deze werkzaamheden te worden beschreven evenals de belangrijkste relevante conclusies. Het controledossier voor de specifieke verklaring moet zelfstandig bruikbaar zijn. Dit betekent dat de relevante stukken in dat dossier zelf opgenomen moeten worden en dat de informatie uit het jaarrekeningdossier voor dit doel gekopieerd en indien nodig bewerkt moet worden.

De accountant zorgt voor adequate controledocumentatie waaruit blijkt, dat de werkzaamheden conform het controleplan zijn uitgevoerd, wat de uitkomsten van de controle zijn alsmede dat deze zijn beoordeeld door de eindverantwoordelijke partner. Deze documentatie omvat in ieder geval stukken waaruit blijkt:

dat de cijfermatige juistheid van de verantwoording is nagegaan;

dat de verantwoording aansluit met de financiële administratie;

welke de aard en de omvang is van verrichte deelwaarnemingen op in de verantwoording opgevoerde kosten;

dat een cijferbeoordeling is uitgevoerd van de werkelijk verantwoorde kosten ten opzichte van de begrote kosten;

dat de accountant heeft gecontroleerd of de Europese aanbestedingsrichtlijnen door de instelling – indien van toepassing7 – zijn nageleefd;

Bij zijn oordeelsvorming over de naleving van de subsidievoorwaarden streeft de accountant naar een redelijke mate van zekerheid. Indien dit begrip voor het gebruik van statistische technieken gekwantificeerd moet worden, moet uitgegaan worden van een betrouwbaarheid van 95 procent.

Een accountantsverklaring met een goedkeurende strekking impliceert dat, gegeven eerder genoemde betrouwbaarheid, de meest waarschijnlijke fout in de financiële verantwoording niet groter is dan één procent van het totaal financieel belang van die verantwoording. De hierna vermelde tabel van toepassing.

Genoemde percentages zijn ontleend aan het Handboek Auditing Rijksoverheid (HARo) van het Interdepartementaal Overleg Departementale Auditdiensten (IODAD).

Van een rechtmatigheidsfout in de verantwoording is sprake indien naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek is gebleken dat een (gedeelte van een) post niet voldoet aan de geldende wet- en regelgeving (zie ook paragraaf 1.3).

Rechtmatigheidsfouten worden in absolute zin opgevat; saldering van fouten isdaarom niet toegestaan.

Van een rechtmatigheidsonzekerheid in het onderzoek is sprake als er onvoldoende controle-informatie beschikbaar is om een (gedeelte van een) post als goed of fout aan te merken. Kortom als onzekerheid bestaat over het wel of niet voldoen aan de eisen.

Bij fouten in de verantwoording kan onderscheid gemaakt worden in incidentele en structurele fouten.

Van een incidentele fout is sprake als het een toevallige fout betreft. Kenmerkend voor incidentele fouten is dat in principe geen herhaling optreedt van de geconstateerde fout.

Van een structurele fout is sprake als de oorzaak van de fout is gelegen in (onderdelen van) het systeem van uitvoering, waardoor fouten met een (zeker) herhalingskarakter (kunnen) optreden. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing op onzekerheden in de controles.

Voor een adequate onderbouwing van het oordeel is het noodzakelijk dat de accountant fouten en onzekerheden zoveel mogelijk kwantificeert.

Omgaan met geconstateerde fouten en onzekerheden

Onderscheid moet gemaakt worden tussen materiële en niet-materiële fouten.

Materiële fouten, die niet worden gecorrigeerd, leiden tot een andere dan een goedkeurende strekking van de accountantsverklaring (cf. tabel par. 2.2).

Voor niet-materiële fouten, die bij de accountantscontrole blijken, is het uitgangspunt dat gevonden fouten in eerste instantie worden gecorrigeerd. Voor zover dat niet gebeurt, worden individuele fouten boven een belang van 0,1% van het absolute financieel belang (dus geen saldering van uitgaven en inkomsten) van de financiële verantwoording door de accountant in zijn bevindingen rapport gerapporteerd. Het ministerie van VenW beoordeelt in hoeverre deze fouten tot correcties leiden.

De accountant legt de uitkomsten van de controle vast in een accountantsverslag, dat bestaat uit de volgende onderdelen:

accountantsverklaring: het format van deze verklaring is hieronder opgenomen en is afgeleid van de ‘Voorbeeldtekst HRA 3 sectie II hoofdstuk 10.3: accountantsverklaring bij een subsidiedeclaratie in de publieke sector’ gehanteerd.

verslag van niet gecorrigeerde fouten: hierin rapporteert de accountant de gebleken niet-materiële fouten bij de controle, welke niet zijn gecorrigeerd, voor zover deze (per fout) de omvang van 0,1% van het financieel belang van de financiële verantwoording overschrijden. Dit rapport heeft het karakter van een uitzonderingsrapportage. De aard en omvang van deze fouten worden vermeld. Deze rapportage kan (uitsluitend) achterwege blijven indien dergelijke fouten niet zijn gebleken.

Wij hebben bijgevoegde en door ons gewaarmerkte aanvraag tot subsidievaststelling ingevolge het Subsidieprogramma Proeftuinen duurzame mobiliteit: hybride en elektrisch rijden van ... (naam entiteit) te ... (statutaire vestigingsplaats) over de periode dd/mm/jj8 tot en met dd/mm/jj9 gecontroleerd. De aanvraag tot subsidievaststelling is opgesteld onder verantwoordelijkheid van het bestuur van de entiteit10 . Het is onze verantwoordelijkheid een accountantsverklaring inzake de declaratie te verstrekken.

Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, en het controleprotocol voor subsidies waarop de Kaderregeling subsidies duurzaamheid Ven W van toepassing is. Dienovereenkomstig dienen wij onze controle zodanig te plannen en uit te voeren, dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de subsidiedeclaratie geen afwijkingen van materieel belang bevat. Een controle omvat onder meer een onderzoek door middel van deelwaarnemingen van relevante gegevens.

Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is als basis voor ons oordeel.

Naar ons oordeel geeft de aanvraag tot subsidievaststelling de financiële verantwoording ten bedrage van EUR...............11 in alle van materieel belang zijnde aspecten juist en volledig weer, in overeenstemming met het controleprotocol van het Ministerie van VenW van toepassing op subsidieprogramma’s gepubliceerd onder de kaderregeling subsidies duurzaamheid verkeer en waterstaat en de relevante wet- en regelgeving genoemd in dit controleprotocol.

Indien sprake is van een investeringssubsidie dient in het oordeel aangegeven worden dat de gesubsidieerde voorzieningen in Nederland in gebruik zijn genomen.

De subsidiedeclaratie van ... (naam entiteit) en onze verklaring daarbij zijn uitsluitend bedoeld voor ... (naam entiteit) ter verantwoording aan ... (naam subsidiegever) en kunnen derhalve niet voor andere doeleinden worden gebruikt.

Plaats, datum

Naam accountantspraktijk

Naam externe accountant en ondertekening met die naam