Beleidsregel · BWBR0034079

Beleidsregel binnenvaart 2013

Wijzigingen Officiële bron
Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Milieu en de voorzitter van de commissie van deskundigen van 14 oktober 2013, nr. ILT-2013/39422 betreffende een nadere invulling van de technische eisen die gelden in het kader van de afgifte van certificaten van onderzoek voor binnenvaartschepen op grond van de Binnenvaartwet (Beleidsregel Binnenvaart 2013)Beleidsregel binnenvaart 2013De Minister van Infrastructuur en Milieu, en de voorzitter van de commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 1.19 van de Binnenvaartregeling;

Gelet op artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht,

Besluiten:

Deze beleidsregel zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Milieu,namens deze:De Inspecteur-Generaal Leefomgeving en Transport,J.ThunnissenDe voorzitter van de commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 1.19 van de Binnenvaartregeling,J.Thunnissen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

In afwijking van de in deze beleidsregel worden binnen de grenzen van het ADN, de richtlijn 2006/87/EG en het RosR 1995 andere voorzieningen aanvaard indien ten genoegen van de minister of de commissie van deskundigen wordt aangetoond dat deze een gelijkwaardig niveau van veiligheid garanderen.

Een aanvraag om het vermogen van de voortstuwingsinstallatie van een binnenvaartschip tot een lagere waarde dan het nominale vermogen terug te stellen, wordt ingewilligd onder de volgende voorwaarden:

Voor de toepassing van de artikelen 3.04, derde lid, van het RosR 1995 en 3.04, derde lid, van bijlage II van de EU-richtlijn 2006/87/EG worden kunststof afvoerleidingen van sanitaire systemen die door dekken van machinekamers voeren, beschouwd te zijn vervaardigd van onbrandbaar materiaal indien voldaan wordt aan de volgende eisen:

Artikel 3.1 is van overeenkomstige toepassing indien een doorvoering door een wand gaat.

Indien bestaande situaties, die reeds vóór 1 januari 2001 door deminister dan wel door de commissie van deskundigen zijn aanvaard, niet voldoen aan de artikelen 3.1 en 3.2, kan worden aanvaard dat de betreffende leidingen worden geïsoleerd met brandisolatie van voldoende dikte, bijvoorbeeld steenwol met een dikte van ten minste 10 cm.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Voor de toepassing van de artikelen 3.02 van het RosR 1995 en 3.02 van bijlage II van de EU-richtlijn 2006/87/EG worden Vensters in de scheepshuid en in de buitenwand van binnenvaartschepen geacht voldoende sterk te zijn indien wordt voldaan aan de in deze paragraaf gestelde eisen.

Bij de toepassing van artikel 7.02, derde lid, van het RosR 1995, en artikel 7.02, derde lid, van bijlage II van de richtlijn 2006/87/EG wordt onderstaande invulling gegeven aan bevoegdheid van de Commissie van Deskundigen:

Voor certificaten die zijn afgegeven op grond van het ADN gelden de procedure en de termijnen zoals opgenomen in hoofdstuk 1.16 van het ADN.

Eerste certificering certificaat van onderzoek (cvo) of communautair binnenvaartcertificaat (cbb)

Bij het vaststellen van de geldigheidsduur van de certificaten op grond van de artikelen 3.11 van de Binnenvaartregeling, 2.06 van het RosR 1995, en 2.06 van Bijlage II bij de richtlijn 2006/87/EG hanteert de certificerende instantie voor nieuwbouwschepen het wettelijk maximum, waarbij de datum van de proefvaart geldt als peildatum.

Verlenging van certificaat van onderzoek (cvo) of communautair binnenvaartcertificaat (cbb)

Bij verlenging of vernieuwing van het certificaat wordt de geldigheidsduur volgens de onderstaande tabel bepaald.

voetnoten bij de tabel

1) Zowel zeilende als werktuigelijk voortgedreven passagiersschepen.

2) Indien een tankschip gebruik maakt van de mogelijkheid om krachtens artikel 1.16.11 van het ADN de geldigheidsduur met één jaar te laten verlengen, kan ook het CVO/CBB met één jaar worden verlengd. Zo’n verlenging kan slechts eenmaal in twee geldigheidsperioden worden toegekend.

Het droogstaande onderzoek en het veiligheidsonderzoek vinden plaats in het jaar voorafgaand aan de vervaldatum van het certificaat. De geldigheidsduur van het nieuwe certificaat wordt dan gerekend vanaf de vervaldatum van het vorige certificaat.

Een droogstaand onderzoek dat maximaal twee jaar voorafgaand aan de vervaldatum heeft plaatsgevonden kan worden geaccepteerd. In dat geval wordt de geldigheidsduur van het nieuwe certificaat gerekend vanaf de datum van de droogzetting.

De nieuwe ingangsdatum van het certificaat ligt altijd eerder dan of direct aansluitend aan de afloopdatum van het laatste geldige certificaat.

De certificerende instantie kan op basis van het onderzoek besluiten een kortere geldigheidsduur toe te passen dan hierboven aangegeven.

Toepassing overgangsbepalingen

Om aanspraak te kunnen maken op overgangsbepalingen volgens Hoofdstuk 24 en 24 a van het ROSR 1995 en bijlage II van de Richtlijn 2006/87/EG, moet het schip voorzien zijn van een geldig certificaat.

Gedurende een overgangsperiode tot 1 februari 2020 kan nog aanspraak op overgangsbepalingen worden gemaakt indien het schip beschikt over een certificaat dat op het moment van de aanvraag voor hercertificering niet langer dan één certificaatsperiode is verlopen. De geldigheidsduur van het certificaat wordt daarbij bepaald als bij verlenging, ingaand vanaf de droogzetting.

Voor de toepassing van artikel 44 van Bijlage 3.8 van de Binnenvaartregeling hanteert de certificerende instantie voor een bunkerstation een tijdspanne tussen twee droogstaande keuringen van maximaal tien jaar. Tussentijdse inspecties kunnen plaatsvinden terwijl het schip in het water ligt.

Voor de toepassing van de artikelen 3.03, vijfde lid, van het RoSR 1995 en 3.03, vijfde lid, van Bijlage II van richtlijn 2006/87/EG staat de certificerende instantie de volgende doorvoeringen door de schotten toe:

Voor de toepassing van de artikelen 3.04, derde lid, van het RoSR 1995 en 3.04, derde lid, van Bijlage II bij richtlijn 2006/87/EG wordt onder gelijkwaardig onbrandbaar materiaal verstaan: aluminium, geïsoleerd als bij brandklasse A30.

Indien een schip is voorzien van brugvleugelbediening worden de eisen van de artikelen 7.03 en 7.04, van het RoSR 1995 en 7.03 en 7.04 van Bijlage II bij Richtlijn 2006/87/EG toegepast met inachtneming van het volgende.

Een geschikte verbandtrommel, zoals bedoeld in de artikelen 10.02, tweede lid, onderdeel f, van het RosR 1995 en 10.02, tweede lid, onderdeel f, van Bijlage II van richtlijn 2006/87/EG, is de Bedrijfsverbanddoos BHV zoals ontwikkeld door het Oranje Kruis. Deze verbandtrommel is herkenbaar aan het opschrift ‘Goedgekeurd door:’, het logo van ‘Het Oranje Kruis’ en een leveranciersspecifiek goedkeuringsnummer.

Voor de toepassing van de artikelen 11.01, eerste en tweede lid, van het RosR 1995 en 11.01, eerste en tweede lid, van Bijlage II van richtlijn 2006/87/EG geldt ten aanzien van de stuurhuthefkolom het volgende.

De uitzondering bedoeld in de artikelen 15.11, dertiende lid, onderdeel b, van het RosR 1995 en 15.11, dertiende lid, onderdeel b, van Bijlage II bij richtlijn 2006/87/EG is niet toegestaan.

De Beleidsregel binnenvaart van 13 september 2011 wordt ingetrokken.

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst.

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel binnenvaart 2013.