Wijzigingen Officiële bron
Beleidsregel Document registratie-eisen en toetsingsprocedure 003 Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische OrthopedagogiekBeleidsregel Document registratie-eisen en toetsingsprocedure 003 Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek

De kwaliteitseisen geformuleerd in het tweede lid van artikel 12 van het Besluit register deskundige in strafzaken (verder: Brdis) vormen de algemene criteria waarop de toetsing van forensische deskundigen bij het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (verder: NRGD) is gebaseerd. Het College gerechtelijk deskundigen (verder: College) formuleert voor elk deskundigheidsgebied op basis van algemene criteria nadere eisen die specifiek zijn voor het deskundigheidsgebied. Tevens specificeert het College de toetsingsprocedure voor elk deskundigheidsgebied.

Dit document geeft de professionele eisen weer waaraan forensisch psychiaters, psychologen en orthopedagogen moeten voldoen voor registratie in het NRGD op het deskundigheidsgebied Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek (verder: FPPO). Tevens verduidelijkt dit document de toetsingsprocedure.

Voor alle deskundigheidsgebieden geldt dat de beoordeling plaatsvindt op basis van informatie, waaronder documenten (zoals zaaksrapporten en bewijsstukken), in beginsel aangevuld met een mondelinge toetsing. Van deze mondelinge toetsing wordt afgezien indien de deskundigheid van de aanvrager reeds duidelijk is gebleken.

De algemene eisen van het tweede lid van artikel 12 Brdis zijn in onderstaande tekst letterlijk opgenomen (in cursief) met verwijzing naar hun respectieve aanduiding van de subleden. Bij elke algemene eis volgen de nadere, specifieke eisen voor het deskundigheidsgebied FPPO. Wanneer geen nadere specificaties zijn aangegeven, zijn de algemene eisen geformuleerd in het tweede lid van artikel 12 Brdis vooralsnog voldoende bevonden voor dat onderdeel van het artikel en zijn geen nadere eisen nodig.

Het tweede lid van artikel 12 Brdis luidt als volgt:

Een deskundige wordt op zijn aanvraag slechts als deskundige in strafzaken in het register ingeschreven wanneer hij naar het oordeel van het College:

12(2) a.(...) beschikt over voldoende kennis van en ervaring binnen het eigen1 deskundigheidsgebied waarop de aanvraag betrekking heeft.

Een aanvrager dient:

12(2) b.(...) beschikt over voldoende kennis van en ervaring in het desbetreffende rechtsgebied en voldoende bekend is met de positie en de rol van de deskundige daarin.

Een aanvrager dient:

12(2) c.(...) In staat is de opdrachtgever inzicht te bieden in de vraag of en zo ja, in hoeverre de vraagstelling van de opdrachtgever voldoende helder en onderzoekbaar is om deze vanuit zijn specifieke deskundigheid te kunnen beantwoorden.

12(2) d, e en f

Een aanvrager dient:

12(2) g.(...) in staat is zowel schriftelijk als mondeling over de opdracht en elk ander relevant aspect van zijn deskundigheid gemotiveerd, controleerbaar en in voor de opdrachtgever begrijpelijke bewoordingen te rapporteren.

Een aanvrager dient:

12(2) h. (...) in staat is een opdracht te voltooien binnen de daarvoor gestelde of afgesproken termijn.

12(2) i. (...) in staat is zijn werkzaamheden als deskundige onafhankelijk, onpartijdig, zorgvuldig, vakbekwaam en integer te verrichten.

[Zie de op de website van het NRGD gepubliceerde Gedragscode NRGD die door het College gerechtelijk deskundigen is vastgesteld.]

Om te beoordelen of een forensisch psychiater, psycholoog of orthopedagoog voldoet aan de eisen voor het deskundigheidsgebied FPPO en in aanmerking komt voor registratie in het NRGD, schrijft het College de volgende toetsingsprocedure voor.

De beoordeling geschiedt op basis van:

Aanvragers worden getoetst door een toetsingsadviescommissie van tenminste drie personen. Een toetsingsadviescommissie bestaat in beginsel uit een jurist, een psychiater en een psycholoog/orthopedagoog, met dien verstande dat bij voorkeur tenminste één vakgenoot van de desbetreffende aanvrager zitting heeft in de toetsingsadviescommissie.

Het College kan besluiten iemand te registreren of af te wijzen. Daarnaast kan het College een aanvrager voorwaardelijk registreren.

Een voorwaardelijke registratie ziet op de kennis die een aanvrager heeft van de juridische context van zijn werkzaamheden als gerechtelijk deskundige. Op advies van de toetsers heeft het College de gronden voor voorwaardelijke registraties nader ingevuld voor dit deskundigheidsgebied.

Een aanvrager kan voorwaardelijk worden geregistreerd indien:

waaronder mede wordt begrepen dat de aanvrager op zich wel voldoende, maar nog niet volledig voldoet aan de volgende eisen:

Wanneer een aanvrager niet voldoet aan de vereiste ondergrens van competenties werd en zal de aanvraag tot registratie worden afgewezen.

Wanneer een aanvrager voorwaardelijk geregistreerd wordt, ontvangt hij bij de beschikking van het College het advies van de toetsingsadviescommissie. In het advies staan de elementen, die aanleiding gaven tot de voorwaardelijke registratie, concreet omschreven. De voorwaardelijke periode kan de aanvrager gebruiken om zich te verbeteren op deze punten alvorens zijn/haar competenties als forensisch rapporteur nogmaals te laten toetsen.

Het NRGD is bezig de procedure omtrent de voorwaardelijke registratie nader uit te werken. Het College heeft inmiddels de volgende kaders vastgesteld.

De kwaliteitseisen geformuleerd in het tweede lid van artikel 12 van het Besluit register deskundige in strafzaken (verder: Brdis) vormen de algemene criteria waarop de toetsing van forensisch deskundigen bij het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (verder: NRGD) is gebaseerd. In het document Registratie-eisen en toetsingprocedure voor het deskundigheidsgebied Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek (verder: FPPO) staan de door het College gerechtelijk deskundigen (verder: College) vastgestelde professionele eisen vermeld waaraan forensisch psychiaters, psychologen en orthopedagogen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor registratie in het NRGD. Naar aanleiding van de eerste toetservaringen heeft het College het wenselijk geacht een nadere toelichting te geven op enkele onderdelen van de Registratie-eisen.

Leeswijzer: in cursief wordt verwezen naar de tekst respectievelijk de pagina’s van het Document Registratie-eisen en toetsingsprocedure FPPO waarop de toelichting betrekking heeft.

(...) beschikt over voldoende kennis van en ervaring binnen het eigen deskundigheidsgebied waarop de aanvraag betrekking heeft.

Binnen de verschillende beroepsopleidingen worden diagnostische vaardigheden geleerd. Uitgangspunt is dat rapporteurs op dit gebied bekwaam worden geacht te zijn. Voor de toetsing door het NRGD gaat het nadrukkelijk niet om een herwaardering van de basisvaardigheden van psychiaters, psychologen of orthopedagogen, maar om de toepassing van die vaardigheden in de forensische context c.q. een toetsing van de forensische deskundigheid van de rapporteur. De onderbouwing van de diagnose in het rapport en de (eventuele) doorwerking van de diagnose in de ten laste gelegde feiten zijn aspecten die de toetsingsadviescommissie bij haar oordeel zal betrekken.

Onder 5.3 Registratie-eisen FPPO:

Een aanvrager dient:

(...)

Ten aanzien van de bekendheid van de rapporteur met de richtlijnen merkt het College het volgende op. Gelet op de praktijk is het op dit moment voor de toetsing door het NRGD geen harde eis dat een rapporteur de onderzochte zelf minimaal twee keer gezien moet hebben. Omdat dit wel in de geldende richtlijnen is opgenomen, dient de rapporteur in het rapport afwijking daarvan te onderbouwen.

Wat betreft de specifieke kennis en vaardigheden ten aanzien van de risicotaxatie is het op dit moment ook geen harde eis dat gebruik moet worden gemaakt van een risicotaxatie-instrument om een TBS advies te kunnen geven. Het gaat er bij de toetsing om dat een rapporteur in diens rapporten zijn redenering uitlegt c.q. een onderbouwing geeft van de risicoprognose conform de state-of-the-art in het veld en dat hij zich daarbij bewust is van de voordelen en de beperkingen van de resultaten van risicotaxatie-instrumenten.

(...) in staat is zowel schriftelijk als mondeling over de opdracht en elk ander relevant aspect van zijn deskundigheid gemotiveerd, controleerbaar en in voor de opdrachtgever begrijpelijke bewoordingen te rapporteren.

Getoetst wordt of een rapporteur goede rapporten schrijft, niet of in de rapportage wel of geen gebruik is gemaakt van een format. Formats zijn hulpmiddelen en daarmee van nut voor de totstandkoming van het rapport.

Ten aanzien van de rapportages die de aanvrager dient te overleggen, merkt het College op dat hoewel het NIFP feedback levert op rapportages, de toetsing door het NRGD hier helemaal los van staat. Rapporteurs zijn zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van de eigen rapporten.

Tot slot wijst het College erop dat de kennis en ervaring die is benodigd voor de categorieën Strafrecht jeugdigen en Strafrecht volwassenen zodanig uiteen lopen dat het tot de mogelijkheden behoort dat een aanvrager voor de ene categorie wel, maar voor de andere categorie niet wordt geregistreerd. Deze categorieën zijn immers aangemerkt als aparte deskundigheidsgebieden. Gedacht wordt hierbij aan verschillen in onderzoeksmethoden, gebruikte testen, diagnostiek, kennis van ontwikkeling(stadia), de betreffende rechtscontext, behandelmogelijkheden en in ketenpartners. Aanvragers die zich voor beide categorieën inschrijven worden voor elke categorie apart getoetst. Bij de samenstelling van de toetsingsadviescommissies wordt uiteraard zoveel mogelijk rekening gehouden met het specialisme van de vakinhoudelijke toetsers.