Wijzigingen Officiële bron
Loonheffingen, inkomstenbelasting, pensioenen; beschikbare-premieregelingen en premie- en kapitaalovereenkomsten en nettopensioenregelingenLoonheffingen, inkomstenbelasting, pensioenen; beschikbare-premieregelingen en premie- en kapitaalovereenkomsten en nettopensioenregelingen

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit vervangt het besluit van 12 februari 2013, nr. BLKB2013/43M, Staatscourant 2013, 4432. Dit besluit is een actualisering van het voornoemde besluit en bevat tevens een uitbreiding voor nettopensioen als bedoeld in afdeling 5.3B van de Wet IB 2001.

Het fiscale kader voor premie- en kapitaalovereenkomsten is nader uitgewerkt op basis van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen, de wijziging van die wet en het Belastingplan 2014.

In deze wetten wordt de pensioenopbouw gebaseerd op een bereikbaar pensioen van 75% van het gemiddelde loon in 40 opbouwjaren. Bovendien wordt het pensioengevend loon gemaximeerd op € 100.000 (2015). De in het besluit opgenomen tabellen zijn daaraan aangepast.

De in bijlage IV opgenomen premiestaffel is uitgebreid met twee staffels die van toepassing zijn als partijen gebruik maken van de aangepaste AOW-inbouwbedragen van artikel 10aa van het UBLB 1965.

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag17 december 2014De Staatssecretaris van Financiënnamens deze,T.W.M.PoolenLid van het managementteam Belastingdienst

De invoering van de Pensioenwet per 1 januari 2007 heeft in de praktijk geleid tot de ontwikkeling van zowel individuele als collectieve premieovereenkomsten en kapitaalovereenkomsten. Gebleken is dat de fiscale kwalificaties van de pensioenovereenkomsten niet duidelijk waren. Daarom verduidelijkt dit besluit evenals de voorgaande besluiten CPP2009/1487M en BLKB2013/43M, de fiscale regels voor pensioenregelingen die de Pensioenwet aanduidt als een premie- of kapitaalovereenkomst. Ook wijst het besluit sommige soorten premie- en kapitaalovereenkomsten aan als fiscale pensioenregelingen. Net als de voorgenoemde twee besluiten bevat dit besluit ’netto-staffels’. Deze staffels bevatten geen opslag voor kosten en ook geen opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Het gebruik van de staffels kan bijdragen aan betere transparantie van kosten in pensioenregelingen.

De aanwijzingen als pensioenregeling in dit besluit berusten op artikel 19d, onderdeel a, van de Wet LB en vinden plaats met instemming van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De wijzigingen ten opzichte van het voorgaande besluit zijn de volgende.

Dit besluit bevat een uitbreiding voor nettopensioen als bedoeld in afdeling 5.3B van de Wet IB 2001.

Het fiscale kader voor premie- en kapitaalovereenkomsten is nader uitgewerkt op basis van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen (kamerstukken 33 610) en Wijziging van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen en het Belastingplan 2014 (kamerstukken 33 847).

In deze wetten wordt de pensioenopbouw gebaseerd op een bereikbaar pensioen van 75% van het gemiddelde loon in 40 opbouwjaren. Bovendien wordt het pensioengevend loon gemaximeerd op € 100.000 (2015). Naar aanleiding daarvan zijn de in het besluit opgenomen tabellen voor zover nodig aangepast.

De in bijlage IV opgenomen premiestaffel is uitgebreid met twee staffels die van toepassing zijn als partijen gebruik maken van de aangepaste AOW-inbouwbedragen van artikel 10aa van het UBLB 1965.

Het in het voorgaande besluit opgenomen overgangsrecht (in onderdeel 3.4 van dat besluit) is vervallen.

Onderdeel 2 van dit besluit bevat een beschrijving van de soorten premieovereenkomsten die bij de behandeling van de Pensioenwet aan de orde zijn geweest. De onderdelen 3 en 5 behandelen de fiscale kwalificatie van die soorten premieovereenkomsten. Onderdeel 4 gaat over de kapitaalovereenkomsten. Voorts wijs ik in onderdeel 6 twee soorten afwijkende premieovereenkomsten aan als pensioenregeling. In onderdeel 7 is het overgangsrecht opgenomen voor pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden. Onderdeel 8 van dit besluit bevat de beschrijving van het nettopensioen als bedoeld in afdeling 5.3B van de Wet IB 2001. Onderdeel 9 bevat de inwerkingtreding van dit besluit. De voorwaarden en bijzonderheden die bij de aanwijzingen gelden zijn te vinden in de bijlagen bij dit besluit.

Ter voorkoming van misverstanden wijs ik erop dat de aanwijzingen in dit besluit niet van toepassing zijn op regelingen als bedoeld in artikel 18h, eerste lid, van de Wet LB. Dat zijn de regelingen voor directeuren-grootaandeelhouders met een pensioen dat geheel of gedeeltelijk in eigen beheer wordt gehouden. Zie ook artikel 19d, eerste volzin, van de Wet LB.

In artikel 10 van de PW is bepaald dat een pensioenovereenkomst kan inhouden:

Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2005–06, 30 413, nr. 3 p. 32–33) maken partijen bij een premieovereenkomst primair een afspraak over de hoogte van de periodiek ten behoeve van pensioen beschikbaar te stellen premie.

Er zijn in beginsel drie soorten premieovereenkomsten te onderscheiden:

Voor de fiscale beoordeling van een pensioenregeling is het voor de pensioenopbouw gebruikte pensioenstelsel van belang. De pensioenopbouw moet plaatsvinden volgens een eindloonstelsel, een middelloonstelsel of een beschikbare-premiestelsel. In een aantal gevallen bevatten premieovereenkomsten naast kenmerken van een beschikbare-premiestelsel ook elementen van een eindloon- of middelloonstelsel. In dergelijke regelingen is sprake van samenloop van verschillende pensioenstelsels. Voor de fiscale kwalificatie worden alle elementen van de pensioenregeling tezamen en in onderlinge samenhang bezien. Vervolgens moet worden vastgesteld onder welke van de drie stelsels de regeling valt (artikel 4.3, eerste lid, URLB 2011). Is een dergelijke kwalificatie niet mogelijk vanwege de kenmerken van de regeling, dan kan de regeling met toepassing van artikel 19d van de Wet LB worden aangewezen als pensioenregeling.

De in onderdeel 2 onder a genoemde zuivere premieovereenkomst is fiscaal altijd een beschikbare-premieregeling. Deze pensioenregeling moet voldoen aan de fiscale kaders beschreven in artikel 18a, derde lid, van de Wet LB. Ook de in onderdeel 2 onder b genoemde premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal moet fiscaal voldoen aan de fiscale kaders beschreven in artikel 18a, derde lid, van de Wet LB. Een dergelijke premieovereenkomst vertoont na de omzetting van de premie in een aanspraak op kapitaal grote overeenkomsten met een kapitaalovereenkomst in de zin van artikel 10 van de PW. Een groot verschil tussen beide is echter dat bij de premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal de overeengekomen premie is toegezegd en deze premie daarom niet kan worden verlaagd. Deze mogelijkheid moet wel aanwezig zijn bij de zuivere kapitaalovereenkomst. Zie bijlage II, voorwaarde b, onder 4. De beschikbare premie moet daarom bij de premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal voldoen aan de uitgangspunten van artikel 18a, derde lid, van de Wet LB.

Onderdeel 3.2 geeft de grondslagen voor de vaststelling van de netto-staffels. Onderdeel 3.3 bevat de aanwijzing van regelingen die de staffels hanteren. In bijlage I zijn de staffels zelf opgenomen tezamen met de voorwaarden en aandachtspunten die bij de toepassing ervan van belang zijn. Onderdeel

Artikel 18a, derde lid, van de Wet LB bepaalt dat een op een beschikbare-premiestelsel gebaseerd OP tijdsevenredig moet worden opgebouwd. Het stelsel moet zijn gericht op een pensioen dat na 40 jaren opbouw niet meer bedraagt dan 75 percent van het gemiddelde pensioengevend loon tot dat tijdstip. Het artikel bevat verder voorschriften voor de vaststelling van de premie (vaststelling per leeftijdsklasse, de in beginsel te veronderstellen loopbaanontwikkeling en de te hanteren rekenrente en inflatie). Voor het PP op basis van een beschikbare-premiestelsel bepaalt artikel 18b, derde lid, van de Wet LB, dat de uitgangspunten van artikel 18a, derde lid, van de Wet LB van overeenkomstige toepassing zijn.

De bepalende factoren voor een staffel zijn:

In bijlage I van dit besluit geef ik een beperkt aantal algemeen toepasbare netto-staffels. Deze staffels zijn gericht op een opbouw volgens het middelloonstelsel. Ze bevatten geen opslag voor kosten en ook geen opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. De variatie in opbouw als gevolg van de AOW-franchise wordt in de staffels voorkomen door uit te gaan van een percentage van de pensioengrondslag in plaats van een percentage van het pensioengevend loon.

Ik wijs regelingen die gebruik maken van de staffels in bijlage I aan als pensioenregeling in de zin van de Wet LB. Het moet gaan om beschikbare-premieregelingen die in overeenstemming zijn met de in die bijlage genoemde voorwaarden en bijzonderheden. De regelingen moeten overigens verder ook voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB.

Deze onderdeel betreft de fiscale behandeling van de pensioenovereenkomsten die artikel 10 van de PW aanduidt als kapitaalovereenkomsten. Onderdeel 4.3 bevat de aanwijzing van deze kapitaalovereenkomsten als pensioenregeling. In bijlage II volgen de voorwaarden voor aanwijzing.

In de praktijk kan onduidelijkheid bestaan over de fiscale behandeling van kapitaalovereenkomsten. Hoofdstuk IIB van de Wet LB kent geen pensioenregelingen met kapitaalovereenkomsten, maar alleen uitkeringsovereenkomsten zoals eindloonregelingen en middelloonregelingen enerzijds en beschikbare-premieregelingen anderzijds. Kapitaalovereenkomsten hebben gemeen met beschikbare-premieregelingen dat de te verkrijgen pensioenuitkeringen niet van tevoren vaststaan. Regelingen met kapitaalovereenkomsten voldoen evenwel niet aan de in artikel 18a, derde lid, van de Wet LB genoemde voorwaarden voor beschikbare-premieregelingen. Daarom bestaat er aanleiding deze regelingen aan te wijzen als pensioenregeling.

Ik wijs regelingen met een kapitaalovereenkomst aan als pensioenregeling in de zin van de Wet LB. Het moet gaan om pensioenregelingen die in overeenstemming zijn met de in bijlage II opgenomen voorwaarden en bijzonderheden. De regelingen moeten overigens verder ook voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB.

Een regeling met een premieovereenkomst waarbij de pensioenovereenkomst bepaalt dat de premie direct verplicht wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering moet primair worden getoetst aan de fiscale kaders voor beschikbare-premieregelingen van artikel 18a, derde lid, van de Wet LB, dan wel bijlage I. Na de omzetting van de premie in een recht op uitkering ontstaat evenwel een regeling die vergelijkbaar is met een middelloonregeling. De aan te kopen middelloonaanspraken moeten binnen de kaders van hoofdstuk IIB van de Wet LB blijven. Premieovereenkomsten waarbij de premie direct wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering, maken gebruik van elementen van zowel het middelloon- als het beschikbare-premiestelsel. Dit in tegenstelling tot echte uitkeringsovereenkomsten, zoals eindloon- en middelloonregelingen, die direct kunnen worden getoetst aan de kaders van hoofdstuk IIB van de Wet LB. Om de fiscale aanvaardbaarheid buiten twijfel te stellen wijs ik deze regelingen voor zover dat nodig is hierna aan als pensioenregeling.

Ik wijs, voor zover nodig, regelingen met een premieovereenkomst waarbij de premie direct wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering aan als pensioenregeling in de zin van de Wet LB. Hierbij gelden de voorwaarden en bijzonderheden van bijlage III bij dit besluit. De regelingen moeten overigens verder ook voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB.

In de praktijk hanteren verzekeraars van zowel individuele als collectieve pensioenproducten, premieovereenkomsten die niet binnen de huidige kaders van artikel 18a, derde lid, van de Wet LB blijven. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan premieovereenkomsten waarbij de beschikbare premie in afwijking van de grondslagen genoemd in artikel 18a, derde lid, van de Wet LB wordt berekend tegen een rekenrente van 3%. Met deze premies in combinatie met de resultaten uit de belegging streeft men naar de opbouw van een pensioen binnen de maximale fiscale grenzen van een middelloonpensioen.

Een variatie op de hierboven vermelde afwijkende premieovereenkomst is de volgende. Een (pensioen)verzekeraar voert een premieovereenkomst uit. De beschikbaar gestelde premie wordt gebaseerd op de kostprijs van een middelloonpensioen, eventueel bepaald op basis van een doorsneepremie. Ook hier streeft men naar een pensioen dat binnen de fiscaal maximale grenzen van een middelloonstelsel blijft. Hiertoe wordt jaarlijks de premie vastgesteld welke is gebaseerd op de kostprijs van de middelloonregeling die de (pensioen)verzekeraar zou kunnen uitvoeren. Dit impliceert dat een premiepensioeninstelling als bedoeld in artikel 19a, vierde lid, van de Wet LB, voor deze afwijkende premieovereenkomst niet als (pensioen)verzekeraar kan optreden. De gehanteerde rekenrente voor de berekening van de premie is echter soms lager dan 4%, maar volgt jaarlijks de ontwikkeling van de rente welke mede bepalend is voor de hoogte van de kostprijs van de (fictieve) middelloonregeling.

In beide gevallen is het streven om een pensioen op te bouwen dat vergelijkbaar is met een fiscaal maximaal middelloonpensioen. Dit gegeven vormt voor mij aanleiding om de twee beschreven varianten van de afwijkende premieovereenkomst hierna aan te wijzen als pensioenregeling.

Ik wijs regelingen met een premieovereenkomst die maximaal kunnen leiden tot een middelloonpensioen binnen de kaders van hoofdstuk IIB van de Wet LB aan als pensioenregeling in de zin van de Wet LB. Hierbij gelden de voorwaarden en bijzonderheden van bijlage IV bij dit besluit. De regelingen moeten ook overigens voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB.

Ik wijs regelingen met een premieovereenkomst waarbij de premie ten hoogste gelijk is aan de kostprijs van een door de (pensioen)verzekeraar uit te voeren (fictief) middelloonpensioen binnen de kaders van hoofdstuk IIB van de Wet LB aan als pensioenregeling in de zin van de Wet LB. Hierbij gelden de voorwaarden en bijzonderheden van bijlage V bij dit besluit. De regelingen moeten ook overigens voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB.

In het bij besluit van 23 oktober 2007, nr. CPP2007/552M ingetrokken besluit van 1 maart 2004, nr. CPP2003/2813M, heb ik aangegeven dat pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden niet voldoen aan de bepalingen van hoofdstuk IIB van de Wet LB. Bij de fiscale beoordeling van een pensioenregeling moeten de rechten uitgedrukt in euro’s het uitgangspunt zijn. De pensioenuitkeringen moeten ook na de pensioeningangsdatum worden getoetst aan de grenzen van artikel 18a tot en met artikel 18h van de Wet LB. Daarbij zijn andere overschrijdingen dan die zijn genoemd in artikel 18d van de Wet LB niet toegestaan.

In het besluit CPP2003/2813M heb ik de genoemde regelingen tijdelijk aangewezen als pensioenregeling in de zin van de Wet LB. Ik heb daarbij meegedeeld dat ik mijn beleid zou bezien bij de invoering van de PW. Artikel 11 van de PW bepaalt dat de uitkering in het kader van een pensioenovereenkomst wordt vastgesteld in een wettig Nederlands betaalmiddel. Het beleid is daarom bij besluit CPP2007/552M herzien en de aanwijzing uit CPP2003/2813M is daarbij ingetrokken. Deze intrekking van het beleid blijft van kracht, ook na intrekking van het besluit CPP2007/552M met ingang van 1 januari 2014.onderdeel De beleidsherziening geldt ook voor pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden die niet onder de PW vallen. Reden hiervoor is de hierboven vermelde strijdigheid van deze regelingen met de wettelijke bepalingen in de loonbelasting. Daarnaast is een gelijke fiscale behandeling gewenst van alle pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden.

Artikel 12, eerste lid, van de IAPW, bepaalt dat artikel 11 van de PW slechts geldt voor pensioenaanspraken die worden verworven na de inwerkingtreding van laatstgenoemd artikel. Artikel 11 van de PW is in werking getreden op 1 januari 2008. De in het besluit van 1 maart 2004, nr. CPP2003/2813M gegeven tijdelijke aanwijzing blijft daarom van kracht op pensioenaanspraken die tot 1 januari 2008 zijn verworven. Uitkeringen die berusten op aanspraken die zijn verworven vóór 2008 kunnen worden gedaan in beleggingseenheden. Voor zover van toepassing blijven voor deze aanspraken en uitkeringen de voorwaarden gelden van besluit CPP2003/2813M, ook na 1 januari 2008. Deze voorwaarden zijn opgenomen in bijlage VI. Alle uitkeringen die berusten op aanspraken die op of na 1 januari 2008 zijn of worden verworven, moeten worden gedaan in euro’s. De aanspraken zijn anders niet vrijgesteld op basis van hoofdstuk IIB van de Wet LB. Partijen kunnen er voor kiezen om de voor 1 januari 2008 verworven aanspraken met uitkeringen in beleggingseenheden geheel of gedeeltelijk om te zetten in aanspraken op uitkeringen in euro’s. Deze keuze is onherroepelijk. Het omzetten van aanspraken op uitkeringen in euro’s in aanspraken op uitkeringen in beleggingseenheden is naar mijn oordeel met ingang van 1 januari 2008 in strijd met artikel 11 van de PW. Voorts zal een dergelijke omzetting leiden tot toepassing van artikel 19b, eerste lid, onderdeel a, van de Wet LB. De gehele pensioenaanspraak wordt belast omdat het pensioen niet meer voldoet aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB. Zie ook onderdeel 7.1, eerste alinea.

In de Verzamelwet pensioenen 2014 (kamerstukken 33 863) en Belastingplan 2015 (kamerstukken 34 002) is nadere invulling gegeven aan de invoering van een nettopensioenregeling (in de tweede pijler) voor pensioenopbouw over het loon dat ingevolge artikel 18ga van de Wet LB niet tot het pensioengevend loon behoort. De voorwaarden voor de nettopensioenregeling zijn opgenomen in afdeling 5.3B van de Wet IB 2001. De nettopensioenregeling voorziet in een afzonderlijke box 3-vrijstelling voor arbeidsgerelateerd nettopensioen. Voor de vormgeving en begrenzing van de box 3-vrijstelling voor nettopensioen is zo veel mogelijk aangesloten bij de regels voor beschikbare-premieregelingen van hoofdstuk IIB van de Wet LB.

De maximale omvang van de beschikbare premie voor een nettopensioen is geregeld in de artikelen 5.17a, 5.17b en 5.17c van de Wet IB 2001. Daar is bepaald dat de beschikbare premie voor een nettopensioen ten hoogste kan worden bepaald met inachtneming van de uitgangspunten, bedoeld in artikel 18a, derde lid, onderdelen a, b en c, van de Wet LB. In bijlage VII is een staffel opgenomen berekend tegen een rekenrente van 4% welke kan worden gebruikt als staffel die voldoet aan de hiervoor genoemde wettelijke grondslagen.

Voor een nettopensioen wordt in dit besluit zowel een premiestaffel gepubliceerd op basis van een rekenrente van 4% als een premiestaffel op basis van een rekenrente van 3% met een uitkeringsbegrenzing.

Ik wijs regelingen die gebruik maken van de premiestaffel voor de nettopensioenregeling op basis van 4% rekenrente in bijlage VII (tabel 1), aan als pensioenregeling in de zin van afdeling 5.3B, van de Wet IB2001. Het moet gaan om beschikbare-premieregelingen die in overeenstemming zijn met de in die bijlage genoemde voorwaarden en bijzonderheden. De regelingen moeten overigens verder ook voldoen aan de voorwaarden van afdeling 5.3B van de Wet IB 2001.

Ik wijs regelingen die gebruik maken van de premiestaffel voor de nettopensioenregeling op basis van 3% rekenrente in bijlage VII (tabel 2), aan als pensioenregeling in de zin van afdeling 5.3B, van de Wet IB 2001. Het moet gaan om beschikbare-premieregelingen die in overeenstemming zijn met de in die bijlage genoemde voorwaarden en bijzonderheden. De regelingen moeten overigens verder ook voldoen aan de voorwaarden van afdeling 5.3B van de Wet IB 2001.

De staffels, alsmede de geldende voorwaarden en bijzonderheden, zijn opgenomen in bijlage VII.

Ten overvloede merk ik op dat het besluit van 12 februari 2013, nr. BLKB2013/43M met ingang van 1 januari 2015 is vervallen.

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.

Bij de staffels gelden de volgende uitgangspunten:

De staffels zijn collectief en individueel toepasbaar.

Als de AOW-franchise geheel is verwerkt bij de berekening van de pensioengrondslag uit het structurele loon, kunnen partijen de premiepercentages rechtstreeks toepassen op incidentele beloningen. Bij een gedeeltelijke verwerking van de franchise moet men het nog niet in aanmerking genomen deel hiervan verrekenen bij de pensioenopbouw over het incidentele loon.

Partijen kunnen de beschikbare premies uit kolom 4 (OP en direct ingaand bereikbaar PP) alleen hanteren als de pensioenverzekeraar de premies voor de risicoverzekering daadwerkelijk onttrekt aan de ontvangen premie of aan de beleggingswaarde van de pensioenverzekering. Op deze wijze wordt voorkomen dat deze premies ten onrechte worden gebruikt voor opbouw van het OP.

Immers, alleen een opgebouwd PP is beschikbaar voor een eventuele ruil voor OP.

De premies uit de staffels bevatten geen opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Partijen kunnen de premies uit de staffel verhogen met de werkelijke premie voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Deze risicopremies kunnen partijen niet aanwenden voor hogere aanspraken op OP of PP.

Partijen kunnen de premies uit de staffels verhogen met premies voor een arbeidsongeschiktheidspensioen of een nabestaandenoverbruggingspensioen. Uiteraard moeten zij deze risico’s dan ook daadwerkelijk voor die premies verzekeren. Ook deze risicopremies kunnen partijen niet aanwenden voor hogere aanspraken op OP of PP.

De staffels bevatten geen kostenopslag. Partijen kunnen de werkelijke kosten afzonderlijk in rekening brengen. De kosten voor het afdekken van beleggingsrisico, zoals het kopen van een beleggingsgarantie, moeten worden betaald uit de voor pensioen te beleggen netto premie (de netto premie uit de staffel). De vergoeding voor kosten kunnen partijen niet aanwenden voor hogere aanspraken op OP of PP.

Bij een beschikbare-premieregeling mag de premie voor alle werknemers worden uitgedrukt in een vast bedrag of een vast percentage van de pensioengrondslag. Hierbij mogen partijen voor de beoordeling van het vaste bedrag of het vaste percentage uitgaan van de premie voor de leeftijdsklasse 20- tot en met 24-jarigen. Als de jongste werknemer 25 jaar of ouder is, is de premie ten hoogste gelijk aan de premie voor de leeftijdsklasse waartoe de jongste werknemer behoort.

De berekening van de staffels is gebaseerd op de overlevingstafels GBM/GBV 2007/2012 met leeftijdsverlagingen van 5 jaar voor mannen en 6 jaar voor vrouwen. Partijen mogen deze staffels hanteren als de pensioenverzekeraar een levensverzekeringsmaatschappij is die binnen de pensioenverzekering uitgaat van individuele tarieven. Met individueel tarief wordt hier bedoeld: het tarief dat de verzekeraar in individuele gevallen hanteert (het standaardtarief). Als de pensioenverzekeraar en de werkgever na onderhandelingen een van het standaardtarief afwijkend collectief tarief zijn overeengekomen waarbij men uitgaat van lichtere sterftegrondslagen, moet de werkgever de beschikbare-premiepercentages dienovereenkomstig verlagen.

Pensioen wordt tijdsevenredig opgebouwd. Partijen mogen voor de opbouw in een maand en voor de premie over (een deel van) die maand uitgaan van de leeftijd van de werknemer aan het einde van de maand.

Een pensioenregeling kan de mogelijkheid bieden om de in een jaar niet gebruikte beschikbare-premieruimte in een later jaar in te halen. De niet gebruikte premieruimte moet dan in euro’s worden vastgesteld. Werkgever en werknemer mogen die premie in enig later jaar alsnog storten. De werknemer mist dan het rendement over de inhaalpremie dat in de tussenliggende jaren had kunnen worden behaald. Daarom mogen partijen de inhaalpremie vermenigvuldigen met een samengestelde intrestfactor van 1,04 voor elk jaar gelegen tussen het einde van het in te halen jaar en de aanvang van het jaar waarin de inhaal plaatsvindt. De Belastingdienst heeft voor de inhaal van niet-gebruikte premieruimte een handreiking gepubliceerd op www.belastingdienstpensioensite.nl.

Pensioenregelingen die gebruik maken van de staffels van deze bijlage zijn in onderdeel 3.3 onder voorwaarden aangewezen als pensioenregeling in de zin van de Wet LB. Deze aanwijzing berust op artikel 19d, onderdeel a, van de Wet LB. Zoals aangegeven in onderdeel 2.1 zijn de aanwijzingen van het besluit echter niet van toepassing op pensioenregelingen als bedoeld in artikel 18h, eerste lid, van de Wet LB. De staffels van deze bijlage zijn daarom niet toepasbaar als het pensioen geheel of gedeeltelijk is verzekerd bij een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet LB (eigen beheer).

Als partijen in de pensioenregeling lagere ambitieniveaus zijn overeengekomen dan de fiscale maxima die gelden voor middelloonregelingen moeten zij de premiepercentages uit de staffels evenredig daarmee verlagen.

Voorwaarden en bijzonderheden bij de aanwijzing:

Voorwaarden en bijzonderheden bij de aanwijzing:

De voorwaarden a tot en met d zijn uitgewerkt in de navolgende staffels:

De berekeningsgrondslagen van deze staffels zijn, afgezien van de rekenrente, gelijk aan de berekeningsgrondslagen en voorwaarden van de staffels zoals opgenomen in bijlage I. Het zijn netto-staffels op basis van een rekenrente van 3%. De tabellen 2 en 3 zijn van toepassing als partijen gebruik maken van artikel 10aa van het UBLB 1965. Tabel 2 geldt bij een opbouw op basis van 1,701% middelloon en tabel 3 bij een opbouw op basis van 1,788% middelloon. Beide opbouwpercentages zijn gebaseerd op artikel 10aa van het UBLB 1965.

Deze staffels bevatten geen opslag voor kosten en ook geen opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Partijen kunnen de werkelijke kosten of premie afzonderlijk in rekening brengen. De vergoeding voor kosten of premie kunnen partijen niet aanwenden voor hogere aanspraken op OP of PP.

Voorwaarden en bijzonderheden bij de aanwijzing:

Bij de berekening van de per vervallen termijn verschuldigde uitkering in geld mag worden uitgegaan van de waarde van een beleggingseenheid op een vaste peildatum in de maand van betaling respectievelijk in de voorafgaande maand.

Ook is het toegestaan de uitkeringen in geld bij aanvang van een verzekeringsjaar vast te stellen en deze uitkering gedurende dat jaar als een vaste uitkering te hanteren. Hierbij moet de hoogte van de uitkering in geld worden bepaald op basis van de werkelijke waarde van een beleggingseenheid per een vaste peildatum in een van de laatste twee maanden voorafgaand aan het verzekeringsjaar. De afwijkingen tussen de voor de uitkering te onttrekken beleggingseenheden en de overeengekomen uitkering in beleggingseenheden worden alsdan rechtgetrokken bij de herrekening van de waarde van een beleggingseenheid voor het op het betreffende verzekeringsjaar volgende verzekeringsjaar.

Overgangsregeling: aanwijzing oude regelingen

Het bovenstaande geldt niet voor uitkeringen die vóór 1 juni 2004 zijn ingegaan en die berusten op een regeling met uitkeringen in beleggingseenheden waarop de wetgeving van toepassing is zoals die luidde vóór 1 juni 1999. Deze reeds ingegane regelingen behoeven niet te worden aangepast aan de voorwaarden van dit besluit. Voor zover nodig zijn deze regelingen, in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het besluit van 1 maart 2004, nr. CPP2003/2813M zonder voorwaarden aangewezen als zuivere pensioenregelingen met toepassing van artikel 11, vijfde lid, van de Wet LB (tekst per 1 januari 1999).

Uitgangspunten:

Bij de staffels gelden de volgende uitgangspunten: