Wet · BWBR0037521

Erfgoedwet

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 9 december 2015, houdende bundeling en aanpassing van regels op het terrein van cultureel erfgoed (Erfgoedwet)ErfgoedwetWij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wetgeving op het terrein van cultureel erfgoed te bundelen, te structureren en te vereenvoudigen, en tevens om onder meer de omgang met museale collecties wettelijk vorm te geven, het vervreemden van cultuurgoederen in bezit van overheden te regelen en het stelsel van kwaliteitsborging in de archeologie te moderniseren;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te Wassenaar9 december 2015Willem-AlexanderDe Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M.Bussemakerde achttiende december 2015De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van derSteur

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

De bepalingen van hoofdstuk 5 zijn van toepassing in de aansluitende zone, bedoeld in artikel 1 van de rijkswet instelling aansluitende zone.

Onze Minister brengt ten minste eenmaal in de vier jaar een wetenschappelijk rapport uit, waarin de ontwikkeling van de staat van het cultureel erfgoed in Nederland wordt beschreven.

Onze Minister wie het aangaat, een college van staat of een instelling zorgt dat museale cultuurgoederen van de Staat in beheer in goede staat zijn.

Onze Minister wie het aangaat, een college van staat of een instelling bevordert de toegankelijkheid van museale cultuurgoederen van de Staat in beheer.

Onze Minister wie het aangaat, een college van staat of een instelling zorgt voor:

Onze Minister wie het aangaat of een college van staat beëindigt het beheer van een museaal cultuurgoed van de Staat of het verstrekken van middelen aan een instelling ten behoeve daarvan slechts na overleg met Onze Minister.

De bewaarder van het kadaster en de openbare registers doet binnen veertien dagen mededeling van een wijziging in de kadastrale aanduiding van een rijksmonument aan Onze Minister, die deze wijziging overneemt in het rijksmonumentenregister.

Ingeval het rijksmonumentenregister niet gelijkluidend is aan een afschrift van dat register in de openbare registers, bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken, bepaalt het afschrift in de openbare registers of een monument of archeologisch monument wordt aangemerkt als rijksmonument.

Onze Minister kan ambtshalve besluiten een rijksmonument tezamen met cultuurgoederen aan te wijzen als ensemble, indien het geheel van rijksmonument en de cultuurgoederen in onderlinge samenhang van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis is.

Als cultuurgoederen als bedoeld in artikel 6.1, onder c, en artikel 2, onder 1, van Richtlijn 2014/60/EU van het Europees parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (PbEU 2014, L 159) worden voor Nederland aangewezen:

In deze paragraaf wordt verstaan onder handeling: handeling als bedoeld in artikel 4.4, onder a tot en met g.

De eigenaar van een beschermd cultuurgoed deelt degene aan wie hij het cultuurgoed vervreemdt of aan wie hij met betrekking tot het cultuurgoed rechten verleent vooraf mee dat het cultuurgoed is aangewezen als beschermd cultuurgoed.

Degene die een beschermd cultuurgoed onder zich heeft, toont het desgevraagd aan de inspecteur en meldt deze onverwijld de vermissing of het tenietgaan van het cultuurgoed.

Zonder voorafgaande schriftelijke melding aan de inspecteur is het verboden een beschermd cultuurgoed:

De artikelen 4.9 en 4.10 zijn niet van toepassing indien Onze Minister bij het aanvoeren van bedenkingen een mededeling heeft gedaan als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid.

De in artikel 4.10, vierde lid, bedoelde termijn wordt opgeschort, zolang over een aanbod van de Staat tot aankoop van een beschermd cultuurgoed:

Onze Minister treedt onverwijld na aanvang van de termijn, bedoeld in artikel 4.10, vierde lid, met de eigenaar in onderhandeling over de koopprijs en de overige verkoopvoorwaarden.

Over een besluit tot vervreemding van een cultuurgoed of verzameling wordt door Onze Minister, gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders of het bevoegde orgaan van een andere publiekrechtelijke rechtspersoon advies gevraagd aan een commissie van onafhankelijke deskundigen, indien:

De commissie adviseert over de vraag of de voorgenomen vervreemding een cultuurgoed of verzameling betreft van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis dat of die onvervangbaar en onmisbaar is voor het Nederlands cultuurbezit.

Indien het advies van de commissie de strekking heeft dat het een cultuurgoed of verzameling betreft van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis dat of die onvervangbaar en onmisbaar is voor het Nederlands cultuurbezit, wordt daarvan, onder toezending van een afschrift van het advies, aan Onze Minister melding gedaan door gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders of het bevoegde orgaan van een andere publiekrechtelijke rechtspersoon ten minste dertien weken voordat wordt overgegaan tot vervreemding aan een andere partij dan de Staat, een provincie, gemeente of andere publiekrechtelijke rechtspersoon.

Een certificerende instelling verstrekt een certificaat slechts indien de aanvrager voldoende aantoont opgravingen en de daarbij behorende handelingen, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, op professionele wijze te zullen verrichten.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:

Een archeologische vondst die is aangetroffen bij een opgraving en waarop niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen, is eigendom van:

Degene die bij het opsporen van archeologische monumenten, zonder het verrichten van een opgraving, waarnemingen doet, waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat die waarnemingen van belang zijn voor de archeologische monumentenzorg, meldt die waarnemingen zo spoedig mogelijk bij Onze Minister.

Onze Minister kan regels stellen over de wijze waarop een melding als bedoeld in artikel 5.6, 5.10 of 5.11 plaatsvindt.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Het is verboden een cultuurgoed binnen Nederland te brengen dat:

Van een cultuurgoed dat in strijd met het verbod, bedoeld in artikel 6.3, binnen Nederland is gebracht, kan met inachtneming van de artikelen 1011a tot en met 1011d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering teruggave worden gevorderd door de verdragsstaat waaruit het cultuurgoed afkomstig is of door de rechthebbende op dat cultuurgoed.

Deze paragraaf is niet van toepassing, wanneer de schending van de in artikel 6.3, onder a, bedoelde bepalingen dan wel de in artikel 6.3, onder b, bedoelde ontvreemding vóór 1 juli 2009 heeft plaatsgevonden.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Het is verboden om een cultuurgoed dat afkomstig is uit een bezet gebied Nederland binnen te brengen of in Nederland onder zich te houden.

Onze Minister kan ten behoeve van het behoud van cultureel erfgoed subsidie verstrekken.

Onze Minister verstrekt subsidie aan een instelling die is belast met een taak als bedoeld in artikel 2.8 voor de zorg voor het beheer van museale cultuurgoederen van de Staat of andere cultuurgoederen.

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt ten behoeve van een rijksmonument in ieder geval geen subsidie verleend indien voor de werkzaamheden waarvoor subsidie wordt gevraagd een lening op grond van artikel 7.8 is verstrekt en de werkzaamheden waarvoor de lening is verstrekt nog niet zijn afgerond.

Onze Minister is belast met de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet. Deze taak omvat:

Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.

Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de bij besluit door Onze Minister aangewezen inspecteurs en andere bij besluit van Onze Minister daartoe aangewezen ambtenaren.

Van een besluit als bedoeld in artikel 8.3 of artikel 8.4, eerste lid, onder a, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Besluiten tot inbewaringneming van cultuurgoederen op grond van de Wet tot teruggave cultuurgoederen afkomstig uit bezet gebied of de Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 inzake onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen worden geacht te zijn genomen op grond van deze wet.

Na de inwerkingtreding van deze wet berusten de volgende regelingen op artikel 7.7, eerste lid, van deze wet:

Wijzigt de Algemene douanewet.

Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.

Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 3.

Wijzigt de Comptabiliteitswet 2001.

Wijzigt de Crisis- en herstelwet.

Wijzigt de Ontgrondingenwet.

Wijzigt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.

Wijzigt de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.

Wijzigt de Wet milieubeheer.

Wijzigt de Wet op de economische delicten.

Wijzigt de Wet op het specifiek cultuurbeleid.

Wijzigt de Wet tot oprichting van de naamloze vennootschap De Nederlandse Munt N.V.

Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Wijzigt de Wet waardering onroerende zaken.

Wijzigt de Monumentenwet 1988.

Deze wet wordt aangehaald als: Erfgoedwet.

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.