Algemene maatregel van bestuur · BWBR0028733

Wet publieke gezondheid BES

Wijzigingen Officiële bron
Wet publieke gezondheid BESWet publieke gezondheid BES

In deze regeling wordt verstaan onder:

De minister bevordert de kwaliteit en doelmatigheid van de publieke gezondheidszorg en draagt in dat verband zorg voor het instellen en instandhouden van een ondersteuningsstructuur op het gebied van de publieke gezondheid die mede is gericht op de samenwerking tussen de BES-eilanden onderling, de samenwerking tussen de BES-eilanden, het Europese deel van Nederland en de landen Aruba, Curacao en Sint-Maarten, alsmede verdere internationale samenwerking, in het bijzonder met het oog op een goede uitvoering van de Internationale Gezondheidsregeling.

Ter uitvoering van artikel 6, eerste lid, past het bestuurscollege de maatregelen toe die door de minister worden opgedragen, indien het gaat om de voorbereiding op de bestrijding van:

De eilandsraad stelt binnen twee jaar na openbaarmaking van de nota, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet publieke gezondheid een nota gezondheidsbeleid vast, waarin de eilandsraad in ieder geval aangeeft hoe het bestuurscollege uitvoering geeft aan de in de artikelen 2, 4, 5 en 6 genoemde taken, alsmede aan de in artikel 12 genoemde verplichting.

Voordat algemene besluiten worden genomen die belangrijke gevolgen kunnen hebben voor de zorg voor de volksgezondheid vraagt het bestuurscollege advies aan de eilandelijke Raad voor de Volksgezondheid.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder de geneeskundige: de in artikel 11, derde lid, bedoelde geneeskundige.

Voordat de gezaghebber een maatregel als bedoeld in de artikelen 26, 30, 41, 42, 47, 48 en 49 neemt of intrekt, vraagt deze om advies aan de geneeskundige.

Het hoofd van een instelling waar voor infectieziekten kwetsbare populaties verblijven of samenkomen voor een of meer dagdelen per etmaal, stelt de geneeskundige van het openbaar lichaam waarin de instelling gelegen is, op de hoogte van het optreden van een ongewoon aantal zieken met maag- en darmaandoeningen, geelzucht, huidaandoeningen of andere ernstige aandoeningen van vermoedelijk infectueuze aard in de desbetreffende populatie of bij het begeleidend of verzorgend personeel.

Op verzoek van de gezaghebber verstrekt de behandelend arts van een persoon die naar het oordeel van de gezaghebber een gevaar oplevert voor de overbrenging van een infectieziekte behorend tot groep A, B1 of B2 aan de geneeskundige zo spoedig mogelijk de hem bekende nadere medische en epidemiologische gegevens die noodzakelijk zijn om de aard en de omvang van het gevaar van verspreiding van de infectieziekte vast te stellen.

De Algemene termijnenwet is van toepassing op de termijnen gesteld in de artikelen 33, tweede lid, 34, eerste lid, en 35, vijfde lid.

Ingeval een verzoekschrift als bedoeld in artikel 36, eerste lid, of artikel 37, eerste lid, wordt ingediend, dan wel een van de daartoe bevoegde personen beroep instelt, behoeft de indiening van het verzoekschrift niet bij procureur te geschieden.

De gezaghebber kan de exploitant van een haven of luchthaven opdragen om:

De gezaghebber kan de vervoersexploitant opdragen om:

De gezaghebber is bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang ter handhaving van hetgeen op grond van de artikelen 47, eerste en tweede lid, 48 en 49 is opgedragen, indien de omstandigheden onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk maken.

De eilandsraad heft geen eigen bijdrage voor het verrichten van de bij of krachtens de artikelen 2, 4, 5 en 6 opgedragen taken, behoudens in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

De kosten verband houdende met het bij of krachtens artikel 44 opgelegde voorzieningenniveau komen ten laste van de exploitant.

Indien in deze wet de bevoegdheid is toegekend tot het toepassen van bestuursdwang zijn de bepalingen van deze paragraaf van toepassing.

Bestuursdwang omvat het doen wegnemen, ontruimen, beletten, in de vorige toestand herstellen of verrichten van hetgeen in strijd met de desbetreffende bepalingen van deze landsverordening is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

De kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang zijn bevoorrecht op de zaak ten aanzien waarvan zij zijn besteed en worden na de kosten, bedoeld in artikel 284 van het Burgerlijk Wetboek BES, uit de opbrengst van de zaak betaald.

Het vaccinatieprogramma omvat toediening van de volgende vaccins, afgeleverd door of vanwege het RIVM, aan personen in de leeftijd van:

0 maanden1: hepatitis B-vaccin;

2 maanden2: gecombineerd difterie-, kinkhoest-, tetanus-, poliomyelitis-vaccin gemengd met haemophilus influenza type b-vaccin; daarnaast geconjugeerd pneumokkenvaccin;

3 maanden2: gecombineerd difterie-, kinkhoest-, tetanus-, poliomyelitis-vaccin gemengd met haemophilus influenza type b-vaccin; daarnaast geconjugeerd pneumokkenvaccin;

4 maanden2: gecombineerd difterie-, kinkhoest-, tetanus-, poliomyelitis-vaccin gemengd met haemophilus influenza type b-vaccin; daarnaast geconjugeerd pneumokkenvaccin;

11 maanden2: gecombineerd difterie-, kinkhoest-, tetanus-, poliomyelitis-vaccin gemengd met haemophilus influenza type b-vaccin; daarnaast geconjugeerd pneumokkenvaccin;

14 maanden: gecombineerd bof-, mazelen-, rubella-vaccin; daarnaast geconjugeerd meningokokken C-vaccin;

4 jaar: gecombineerd difterie-, kinkhoest-, tetanus-, polio-vaccin;

9 jaar: gecombineerd difterie-, tetanus-, polio-vaccin; daarnaast gecombineerd bof-, mazelen-, rubella-vaccin;

12 jaar3: humaan papillomavirus-vaccin (+ twee vervolg vaccinaties, respectievelijk ongeveer 1 maand en 6 maanden na eerste vaccinatie).

In dit document staan de WHO-normen1waaraan wordt getoetst opdat voor een schip een certificaat van sanitaire controle of een certificaat tot vrijstelling van sanitaire controle kan worden afgegeven.

Per WHO-norm worden controlepunten aangegeven waaruit kan blijken dat men aan deze norm voldoet. Deze controlepunten vormen de leidraad voor een inspectie ten behoeve van het verkrijgen van een certificaat.

In de WHO-normen zijn extra eisen opgenomen voor ‘grote schepen’. Met ‘grote schepen’ wordt door de WHO bedoeld ‘passagiersschepen’.

De definitie van een passagiersschip is ‘een schip ingericht voor meer dan 12 opvarenden anders dan bemanningsleden’. In dit programma van eisen zijn de extra normen voor deze passagiersschepen aangegeven via een kader om de tekst.

WHO-norm 1.2

De keukenmedewerkers die zich bezig houden met het bereiden van voedsel, zijn op de hoogte van de reinigingsprocedures, de bewaarnormen van levensmiddelen en de bereidingswijzen. Als voorbeeld weten de betrokken keukenmedewerkers de minimum en maximum temperaturen voor het bewaren en bereiden van levensmiddelen en zijn ze in staat om zodanig te werken dat ze kruisbesmettingen voorkomen.

WHO-norm 1.3

De keukenmedewerkers laten zien wanneer en op welke wijze de handen moeten worden gewassen en dat hun persoonlijke hygiëne aan de normen voldoet.

Controlepunten

WHO-norm 1.3.2

De keukenmedewerkers zijn in het bezit van de benodigde opleidingscertificaten verkregen bij een relevante opleiding voor het behandelen en het bereiding van voedsel. Het kennisniveau wordt bijgehouden en indien bijscholing vereist is, zal deze worden gevolgd. Hiervan worden registraties bijgehouden.

Controlepunten

WHO-norm 1.1

Voedsel zal worden verkregen van bronnen aan de wal die door de lokale overheid daarvoor als geschikt worden bevonden. De producten dienen schoon, onbeschadigd en vrij van bederf te zijn en mogen niet op andere manieren een gevaar voor de gezondheid van de bemanning en of passagiers vormen. Rauwe producten en ingrediënten worden niet geaccepteerd aan boord wanneer bekend is dat deze parasieten, ongewenste micro-organismen, pesticiden, veterinaire contaminanten bevatten of zijn bedorven. Ook worden producten niet geaccepteerd als deze vreemde substanties bevatten die niet tot een acceptabel niveau zijn terug te brengen door normaal te sorteren of te verwerken. Waar toepasbaar zullen specificaties voor ontvangst worden opgesteld en gebruikt. Er wordt gewerkt volgens het first in, first out (FIFO) principe zodat de voorraad rouleert door oude producten eerder te gebruiken dan de nieuwe voorraad.

Controlepunten

WHO-norm 1.3.3

Er worden registraties bijgehouden van de bewaartemperaturen.

WHO-norm 1.3.5

Levensmiddelen worden betrokken van veilige bronnen en worden op de juiste wijze opgeslagen, bereid en geserveerd.

Controlepunten

WHO-norm 1.4.1

Levensmiddelen, verpakt of onverpakt, die uitgeserveerd worden in een buffet, een service-line of in een saladebar, dienen op een zodanige geschikte wijze te worden gepresenteerd dat er geen kans op besmetting van de medewerkers of de passagiers kan ontstaan.

WHO-norm 1.4.2

Zelfbedieningsbuffetten en salade bars waar niet verpakte producten ter consumptie worden aangeboden, zijn voorzien van serveergereedschap en uitgiftemethoden die de besmetting van levensmiddelen en dranken voorkomen.

WHO-norm 1.4.3

Levensmiddelen moeten tijdens opslag en transport worden beschermd tegen vervuiling door zeewater, lenswater, afvalwater, hydraulische vloeistoffen en brandstof.

WHO-norm 1.4.4

In een buffet of serveerruimte moeten warme levensmiddelen warm worden gehouden en koude producten gekoeld worden uitgegeven.

Controlepunten

WHO-norm 1.4

Er is minimaal één plaats toegewezen als handenwasgelegenheid en deze plek is uitgerust met wegwerphanddoeken/handblowers, een zeepdispenser en een afvalbak.

Controlepunten

WHO-norm 1.3.6

De kombuis/keuken en andere ruimten waar levensmiddelen worden voorbereid en verwerkt, zijn uitgerust met een gemakkelijk te bereiken wasbak die is aangewezen als handenwasgelegenheid. Deze handenwasgelegenheid is uitgerust met wegwerphanddoeken, zeep en een afvalbak.

WHO-norm 1.3.7

De handenwasgelegenheid is alleen en te allen tijde voor dit doel te gebruiken.

Controlepunten

WHO-norm 1.1

Er is een schoonmaakschema aanwezig en er wordt periodiek onderhoud gepleegd. Dit geldt voor de inrichting, de installatie, de apparatuur en het materiaal dat wordt gebruikt voor de voedselbereiding.

WHO-norm 1.5

Alle gebruiksmiddelen zoals potten, pannen en materialen die in contact komen met voedsel, zijn voldoende schoon, gereinigd en zo nodig gedesinfecteerd.

WHO-norm 1.6

Er blijven geen voedselresten achter die plaagdieren aantrekken.

Controlepunten

WHO-norm 1.3.1

Er zijn geschreven schoonmaakschema`s en onderhoudsrichtlijnen voor elke kritieke ruimte in de kombuis/keuken die bij kan dragen aan de besmetting van levensmiddelen aan boord.

Controlepunten

WHO-norm 1.7

De kombuis/keuken is zo ingericht dat plaagdieren zich niet kunnen verschuilen.

WHO-norm 1.13

Alle ruimten waarin de bereiding van voedsel plaatsvindt, zijn gemaakt van ondoordringbaar materiaal met een glad oppervlak dat goed gereinigd kan worden en geen gelegenheid biedt voor plaagdieren om een schuilplek te vormen.

Controlepunten

WHO-norm 1.3.4

Alle oppervlakken, materialen en inrichtingen zijn geschikt voor hun doel. Dit betekent dat ze niet vochtdoorlatend zijn, gemakkelijk kunnen worden gereinigd, goed af zijn te sluiten en beschermen tegen het binnendringen van plaagdieren.

Controlepunten

WHO-norm 1.8

De voedselbereidingruimte is alleen bestemd voor voedselbereidingswerkzaamheden.

Controlepunten

WHO-norm 1.9

Er is voldoende warm en koud water beschikbaar van drinkwaterkwaliteit. Dit is te allen tijde te gebruiken voor de bereiding van levensmiddelen.

Controlepunten

WHO-norm 1.11

Er zijn ventilatie- en afzuigvoorzieningen aanwezig. Deze moeten voldoende capaciteit hebben voor de aanwezige apparatuur en het aantal keukenmedewerkers.

Controlepunten

WHO-norm 1.12

Er is voldoende licht aanwezig.

Controlepunten

WHO-norm 2.1

De opslagruimten voor voedsel zijn gemaakt van een ondoordringbaar materiaal met een glad oppervlak wat goed gereinigd kan worden en geen gelegenheid biedt om een schuilplaats voor plaagdieren te vormen.

Controlepunten

WHO-norm 2.2

Voedsel wordt bewaard op voldoende hoogte boven de vloer/dek (minimaal ongeveer 15 cm) en zodanig dat er geen water kan binnendringen en geen verontreiniging kan optreden.

WHO-norm 2.4

Het aanwezige voedsel is veilig voor consumptie en zonder versnijding/ bijmengingen (met chemische of andere stoffen) en is verkregen van bronnen die voldoen aan de geldende wet- en regelgeving van de regio of het land van herkomst.

WHO-norm 2.5

Het systeem van opslag voorkomt verontreiniging van voedsel met vreemde voorwerpen, stof, schadelijke dampen, ongewenste chemicaliën en voorkomt kruisbesmetting tussen levensmiddelen.

Controlepunten

WHO-norm 1.2.1

De koel- en vriesruimten zijn geschikt om de gekoelde en of bevroren producten op de voorgeschreven temperatuur te houden. Temperaturen worden gecontroleerd en hiervan worden registraties bijgehouden.

WHO-norm 1.2.2

Chemische of giftige materialen worden gescheiden en veilig opgeslagen en zodanig dat deze niet in contact kunnen komen met levensmiddelen.

WHO-norm 1.2.3

Levensmiddelen worden opgeslagen op een daarvoor bestemde veilige plaats en afgeschermd tegen mogelijke besmetting en verontreiniging.

WHO-norm 1.2.4

Levensmiddelen worden opgeslagen in een schone, droge ruimte en worden niet blootgesteld aan water van buitenaf, stof of andere verontreinigingen op minimaal ongeveer 15 cm boven de vloer/dek.

Controlepunten

WHO-norm 2.3

Voedsel wordt niet voor een langere periode blootgesteld aan de omgevingstemperatuur. Voorbeelden van aanbevolen bewaartemperaturen van bederfelijke producten zijn:

WHO-norm 2.3.1

Voedsel wordt zonodig warm bewaard met behulp van warmhoudapparatuur bij een temperatuur van tenminste 60 °C (145 °F) en wordt zolang als nodig op die temperatuur gehouden.

WHO-norm 2.3.2

Bederfelijke producten en dranken worden normaal koud bewaard op een temperatuur die lager is dan 4 °C (40 °F) behalve tijdens de bereiding of voor het opdienen onmiddellijk na de bereiding. Wanneer voedsel voor een langere periode wordt bewaard, dan wordt aanbevolen om dit te doen bij een temperatuur van 4 °C (40 °F). Groenten en fruit worden bewaard in een koele ruimte. De ideale bewaartermperaturen zijn voor vlees en vis tussen de 0 °C en de 3 °C (32–37 °F), voor zuivel en zuivelproducten 4 °C (40 °F) en voor fruit en groenten tussen de 7 °C en de 10 °C (45–50 °F). Om praktische redenen mogen vanwege beperkte koelcapaciteit, vlees en vleesproducten, vis en visproducten, eieren en eiproducten, zuivel en zuivelproducten opgeslagen worden bij < 5 °C (41 °F) en groente en fruit bij < 10 °C (50 °F)

WHO-norm 2.3.3

Diepvriesproducten worden bewaard bij een temperatuur lager dan –12 °C (10 °F).

Controlepunten

WHO-norm 3.1

Het vrachtruim, en zeker die bestemd is voor de opslag van consumptiegoederen, zijn afgeschermd tegen het binnendringen van water, plaagdieren, vectoren of andere verontreiniging of besmetting. In geval van een lading van consumptiegoederen wordt toezicht gehouden op de lading op sporen van plaagdieren of een tekenen van verontreiniging of bederf.

Controlepunten

WHO-norm 3.2

Het ruim dient normaliter leeg te zijn bij een inspectie. Aanwezig ballastwater en materiaal in het ruim is van dien aard of zodanig opgeslagen, dat een grondige inspectie niet wordt verhinderd.

Controlepunten

WHO-norm 4.1

De bemanningsverblijven moeten zijn ingericht overeenkomstig de geldende ILO-conventie. De bemanningsverblijven mogen geen schuilplaats bieden aan plaagdieren en de ruimten moeten schoon zijn en voldoende verlicht.

Controlepunten

WHO-norm 5.1

Alle tanks, slangen, kleppen en apparatuur bedoeld voor het gebruik van drinkwater worden niet voor andere doeleinden gebruikt en zijn duidelijk gemarkeerd met de tekst ‘alleen bestemd voor drinkwater’. Het coderen van de leidingen met een kleur is toegestaan.

Controlepunten

WHO-norm 5.2

De drinkwatertanks delen geen gemeenschappelijke wand met de romp van het schip of met tanks en leidingen die voor andere doeleinden dan drinkwater worden gebruikt.

WHO-norm 5.3

Drinkwatertanks moeten geconstrueerd zijn met materialen die geen verontreiniging afgeven aan het water in de tank.

WHO-norm 5.4

Drinkwatertanks zijn zo geplaatst in een ruimte in een schip dat er geen verontreiniging kan plaatsvinden door vuil, plaagdieren, excessieve opwarming of andere contaminanten.

WHO-norm 5.5

De drinkwatertanks zijn toegankelijk voor inspectie, onderhoud en reiniging en moeten zijn uitgerust met een aparte aftapmogelijkheid.

Controlepunten

WHO-norm 2.2.1

Drinkwater wordt opgeslagen in tanks die zodanig zijn geconstrueerd en gelokaliseerd dat deze zijn beschermd tegen vervuiling van buitenaf.

WHO-norm 2.2.2

De behandeling van water aan boord gebeurt zodanig dat het ingenomen water voldoet aan de eisen voor drinkwater overeenkomstig de Guidelines for drinking-water quality 2004 (WHO 2004)4of enige relevante lokale wetgeving. Wanneer het water gechloreerd wordt, moet de contacttijd voldoende lang zijn en moet er een meetbare hoeveelheid vrij chloor overblijven in de te vullen tank.

WHO-norm 2.2.3

Er wordt voorkomen dat drinkwater, dat via leidingen uit de tanks naar de technische installaties gaat, terug kan stromen. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van onder andere terugslagkleppen.

WHO-norm 2.2.4

Drinkwatertanks delen geen gemeenschappelijke wand met de romp of met andere opslagtanks (anders dan drinkwatertanks).

WHO-norm 2.2.5

Er lopen geen leidingen door de drinkwateropslag die bedoeld zijn voor andere producten dan drinkwater.

Controlepunten

WHO-norm 5.6

Drinkwatersystemen zijn uitgerust met een chloreer-/halogenatiesysteem of andere mogelijkheden om adequaat microbiële verontreiniging te verwijderen of af te doden en verontreiniging te verwijderen.

WHO-norm 5.7

Bij de inname van drinkwater moeten testrapporten van de drinkwaterkwaliteit opgevraagd worden bij de havenautoriteit. De waterkwaliteit aan boord moet regelmatig bemonsterd worden. Wanneer de kwaliteit van het ingenomen water niet door de autoriteiten kan worden gegarandeerd, volstaat het gebruik van een eigen test-kit aan boord van het schip mits deze voldoet aan de Standaardmethodes voor het Onderzoek van Water.

WHO-norm 5.8

Drinkwatersystemen zijn uitgerust met een systeem dat de terugstroom van water voorkomt.

Controlepunten

WHO-norm 2.1.1

De drinkwaterkwaliteit van een bron aan land wordt beoordeeld voor het wordt ingenomen. Hierbij wordt minimaal de registraties van de kwaliteitscontrole gecontroleerd. De haven en de lokale autoriteiten onderzoeken of het drinkwater voldoet aan de minimale veiligheidseisen. Onderzoek van de drinkwaterkwaliteit maakt deel uit van de drinkwaterbehandeling routine aan boord van het schip.

WHO-norm 2.1.2

Schepen die aan boord het water zuiveren met behulp van verdampers of een omgekeerde osmose installatie, gebruiken deze niet in vervuilde gebieden, in havens of als ze voor anker liggen.

WHO-norm 2.1.3

Schepen nemen geen drinkwater aan uit voertuigen of schepen die voor meerdere doeleinden gebruikt worden dan als het vervoer van water alleen. Voor de inname van drinkwater wordt gebruik gemaakt van leveranciers die door de lokale autoriteiten daarvoor zijn aangewezen. De watermanagement procedures aan boord van een leverend schip verzekeren dat de ontvangst, verwerking, opslag en aflevering onder zulke sanitaire voorwaarden gebeuren, dat de veiligheid van het drinkwater kan worden gegarandeerd.

WHO-norm 2.1.4

(Vul)slangen die gebruikt worden voor het transport van drinkwater zijn zodanig ontworpen dat deze niet voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt.

Controlepunten

WHO-norm 6.1

De riolering is solide, lekdicht en geïsoleerd van andere systemen om kruisbesmetting te voorkomen. De tanks dienen voldoende capaciteit te hebben om te voorkomen dat deze over kunnen lopen. Installaties voor de behandeling van het afvalwater, dienen regelmatig gecontroleerd te worden. Er mag niet geloosd worden in gebieden waar dit niet is toegestaan (havens) en er mag geen afvalwater als lenswater in het ruim terecht kunnen komen.

Controlepunten

Schepen vervoeren per jaar miljoenen tonnen ballastwater over de wereld. Ballastwater is essentieel om bij onbeladen schepen de schroef onder water te houden en tevens voldoende stabiliteit en dus de veiligheid te waarborgen. Het innemen, transporteren en weer lozen van ballastwater leidt tot het (ongewenst) vermengen van water uit verschillende regio’s van de wereld. Behalve een veilige vaart van het schip zorgt het lozen van ballastwater op een andere plaats dan waar het verkregen is voor milieu- en economische problemen:

Ballastwater bevat micro-organismen en pathogenen (kiemen) die, indien zij in een andere dan de eigen habitat worden geloosd, veel schade aanrichten in een ander ecosysteem dan waar zij thuishoren. Via pathogene micro-organismen in ballastwater kunnen infectieziekten verspreid worden.

WHO-norm 7.1

De afsluiters van de ballastwatertanks in de haven zijn in de ‘off’ stand ter voorkoming van onbedoelde lozing. De verantwoordelijke havenautoriteit kan toestemming verlenen tot een lozing van ballastwater nadat er een risico inventarisatie is gemaakt en er gewerkt wordt overeenkomstig de eisen van de IHR en de International Convention on Control and Management of Ship Ballast Water and Sediments7.

Controlepunten

WHO-norm 8.1

De opslagruimten voor vast afval en voedselafval zijn ontoegankelijk voor plaagdieren.

Controlepunten

WHO-norm 8.2

Er is een beschermde opslagmogelijkheid voor infectieus medisch afval.

Controlepunten

WHO-norm 3.1

Het (medisch) afval wordt opgeslagen in ruimten die alleen voor dat doel zijn aangewezen, ingericht en duidelijk gemarkeerd.

Controlepunten

WHO-norm 8.3

Vast afval, voedselresten en medisch afval worden verwijderd overeenkomstig de geldende internationale en nationale regelgeving en verordeningen.

Controlepunten

WHO-norm 3.2

De eisen betreffende het bewaren en het verwijderen van het afval van boord zijn schriftelijk vastgelegd in de bedrijfsregels en procedures welke zijn opgenomen in een afvalbeheersplan. Dit afvalbeheersplan is afgestemd op de lokale regelgeving en protocollen voor de verwerking van afval die van kracht zijn in de te bezoeken havens.

WHO-norm 3.3

Voor de verwijdering van het afval worden contracten afgesloten met voor dit doel door de havenautoriteit goedgekeurde bedrijven of agenturen.

Controlepunten

WHO-norm 9.1

In stilstaand water kunnen zich larven ophouden. Dergelijk stilstaand water mag niet aanwezig zijn aan boord. De ruimten in en rond de reddingsboten, de spuigaten, de goten, de gangboorden en de luchtzuiveringsinstallatie moeten geïnspecteerd worden op stilstaand water wanneer deze niet in gebruik zijn.

Controlepunten

WHO-norm 10.1

De machinekamer, de motorafdekking en isolatiemateriaal zijn vrij van plaagdieren.

Controlepunten

WHO-norm 11.1

Ruimten die bedoeld zijn voor het onderzoek en de behandeling van zieke bemanningsleden zijn gescheiden van andere bemanningsactiviteiten. De ruimten zijn goed verlicht, schoon en bieden privacy. De onderzoek/behandelruimte is goed onderhouden en uitgerust met een drinkwatervoorziening en handenwasgelegenheid. Er worden registraties bijgehouden van medische handelingen. Medisch (scherp) afval wordt veilig ontdaan. Wanneer er geen gekwalificeerd medisch personeel (artsen en verpleegkundigen) aan boord is, zijn er gebruikshandleidingen van medische voorzieningen aanwezig en zijn er ook procedures aanwezig om extern medisch advies aan te vragen wanneer zich een medisch urgent probleem en/of een ziekte uitbraak voordoet aan boord.

Controlepunten

WHO-norm 5.1.2

De medische voorzieningen en apparatuur aan boord dienen in een goede staat te verkeren en worden onder hygiënische omstandigheden bewaard. Het onderhoud vindt plaats zoals is voorgeschreven door de fabrikant.

WHO-norm 5.2.4

In de behandelruimte zijn voldoende geschikte handenwasgelegenheden aanwezig.

Controlepunten

WHO-norm 5.2.1

Bevoegd en bekwaam medische personeel (artsen/verpleegkundigen) of andere bemanningsleden die aangewezen zijn voor deze werkzaamheden zijn getraind in het verlenen van eerste hulp.

Controlepunten

WHO-norm 5.3.1

Medicatie wordt alleen aan passagiers of de bemanning verstrekt door getraind en bevoegd en bekwaam personeel. Er worden registraties bijgehouden van het gebruik van medicijnen.

Controlepunten

WHO-norm 4.2

Ziekte onder de bemanningsleden wordt geregistreerd.

Controlepunten

WHO-norm 5.2.2

Er wordt een gestructureerd, leesbaar en actueel logboek bijgehouden en dit is te raadplegen en te gebruiken in de behandelruimten. In het logboek wordt bijgehouden welke ziekte bij wie (passagiers/bemanning) is geconstateerd en behandeld en welke medicatie is verstrekt. Registraties in het logboek bevatten minimaal: 1) datum eerste bezoek aan de medische dienst/afdeling, naam, leeftijd, geslacht van de patiënt; 2) of het een passagier of bemanningslid betreft; 3) de functie van het bemanningslid; 4) hutnummer; 5) datum en tijd aanvang ziekte; 6) symptomen van de ziekte; 7) notities van eventueel afgenomen monsters of andere eventueel ondernomen acties, wanneer dit van toepassing is.

WHO-norm 5.2.3

Het medisch logboek is in te zien tijdens inspecties.

Controlepunten

WHO-norm 1.10

De keukenmedewerkers vertonen geen symptomen van besmettelijke ziekten zoals geelzucht, braken, diarree, misselijkheid, koorts, zichtbare infectieuze huidaandoeningen of zweren of uitvloed uit neus, ogen of oren.

Controlepunten

WHO-norm 5.4.1

De persoonlijke medische informatie betreffende de gezondheid van passagiers, bemanningsleden en anderen wordt vertrouwelijk behandeld overeenkomstig de toepasselijke wet- en regelgeving.

Controlepunten

WHO-norm 4.1

Zwembaden en sauna’s voldoen aan de eisen die zijn omschreven in de WHO richtlijnen over Safe Recreational Water Environments, Vol 2 Swimming pools, Spas and similar Recreational Water Environments-WHO 200410.

Controlepunten

WHO-norm 4.2

Zwembaden en spa`s worden gevuld met zeewater of drinkwater waarbij de aanvoerleiding een luchtslot of terugslagklep heeft of een vergelijkbaar systeem om terugstroom te voorkomen.

WHO-norm 4.3

Het zwemwater in zwembaden en whirlpools dient voor gebruik eerst een desinfectieproces te ondergaan zodat microbiële verontreiniging wordt verwijderd of geïnactiveerd. Dit kan chemisch (chloor) of fysisch (U.V./ filtratie) gebeuren. Desinfectie is niet nodig indien het zwembad of de whirlpool voorzien is van een zodanig goed functionerende doorstroomvoorziening met zeewater, dat er geen reëel risico op besmetting van gebruikers is.

WHO-norm 4.4

Er worden geschreven of elektronische registraties bijgehouden van het onderhoud, het desinfectieproces en het gebruik van de zwembaden en spa`s. Dit gebeurt volgens aanwijzing van de fabrikant.

Controlepunten

WHO-norm 6.1

Er moeten (hygiëne)regels gesteld zijn en hygiënemaatregelen genomen zijn met betrekking tot eventuele dieren aan boord en hun ontlasting en overig afval.

Controlepunten

WHO-norm 6.2

Op passagiersschepen dient overwogen te worden om een procedure te hebben waarin de te nemen maatregelen beschreven staan in geval van een incident met fecesvervuiling.

Controlepunten

WHO-norm 6.3

Er moeten maatregelen van kracht zijn (overeenkomstig de IHR 2005) om de passagiersverblijven op alle praktische uitvoerbare manieren permanent vrij te houden van bronnen van besmetting of verontreiniging. Dit gebeurt door vectoren en plaagdieren te weren en mogelijke broed- of schuilplaatsen voor vectoren en plaagdieren te voorkomen.

Controlepunten