Beleidsregel · BWBR0036053

Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst

Wijzigingen Officiële bron
Besluit Bestuurlijke Boeten BelastingdienstBesluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit betreft een wijziging van het besluit van 16 december 2013, nr. BLKB2013/1814M, Stcrt. 2013, nr. 35876 (Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst) in verband met:

Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd.

Den Haag17 december 2014De Staatssecretaris van Financiën,namens deze,T.W.M.PoolenLid van het managementteam Belastingdienst

De inspecteur kan de boetebeschikking op grond van artikel 65 van de AWR ambtshalve verminderen. Het beleid inzake artikel 65 van de AWR is van overeenkomstige toepassing op boetebeschikkingen.

De boete- en fraudecoördinator is belast met de beoordeling van (de aanwezigheid van) nieuwe bezwaren, het afnemen van het hoorgesprek als bedoeld in § 12 en het opleggen van de vergrijpboete.

De bepalingen van de § 31a tot en met § 32 zijn van toepassing op de verzuimboete op basis van artikel 40 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). Op grond van dit artikel kan de inspecteur een verzuimboete opleggen indien de belanghebbende de in artikel 37a van de Wet OB bedoelde lijst niet of niet binnen de termijn heeft ingediend, dan wel een onvolledige of een onjuiste lijst heeft ingediend. De lijst van artikel 37a van de Wet OB wordt in het vervolg aangeduid als de opgaaf ICP, waarbij de afkorting ICP staat voor intracommunautaire prestaties.

Indien de vergunning op verzoek van belanghebbende vervalt en op grond van artikel 20 van de AWR een naheffingsaanslag voor de resterende belastingschuld over het lopende tijdvak wordt opgelegd, legt de inspecteur geen verzuimboete op.