Wijzigingen Officiële bron
Beleidsregels Buitengewoon OpsporingsambtenaarBeleidsregels Buitengewoon OpsporingsambtenaarDe Minister van Veiligheid en Justitie,namens deze,J.G.Vegter,Directeur-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving

In de strafrechtelijke handhaving van de lokale veiligheid, leefbaarheid en de naleving van (specialistische) regels is een belangrijke rol weggelegd voor buitengewoon opsporingsambtenaren (hierna: boa’s). Het doel van het boa-beleid is om de kwaliteit van de strafrechtelijke handhaving door de boa’s te borgen en te verbeteren zodat boa’s deze belangrijke rol op een kwalitatief goede wijze kunnen invullen. Het boa-bestel vormt het kader waarbinnen deze professionalisering van de boa plaatsvindt. Deze Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar maken onderdeel uit van dit boa-bestel.

De uitvoering en de handhaving van met name bijzondere wetgeving en verordeningen van provincies, gemeenten en waterschappen, is opgedragen aan een scala aan publiekrechtelijke en aan een beperkt aantal privaatrechtelijke organisaties. Indien nodig kan aan werknemers1 van zo’n organisatie opsporingsbevoegdheid worden toegekend. Zij zijn dan boa. Daarvoor is nodig dat betrokkene beschikt over een titel van opsporingsbevoegdheid, over de vereiste bekwaamheid en betrouwbaarheid, en over een akte van beëdiging (zie artikel 2 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna ook: BBO). De titel van opsporingsbevoegdheid wordt verleend door de Minister van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 142 eerste lid, onder a en b, en derde lid van het Wetboek van Strafvordering of bij of krachtens een bijzondere wet of (decentrale) verordening. Voor economische delicten wordt de titel verleend door de Minister van Justitie en Veiligheid, in overeenstemming met de minister wie het aangaat, op grond van artikel 17, eerste lid, onder 2°, van de Wet op de Economische Delicten.

De Minister van Justitie en Veiligheid verleent een titel van opsporingsbevoegdheid indien de noodzaak voor (extra) opsporingsbevoegdheid is aangetoond en de betreffende persoon heeft voldaan aan de betrouwbaarheidseis en bekwaamheidseis. Deze toekenning geschiedt formeel tijdens de beëdiging van een persoon als boa door of namens de Minister van Justitie en Veiligheid.

De Minister van Justitie en Veiligheid kan bepalen dat een boa geweld of vrijheidsbeperkende middelen kan gebruiken en bevoegd is tot veiligheidsfouillering, vervoersfouillering en insluitingsfouillering (zie artikel 7, negende lid, Politiewet 2012), in deze beleidsregels aangeduid als politiebevoegdheden. Ook kunnen aan een boa vrijheidsbeperkende middelen of geweldmiddelen worden toegekend. Onder geweldmiddelen worden in deze beleidsregels verstaan: wapenstok, pepperspray, vuurwapen en surveillancehond (gecertificeerde diensthond). Onder vrijheidsbeperkende middelen worden in deze beleidsregels verstaan: handboeien2.

Met het scala aan organisaties belast met de uitvoering en handhaving van een grote variëteit aan wettelijke regelingen is de diversiteit van boa's een gegeven. Niet alleen het werkveld van boa's is divers. Aangezien bevoegdheden op maat worden toegekend, variëren deze evenzeer. De boa heeft in de regel beperkte opsporingsbevoegdheid die is gerelateerd aan zijn functie en taakomschrijving. De boa wordt ingezet daar waar opsporing door de politie niet gewenst, vanwege prioritering, of niet mogelijk is vanwege onvoldoende deskundigheid of capaciteit bij de politie.

Een boa is dus in beginsel geen integrale handhaver met algemene opsporingsbevoegdheid die concurreert met de politie. Immers, de boa zou dan een vierjarige politieopleiding moeten hebben gevolgd om te beschikken over dezelfde bekwaamheid. De boa heeft een specifieke, afgebakende taak waarvoor hij gericht opgeleid kan worden.

Het bovenstaande in aanmerking genomen is een boa een functionaris die uit hoofde van zijn taak, in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag, in overeenstemming met de geldende rechtsregels en met behulp van de hem daartoe beschikbaar gestelde bevoegdheden en middelen, zorgdraagt voor de opsporing van strafbare feiten alsmede met de voorbereiding van de eventuele vervolging van deze feiten.

In overheidsdienst

Gelet op de grote impact die het gebruik van opsporingsbevoegdheid en geweldmiddelen op burgers en ondernemingen kan hebben blijven deze bevoegdheden een privilege dat voorbehouden is aan de overheid. Dit betekent dat boa’s in beginsel in bezoldigde dienst moeten zijn van een publiekrechtelijk rechtspersoon of een privaatrechtelijk rechtspersoon die voldoet aan de navolgende voorwaarden:

Bezoldiging

De bezoldiging is het salaris of loon dat de boa krijgt van de overheidswerkgever in het kader van een publiekrechtelijke aanstelling (of een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst) en dat voortvloeit uit de inschaling van de boa. Een enkele onkostenvergoeding of andere financiële tegemoetkomingen worden dus niet opgevat als bezoldiging.

Uitzonderingen

Op het hiervoor beschreven algemene uitgangspunt dat boa’s in (a) bezoldigde dienst moeten zijn van (b) een overheidsorgaan zijn vier uitzonderingen mogelijk.

Criteria toekenning opsporingsbevoegdheid: noodzaakcriterium

Conform het BBO wordt een titel van opsporingsbevoegdheid verleend dan wel verlengd indien daartoe noodzaak bestaat en de boa betrouwbaar en bekwaam is.5Er is voldaan aan het noodzaakcriterium wanneer naar het oordeel van de Minister van Justitie en Veiligheid, de opsporingsbevoegdheid noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van de betreffende persoon of de dienst waarbij deze werkzaam is, en een beroep op de politie voor het uitoefenen van opsporingsbevoegdheden bezwaarlijk, niet mogelijk of niet wenselijk is. 6 Over de noodzaak voor toekenning van (extra) opsporingsbevoegdheid wordt door de boa-werkgever advies gevraagd aan de direct toezichthouder en toezichthouder als bedoeld in artikel 1, vierde lid, BBO. Zie ook paragraaf 3.5 Toezicht op boa’s.

In Domein I Openbare Ruimte geldt een afwijkende procedure voor zover het gaat om een aanvraag van gemeenten tot uitbreiding van het aantal boa’s. Hier vindt de toetsing op noodzaak plaats in de lokale driehoek.7

Het noodzaakcriterium wordt ook gehanteerd voor de toekenning van politiebevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen en geweldmiddelen.

Criteria toekenning politiebevoegdheden en vrijheidsbeperkende middelen

Voor de toekenning van de politiebevoegdheden van artikel 7, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012 de toekenning van vrijheidsbeperkende middelen van artikel 7, eerste lid van de Politiewet 2012, gelden de volgende criteria:

Criteria toekenning geweldmiddelen

Het toepassen van geweld met gebruik van een geweldmiddel is een bevoegdheid die in beginsel alleen toekomt aan de Staat. Als de noodzaak aannemelijk is voor een goede uitoefening van de taak van de boa kunnen onder voorwaarden geweldmiddelen worden toegekend aan de boa. Mede vanuit de doelstelling van de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) wordt een restrictief beleid gehanteerd. Het toekennen van geweldmiddelen aan een boa geschiedt slechts als de noodzaak hiertoe door de aanvrager aannemelijk is gemaakt en indien de bekwaamheid van de boa in de omgang met het betreffende wapen is aangetoond (zie ook artikel 5, eerste lid, Regeling wapens en munitie, hierna: Rwm).

Elke aanvraag tot het toekennen van geweldmiddelen wordt afzonderlijk beoordeeld aan de hand van de onderstaande criteria a) tot en met d). Geweldmiddelen kunnen slechts worden toegekend op basis van de bevoegdheden en taak van de boa zoals vastgelegd in de akte en kunnen slechts worden gebruikt volgens de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren. Het toekennen van een geweldmiddel gebeurt in het kader van een adequate en veilige taakuitvoering door de boa. Immers, om een taak goed uit te kunnen voeren, dient dit ook veilig te gebeuren. Geweldmiddelen kunnen onder meer worden ingezet voor de bescherming van de boa als hij onvoorzien (en ongewenst) in een situatie met gevaarzetting terechtkomt.

De minister betrekt bij zijn beoordeling de adviezen van de toezichthouder en de direct toezichthouder. Deze adviezen strekken zich uit over de hieronder genoemde criteria.

De criteria:

Pilots toekenning geweldmiddelen

In gevallen waarin tijdelijk onderzocht dient te worden of andere of zwaardere bewapening noodzakelijk is voor boa’s, kan door het Ministerie van Justitie en Veiligheid, gehoord de adviezen van de toezichthouder en de direct toezichthouder, voor een bepaalde periode in afwijking van criterium a) een geweldmiddel worden toegekend, mits voldaan wordt aan de criteria b) tot en met d).

Duur van de toekenning geweldmiddelen

De toekenning van geweldmiddelen geldt voor maximaal 5 jaar. Dat betekent dat deze ook voor een kortere periode kunnen worden toegekend. Voor tijdelijke toekenning moet net als voor de maximale duur van 5 jaar ook worden voldaan aan de criteria zoals opgenomen in deze paragraaf.

Een toekenning van geweldmiddelen in het kader van een pilot, zoals eerder beschreven is maximaal voor de duur van twee jaar.

Bijlage A

In bijlage A staan de politiebevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen en de geweldmiddelen nader omschreven inclusief aanvullende toekenningseisen per geweldmiddel.

Voordat iemand kan worden aangewezen als boa, wordt zijn betrouwbaarheid getoetst. Artikel 17 van het BBO bepaalt dat een persoon als betrouwbaar kan worden aangemerkt indien hij van onbesproken gedrag is.

De betrouwbaarheid wordt periodiek getoetst. Dit is in elk geval iedere vijf jaar bij een aanvraag voor verlenging van de titel van opsporingsbevoegdheid. Het is mogelijk om frequenter te toetsen, of om in incidentele gevallen gericht informatie op te vragen.

Het oordeel over de betrouwbaarheid wordt zowel bij de initiële aanvraag als bij de verlengingsaanvraag in beginsel gebaseerd op de overgelegde Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) of in gevallen waarin dat vereist is met een VOG-politiegegevens (VOG-P). Bij het beoordelen van de betrouwbaarheid op basis van de VOG of de VOG-P wordt justitiële en politiële informatie betrokken. Er is een specifiek screeningsprofiel voor (buitengewoon) opsporingsambtenaren aan de hand waarvan de screening plaatsvindt.8 Ter aanvulling op de VOG kan advies worden gevraagd aan de toezichthouder en/of de direct toezichthouder. Het uiteindelijke oordeel over de betrouwbaarheid van de boa baseert de Minister van Justitie en Veiligheid op de overgelegde VOG of VOG-P en, indien van toepassing, op eventuele aanvullende politiële informatie.

Daarnaast is het altijd mogelijk om de betrouwbaarheid tussentijds te toetsen. Mocht bij deze tussentijdse toetsing twijfels bestaan omtrent de betrouwbaarheid of blijken dat de boa niet meer betrouwbaar is, dan kan de bevoegdheid worden opgeschort of ingetrokken. Of de boa nog betrouwbaar is wordt vastgesteld aan de hand van de justitiële documentatie of politiële informatie afkomstig van de toezichthouder en/of de direct toezichthouder. Bij verstrekking van deze informatie kan advies worden gevraagd aan de toezichthouder en/of de direct toezichthouder. Ook feiten die (nog) niet tot strafrechtelijke vervolging hebben geleid worden meegenomen bij het bepalen of de boa nog betrouwbaar kan worden geacht.

Indien wordt vastgesteld dat bij de (beoogde) boa de betrouwbaarheid voor de uitvoering van opsporingsbevoegdheden niet (meer) aanwezig is, worden de betrokkene, zijn werkgever, de toezichthouder en de direct toezichthouder hiervan op de hoogte gesteld. Aan betrokkene wordt geen akte van beëdiging en titel van opsporingsbevoegdheid verleend. In het geval deze al aan hem waren verleend, vervalt de opsporingsbevoegdheid met ingang van de dag na de datum waarop is vastgesteld dat de betrouwbaarheid voor de uitvoering van opsporingsbevoegdheden niet meer aanwezig is. Wordt er overgegaan tot schorsing of intrekking van de opsporingsbevoegdheid, dan dienen de akte en legitimatiebewijzen door de werkgever te worden ingenomen en in bewaring worden gegeven bij de direct toezichthouder. Eventuele geweldmiddelen dienen zonder tussenkomst van anderen bij de direct toezichthouder in bewaring te worden gegeven.

Uit artikel 2 BBO volgt dat een boa slechts bevoegd kan zijn als hij bekwaam is. Artikel 16, eerste lid, BBO bepaalt dat iemand beschikt over bekwaamheid als hij de daarvoor vastgestelde basiskennis en vaardigheden bezit. Het tweede lid stelt dat ten aanzien van categorieën boa’s aanvullende bekwaamheidseisen kunnen worden gesteld in de vorm van een verzwaard examen of een opleidingsprogramma.

Basisbekwaamheid

Het basisexamen en de permanente her- en bijscholing in domein I, II, III en IV worden geëxamineerd onder auspiciën van de Stichting Exameninstelling Toezicht en Handhaving (Stichting ExTH).

Indien men slaagt voor het algemene basisexamen buitengewoon opsporingsambtenaar ontvangt men een ‘getuigschrift boa’, ondertekend door de voorzitter van de Examencommissie buitengewoon opsporingsambtenaar namens de Minister van Justitie en Veiligheid. De (beoogd) boa wordt op een aantal elementen getoetst om te bezien of hij over de basiskennis en basisvaardigheden beschikt. Het basisexamen moet in beginsel elke vijf jaar met goed gevolg worden afgelegd, tenzij in het domein sprake is van een systeem van permanente her- en bijscholing. Het examen wordt afgenomen onder verantwoordelijkheid van de door de Stichting ExTH ingestelde Examencommissie buitengewoon opsporingsambtenaar op basis van het door de Stichting ExTH opgestelde examenreglement. Dit reglement is gepubliceerd op www.exth.nl.

Het getuigschrift boa is vijf jaar geldig. Indien men binnen één jaar na het behalen van het getuigschrift een titel van opsporingsbevoegdheid aanvraagt, dan geldt de aanwijzingsperiode van vijf jaar vanaf de datum die op de akte van beëdiging staat vermeld. Vraagt men later dan één jaar na het behalen van het getuigschrift als boa een titel van opsporingsbevoegdheid aan, dan geldt echter een maximale aanwijzingsperiode tot vijf jaar na de datum die op het getuigschrift staat vermeld.

Bij overgang van de boa naar een nieuwe werkgever kan op aanvraag een nieuwe titel van opsporingsbevoegdheid worden verleend waarbij het getuigschrift zijn geldigheid behoudt. Ten aanzien van de duur van de nieuwe titel wordt uitgegaan van de resterende geldigheidsduur van de titel die eerder op basis van het nog geldige getuigschrift is verleend. Daarna moet de boa, voor de verlenging of vernieuwing van de titel van opsporingsbevoegdheid, opnieuw het getuigschrift behaald hebben (of, indien er in het domein sprake is van permanente her- en bijscholing, de bijbehorende certificaten). Indien een boa bij een overgang van werkgever ook overgaat naar een nieuw domein, dan dient de boa te voldoen aan de specifieke opleidingseisen van dit domein.

Indien in het domein sprake is van permanente her- en bijscholing geldt ten aanzien van het basisexamen boa het volgende. Het basisexamen geldt als basis in die zin dat hiermee enkel gedurende de geldigheid van het getuigschrift een akte kan worden verkregen. Na afloop van de geldigheid van het getuigschrift boa is het niet mogelijk opnieuw het basisexamen te doen en op basis daarvan een nieuwe akte aan te vragen. Voor verlenging van de akte of voor een nieuwe akte moet dan zijn voldaan aan de eis van permanente her- en bijscholing. Dit geldt ook voor boa’s die worden ingehuurd. Echter, wanneer een akte wordt aangevraagd en de laatste akte is langer dan vijf jaar geleden verlopen, wordt verondersteld dat de basis opnieuw moet worden aangeleerd en is het voor het verkrijgen van een nieuwe akte van opsporingsbevoegdheid noodzakelijk opnieuw het basisexamen boa af te leggen.

Basisbekwaamheidseisen gerelateerd aan de opsporingsbevoegdheid

De boa dient zich bewust te zijn van het type rechtsregels bij de uitvoering en handhaving waarmee hij belast is. Kennis van een aantal begrippen uit het staatsrecht is daartoe vereist.

De boa dient te functioneren binnen de voor zijn opsporingstaak vastgestelde wettelijke kaders. Dit vereist deskundigheid betreffende de organisatie van het opsporingsapparaat en meer in het bijzonder betreffende de eigen positie daarbinnen.

De wettelijk voorgeschreven samenwerking met de politie verlangt enige kennis van de taken en de organisatie van de politie.

De boa moet handelen overeenkomstig de door hem afgelegde eed of belofte, en dient zich bewust te zijn van zijn publieke taak, onder meer door het proces-verbaal volledig en naar waarheid op te maken.

De boa dient de hem toegekende bevoegdheden binnen het opsporingsonderzoek juist toe te passen. Kennis van zijn strafvorderlijke bevoegdheden, de grondrechten waarop deze een inbreuk maken en de algemene bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht is daartoe noodzakelijk. Enkele begrippen uit het privaatrecht zijn binnen het kader van het toepassen van opsporingsbevoegdheden eveneens van betekenis. Hetzelfde geldt voor een aantal wettelijke regels die de boa dan wel zijn handelen beschermen.

Van de boa wordt verlangd dat hij opgespoorde strafbare feiten kan afhandelen middels het opmaken van een proces-verbaal dat kan leiden tot vervolging en behandeling ter terechtzitting. Kennis van de wettelijke eisen die aan het proces-verbaal worden gesteld, is onontbeerlijk. In dit verband dient een boa een verdachte adequaat te kunnen informeren over de mogelijke gevolgen van een proces-verbaal. Dit vergt voldoende vaardigheid in gespreks- en benaderingstechnieken en vereist enige kennis van de taken en de organisatie van de rechterlijke macht.

In bijlage C is het Examenplan Basisbekwaamheid opgenomen.

Voor veel boa’s zal verdieping en verbreding van de hierboven geformuleerde eisen noodzakelijk zijn om binnen het eigen werkverband adequaat te kunnen functioneren. De Minister van Justitie en Veiligheid kan op grond van artikel 16, tweede lid, BBO aanvullende bekwaamheidseisen stellen aan boa’s. De boa-werkgever kan tevens aanvullende eisen van vakbekwaamheid stellen aan de eigen boa’s en hen daarop (doen) examineren.

Aanvullende bekwaamheidseisen gerelateerd aan de opsporingsbevoegdheid

Alle boa’s dienen te voldoen aan de basisbekwaamheidseis zoals in de vorige paragraaf omschreven. Het kan evenwel wenselijk zijn dat bepaalde categorieën van boa’s voldoen aan aanvullende bekwaamheidseisen in verband met de complexiteit van de opsporing. Hierbij kan worden gedacht aan boa’s die werk uitvoeren dat specialistische kennis vereist of plaatsvindt in een relatief ingewikkelde handhavingsomgeving. Daarbij wordt de rol van de boa in de strafrechtelijke handhaving steeds groter en daarmee ook de wens om te komen tot een uniforme kwaliteit van de handhaving door de boa’s. Aanvullende bekwaamheidseisen die gesteld kunnen worden aan boa’s zijn onder andere de eis dat een verzwaard boa-examen dient te worden afgelegd, dan wel de eis dat een opleidingsprogramma moet worden doorlopen.

Bij het opleidingsprogramma is het mogelijk dat na het behalen van de basis-bekwaamheidseis een boa beëdigd wordt, zodat de boa gedurende het aanvullend opleidingsprogramma reeds gebruik kan maken van opsporingsbevoegdheden. Op die manier wordt duaal leren mogelijk.

De Minister van Justitie en Veiligheid bepaalt in welke gevallen een verzwaard examen dan wel een aanvullend opleidingsprogramma nodig is voor het verkrijgen van opsporingsbevoegdheden. Per domein is aangegeven of, en zo ja, welke aanvullende opleidingseisen gesteld zijn. De keuze om te komen tot aanvullende opleidingseisen en de invulling hiervan komt tot stand in nauw overleg met betrokken boa-werkgevers, direct toezichthouders en toezichthouders. Of wordt voldaan aan de aanvullende bekwaamheidseisen wordt bepaald door de examencommissie.

Een opleidingscommissie waarin toezichthouders, direct toezichthouders en werkgevers zijn afgevaardigd kan in het leven worden geroepen om namens de toezichthouder toe te zien op de inhoud en kwaliteit van een aanvullende opleiding.

Samengevat dient bij een aanvraag voor een titel van opsporingsbevoegdheid, dan wel een verlenging of wijziging hiervan, afhankelijk van welke bekwaamheidseisen gelden voor het betreffende domein, altijd te worden overgelegd:

De wijze waarop een buitengewoon opsporingsambtenaar binnen de eigen werkorganisatie dient te functioneren alsmede de persoonskenmerken en de beroepshouding en de voor het beroep benodigde kennis waarover hij dient te beschikken, zijn divers. Eén en ander is een verantwoordelijkheid van de werkgever van de buitengewoon opsporingsambtenaar.

Ontheffing van de bekwaamheidseis

Uitgangspunt is dat zowel bij een eerste aanvraag als bij een aanvraag tot verlenging van aanwijzing als boa aan de bekwaamheidseis moet worden voldaan. Ingevolge artikel 16, derde lid, van het BBO kan van de bekwaamheidseis ontheffing worden verleend, indien de bekwaamheid voor het uitoefenen van de opsporingsbevoegdheid op andere wijze blijkt. Voor alle ontheffingen geldt, dat boa’s hier niet automatisch ‘recht’ op hebben. De werkgever dient de ontheffing te allen tijde te ondersteunen en aan te vragen.

De ontheffingsgronden staan beschreven in bijlage H van deze beleidsregels. Eventuele specifieke ontheffingsgronden voor aanvullende opleidingen staan beschreven in de betreffende domeinen.

Bekwaamheidseisen politiebevoegdheden, vrijdheidsbeperkende middelen en geweldmiddelen

Tijdens het uitoefenen van zijn opsporingsbevoegdheden is de boa gehouden aan de regels van het Wetboek van Strafvordering en het BBO en voor economische delicten (ook) aan de Wet op de economische delicten. Indien hem politiebevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen dan wel geweldmiddelen zijn toegekend, dient hij zich tevens te gedragen overeenkomstig de regels van de Politiewet 2012, de WWM alsmede de Ai. Artikel 4, onder b, Ai bepaalt dat het gebruik van een geweldmiddel of vrijheidsbeperkend middel slechts is toegestaan door een ambtenaar die in het gebruik van dat geweldmiddel of vrijheidsbeperkend middel is geoefend. Voorts bepaalt artikel 5 Rwm dat de boa slechts met een wapen kan worden uitgerust indien de noodzaak van het dragen van dat wapen aannemelijk wordt gemaakt en de bekwaamheid van de boa met het wapen is aangetoond. Daarbij moet de boa die één of meer politiebevoegdheden heeft ofwel politiebevoegdheden en een vrijheidsbeperkend middel of één of meer geweldmiddelen, voldoen aan de eisen zoals gesteld in de RTGB. In de RTGB worden regels gesteld inzake de toetsing van boa’s met betrekking tot geweldsbeheersing, aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden en de schietvaardigheid.9

Verlenging titel van opsporingsbevoegdheid

Bij de verlenging van de titel van opsporingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6 van het BBO wordt getoetst of de boa tijdig heeft voldaan aan alle tot aan het moment van aanvraag van de verlenging verplichte bekwaamheidseisen.

Inwerkingtredingstermijn wijzigingen eindtermen

De eisen voor de bekwaamheid zijn vastgelegd in de vorm van eindtermen, competentieprofielen of opleidingseisen. Wijzigingen ten aanzien van de regelgeving, de eindtermen, competentieprofielen of opleidingseisen kunnen worden opgenomen in de examens vanaf 6 maanden na de inwerkingtreding van de betreffende bepalingen of, indien bekendmaking voor inwerkingtreding plaatsvindt, minimaal 6 maanden na bekendmaking van de betreffende bepalingen. De eindtermen behoeven daarvoor niet te worden gewijzigd.

Stage

Omdat het onder andere mogelijk is om een volledig MBO-diploma te behalen met de opleiding Handhaver Toezicht en Veiligheid aan verschillende Regionale Opleidingscentra (ROC’s), is er de mogelijkheid om stage te lopen als boa. Immers voor het behalen van het diploma is het met goed gevolg afleggen van één of meerdere stages een verplicht onderdeel. De mogelijkheid om als boa stage te lopen geldt voor alle domeinen en kan ook in het kader van een re-integratie traject.

Het lopen van een stage met de status van buitengewoon opsporingsambtenaar is aan onderstaande randvoorwaarden gebonden:

De kwaliteit van de strafrechtelijke handhaving door de boa's dient te worden gemonitord door de toezichthouder en de direct toezichthouder. Dit om twee redenen:

Daar waar een boa opsporingshandelingen verricht, is hij voor dit optreden verantwoording verschuldigd aan de officier van justitie. Vanwege deze gezagsrelatie is er met betrekking tot de regeling van het toezicht over de boa gekozen een hoofdofficier van justitie als toezichthouder aan te stellen. De mogelijke aanwijzingen van de toezichthouder betreffen het functioneren van de boa in meer algemene zin, onder meer gerelateerd aan de eisen van de wet en het BBO.

In de uitoefening van het dagelijks toezicht op de boa met betrekking tot een juiste uitoefening van opsporingsbevoegdheden, een goede samenwerking met de politie, de naleving van de instructie en deels ook het onderricht, is voorzien met de benoeming van een direct toezichthouder: de korpschef van de nationale politie of, in een aantal gevallen, het hoofd van een Rijksdienst met boa’s.

De toezichthouder

Het OM is toezichthouder op de boa's, dat wil zeggen de hoofdofficieren van Justitie van de arrondissementsparketten, het Functioneel Parket (FP), Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) en het Landelijk Parket (LP). Artikel 38 van het BBO stelt dat de toezichthouder er op toe ziet dat de boa zijn taak bij de opsporing naar behoren vervult en de opsporingsbevoegdheden alsmede de politiebevoegdheden op juiste wijze uitoefent. De toezichthouder ziet eveneens toe op een goede invulling van haar adviestaak en de samenwerking met de politie.

Bij een lokale, regionale boa-werkgever, zonder landelijk werkterrein, is de hoofdofficier van Justitie van het parket waarbinnen de boa-werkgever is gevestigd de toezichthouder. Bij een boa-werkgever met een bovenregionaal, of landelijk werkterrein kan in overleg met de direct toezichthouder, toezichthouder en eventueel andere betrokken partijen worden besloten dat de hoofdofficier van een aangewezen parket, bijvoorbeeld het landelijk parket, als toezichthouder wordt aangewezen.

De direct toezichthouder

De korpschef van de politie en sommige hoofden van Rijksdiensten met boa's zijn belast met het direct toezicht op boa's. Het gaat hierbij om taken die losstaan van de ondersteunende en bijstandsverlenende rol van de politie die berust op de Politiewet 2012. De direct toezichthouder voor boa's draagt zorg voor een goede uitvoering van zijn adviestaak en de afspraken ter borging en verbetering van de kwaliteit van de opsporing door de boa's.

Het BBO geeft taken en bevoegdheden aan de direct toezichthouder. Deze staan beschreven in bijlage B (Taken direct toezichthouder).

Naleving van vereisten gesteld in deze beleidsregels en het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar

De direct toezichthouder en toezichthouder vervullen een belangrijke adviserende en toetsende rol binnen het stelsel. Om deze taak effectief te kunnen vervullen is het noodzakelijk dat zij worden voorzien van de informatie die – op basis van de bepalingen genoemd in het BBO en deze beleidsregels – aan hen dient te worden verstrekt. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om jaarverslagen, maar ook klachten, integriteitsschendingen en geweldsmeldingen die bij de (direct) toezichthouders dienen te worden gemeld.

Bij niet-naleving van de bepalingen uit deze beleidsregels dan wel het bepaalde in het BBO stelt de (direct) toezichthouder de boa-werkgever hiervan op de hoogte. Wanneer het niet naleven van deze bepalingen blijft aanhouden, kan onze Minister, op advies van de direct toezichthouder en toezichthouder, één of meer van de bevoegdheden genoemd in deze beleidsregels intrekken dan wel opschorten. De toezichthouder(s) betracht(en) (grote) terughoudendheid bij het uitbrengen van een dergelijk advies. Opschorting is mogelijk voor de duur van drie maanden en kan met maximaal drie maanden worden verlengd.

Geweld en agressie tegen boa’s worden niet getolereerd. In de praktijk betekent dit dat boa’s effectief moeten kunnen optreden als zij worden geconfronteerd met agressie en geweld tijdens de uitoefening van hun publieke taak. Elke boa beschikt daarom optioneel over extra (politie)bevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen en geweldmiddelen voor de hieronder vermelde strafrechtartikelen, ten aanzien van onderdelen 16a onder Domein I, 14b onder Domein II, 3a onder Domein III, 8b onder Domein IV en 6a onder Domein V in de bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar.

Bij de verdenking van een misdrijf als bedoeld in de artikelen 177, 179, 180, 181, 182, 284, 285, 300 juncto artikel 304 onder 3° van het Wetboek van Strafrecht kunnen boa’s een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen opmaken van het door een buitengewoon opsporingsambtenaar overkomen geweld. Indien het optreden van de politie redelijkerwijs niet kan worden afgewacht, zijn de (ter plaatse) bij de heterdaad situatie betrokken boa’s (ten tijde van het incident) bevoegd een aanhouding te doen als opsporingsambtenaar en daarbij gebruik te maken van de aan hen toegekende politiebevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen en geweldmiddelen. Het is – in verband met de onafhankelijkheid van het onderzoek – uitdrukkelijk niet de bedoeling dat een boa het volledige onderzoek in de onderhavige zaak gaat doen. Dit blijft een verantwoordelijkheid van de politie. De rol van slachtoffer en die van onderzoeker moeten gescheiden blijven. Het proces-verbaal van bevindingen zal in de praktijk altijd gepaard gaan met het doen van aangifte bij de politie van het geweld.

Boa’s mogen een volledig proces-verbaal opmaken voor onderzoeken in het kader van de artikelen van het Wetboek van Strafrecht die zijn opgenomen in onderdelen 16 onder Domein I, 14 onder Domein II, 3 onder Domein III, 8 onder Domein IV en 6 onder Domein V in de bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar.

Boa’s zijn landelijk opsporingsbevoegd, hierdoor kunnen afspraken worden gemaakt over de inzet van boa's op regionaal niveau. Aan de mogelijkheid om landelijk te werken worden voorwaarden gesteld. De boa onthoudt zich - zoals een politiefunctionaris - in principe van optreden buiten zijn gebied van aanstelling.10 Hij mag alleen dan optreden buiten zijn eigen gebied, indien dat gebeurt in overleg met het bevoegde gezag (de lokale driehoek) en - indien van toepassing - in overleg met het bevoegd gezag van een eventueel ander gebied dan het gebied van aanstelling. Het is de taak van de toezichthouder en direct toezichthouder om het bevoegd gezag van de betreffende gebieden te informeren. Deze afstemming dient te worden vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst. Hierin moet staan welke partijen met elkaar gaan samenwerken, hoe wordt omgegaan met het gebruik van politiebevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen en geweldmiddelen, wie de direct toezichthouder en toezichthouder zijn en of het bevoegd gezag is geïnformeerd. Het is aan de betreffende partijen welke afspraken zij nog meer willen vaststellen in de overeenkomst (bijvoorbeeld aantal boa's). Bijlage I bevat een voorbeeld van een samenwerkingsovereenkomst die ten grondslag kan liggen aan een samenwerkingsverband.

De boa-werkgever dient voor het doen van een aanvraag bij de dienst Justis eerst contact te zoeken met de direct toezichthouder en de toezichthouder om de noodzaak en de voorgenomen aanvraag te bespreken. De boa-werkgever stuurt de aanvraag samen met de adviezen van beide toezichthouders toe aan de dienst Justis.11

Dit geldt ook voor aanvragen voor toekenning van politiebevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen en geweldmiddelen. Aan de toekenning van geweldmiddelen aan boa's kunnen nadere voorwaarden worden verbonden.

Voor wat betreft de aanvraag van werkgevers tot de toekenning van geweldmiddelen aan boa’s wier opsporingsbevoegdheid strekt tot de in domein I opgenomen strafbare feiten, zorgt de werkgever ervoor dat het voornemen tot het doen van deze aanvraag wordt geagendeerd in het driehoeksoverleg12, bedoeld in artikel 13 van de Politiewet 2012. De driehoek zal daarbij onder meer moeten kijken of de veiligheid van boa’s niet op andere manieren kan worden gewaarborgd en neemt daarbij onderstaande documenten mee in zijn overwegingen:

Van de bespreking in het driehoeksoverleg wordt een verslag opgesteld. De werkgever draagt er vervolgens zorg voor dat het handhavingsarrangement, het veiligheidsplan en de overwegingen van de lokale driehoek m.b.t. inzet en veiligheid van de boa’s worden bijgesloten bij de aanvraag wanneer deze voor advies wordt toegestuurd aan de direct toezichthouder en toezichthouder. De direct toezichthouder en toezichthouder betrekken dit in hun uiteindelijke advies op de hiervoor bedoelde aanvraag. De toezichthouders kunnen gemotiveerd afwijken van de overwegingen van de lokale driehoek.

In bijlage J wordt de aanvraagprocedure uiteengezet.

De domeinlijsten zoals opgenomen in de bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar bestaan uit vijf inhoudelijke domeinen en een ‘restdomein’. De domeinen Openbare ruimte, Milieu, welzijn en infrastructuur, Onderwijs, Openbaar vervoer, Werk, inkomen en zorg en Generieke opsporing bieden een breed optioneel pakket aan opsporingsbevoegdheden, politiebevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen en geweldmiddelen.

De domeinen bevatten maximale opsporingspakketten. De boa in bezoldigde dienst kan formeel beschikken over alle opsporingsbevoegdheden binnen het betreffende domein. Met het oog op nut en noodzaak wordt er echter van uitgegaan dat de boa-werkgever het pakket aan opsporingsbevoegdheden koppelt aan de taakomschrijving van zijn boa's. Het gebruik van opsporingsbevoegdheden dient immers altijd gekoppeld te zijn aan de vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. Daarom dient de boa-werkgever middels het aanvraagformulier de taakomschrijving te beschrijven en daarbij de gewenste opsporingsbevoegdheden binnen een domein aan te kruisen.

Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat de boa bevoegdheden aanwendt die buiten zijn taakomschrijving vallen. De enige uitzondering hierbij vormen de toegevoegde strafrechtartikelen waarvoor de boa een proces-verbaal van bevindingen kan opmaken indien hij wordt geconfronteerd met agressie en geweld tijdens de uitvoering van zijn taken (zie ook hiervoor onder 4.1). Indien een boa gaat handhaven op feiten welke buiten zijn taakomschrijving vallen, dient in eerste instantie de boa-werkgever de boa hier op aan te spreken. In overleg met de direct toezichthouder en eventueel de toezichthouder kan worden bepaald hoe een en ander verder wordt afgehandeld.

Met behulp van de domeinbenadering is het mogelijk landelijk op uniforme wijze te werken aan professionalisering van de boa. In alle domeinen moeten de boa’s voldoen aan de basisbekwaamheid. In de eerste vier domeinen (Domein I Openbare Ruimte, Domein II Milieu, welzijn en infrastructuur, Domein III Onderwijs en domein IV Openbaar Vervoer) is er sprake van permanente her- en bijscholing. Op deze wijze kan per domein worden geïnvesteerd in opsporingsvaardigheden en -competenties gericht op de specifieke behoeften binnen een domein.

Overgangsbeleid uitsluitend voor boa’s die voor 1 juli 2015 feitelijk in 2 domeinen werkzaam waren

Een boa kan in beginsel maar binnen één domein werkzaam zijn, onder andere vanwege de vereiste specifieke bekwaamheid voor een domein en met het oog op de inkadering van de buitengewone opsporingsbevoegdheid (het betreft geen algemene opsporingsbevoegdheid). Daarbij maakt het niet uit of het een ingehuurde boa betreft.

Voor nieuwe aanvragen van aktes ingediend vanaf 1 juli 2015 en de verlengingen van die aktes geldt het uitgangspunt dat een boa maar in 1 domein werkzaam kan zijn. Uitzondering hierop zijn boa’s die in een tweede domein als vrijwilliger werkzaam zijn voor een private organisatie die een functie uitoefenen met specifieke en beperkte taken waarmee een zwaarwegend maatschappelijk belang is gemoeid. Het gaat hier om dezelfde groep die onder de uitzondering valt op de hoofdregel dat een boa in bezoldigde overheidsdienst dient te zijn.

Het was boa’s die bij de invoering van het domeinstelsel in 2010 feitelijk in twee domeinen werkzaam waren toegestaan deze werkzaamheden voort te zetten. Voor deze groep is het hebben van maximaal twee opsporingsakten toegestaan. Als voorwaarden worden hierbij gesteld dat:

Zo bleef het bijvoorbeeld mogelijk dat een parkeercontroleur in dienst van een gemeente, tevens boa Milieu, welzijn en infrastructuur is voor een landgoedeigenaar. Deze boa heeft een akte van beëdiging voor het domein Openbare ruimte en een akte van beëdiging voor het domein Milieu, welzijn en infrastructuur. De uitzondering gold alleen voor het blijven uitoefenen indien men bepaalde werkzaamheden al voor 1 januari 2010 verrichtte en sindsdien is blijven verrichten. Hierover kan onduidelijkheid ontstaan zijn, daarom is het overgangsbeleid verduidelijkt. Aktes die voor 1 juli 2015 verleend zijn, blijven na deze datum geldig, ook als het een tweede akte betreft in een ander domein. Deze aktes kunnen ook verlengd worden, ook als het een tweede akte betreft in een ander domein, voor zover het een verlenging betreft van een akte die voor 1 juli 2015 is verleend.

De boa Openbare ruimte heeft een breed pakket aan bevoegdheden waarmee het lokale veiligheidsbeleid gericht op de aanpak van overlast, kleine ergernissen en andere feiten die de leefbaarheid aantasten binnen de openbare ruimte, kan worden gehandhaafd. Toekomstige uitbreidingen van de domeinlijst dienen te voldoen aan de onderstaande cumulatieve criteria van het inzetcriterium.

Het inzetcriterium betekent voor verkeershandhaving dat het te handhaven feit in de openbare ruimte enkel ongemotoriseerd rijdend verkeer betreft, tenzij het gaat om feiten vallend onder onderdeel 10 van Domein I van de bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren, te weten de artikelen 4, 5, 6, 8, 10, 28, 57, 60 en 82 RVV, en artikel 62 RVV juncto bijlage I, hoofdstukken C (geslotenverklaring) en D (rijrichting), RVV. Handhaving op het negeren van een C- of D-bord is toegestaan in relatie tot de leefbaarheid, waaronder het tegengaan van overlast door sluipverkeer en het verbeteren van de leefbaarheid door bepaalde gebieden af te sluiten voor (vracht)auto’s, zoals de zogeheten milieuzones. Onder rijdend ongemotoriseerd verkeer worden rijdende voertuigen zónder kenteken verstaan.

Boa’s kunnen handhaven op de in onderdeel 10 van Domein I, derde paragraaf, van de bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar, genoemde verkeersovertredingen, als in een gedeeld handhavingsarrangement de voorwaarden waaronder de handhaving zal plaatsvinden zijn besproken. Een handhavingsarrangement maakt inzichtelijk wanneer, door wie, met welk juridisch instrumentarium en met welke consequenties wordt opgetreden.

Een gemeente kan onder voorwaarden een particuliere functionaris inzetten ten behoeve van de uitoefening van de opsporingsbevoegdheden. Alvorens gemeenten kunnen overgaan tot inhuur moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden.

Bekwaamheidseis

Een nieuwe boa behaalt eerst het boa basisexamen (het boa-getuigschrift), en doorloopt vervolgens de permanente her- en bijscholing. De basisbekwaamheid en de permanente her- en bijscholing worden geëxamineerd onder de auspiciën van de Stichting ExTH. Indien de boa Openbare ruimte beschikt over politiebevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen en geweldmiddelen zijn tevens de bekwaamheidseisen uit de RTGB van toepassing.

In 2010 werden initiatieven ontwikkeld voor een verdergaande professionalisering van de boa Openbare ruimte. In overleg met boa-werkgevers, de direct toezichthouders, de toezichthouders en andere betrokken partners zijn aanvullende bekwaamheidseisen ontwikkeld die per 1 oktober 2012 verplicht zijn gesteld. Ten aanzien hiervan is voor domein I een overgangstermijn van zes maanden vastgesteld , ten gevolge waarvan de aanvullende bekwaamheidseisen de facto per 1 april 2013 verplicht zijn gesteld. Boa’s Openbare ruimte die voor de eerste maal een akte van opsporingsbevoegdheid aanvragen behalen vanaf 1 april 2013 nog eenmaal het basisexamen, waarna zij een modulair opgebouwd traject van permanente her- en bijscholing zullen doorlopen om de boa-bevoegdheid te kunnen behouden. Boa’s Openbare ruimte die een akte van opsporingsbevoegdheid hebben die is afgegeven vóór 1 april 2013 dienen nog één maal het basisexamen te behalen voor de eerstkomende verlenging van hun akte. Na deze verlenging dient een modulair opgebouwd traject van permanente her- en bijscholing te worden doorlopen om de boa-bevoegdheid te kunnen behouden. Boa’s Openbare ruimte die verlenging van hun opsporingsbevoegdheid hebben gekregen op of na 1 april 2013, dienen vanaf dat moment van verlenging het traject van permanente her- en bijscholing te doorlopen om de boa-bevoegdheid te kunnen behouden.

De boa’s Openbare ruimte dienen vier modules in de looptijd van hun akte met een voldoende resultaat te hebben afgerond om na vijf jaar hun titel van opsporingsbevoegdheid te mogen verlengen.15 Hierbij wordt geadviseerd dat in de eerste vier jaren ieder jaar een module wordt behaald. Het vijfde jaar kan dan indien nodig worden benut als herkansingsjaar. In sommige gevallen zal het nodig zijn het traject van permanente her- en bijscholing versneld af te leggen. Bijvoorbeeld als een boa is overgestapt naar een domein waarin hij voor het eerst wordt geconfronteerd met de permanente her- en bijscholing. Gedurende de resterende geldigheidsduur van de akte dient de boa in beginsel versneld het phb-traject te volgen om bij de verlengingsaanvraag certificaten van de 4 modules over te kunnen leggen.

Bij de aanvraag om verlenging van de akte of de aanvraag van een nieuwe akte moeten de certificaten van de 4 modules nog geldig zijn. Een certificaat van een module van het traject van permanente her- en bijscholing is vijf jaar geldig. De akte van opsporingsbevoegdheid wordt voor de duur van vijf jaar afgegeven. Indien een boa gedurende de looptijd van zijn akte wil overstappen naar een andere werkgever of een nieuw domein en hij nog niet 4 modules heeft behaald, wordt de nieuwe akte verleend voor de resterende geldigheidsduur van de akte die eerder op basis van 4 modules (of het getuigschrift boa) is afgegeven.

De volgorde van de modules van een traject van permanente her- en bijscholing is niet bepalend bij de aanvraag om verlenging van de akte danwel bij de aanvraag om een nieuwe akte. Zo kunnen modules die zijn behaald in een ander domein (ook al zijn deze domeinspecifiek), meetellen bij de aanvraag om verlenging van de akte dan wel een nieuwe akte. Voorwaarde is dat bij de aanvraag 4 verschillende modules – waarvan niet meer dan twee theorie – kunnen worden overgelegd die niet ouder zijn dan vijf jaar.

Examencommissie

De door de Stichting ExTH ingestelde examencommissie bewaakt de kwaliteit van de examens (zie examenplan).

Examenplan

In Bijlage D is een overzicht opgenomen van de examenonderdelen en bijbehorende onderwerpen. In de laatste kolom is aangeven of het betreffende examenonderdeel met een theorietoets (T) of een praktijktoets (P) geëxamineerd wordt. Voor verdere uitwerking van de examenonderdelen: zie www.exth.nl/examens/phb-domein-i/.

Bekwaamheidseisen in relatie tot geweldmiddelen (domein I)

Naar aanleiding van de evaluatie opgeleverd in mei 2022 van een pilot16 met de korte wapenstok, gehouden in 10 gemeenten, is gebleken dat aanvullende eisen aan de opleiding en training van de deelnemende boa’s van grote toegevoegde waarde zijn. Op basis van de uitkomsten van deze pilot is derhalve besloten om de bekwaamheidseisen, die noodzakelijk waren voor deelname aan deze pilot, op te nemen in de deze beleidsregels.

De toekenning van een geweldmiddel aan een boa wiens opsporingsbevoegdheid strekt tot de in domein I opgenomen strafbare feiten geschiedt slechts indien wordt voldaan aan de volgende aanvullende bekwaamheidseisen:

Indien de (voornoemde) boa niet beschikt over het vereiste opleidingsniveau, kan worden volstaan met een relevante vervangende praktijkervaring van tenminste drie jaar.

De Stichting ExTH draagt zorg dat bij de permanente her- en bijscholing van de (voornoemde) boa tenminste de volgende elementen worden getoetst: gespreks- en benaderingstechnieken, conflictbeheersing, weerbaarheid, de-escalatie, oefencasussen en reflectie op praktijkgevallen.

Zie de bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar.

Politiebevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen en geweldmiddelen

De boa Openbare ruimte kan optioneel beschikken over de politiebevoegdheden bedoeld in artikel 7, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012 en kan tevens optioneel beschikken over handboeien, wapenstok en/of pepperspray. De ingehuurde boa Openbare ruimte kan optioneel beschikken over de politiebevoegdheden bedoeld in artikel 7, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012 en optioneel over handboeien.

Het domein voor de boa's die zich bezighouden met natuur en milieu, arbeidsinspectie, voedsel & waren controles, dierenwelzijn, openbare gezondheid en fysieke leefomgeving en infrastructuur (waaronder deelaspecten bouwen, wonen, monumenten, ruimte). Milieuboa's in de zin van deze beleidsregels zijn:

Buiten de hierboven gespecificeerde groep boa's kunnen ook andere boa's en hun werkgevers in het domein Milieu, welzijn en infrastructuur worden opgenomen.

Een milieuboa is in hoofdzaak belast met de opsporing van (economische) milieudelicten. De milieuboa is doorgaans primair toezichthouder op grond van één of meer milieuwetten en treedt in voorkomende gevallen op als boa. Hierdoor vervullen de meeste milieuboa's een schakelfunctie tussen het bestuur, particuliere organisaties, het OM (i.c. het Functioneel Parket) en de politie.

De boa Milieu, welzijn en infrastructuur is de boa die de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor een belangrijk deel moet handhaven. Voor een deel zijn boa’s van onder andere gemeenten en provincies nu aangesteld bij regionale uitvoeringsdiensten (ook wel omgevingsdiensten) ten behoeve van de handhaving van onder meer milieuregelgeving. Om deze reden is de boa milieu, welzijn en infrastructuur niet alleen bevoegd om te handhaven op artikel 1 en 1a van de Wet op de economische delicten (WED), maar tevens op de complete wetten die in artikel 1 en 1a van de WED worden genoemd en krachtens deze wetten geldende regelgeving voor zover noodzakelijk voor een goede uitoefening van de taak.

Een overheidsorgaan of particuliere werkgever kan onder voorwaarden een particuliere functionaris inzetten voor de uitoefening van de opsporingsbevoegdheden. Alvorens kan worden overgegaan tot inhuur moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden.

Bekwaamheidseis

Een nieuwe boa behaalt eerst het boa basisexamen (het boa-getuigschrift), en doorloopt vervolgens de permanente her- en bijscholing. De basisbekwaamheid en de permanente her- en bijscholing worden geëxamineerd onder de auspiciën van de Stichting ExTH. Indien de boa Milieu, welzijn en infrastructuur beschikt over politiebevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen en geweldmiddelen zijn tevens de bekwaamheidseisen uit de RTGB van toepassing.

De boa’s Milieu, welzijn en infrastructuur dienen vier modules in de looptijd van hun akte met een voldoende resultaat te hebben afgerond om na vijf jaar hun titel van opsporingsbevoegdheid te mogen verlengen.18 Hierbij wordt geadviseerd dat in de eerste vier jaren ieder jaar een module wordt behaald. Het vijfde jaar kan dan indien nodig worden benut als herkansingsjaar. In sommige gevallen zal het nodig zijn het traject van permanente her- en bijscholing versneld af te leggen. Bijvoorbeeld als een boa is overgestapt naar een domein waarin hij voor het eerst wordt geconfronteerd met de permanente her- en bijscholing. Gedurende de resterende geldigheidsduur van de akte dient de boa in beginsel versneld het phb-traject te volgen om bij de verlengingsaanvraag certificaten van de 4 modules over te kunnen leggen.

Bij de aanvraag om verlenging van de akte of de aanvraag van een nieuwe akte moeten de certificaten van de 4 modules nog geldig zijn. Een certificaat van een module van het traject van permanente her- en bijscholing is vijf jaar geldig. De akte van opsporingsbevoegdheid wordt voor de duur van vijf jaar afgegeven. Indien een boa gedurende de looptijd van zijn akte wil overstappen naar een andere werkgever of een nieuw domein en hij nog niet 4 modules heeft behaald, wordt de nieuwe akte verleend voor de resterende geldigheidsduur van de akte die eerder op basis van 4 modules (of het getuigschrift boa) is afgegeven.

De volgorde van de modules van een traject van permanente her- en bijscholing is niet bepalend bij de aanvraag om verlenging van de akte danwel bij de aanvraag om een nieuwe akte. Zo kunnen modules die zijn behaald in een ander domein (ook al zijn deze domeinspecifiek), meetellen bij de aanvraag om verlenging van de akte dan wel een nieuwe akte. Voorwaarde is dat bij de aanvraag 4 verschillende modules – waarvan niet meer dan twee theorie – kunnen worden overgelegd die niet ouder zijn dan vijf jaar.

Examencommissie

De door de Minister van Justitie en Veiligheid ingestelde examencommissie bewaakt de kwaliteit van de examens (zie examenplan).

Examenplan

In Bijlage E is een overzicht opgenomen van de examenonderdelen en bijbehorende onderwerpen. In de laatste kolom is aangeven of het betreffende examenonderdeel met een theorietoets (T) of een praktijktoets (P) geëxamineerd wordt. Voor verdere uitwerking van de examenonderdelen: zie http://www.exth.nl/examens/phb-domein-ii-milieu/.

Zie de bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar.

De landelijke bevoegdheid voor de boa Milieu, welzijn en infrastructuur kan eveneens de 12 mile zone, het continental plat en de Exclusieve Economische Zone omvatten.

Landelijke inspectiediensten

Gelet op de specifieke taak van inspectiediensten in de milieuhandhaving kunnen boa’s Milieu, welzijn en infrastructuur van een landelijke inspectiedienst voor zover noodzakelijk voor een goede uitoefening van de taak bij samenwerking met partners in de strafrechtelijke handhaving, beschikken over domeinoverschrijdende opsporingsbevoegdheden, tenzij de wet zich daartegen verzet.

Politiebevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen en geweldmiddelen

De boa Milieu, welzijn en infrastructuur kan optioneel beschikken over de politiebevoegdheden bedoeld in artikel 7, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012 en optioneel beschikken over handboeien, wapenstok, pepperspray, surveillancehond en/of vuurwapen.

Onder het domein Onderwijs vallen de leerplichtambtenaren. Zij zijn primair belast met het handhaven van de leerplichtwet en alle andere daar aan gerelateerd relevante wet- en regelgeving. Gelet op het specialistische karakter van deze functie en het feit dat er voor de uitoefening van deze functie door de werkgever veelal een hogere opleiding wordt verlangd, rechtvaardigt deze functie een apart domein.

Een gemeente kan onder voorwaarden een particuliere functionaris inzetten ten behoeve van de uitoefening van de opsporingsbevoegdheden. Alvorens gemeenten kunnen overgaan tot inhuur moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden.

Bekwaamheidseis

Een nieuwe boa behaalt eerst het boa basisexamen (het boa-getuigschrift), en doorloopt vervolgens de permanente her- en bijscholing. De basisbekwaamheid en de permanente her- en bijscholing worden geëxamineerd onder de auspiciën van de Stichting ExTH. Indien de boa Onderwijs beschikt over politiebevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen en geweldmiddelen zijn tevens de bekwaamheidseisen uit de RTGB van toepassing.

De boa’s Onderwijs dienen vier modules in de looptijd van hun akte met een voldoende resultaat te hebben afgerond om na vijf jaar hun titel van opsporingsbevoegdheid te mogen verlengen. Hierbij wordt geadviseerd dat in de eerste vier jaren ieder jaar een module wordt behaald. Het vijfde jaar kan dan indien nodig worden benut als herkansingsjaar.

In sommige gevallen zal het nodig zijn het traject van permanente her- en bijscholing versneld af te leggen. Bijvoorbeeld als een boa is overgestapt naar een domein waarin hij voor het eerst wordt geconfronteerd met de permanente her- en bijscholing. Gedurende de resterende geldigheidsduur van de akte dient de boa in beginsel versneld het phb-traject te volgen om bij de verlengingsaanvraag certificaten van de 4 modules over te kunnen leggen.

Bij de aanvraag om verlenging van de akte of de aanvraag van een nieuwe akte moeten de certificaten van de 4 modules nog geldig zijn. Een certificaat van een module van het traject van permanente her- en bijscholing is vijf jaar geldig. De akte van opsporingsbevoegdheid wordt voor de duur van vijf jaar afgegeven. Indien een boa gedurende de looptijd van zijn akte wil overstappen naar een andere werkgever of een nieuw domein en hij nog niet 4 modules heeft behaald , wordt de nieuwe akte verleend voor de resterende geldigheidsduur van de akte die eerder op basis van 4 modules (of het getuigschrift boa) is afgegeven.

De volgorde van de modules van een traject van permanente her- en bijscholing is niet bepalend bij de aanvraag om verlenging van de akte danwel bij de aanvraag om een nieuwe akte. Zo kunnen modules die zijn behaald in een ander domein (ook al zijn deze domeinspecifiek), meetellen bij de aanvraag om verlenging van de akte dan wel een nieuwe akte. Voorwaarde is dat bij de aanvraag 4 verschillende modules – waarvan niet meer dan twee theorie – kunnen worden overgelegd die niet ouder zijn dan vijf jaar.

Examencommissie

De door de Stichting ExTH ingestelde examencommissie Onderwijs bewaakt de kwaliteit van de examens (zie examenplan).

Examenplan

In bijlage F is een overzicht van de examenonderdelen en bijbehorende onderwerpen. In de laatste kolom is aangeven of het betreffende examenonderdeel met een theorietoets (T) of een praktijktoets (P) geëxamineerd wordt. Voor verdere uitwerking van de examenonderdelen: zie www.exth.nl/examens/phb-domein-iii/.

Zie de bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar.

Politiebevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen en geweldmiddelen

De boa Onderwijs kan optioneel beschikken over de politiebevoegdheden bedoeld in artikel 7, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012 en kan optioneel beschikken over handboeien. Dit geldt ook voor de ingehuurde boa Onderwijs.

De boa Openbaar Vervoer is in bezoldigde dienst van een openbaar vervoersbedrijf, dan wel een (ander) publiekrechtelijk rechtspersoon en is belast met de opsporing van strafbare feiten binnen het domein openbaar vervoer.

Een gemeente kan onder voorwaarden een particuliere functionaris inzetten ten behoeve van de uitoefening van de opsporingsbevoegdheden. Alvorens gemeenten kunnen overgaan tot inhuur moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden.

Inhuur door vervoerders

Inhuur is in dit domein ook mogelijk voor de in paragraaf 3.1 bij de uitzonderingen onder 1. genoemde particuliere werkgevers. Omdat deze vervoerders vaak over de gemeentegrenzen opereren, gelden voor hen niet de voorwaarden die betrekking hebben op de lokale context. Omdat het voor hen tevens niet mogelijk is om boa’s als onbezoldigd ambtenaar aan te wijzen geldt ook deze voorwaarde niet. De voorwaarden waaraan voor inhuur dient te worden voldaan zijn voor vervoerders:

Een nieuwe boa behaalt eerst de boa basisbekwaamheid OV (het boa OV-getuigschrift). Dit is een verzwaard examen. De eindtermen van het algemene boa basis examen maken onverkort deel uit van het examen boa basisbekwaamheid OV en is aangevuld met OV-eindtermen. Daarna doorloopt de boa Openbaar Vervoer de permanente her- en bijscholing.

Indien de boa Openbaar Vervoer beschikt over politiebevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen en geweldmiddelen zijn tevens de bekwaamheidseisen uit de RTGB van toepassing.

De boa’s Openbaar Vervoer dienen vier modules in de looptijd van hun akte met een voldoende resultaat te hebben afgerond om na vijf jaar hun titel van opsporingsbevoegdheid te mogen verlengen. Hierbij wordt geadviseerd dat in de eerste vier jaren ieder jaar een module wordt behaald. Het vijfde jaar kan dan indien nodig worden benut als herkansingsjaar.

Bij het overstappen vanuit een ander domein kan de boa in aanvulling op de boa algemene basisbekwaamheid, de module Wet- en regelgeving (module 1 uit de PHB) volgen waarmee ook wordt voldaan aan de bekwaamheidseisen voor domein IV Openbaar Vervoer (het behalen van een boa OV-getuigschrift).

Examencommissie

De door de Stichting ExTH ingestelde examencommissie Openbaar Vervoer bewaakt de kwaliteit van de examens (zie examenplan).

Examenplan

In bijlage G is een examenplan van het boa OV basisexamen opgenomen en daarna de PHB voor domein IV. Hierin staan de examenonderdelen en bijbehorende onderwerpen. In de laatste kolom is aangeven of het betreffende examenonderdeel met een theorietoets (T) of een praktijktoets (P) geëxamineerd wordt. Verder staat in deze bijlage ook een verwijzing naar het kwalificatiedossier Publieke veiligheid waar de gedragsspecifieke leerdoelen van de boa Openbaar Vervoer aan moeten voldoen.

Zie de bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar.

Politiebevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen en geweldmiddelen

De boa Openbaar Vervoer kan optioneel beschikken over de politiebevoegdheden bedoeld in artikel 7, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012 en kan optioneel beschikken over handboeien en/of wapenstok. De ingehuurde boa Openbaar Vervoer kan optioneel beschikken over de politiebevoegdheden bedoeld in artikel 7, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012 en optioneel over handboeien.

De boa voor de strafrechtelijke handhaving op het gebied van werk, inkomen, belastingen en sociale zaken.

Hieronder vallen onder andere alle regelingen die de gemeenten uitvoeren op het gebied van de sociale zekerheid zoals de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, Wet sociale werkvoorziening, Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Wet inburgering, en de Wet basisregistratie personen.

De bekwaamheidseis bestaat uit het boa basisexamen (het boa-getuigschrift) en - indien de boa werk, inkomen en zorg beschikt over politiebevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen en geweldmiddelen - de bekwaamheidseisen uit de RTGB.

In overleg met boa-werkgevers, de direct toezichthouders, de toezichthouders en eventueel andere betrokken partners wordt nader bekeken in hoeverre aanvullende bekwaamheidseisen verplicht dienen te worden gesteld en wat die aanvullende bekwaamheidseisen precies moeten zijn. Tot die tijd is het de verantwoordelijkheid van de boa-werkgever om zijn boa’s werk, inkomen en zorg aanvullend op te leiden voor hun specifieke taak. Indien de boa-werkgever kan voorzien in een opleiding voor de boa die voldoet aan de eisen welke worden gesteld aan de semi-permanente ontheffing (bijlage H) kan de boa ontheffing krijgen voor de basisbekwaamheid.

Zie de bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar.

Politiebevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen en geweldmiddelen

De boa Werk, inkomen en zorg kan optioneel beschikken over de politiebevoegdheden bedoeld in artikel 7, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012 en kan optioneel beschikken over handboeien.

Het domein Generieke opsporing is de vreemde eend in de bijt. Dit is niet een domein ontstaan vanuit de inhoud, maar een soort van restcategorie bestaande uit boa’s die veelal algemene opsporingsbevoegdheid hadden. Plaatsing in het domein generieke opsporing vindt alleen dan plaats indien geen van de overige vijf toereikend is voor een adequate taakuitoefening door de boa. De Minister van Justitie en Veiligheid bepaalt door middel van deze beleidsregels welke boa's onder dit domein worden gebracht.

De boa generieke opsporing is de boa werkzaam bij of voor een landelijke overheidsinstantie en heeft als werkgever de korpschef van de politie, de hoofdofficier van Justitie van een parket, de commandant van de Koninklijke Marechaussee; de directeur van de rijksrecherche, de directeur van het CJIB of - indien deze niet onder een ander domein te plaatsen is - de directeur van een landelijke (inspectie)dienst.

De opsporingsbevoegdheid dient zich te beperken tot hetgeen noodzakelijk is voor een goede uitoefening van de betreffende functie en het daaraan gekoppelde takenpakket. Deze functie inclusief taakomschrijving dient vooraf door de boa werkgever - in gevallen tevens de direct toezichthouder - te zijn afgestemd met de toezichthouder. Deze afstemming geldt alleen bij een individuele aanvraag en niet bij een individuele aanvraag onder werking van een categoriaal besluit. De toezichthouder ziet erop toe dat de betreffende functie past binnen het boa beleid; functies voor ondersteunende, administratieve, technische, of zeer specialistische taken.

De boa-werkgever kan middels het aanvraagformulier aangeven welke opsporingsbevoegdheden zijn gewenst voor de taakuitvoering van zijn boa's. Ook dit geldt overigens alleen bij individuele aanvragen en niet bij een individuele aanvraag onder werking van een categoriaal besluit.

Binnen de politieorganisatie kunnen medewerkers en vrijwillige ambtenaren, die zijn aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie (AT-aanstelling) worden aangewezen als boa met het oog op het uitoefenen van opsporingsbevoegdheden. Voor de boa’s in dienst bij de politie blijft uitdrukkelijk gelden dat deze in beginsel ondersteunende, administratief- technische of specialistische taken uitvoeren.

In het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) is bij een aantal functies in het Domein Uitvoering aanwijzing als boa voorzien. Een aanwijzing als boa kan worden gecombineerd met een aanstelling in één van de hierna genoemde politiefuncties. Voor de vrijwillige ambtenaar van de politie is de aanwijzing als boa mogelijk indien de vrijwilliger werkzaamheden verricht die behoren tot een van de hierna genoemde politiefuncties, te weten:

De functies in de hiervoor opgenomen lijst waarop boa’s kunnen worden aangesteld, betreffen administratief-technische functies. Daarnaast zijn bij de politie boa’s werkzaam in functies voor de uitvoering van de politietaak (executieve functies). In beginsel geldt dat een executieve functie wordt verricht door een medewerker aangesteld voor de uitvoering van de politietaak (executieve aanstelling), terwijl bedoelde boa’s werkzaam in een executieve functie een AT-aanstelling hebben. Op grond van de volgende regelingen van de korpschef van politie kunnen die medewerkers toch in een executieve functie werkzaam zijn:

De medewerkers die vallen onder het bij 1 en 2 genoemde overgangsbeleid bevinden zich in een afgebakende groep. Het bij 1 genoemde overgangsbeleid betreft medewerkers met een AT-aanstelling die in het kader van de reorganisatie Politiewet 2012 per 1 juli 2016 op een executieve functie zijn geplaatst en die daarna niet alsnog aan de vereisten voor een executieve aanstelling hebben kunnen voldaan. Zij voeren slechts een deel van de executieve functie uit en zolang zij in die functie werkzaam blijven en onder het overgangsbeleid vallen, kunnen zij die werkzaamheden met een aanwijzing als boa verrichten. Het onder 2 genoemde overgangsbeleid betreft medewerkers die bij de invoering van de executieve politieambtenaar met een specifieke inzetbaarheid per 1 juli 2019 niet executief aangesteld konden worden en hun AT-aanstelling hebben behouden. Zolang zij dezelfde functie uitoefenen en onder het overgangsbeleid vallen, kunnen ook zij hun werkzaamheden met een aanwijzing als boa verrichten. Voor beide regelingen geldt dat geen nieuwe medewerkers met een AT-aanstelling in de executieve functies geplaatst kunnen worden.

Dit is anders voor de bij 3 genoemde beleidsregel. Deze beleidsregel is tot stand gekomen omdat is gebleken dat voor bepaalde inzet op functies binnen de vakgebieden Beveiliging en Gebiedsgebonden Politiezorg (GGP) van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie een voltooide politieopleiding als bedoeld in artikel 2c, van het Besluit algemene rechtspositie politie, niet nodig is. Alhoewel die inzet is opgenomen in executieve functies, kunnen de daarbij behorende werkzaamheden met een AT-aanstelling en een aanwijzing als boa worden verricht. In genoemde beleidsregel is opgenomen voor welke inzet de uitzondering geldt. Bij een doorontwikkeling van het functiegebouw zal bekeken worden binnen welke functies die werkzaamheden opgenomen kunnen worden en welke opsporingsbevoegdheid daarvoor nodig is.

De bekwaamheidseis bestaat uit het boa basisexamen (het boa-getuigschrift) en - indien de boa generieke opsporing beschikt over politiebevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen en geweldmiddelen - de bekwaamheidseisen uit de RTGB.

Het merendeel van de diensten wiens boa’s vallen binnen het domein generieke opsporing beschikt over een eigen opleiding ten behoeve van hun overige werknemers die zich (op grond van artikel 141 Wetboek van Strafvordering) bezig houden met de strafrechtelijke handhaving. Het is de verantwoordelijkheid van de boa-werkgever om zijn boa’s generieke opsporing aanvullend op te leiden voor hun specifieke taak. Net als voor alle andere boa’s geldt dat de politieboa’s slechts bevoegd zijn voor die feiten die vallen binnen hun taakomschrijving mits wetgeving in formele zin zich hier niet tegen verzet en de boa voldoende bekwaam is om voor die feiten op te treden.

Zie de bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar.

Voor de politiemedewerkers die vanuit de reorganisatie Politiewet 2012 als boa een deel van een executieve politiefunctie gaan vervullen, wordt bij schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 10, zesde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) bevestigd met welke taken binnen de functie de medewerker belast wordt.

Politiebevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen en geweldmiddelen

De boa Generieke opsporing kan optioneel beschikken over de politiebevoegdheden bedoeld in artikel 7, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012 en kan optioneel beschikken over vrijheidsbeperkende middelen, wapenstok, pepperspray, surveillancehond en/of vuurwapen.

Artikel 7 lid 1 Politiewet 2012 bevat de bevoegdheid geweld te gebruiken: De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.'. Onder geweld wordt verstaan: elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken (artikel 1 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna:Ai)). Onder het aanwenden van geweld wordt verstaan: het gebruiken van geweld, waaronder mede wordt verstaan het gebruik van een geweldmiddel (artikel 1, vierde lid, onder b en c, Ai). Het slechts vastpakken van een verdachte valt niet onder het aanwenden van geweld. Het duwen in een bepaalde richting of het met kracht tegenhouden van een verdachte valt wel onder het aanwenden van geweld. De geweldsbevoegdheid wordt gerelateerd aan de toe te kennen of toegekende opsporingsbevoegdheid.

Artikel 7 lid 3 Politiewet 2012 luidt: De ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, is bevoegd tot het onderzoek aan de kleding van personen en het onderzoek van de voorwerpen die personen bij zich dragen of met zich mee voeren bij de uitoefening van een hem wettelijk toegekende bevoegdheid of bij een handeling ter uitvoering van de politietaak, indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat een onmiddellijk gevaar dreigt voor hun leven of veiligheid of die van de ambtenaar zelf of van derden, en dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar.

De veiligheidsfouillering bestaat uit het met de hand aftasten van de kleding van de betrokkene en het onderzoeken van de voorwerpen die personen bij zich dragen of met zich mee voeren. Het gaat daarbij om het zoeken naar gevaarlijke voorwerpen. De bevoegdheid om de veiligheidsfouillering toe te passen wordt, evenals de geweldsbevoegdheid, gerelateerd aan de toe te kennen of toegekende opsporingsbevoegdheid.

Artikel 7 lid 4 Politiewet 2012 luidt: De ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, is bevoegd een te vervoeren of in te sluiten persoon aan zijn kleding te onderzoeken op de aanwezigheid van voorwerpen die een gevaar voor de veiligheid van betrokkene of voor anderen kunnen vormen, alsmede daartoe de voorwerpen te onderzoeken die betrokkene bij zich draagt of met zich mee voert.

Deze bepaling bevat zowel de vervoersfouillering als de insluitingsfouillering. Meestal gaat het bij de vervoersfouillering om een verdachte die wordt vervoerd naar het politiebureau, maar de bepaling geldt jegens elke persoon die door de boa wordt vervoerd. Deze bevoegdheid maakt fouillering ook mogelijk als er geen aantoonbare dreiging is. De insluitingsfouillering betreft de bevoegdheid om personen te fouilleren die in een politiecel worden ingesloten. Beide bevoegdheden kunnen ook aan boa’s worden toegekend.

De bevoegdheid om deze fouilleervormen toe te passen wordt, evenals de geweldsbevoegdheid, gerelateerd aan de toe te kennen of toegekende opsporingsbevoegdheid.

Artikel 7 eerste lid Politiewet 2012 bevat de bevoegdheid tot het gebruik van vrijheidsbeperkende middelen (hier: handboeien). Een boa kan worden aangewezen om handboeien te gebruiken. Bij de beslissing omtrent het al dan niet toekennen, gelden dezelfde criteria als voor de toekenning van de politiebevoegdheden, te weten a. tot en met d. zoals beschreven in paragraaf 3.2. Daarnaast dient een boa ook bevoegd te zijn om geweld te gebruiken (artikel 7, eerste lid Politiewet 2012). De toekenning van de bevoegdheid om handboeien te gebruiken is in sterke mate afhankelijk van de in redelijkheid te verwachten kans dat de boa bij de vervulling van zijn functie met (dreiging met) geweld wordt geconfronteerd. Het gebruik van de handboeien is uitsluitend toegestaan indien de boa heeft voldaan aan de bekwaamheidseisen als gesteld in de RTGB.

Het dragen van handboeien door een boa op het moment dat aan hem niet de bevoegdheid tot het gebruik van de handboeien is toegekend, is niet toegestaan. Hoewel het slechts dragen van handboeien niet wettelijk is verboden, wordt het niet wenselijk geacht dat boa's aan wie niet de bevoegdheid is toegekend de handboeien daadwerkelijk te gebruiken, deze zichtbaar dragen. Het zichtbaar dragen van handboeien kan enerzijds gezien worden als 'passief gebruik' in het kader van de taakuitoefening, anderzijds kan het dragen van handboeien leiden tot het actieve onbevoegde gebruik ervan.

Een boa kan worden uitgerust met een wapenstok. Op dit moment zijn in het Aanwijzingsbesluit bewapening en uitrusting politie 2018 voor het geweldmiddel korte wapenstok, twee verschillende soorten wapenstokken aangewezen. Gelet op het verschil van de impact van deze twee verschillende soorten wapenstokken worden boa’s waarop deze beleidsregels van toepassing zijn in beginsel niet uitgerust met de uitschuifbare wapenstok van het merk Bonowi, type EKA Camlock maar met de korte wapenstok van het merk Hazeleger Synterials Verenigde bedrijven B.V.

Bij de toekenning gelden de criteria a. tot en met c. zoals beschreven in paragraaf 3.2. De toekenning van de bevoegdheid om een wapenstok te gebruiken is in sterke mate afhankelijk van de in redelijkheid te verwachten kans dat de boa bij de vervulling van zijn functie met (bedreiging met) geweld wordt geconfronteerd en de ernst van dat geweld. Het gebruik van de korte wapenstok van het merk Hazeleger Synterials Verenigde bedrijven B.V. is uitsluitend toegestaan indien de boa heeft voldaan aan de bekwaamheidseisen als gesteld in de RTGB. De opleiding, training en toetsing is toegesneden op dit merk wapenstok.

Bij besluit van 19 februari 2005 (Stb. 2005, 110) is de Ai gewijzigd. Deze wijziging houdt onder meer in dat het mogelijk is boa's met pepperspray uit te rusten. Bij de toekenning gelden de criteria a. tot en met c. zoals beschreven in paragraaf 3.2. Daarnaast gelden de volgende criteria.

Ten aanzien van de nazorg na gebruik van pepperspray wordt verwezen naar de toelichting bij de artikelen 12a, tweede lid, 12b en 12c Ai. In artikel 2, derde lid, onder d, van het Besluit bewapening en uitrusting politie, gelezen in samenhang met het krachtens artikel 15, derde lid, van dat besluit vastgestelde Regeling nazorgmiddelen pepperspray is bepaald dat de met pepperspray bewapende ambtenaren dienen te beschikken over de voorgeschreven middelen voor het kunnen verlenen van een adequate nazorg. Dit is van overeenkomstige toepassing op boa's die beschikken over pepperspray.

De uitschuifbare stok van het merk Bonowi, type EKA Camlock is zwaarder en langer dan de korte wapenstok van het merk Hazeleger Synterials Verenigde bedrijven B.V. en kan indien nodig ongezien worden gedragen. Vanwege de mate van pijn die kan worden toegediend en de kans op letsel van meer dan geringe betekenis dat kan worden toegebracht, is de uitschuifbare wapenstok qua impact in het geweldsspectrum boven het geweldmiddel pepperspray geplaatst. Bij een grotere gevaarzetting verdient het de voorkeur om de boa niet direct met een uitschuifbare wapenstok maar eerst met een combinatie van de korte wapenstok van het merk Hazeleger Synterials Verenigde bedrijven B.V. en de pepperspray uit te rusten.

Bij de beoordeling of er sprake is van noodzaak tot bewapening met een uitschuifbare wapenstok worden, naast de in paragraaf 3.2 beschreven criteria a. tot en met c. (waaraan bij de korte wapenstok van het merk Hazeleger Synterials Verenigde bedrijven B.V. wordt getoetst) en de criteria bij de pepperspray, aanvullend de volgende criteria gehanteerd.

Bijzondere omstandigheden

De Minister van Justitie en Veiligheid kan in bijzondere omstandigheden, middels de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, afwijken van hetgeen in de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar is bepaald. Hij betrekt hierbij alle relevante omstandigheden in zijn beoordeling en dient te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die maken dat het handelen overeenkomstig de Beleidsregels gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de Beleidsregels te dienen doelen. In dat geval wordt een gemotiveerd verzoek daartoe door de direct toezichthouder, dat is afgestemd met de toezichthouder, voorgelegd aan het ministerie van Justitie en Veiligheid, Directoraat-Generaal Politie en Veiligheidsregio’s.

Bij bewapening met een uitschuifbare wapenstok dient de boa eveneens met de pepperspray te zijn bewapend. De opleiding, training en toetsing is toegesneden op de uitschuifbare wapenstok van het merk van het merk Bonowi, type EKA Camlock waarmee de boa, na toekenning, wordt bewapend. Het gebruik van de uitschuifbare wapenstok is uitsluitend toegestaan indien de boa heeft voldaan aan de bekwaamheidseisen als gesteld in de RTGB.

Bij de beoordeling of er sprake is van noodzaak tot bewapening met een vuurwapen worden, naast de in paragraaf 3.2 beschreven criteria a. tot en met c. aanvullend de volgende criteria gehanteerd.

Het gebruik van het vuurwapen is uitsluitend toegestaan indien de boa heeft voldaan aan de bekwaamheidseisen als gesteld in de RTGB.

Het formele kader voor de toekenning van de bevoegdheid tot gebruik van een politiesurveillancehond wordt bepaald door de artikelen 15 en 37, tweede lid, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren en hoofdstuk 2 van het Besluit bewapening en uitrusting politie en de daarop gebaseerde Regeling politiehonden. Het inzetten van een politiesurveillancehond is slechts geoorloofd onder het direct en voortdurend toezicht van een geleider bij de surveillancedienst (artikel 15, eerste lid, onder a, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren). De geleider dient in het bezit te zijn van certificaat. Een keuringscommissie verstrekt aan de geleider een certificaat op naam van de combinatie van de geleider en de politiesurveillancehond, indien die combinatie onder leiding van die geleider aan de keuringseisen heeft voldaan.

In de Regeling politiehonden wordt het kader aangegeven met betrekking tot de keuring en de keuringseisen voor de combinatie. De keuringseisen zijn opgenomen in het keuringsreglement politiesurveillancehond (een bijlage bij voornoemde regeling). Evenals bij de toekenning van de hierboven beschreven geweldmiddelen is ook de toekenning van de bevoegdheid om een politiesurveillancehond in te zetten in sterke mate afhankelijk van de in redelijkheid te verwachten kans dat de boa bij de vervulling van zijn functie met geweld of de dreiging met geweld wordt geconfronteerd.

Op het moment dat er wijzigingen plaatsvinden in de uitrustingsstukken van de politie dan gelden deze wijzigingen tevens voor de boa’s voor zover zij daarover de beschikking hebben. Op het moment dat er wijzigingen plaatsvinden in de bewapening en munitie die door de politie wordt gebruikt, dan wordt door het Ministerie van Justitie en Veiligheid, Directoraat-Generaal Politie en Veiligheidsregio’s de afweging gemaakt of deze wijzigingen ook voor de boa’s moeten gelden. Op deze wijze wordt zowel zoveel mogelijk eenduidigheid in bewapening en uitrustingsstukken als zorgvuldige besluitvorming nagestreefd.

Ten aanzien van de boa's werkzaam in domein VI, tevens zijnde ambtenaren van politie (politieboa's), is voor wat betreft het toekennen van bewapening niet de Rwm van toepassing, maar het Besluit bewapening en uitrusting politie. Het toekennen van de korte wapenstok, pepperspray en vuurwapen aan politieboa's geschiedt door de Minister van Justitie en Veiligheid (art. 6, eerste lid, van het Besluit bewapening en uitrusting politie) en valt daarmee buiten de reikwijdte van deze beleidsregels. Voor de toekenning van handboeien is eveneens het Besluit bewapening en uitrusting politie van toepassing (art.6, zesde lid onder a).

De volgende taken van de direct toezichthouder zijn bedoeld als richtlijnen. Deze lijst is niet uitputtend bedoeld.

T= Theorietoets

P= Praktijktoets

T= Theorietoets

P= Praktijktoets

T= Theorietoets

P= Praktijktoets

T= Theorietoets

P= Praktijktoets

De boa openbaar vervoer maakt in de basisbekwaamheid OV een verzwaard examen theorie en praktijk ten opzichte van het examenplan boa basisbekwaamheid. Voor de theorietoets maakt de boa ov naast alle eindtermen uit het examenplan basisbekwaamheid ook toetsvragen uit de hoofdtaak openbaar vervoer. Voor de praktijktoets wordt een volledige combibon op basis van Wp2000 opgemaakt.

T= Theorietoets

P= Praktijktoets

Deze examens kunnen worden afgenomen zowel voor de Boa openbaar vervoer als voor de Boa ProRail

Gedragsspecifieke leerdoelen staan in het Kwalificatiedossier publieke veiligheid crebo 23322, profieldeel P3-K1 voor domein IV.

Boa-werkgevers kunnen een beroep doen op de volgende ontheffingsmogelijkheden (bij basisbekwaamheidseis of verzwaard boa-examen):

In individuele gevallen kan bij een eerste aanvraag ontheffing van de basisbekwaamheidseis worden verleend. Justis wint bij een ontheffingsverzoek zo nodig advies in bij Stichting ExTH. Deze stichting is verantwoordelijk voor het waarborgen van een gelijkwaardig niveau van bekwaamheid bij vergelijking van de exameneisen (opleidingen). Op de website van ExTH, de Politieacademie en de Koninklijke Marechaussee is aangegeven of een afgeronde opleiding gelijk kan worden gesteld aan het boa-getuigschrift. Tweejaarlijks stemt ExTH met genoemde opleiders af of lopende opleidingen nog in aanmerking komen voor een ontheffing en of nieuwe opleidingen gelijk kunnen worden gesteld aan het boa-getuigschrift.

De geldigheidsduur van de ontheffing is maximaal vijf jaren na de datum waarop de betreffende opleiding is afgerond c.q. het betreffende diploma is behaald. Daarna dient het reguliere boa-examen te worden afgelegd, dan wel te worden deelgenomen aan het aanvullende opleidingstraject van het domein of het (eigen) scholingstraject van de werkgever. Tevens kan een éénmalige en maximaal vijf jaar geldende ontheffing worden toegekend aan een (nieuw) voorgedragen functionaris, die beschikt over een diploma dat recht geeft op een ontheffing, maar deze langer dan vijf jaar voorafgaande aan de aanvraag heeft behaald. Hierbij geldt de voorwaarde dat deze functionaris enige tijd daarvoor een executieve functie bij de politie of een functie als opsporingsambtenaar bij de Koninklijke Marechaussee heeft vervuld.

De termijn waarbinnen na de uitdiensttreding uit de executieve functie de aanvraag om te worden aangesteld als boa moet worden ingediend, is vijf jaar. Deze éénmalige en maximaal vijf jaar geldende ontheffing wordt geacht te zijn ingegaan op de dag waarop de aanvrager uit de executieve dienst is getreden.

Bij de (nieuwe) aanvraag moet een kopie van het besluit waarin de aanvrager uit executieve dienst is ontslagen, worden gevoegd.

Daarnaast kan ontheffing van de basisbekwaamheidseis, dit geldt niet voor de aanvullende eisen (PHB) die gesteld worden binnen het boa domein, worden verleend aan politieambtenaren of opsporingsambtenaren van de Koninklijke Marechaussee die naast hun functie de functie van boa als nevenfunctie hebben, doch die langer dan vijf jaren geleden het betreffende diploma hebben behaald. Voor deze ontheffing wordt als voorwaarde gesteld dat de betrokkene in executieve dienst werkzaam is bij de politie of de status van opsporingsambtenaar heeft bij de Koninklijke Marechaussee. Bovenstaande geldt ook voor politieambtenaren of opsporingsambtenaren van de Koninklijke Marechaussee die vanuit hun functie worden gedetacheerd als boa.

Een boa kan bij de desbetreffende examencommissie, belegd bij ExTH, een vrijstellingsverzoek voor een examenonderdeel indienen. Deze boa is daarbij zelf verantwoordelijk voor de onderbouwing van het verzoek en het aanleveren van de ondersteunende documenten. Informatie over het vrijstellingsverzoek en de benodigde documenten is te vinden op de website www.ExTH.nl.

Het is de verantwoordelijkheid van de examencommissie om mogelijke vrijstellingen te verlenen. Hierbij dient zij een weloverwogen en onderbouwde vergelijking te maken op grond van compatibiliteit van exameneisen en opleidingsniveau (wordt er geëxamineerd wat belangrijk is én wat een juiste indicatie geeft wat betreft niveau, inhoud en complexiteit).

ExTH is verantwoordelijk voor het vaststellen van inhoudelijke bekwaamheid. Justis is verantwoordelijk voor het verstrekken van de akte van opsporingsbevoegdheid op basis van de overgelegde bewijzen en kan ontheffing verlenen op basis van door ExTH goedgekeurde vrijstellingen. Voor collectief vastgestelde vrijstellingsregelingen wordt verwezen naar de website van Justis en van ExTH.

Aan werkgevers met een uitgebreid eigen scholingstraject kan een zogenaamde semi-permanente ontheffing van de bekwaamheidseis worden verleend. De werkgever voorziet in dit geval in een eigen opleiding, afgesloten met een examen dat in eigen beheer wordt afgenomen.

Voor toekenning van deze ontheffing moet voldaan zijn aan de onderstaande voorwaarden.

Deze ontheffing van de bekwaamheidseis kan ook aan individuele boa’s worden toegekend, bijvoorbeeld als zij deelnemen aan het scholingsprogramma bij een werkgever die over een semi-permanente ontheffing beschikt.

Onder de tijdelijke ontheffing wordt verstaan een ontheffing die voor een bepaalde periode kan worden verleend teneinde de werkgever in staat te stellen om de bij hem in dienst zijnde boa’s bij te scholen en in staat te stellen om het vereiste examen af te leggen.

Deze ontheffingsmogelijkheid bestaat alleen in geval van buitengewone omstandigheden en voor reeds in dienst zijnde boa’s, dus uitdrukkelijk niet voor nieuwe aanvragen tot aanstelling als boa.

Indien de uitoefening van de opsporingsbevoegdheid zodanig beperkt en gering van omvang is dat in verhouding daarmee het behalen van het examen een onevenredige belasting vormt, kan door de werkgever van de boa een verzoek om ontheffing worden gedaan.

Voorbeelden van deze functies zijn de teleservicemedewerkers bij de politie (de functie beperkt zich tot het (telefonisch) aannemen van aangiftes, zonder daderindicatie, zonder dat getuigen worden gehoord en gericht op relatief eenvoudige strafbare feiten) dan wel functies waarbij de boa geen contact heeft met het publiek en waarbij de opsporingsbevoegdheid slechts marginaal nodig is voor de werkzaamheden (functies waarbij door een boa slechts technische processen-verbaal worden opgemaakt zonder dat getuigen of verdachten behoeven te worden gehoord).

Op basis van de door de werkgever aangedragen gegevens en het advies van de toezichthouder en de direct toezichthouder wordt besloten tot het al dan niet verlenen van ontheffing. Aan deze ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden.

Aan personen die niet beschikken over een geldig diploma of getuigschrift kan in uitzonderlijke gevallen ontheffing van de bekwaamheidseis worden verleend. Gezien het belang dat wordt gehecht aan het basiskennisniveau van elke boa kan slechts om ontheffing van de bekwaamheidseis worden verzocht in het volgende geval.

Indien een persoon vanwege bepaalde redenen het examen niet heeft behaald dan wel niet heeft kunnen deelnemen aan het examen kan door de werkgever van de boa een verzoek om ontheffing worden gedaan. Daarbij moet gemotiveerd worden aangegeven dat het noodzakelijk is dat deze persoon over opsporingsbevoegdheid blijft beschikken en dat hij om bepaalde redenen het examen niet heeft behaald c.q. het onmogelijk was om deel te nemen aan het examen. Een dergelijk verzoek kan alleen worden gedaan bij een aanvraag tot verlenging van de opsporingsbevoegdheid.

Op basis van de aangedragen gegevens en zo nodig in te winnen advies van de toezichthouder en direct toezichthouder kan worden besloten tot het al dan niet verlenen van ontheffing. Aan deze ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden.

Aanvragen om ontheffing van de bekwaamheidseis dienen door de werkgever bij de Dienst Justis te worden ingediend.

Een aanvraag om ontheffing van de bekwaamheidseis kan voor één, voor alle of voor een deel van de bij een werkgever in dienst zijnde boa’s worden gedaan. Op basis van de aanvraag wordt bij afzonderlijke beschikking dan wel bij categoriale aanwijzing een besluit genomen. Een aanvraag om ontheffing kan tegelijkertijd met de aanvraag voor een categoriale aanwijzing of voor de titel opsporingsbevoegdheid van de aanstaande boa worden ingediend. Dienst Justis kan bij ontheffingsverzoeken advies inwinnen bij Stichting ExTH met het oog op het waarborgen van een gelijkwaardig niveau van bekwaamheid.

Partij I: gegevens werkgever en welke boa's het betreffen (personalia, functie, boa akten)

Partij II: gegevens werkgever en welke boa's het betreffen (personalia, functie, boa akten)

Partijen komen overeen de taken, zoals deze zijn opgenomen in het Besluit Buitengewoon Opsporingsambtenaar, onder eindverantwoordelijkheid te brengen van partij I.

Het betreft de volgende artikelen:

Art. 9 lid 1 BBO: werkgever dient een aanvraag tot het verlenen van de akte in etc.

Art. 41 lid 1 BBO: werkgever verschaft de toezichthouder(s) en de direct toezichthouder(s) alle door hen gewenste informatie met betrekking tot de in dienst zijnde werkzame buitengewoon opsporingsambtenaar.

Art. 42 BBO: werkgever zendt terstond een afschrift van een klacht over het optreden van een buitengewoon opsporingsambtenaar betreffende de uitoefening van diens bevoegdheden als buitengewoon opsporingsambtenaar aan de toezichthouder en de direct toezichthouder.

Bij de afhandeling van de klacht neemt de werkgever het oordeel van de toezichthouder over de rechtmatigheid en behoorlijkheid van de uitoefening van die bevoegdheden in acht.

Partijen komen verder overeen (ruimte voor andere afspraken)

De betreffende boa's zijn hierbij bevoegd om te handhaven binnen het volgende gebied (geografisch): ...

Het bevoegd gezag van de regio ... en (indien van toepassing) de regio (...) is d.d. akkoord gegaan met deze overeenkomst.

De overeenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd en kan door de 2 betrokken partijen

op elk moment opgezegd worden.

Dit opzeggen gebeurt schriftelijk bij de regionaal coördinator BOA van de desbetreffende eenheid van de politie ....(betreffende politie-eenheid)

Plaats en datum

Gezien en akkoord: de betrokken toezichthouders en direct toezichthouders

Conform artikel 6, eerste lid, van het BBO dient een aanvraag tot verlenging of wijziging van de titel van opsporingsbevoegdheid uiterlijk drie maanden voor het verlopen van de geldigheidsduur te worden ingediend.

In verband met de wens om te komen tot lastenverlichting is ook het beleid ten aanzien van categoriale aanvragen gewijzigd. Een boa-werkgever kan reeds vanaf 5 boa's een categoriale aanvraag doen. Indien de boa's in verschillende domeinen zitten kan dit ook worden aangegeven binnen één categoriale aanvraag.

*Voor een stage dient een stage-overeenkomst te worden overlegd. Voor inhuur dient een overeenkomst met de uitlenende partij te worden overlegd.

*Voor een stage dient een stage-overeenkomst te worden overlegd. Voor inhuur dient een overeenkomst met de uitlenende partij te worden overgelegd.

In Domein 1 (Openbare Ruimte) geldt een afwijkende procedure voor zover het gaat om een aanvraag van gemeenten tot uitbreiding van het aantal boa’s. Hier vindt de toetsing op noodzaak plaats in de lokale driehoek. Als bewijs van deze toetsing, dient zo mogelijk het verslag van het overleg in de lokale driehoek met de aanvraag te worden meegezonden.

De adviesformats voor de (direct) toezichthouders en aanvraagformulieren voor de boa-werkgevers zijn te vinden op de website van Justis (www.justis.nl) onder BOA/documenten.

Het is van belang dat de werkgever van een boa beschikt over een klachtenregeling en -procedure die een behoorlijke behandeling van klachten over boa’s mogelijk maken, en dat hij op een adequate wijze informatie verstrekt over het indienen van een klacht.

Artikel 42 van het BBO schrijft voor dat de werkgever van een boa terstond een afschrift van een klacht over het optreden van een boa betreffende de uitoefening van zijn bevoegdheden als boa aan de toezichthouder en direct toezichthouder stuurt. Het oordeel van de toezichthouder over de rechtmatigheid en behoorlijkheid van de uitoefening van de bevoegdheden wordt in acht genomen door de werkgever bij de afhandeling van de klacht.

Een gedraging van een boa wordt opgevat als een gedraging van het bestuursorgaan waaronder de boa ressorteert. Klachten over een boa kunnen worden ingediend bij de Nationale ombudsman, ook indien de ambtenaar in dienst is van een gemeente die een eigen ombudsvoorziening heeft (artikel 1a, eerste lid, onder d van de Wet Nationale ombudsman).

Indien de boa niet in dienst is van een bestuursorgaan, maar van een privaatrechtelijke organisatie (bijvoorbeeld de Stichting Landelijke Inspectie Dierenbescherming of de Vereniging Natuurmonumenten), dan rekent de Nationale ombudsman de gedragingen van de boa toe aan de Minister van Justitie en Veiligheid en derhalve acht hij zich bevoegd. Dit geldt ook voor klachten over de wijze waarop de privaatrechtelijke organisatie de klacht heeft behandeld. Deze toerekening is bedoeld als grondslag voor het indienen van een klacht bij de Nationale ombudsman. Dit is immers formeel alleen mogelijk voor gedragingen van bestuursorganen. De Minister van Justitie en Veiligheid krijgt door de toerekening van de gedragingen geen (vertegenwoordigende) rol in de klachtprocedure. De Nationale ombudsman kan zich, na ontvangst van de klacht door de minister, rechtstreeks richten tot de particuliere organisatie waar de boa in dienst is. Deze organisatie blijft verantwoordelijk voor de klachtafhandeling.

Overigens zijn er ook andere instanties waar een klacht kan worden ingediend over de wijze waarop een privaatrechtelijke organisatie een klacht over haar boa heeft behandeld, bijvoorbeeld bij de OV-Ombudsman waar het gaat om boa’s van openbaarvervoerbedrijven.

In hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de procedure beschreven die moet worden gevolgd bij het indienen van een klacht over een gedraging van een bestuursorgaan. Voorts bevat dit hoofdstuk regels over het indienen van een klacht bij een ombudsman.

De Awb-klachtenprocedure vindt plaats voorafgaand aan een eventuele procedure bij de Nationale ombudsman. Deze is niet verplicht een klacht in behandeling te nemen, als de klager niet eerst een klacht heeft ingediend bij het verantwoordelijke bestuursorgaan. Klachten die betrekking hebben op de wijze van klachtbehandeling door het bestuursorgaan hoeven niet eerst bij het bestuursorgaan te worden ingediend.

In het BBO zijn regels gegeven over onder andere het toezicht op boa's. Voor het dagelijks functioneren van de boa is de werkgever verantwoordelijk. De toezichthouder ziet er op toe dat de boa zijn taak bij de opsporing van strafbare feiten naar behoren vervult en op een juiste wijze gebruik maakt van zijn bevoegdheden. De direct toezichthouder oefent het dagelijks toezicht uit op de juiste uitoefening van de bevoegdheden.

Als er een klacht wordt ingediend over een boa, moet bij de behandeling van de klacht ook rekening worden gehouden met artikel 42 BBO. Indien een klacht betrekking heeft op de uitoefening van bevoegdheden als boa, dan verplicht artikel 42, eerste lid, BBO de werkgever om direct een afschrift van de klacht aan de toezichthouder en de direct toezichthouder te zenden.

Ten aanzien van de routering van de klachten gelden de volgende uitgangspunten. De direct toezichthouder maakt, eventueel na overleg met de toezichthouder, de afweging of een oordeel van de direct toezichthouder of toezichthouder over de klacht gewenst is. Bejegeningsklachten worden afgedaan door de werkgever in overleg met de direct toezichthouder. Indien de klacht anderszins valt onder het dagelijks toezicht op de juiste uitoefening van bevoegdheden van de boa doet de direct toezichthouder de klacht af. De toezichthouder geeft een oordeel als de klacht de rechtmatigheid en behoorlijkheid van de uitoefening van de bevoegdheden als boa raakt. Bij de uitoefening van bevoegdheden als boa gaat het om de uitoefening van bevoegdheden in het kader van de opsporing van strafbare feiten, dat wil zeggen de feiten tot de opsporing waarvoor een boa beëdigd is. Verder is het aan de toezichthouder om te beslissen over de vraag of het opportuun is om tot vervolging over te gaan.

Bij de bevoegdheden kan onder meer worden gedacht aan de bevoegdheden als bedoeld in artikel 7, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012 en de eventuele toegekende bevoegdheid tot het gebruik van (een) geweldmiddel(en).

Op grond van artikel 42, tweede lid, van het BBO moet de werkgever bij de afhandeling van de klacht het oordeel van de toezichthouder over de rechtmatigheid en behoorlijkheid van de uitoefening van bevoegdheden in acht nemen. Deze bepaling betekent in het licht van hoofdstuk 9 van de Awb dat de werkgever dit oordeel moet laten meewegen bij zijn uiteindelijke oordeel over de klacht.

Nadat een klacht is behandeld ingevolge de regels die de Awb stelt, wordt het oordeel van de toezichthouder, over de wijze waarop de boa en daarmee het bestuursorgaan zich heeft gedragen, betrokken in de afweging tot de uiteindelijke besluitvorming door het bevoegd gezag. Het oordeel van de toezichthouder heeft geen bindend karakter. Tegen een besluit inzake de behandeling van een klacht over een gedraging van een bestuursorgaan kan geen beroep worden ingesteld. De klager ontvangt altijd schriftelijk bericht over de wijze waarop zijn klacht is afgedaan. Als de klacht gegrond wordt geacht, dan verdient het aanbeveling om in de afdoeningsbrief ook in te gaan op eventuele maatregelen die naar aanleiding van de gegrondheid van de klacht worden genomen. In de afdoeningsbrief wordt de klager, onafhankelijk of de klacht al dan niet gegrond wordt geacht, gewezen op de mogelijkheid om binnen een jaar na ontvangst van de afdoeningsbrief een klacht in te dienen bij de Nationale ombudsman.

Op grond van artikel 9:12a van de Awb moeten schriftelijke klachten worden geregistreerd en jaarlijks geanonimiseerd worden gepubliceerd. Het verdient aanbeveling dat werkgevers aan wie ingevolge artikel 142, eerste lid, onder b, en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering een categoriale beschikking is verleend, de informatie over de afhandeling van klachten opnemen in het door hen op te stellen jaarverslag.

De hiervoor omschreven klachtenprocedure is primair gericht op het functioneren van het bestuursorgaan. Indien wordt geoordeeld dat een klacht gegrond is, dan kan dat gevolgen hebben voor de betrokken boa. De disciplinaire c.q. tuchtrechtelijke weg die kan worden gevolgd valt buiten de reguliere klachtenprocedure en wordt in deze beleidsregels buiten beschouwing gelaten.

In 2021 heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid een verkenning uitgevoerd naar het leefbaarheidscriterium. Op basis van deze verkenning is het leefbaarheidscriterium vervangen door het inzetcriterium. In het inzetcriterium is, aangevuld met de Kamerbrief over de rol van de boa (Kamerstukken II 2025/26, 36 395, nr. 22), onder de criteria met betrekking tot de uitvoerbaarheid opgenomen:

Het te handhaven feit betreft enkel die gevallen, waarbij op voorhand geen sprake is van een te gevaarlijke, escalerende of gewelddadige setting (gevaarzetting). Dit neemt niet weg dat de toekenning van geweldmiddelen op basis van deze feiten mogelijk is, afhankelijk van de totale beoordeling van de criteria in paragraaf 3.2. Criteria toekenning bevoegdheid, kopje Criteria toekenning geweldmiddelen en de omstandigheden van het geval.

Uit gesprekken met verschillende partners, waaronder het OM, de politie, de VNG en de G4-gemeenten, bleek er behoefte te zijn aan een nadere invulling van de term gevaarzetting. Dit handelingsperspectief komt aan deze behoefte tegemoet. Met behulp van voorbeelden wordt inzichtelijk gemaakt in welke omstandigheden boa’s een taak hebben en wanneer er een taak is voor de politie. Het handelingsperspectief is richtinggevend, omdat situaties in de praktijk kunnen verschillen door de specifieke plaatselijke context. Het handelingsperspectief is bedoeld voor alle partijen die onderdeel uitmaken van de lokale driehoek en boa’s zelf. Het fungeert als afwegingskader voor de werkgever bij de inzet van boa’s.

De boa is een functionaris die uit hoofde van zijn taak, in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag, in overeenstemming met de geldende rechtsregels en met behulp van de hem daartoe beschikbaar gestelde bevoegdheden en middelen, zorgt voor de opsporing van strafbare feiten alsmede met de voorbereiding van de eventuele vervolging van deze feiten. Daartoe heeft een boa die werkzaam is in domein I (openbare ruimte) een breed pakket aan bevoegdheden waarmee het lokale veiligheidsbeleid – gericht op de aanpak van overlast en kleine ergernissen en andere feiten die de leefbaarheid aantasten – binnen de openbare ruimte kan worden gehandhaafd. In het inzetcriterium wordt de taak van de boa afgebakend. Het inzetcriterium is terug te vinden in paragraaf 6.1.

Boa’s zijn opgeleid voor handhaving in een context met een minimale gevaarzetting. Gevaarzetting is een combinatie van gevaar, risico en blootstelling. Gevaar gaat over de schade en het gevolg dat kan ontstaan, bijvoorbeeld door geweld of schadelijke stoffen. Het risico betreft de mate van waarschijnlijkheid dat het gevaar verwezenlijkt wordt in combinatie met de blootstelling. Daar waar handhaving van leefbaarheidsfeiten niet plaats kan vinden als gevolg van een te grote gevaarzetting voor de boa, verandert het werk in een politietaak (handhaven openbare orde). Bij grootschalige gewelddadigheden waardoor de openbare orde en algemene veiligheid wordt aangetast, is het de taak van de politie om de orde – desnoods met geweld – te herstellen. Het belang van het herstellen van de orde weegt op dat moment zwaarder dan het opsporingsbelang. Boa’s zijn niet bevoegd, uitgerust en opgeleid voor de uitvoering van deze aan de politie wettelijk opgedragen taak. Zij hebben slechts beperkte mogelijkheden en bevoegdheden om in escalerende situaties gewenst gedrag af te dwingen. De boa’s hebben in deze gevallen slechts een signalerende rol en dienen de politie in te schakelen.

De beperking van gevaar is onlosmakelijk gekoppeld aan de inzet van de boa. Een nauwgezette – proactieve en preventieve – benadering van de opgedragen taken en werkzaamheden beperkt risico’s en vergoot daarmee de veiligheid van de boa. Het is belangrijk dat voorafgaand aan de inzet van boa's een goede risico-inschatting wordt gemaakt, omdat het enorm lastig is uit een reeds geëscaleerde situatie terug te treden. Het risico op escalatie of gevaarzetting kan per plaats, tijd en beschikbare informatie sterk verschillen. Het is daarom uitdrukkelijk niet de bedoeling de inzet van boa’s op voorhand op een bepaald tijdstip of bepaalde plaats te beperken. Rekening houdend met gevaarzetting is het is niet de tijd of plaats, maar zijn het juist de omstandigheden en de eventueel beschikbare informatie die bepalen of boa’s nog kunnen worden ingezet. Die omstandigheden worden beschreven in de escalatieladder waarbij het risico op escalatie en de gevaarzetting geleidelijk toeneemt. Door inzicht te geven in escalatie verhogende factoren, kan bij de inzet van boa's een betere risico inschatting worden gemaakt.

De handhavingspraktijk is weerbarstig waarbij de risico's niet altijd voorzienbaar zijn. Eenvoudige situaties kunnen immers op elk moment van de dag en op elke plaats plotseling escaleren tot verschillende vormen van ordeverstoringen. Escalatie van een situatie verloopt doorgaans via een proces waarin verschillende fases en factoren zijn te onderscheiden. Door het vroegtijdig signaleren en herkennen van deze fases en factoren, en daarnaar te handelen, kan worden voorkomen dat boa's tijdens de uitvoering van hun handhavingstaken alsnog in risicovolle situaties belanden. Het is daarbij belangrijk dat er goede afstemming is tussen politie en boa's over het moment en de wijze waarop boa’s terugtreden. Dergelijke afspraken over de inzet van boa’s worden vastgelegd in het handhavingsarrangement.

Hieronder is een richtinggevend handelingsperspectief in de vorm van een escalatieladder opgenomen.