Regeling · BWBR0040922
Besluit energie vervoer
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 29 december 2017, nr. IenM/BSK-2017/302182, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 9.7.1.2, 9.7.2.1, eerste en tweede lid, 9.7.2.4, derde lid, 9.7.2.5, tweede lid, 9.7.3.8, 9.7.4.1, eerste en tweede lid, 9.7.4.2, 9.7.4.3, 9.7.4.4, eerste en vijfde lid, 9.7.4.7, tweede lid, 9.7.4.8, eerste en vijfde lid, 9.7.4.11, tweede lid, 9.7.4.12, vierde lid, 9.7.4.13, vierde lid, 9.7.4.14, tweede lid, 9.7.5.3, derde lid, 9.7.5.4, derde lid, 9.7.5.6, tweede lid, 9.8.1.3, 9.8.2.1, eerste en derde lid, 9.8.2.4, derde lid, 9.8.2.5, tweede lid, 9.8.3.2, 9.8.3.4, 9.8.4.4, derde lid, en 9.8.4.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 28 februari 2018, no.W17.17.0409/IV);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 26 april 2018, nr. IenW/BSK-2018/58167, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Wassenaar3 mei 2018Willem-AlexanderDe Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,S. vanVeldhoven-van der Meerde zeventiende mei 2018De Minister van Justitie en Veiligheid,F.B.J.GrapperhausIn dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
aangeslotene: aangeslotene als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;
aansluiting: aansluiting als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;
adres: één onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken;
allocatiepunt: allocatiepunt als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;
bemeterd leverpunt: tank- of laadpunt voor de levering van gasvormige brandstof of elektriciteit voorzien van een voertuigaansluiting of een vaartuigaansluiting en van een meter die de hoeveelheid van de levering meet, niet zijnde de meter op de aansluiting, het allocatiepunt of elke andere meter buiten het tank- of laadpunt;
brandstofleveringsnota: brandstofleveringsnota als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging;
directe lijn: directe lijn als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;
eindafnemer: eindafnemer als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;
emissiereductie-eenheid bijlage IX-B: emissiereductie-eenheid bijlage IX-B als bedoeld in artikel 9.7.3.2, tweede lid, onderdeel c, van de wet;
emissiereductie-eenheid conventioneel: emissiereductie-eenheid conventioneel als bedoeld in artikel 9.7.3.2, tweede lid, onderdeel a, van de wet;
emissiereductie-eenheid elektriciteit: emissiereductie-eenheid als bedoeld in artikel 9.7.3.2, tweede lid, onderdeel e, van de wet;
emissiereductie-eenheid geavanceerd: emissiereductie-eenheid geavanceerd als bedoeld in artikel 9.7.3.2, tweede lid, onderdeel b, van de wet;
emissiereductie-eenheid hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong: emissiereductie-eenheid hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong als bedoeld in artikel 9.7.3.2, tweede lid, onderdeel d, van de wet;
emissiereductie-eenheid overig: emissiereductie-eenheid overig als bedoeld in artikel 9.7.3.2, tweede lid, onderdeel f, van de wet;
inboekverificateur: verificateur als bedoeld in artikel 9.7.4.12, eerste lid, van de wet;
inboekverificatie: verificatie als bedoeld in artikel 9.7.4.12, eerste lid, van de wet;
inboekverificatieverklaring: verklaring als bedoeld in artikel 9.7.4.12, eerste lid, van de wet;
levering tot eindverbruik sector zeevaart: levering van de brandstoffen, bedoeld in artikel 3.0, eerste lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging, en zoals opgenomen in de brandstofleveringsnota;
LPG: vloeibaar gemaakt petroleumgas als bedoeld in artikel 26, zesde lid, van de Wet op de accijns en minerale oliën die op grond van artikel 28, met uitzondering van het tweede en zesde lid, van die wet voor het tarief van vloeibaar gemaakt petroleumgas aan de accijns onderworpen zijn;
materiële afwijking: onjuistheid die, afzonderlijk of in combinatie met andere onjuistheden, de gestelde materialiteitsgrens overschrijdt;
materialiteitsgrens: kwantitatieve drempel of grenswaarde waarboven onjuistheden, afzonderlijk of in combinatie met andere onjuistheden, door de verificateur als materieel worden beschouwd;
Raad voor Accreditatie: Raad voor Accreditatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie;
redelijke mate van zekerheid: een hoge, maar niet absolute, mate van zekerheid ten aanzien van de vraag of de in de verificatieverklaring levering tot eindverbruik verantwoorde levering tot eindverbruik, de in de verificatieverklaring biomassa verantwoorde hoeveelheid vervaardigd LPG uit biomassa of de in de inboekverificatieverklaring verantwoorde inboekingen in het register vrij zijn van materiële onjuistheden;
rekeninghouder: onderneming die beschikt over een rekening als bedoeld in artikel 9.7.5.3 van de wet;
soort hernieuwbare energie: de soorten hernieuwbare energie, bedoeld in artikel 9.7.4.1, eerste lid, van de wet;
transmissiesysteem voor gas: transmissiesysteem voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;
van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige afvalstoffen en residuen: afvalstoffen en residuen die rechtstreeks afkomstig zijn uit de landbouw, de aquacultuur, visserij en de bosbouw, en die geen afvalstoffen of residuen van aanverwante bedrijfstakken of verwerking omvatten;
verificateur biomassa: verificateur als bedoeld in artikel 9.7.4.8, tweede lid, van de wet;
verificateur levering tot eindverbruik: verificateur als bedoeld in artikel 9.7.2.6, eerste lid, van de wet;
verificatie biomassa: verificatie als bedoeld in artikel 9.7.4.8, tweede lid, van de wet;
verificatie levering tot eindverbruik: verificatie als bedoeld in artikel 9.7.2.6, eerste lid, van de wet;
verificatieverklaring biomassa: verificatieverklaring als bedoeld in artikel 9.7.4.8, tweede lid, van de wet;
verificatieverklaring levering tot eindverbruik: verificatieverklaring als bedoeld in artikel 9.7.2.6, eerste lid, van de wet;
walstroomvoorziening: de levering van walstroom door middel van een gestandaardiseerde, vaste of mobiele koppeling aan zeeschepen of binnenschepen die aangemeerd zijn aan de kade;
wet:Wet milieubeheer.
De in titel 9.7 van de wet opgenomen bepalingen met betrekking tot de leverancier tot eindverbruik zijn niet van toepassing op:
- a.
de leverancier tot eindverbruik over het kalenderjaar waarin zijn levering tot eindverbruik sector land, zijn levering tot eindverbruik sector binnenvaart, of zijn levering tot eindverbruik sector zeevaart opgeteld minder is dan 500.000 liter;
- b.
brandstoffen die ingezet worden in bilaterale of multilaterale militaire operaties en samenwerking of in nationale militaire operaties;
- c.
zijn levering tot eindverbruik van dierlijke bijproducten die hij op locatie gebruikt als brandstof voor verwarming.
Bij de afschrijving, bedoeld in artikel 9.7.2.5, eerste lid, onderdeel b, van de wet, wordt de volgende volgorde gehanteerd:
- a.
de jaarverplichting wordt afgeschreven binnen de sector land overeenkomstig artikel 5;
- b.
de jaarverplichting wordt afgeschreven binnen de sector binnenvaart overeenkomstig artikel 5c;
- c.
de jaarverplichting wordt afgeschreven binnen de sector zeevaart overeenkomstig artikel 5f.
Het percentage CO2-equivalent-ketenemissiereductie van de levering tot eindverbruik sector land, bedoeld in artikel 9.7.2.1, eerste en tweede lid, van de wet, waarbij het aantal emissiereductie-eenheden naar boven wordt afgerond, is voor het kalenderjaar:
- a.
2026: 14,4 procent;
- b.
2027: 16,5 procent;
- c.
2028: 23,1 procent;
- d.
2029: 25,6 procent;
- e.
2030: 28,4 procent.
Invulling van het percentage met emissiereductie-eenheden anders dan met emissiereductie-eenheden van de sector land, is niet toegestaan.
Het percentage is ingevuld met emissiereductie-eenhedenconventioneel voor de kalenderjaren 2026 tot en met 2030 tot ten hoogste 1,2 procent, waarbij het aantal emissiereductie-eenheden conventioneel naar beneden wordt afgerond.
Het percentage ingevuld met emissiereductie-eenheden geavanceerd, waarbij het aantal emissiereductie-eenheden geavanceerd naar boven wordt afgerond, is voor het kalenderjaar:
- a.
2026: ten minste 3,1 procent;
- b.
2027: ten minste 4,5 procent;
- c.
2028: ten minste 5,9 procent;
- d.
2029: ten minste 7,3 procent;
- e.
2030: ten minste 8,8 procent.
Het percentage is ingevuld met emissiereductie-eenheden bijlage IX-B voor de kalenderjaren 2026 tot en met 2030 tot ten hoogste 4,3 procent, waarbij het aantal emissiereductie-eenheden bijlage IX-B naar beneden wordt afgerond.
Het percentage, ingevuld met emissiereductie-eenheden hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, waarbij het aantal emissiereductie-eenheden hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong naar boven wordt afgerond, is voor het kalenderjaar:
- a.
2026: ten minste 0,05 procent;
- b.
2027: ten minste 0,10 procent;
- c.
2028: ten minste 0,46 procent;
- d.
2029: ten minste 0,96 procent;
- e.
2030: ten minste 1,45 procent.
Bij het voldoen aan het zesde lid, is de invulling van het percentage met raffinagereductie-eenheden toegestaan tot een bij ministeriële regeling bepaald percentage.
Een ambtshalve vaststelling als bedoeld in artikel 9.7.2.4, eerste of tweede lid, van de wet, wordt gemaakt op basis van een redelijke inschatting, waarbij het bestuur van de emissieautoriteit zich in ieder geval baseert op de gegevens van de rijksbelastingdienst over de uitslag tot verbruik, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de accijns, van benzine, diesel en zware stookolie.
De gevolgen van een ambtshalve vaststelling als bedoeld in artikel 9.7.2.4, eerste of tweede lid, van de wet, worden verrekend met het saldo van het lopende kalenderjaar.
Bij de afschrijving, bedoeld in artikel 9.7.2.5, eerste lid, onderdeel b, van de wet, wordt de volgende volgorde gehanteerd:
- a.
het aantal emissiereductie-eenheden geavanceerd wordt afgeschreven dat overeenkomt met het in artikel 3, vierde lid, genoemde percentage;
- b.
het aantal raffinagereductie-eenheden en vervolgens het aantal emissiereductie-eenheden hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong wordt afgeschreven dat overeenkomt met het in artikel 3, zesde en zevende lid, genoemde percentage;
- c.
het aantal op de rekening beschikbare emissiereductie-eenheden conventioneel wordt afgeschreven, tot ten hoogste het in artikel 3, derde lid, genoemde percentage;
- d.
het aantal op de rekening beschikbare emissiereductie-eenheden bijlage IX-B wordt afgeschreven, tot ten hoogste het in artikel 3, vijfde lid, genoemde percentage;
- e.
het aantal op de rekening beschikbare emissiereductie-eenheden elektriciteit wordt afgeschreven;
- f.
het aantal op de rekening beschikbare emissiereductie-eenheden overig wordt afgeschreven;
- g.
het aantal op de rekening beschikbare emissiereductie-eenheden geavanceerd wordt afgeschreven;
- h.
het aantal op de rekening beschikbare emissiereductie-eenheden hernieuwbare brandstoffen van niet biologische oorsprong wordt afgeschreven.
Indien na toepassing van de afschrijving, bedoeld in het eerste lid, niet is voldaan aan de jaarverplichting, wordt het aantal per soort verschuldigde emissiereductie-eenheden als volgt vastgesteld:
- a.
het aantal emissiereductie-eenheden conventioneel is even groot als het percentage, bedoeld in artikel 3, derde lid, dat de leverancier tot eindverbruik bij de afschrijving van de jaarverplichting ingevolge het eerste lid, onderdeel c, niet gebruikt heeft;
- b.
het aantal emissiereductie-eenheden bijlage IX-B is even groot als het percentage, bedoeld in artikel 3, vijfde lid, dat de leverancier tot eindverbruik bij de afschrijving van de jaarverplichting ingevolge het eerste lid, onderdeel d, niet gebruikt heeft;
- c.
het aantal emissiereductie-eenheden overig is even groot als de resterende jaarverplichting na toepassing van onderdelen a en b.
Het percentage CO2-equivalent-ketenemissiereductie van de levering tot eindverbruik sector binnenvaart, bedoeld in artikel 9.7.2.1, eerste en tweede lid, van de wet, waarbij het aantal emissiereductie-eenheden naar boven wordt afgerond, is voor het kalenderjaar:
- a.
2026: 2,5 procent;
- b.
2027: 5,1 procent;
- c.
2028: 7,6 procent;
- d.
2029: 10,2 procent;
- e.
2030: 14,5 procent.
Invulling van het percentage met emissiereductie-eenheden anders dan met emissiereductie-eenheden van de sector binnenvaart, is toegestaan voor het kalenderjaar:
- a.
2026: tot ten hoogste 0,8 procent;
- b.
2027: tot ten hoogste 1,0 procent;
- c.
2028: tot ten hoogste 1,5 procent;
- d.
2029: tot ten hoogste 2,0 procent;
- e.
2030: tot ten hoogste 2,9 procent.
Invulling van het percentage is niet toegestaan:
- a.
met emissiereductie-eenheden-conventioneel; en
- b.
met emissiereductie-eenheden elektriciteit en hernieuwbare brandstof van niet biologische oorsprong uit een andere sector.
Het percentage, ingevuld met emissiereductie-eenheden bijlage IX-B voor de kalenderjaren 2026 tot en met 2030, is ten hoogste 11,1 procent, waarbij het aantal emissiereductie-eenheden bijlage IX-B naar beneden wordt afgerond.
Het percentage ingevuld met emissiereductie-eenheden hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, waarbij het aantal emissiereductie-eenheden hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong naar boven wordt afgerond, is voor het kalenderjaar:
- a.
2026: ten minste 0,02 procent;
- b.
2027: ten minste 0,04 procent;
- c.
2028: ten minste 0,09 procent;
- d.
2029: ten minste 0,17 procent;
- e.
2030: ten minste 0,34 procent.
Bij het voldoen aan het vijfde lid, is de invulling van het percentage met raffinagereductie-eenheden toegestaan tot een bij ministeriële regeling bepaald percentage.
Een ambtshalve vaststelling als bedoeld in artikel 9.7.2.4, eerste of tweede lid, van de wet, wordt gemaakt op basis van een redelijke inschatting.
De gevolgen van een ambtshalve vaststelling worden verrekend met het saldo van het lopende kalenderjaar.
Bij de afschrijving, bedoeld in artikel 9.7.2.5, eerste lid, onderdeel b, van de wet, wordt de volgende volgorde gehanteerd, waarbij eerst emissiereductie-eenheden van de sector binnenvaart en vervolgens emissiereductie-eenheden van de sector zeevaart en de sector land in deze volgorde van de soorten worden afgeschreven:
- a.
het aantal raffinagereductie-eenheden en vervolgens het aantal emissiereductie-eenheden hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong wordt afgeschreven dat overeenkomt met het in artikel 5a, vijfde en zesde lid, genoemde percentage;
- b.
het aantal op de rekening beschikbare emissiereductie-eenheden bijlage IX-B wordt afgeschreven, tot ten hoogste het in artikel 5a, vierde lid, genoemde percentage;
- c.
het aantal op de rekening beschikbare emissiereductie-eenheden elektriciteit wordt afgeschreven;
- d.
het aantal op de rekening beschikbare emissiereductie-eenheden overig wordt afgeschreven;
- e.
het aantal op de rekening beschikbare emissiereductie-eenheden geavanceerd wordt afgeschreven;
- f.
het aantal op de rekening beschikbare emissiereductie-eenheden hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong wordt afgeschreven.
Indien na toepassing van de afschrijving, bedoeld in het eerste lid, niet is voldaan aan de jaarverplichting, wordt het aantal per soort verschuldigde emissiereductie-eenheden als volgt vastgesteld:
- a.
het aantal emissiereductie-eenheden bijlage IX-B is even groot als het percentage, bedoeld in artikel 5a, vierde lid, dat de leverancier tot eindverbruik bij de afschrijving van de jaarverplichting ingevolge het eerste lid, onderdeel b, niet gebruikt heeft;
- b.
het aantal emissiereductie-eenheden overig is even groot als de resterende jaarverplichting na toepassing van onderdeel a.
In afwijking van het eerste lid kan door de leverancier tot eindverbruik de volgorde van afschrijving over de sectoren en soorten emissiereductie-eenheden, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met f, worden gewijzigd, voor invulling van het percentage, bedoeld in artikel 5a, tweede lid, met inachtneming van de percentages, bedoeld in artikel 5a, vierde en vijfde lid.
De wijziging, bedoeld in het derde lid, kan vanaf 1 maart tot 1 april van enig kalenderjaar door de leverancier tot eindverbruik in het register worden verwerkt.
Het percentage CO2-equivalent-ketenemissiereductie van de levering tot eindverbruik sector zeevaart, bedoeld in artikel 9.7.2.1, eerste en tweede lid, van de wet, waarbij het aantal emissiereductie-eenheden naar boven wordt afgerond, is voor het kalenderjaar:
- a.
2026: 2,9 procent;
- b.
2027: 4,8 procent;
- c.
2028: 5,9 procent;
- d.
2029: 7,1 procent;
- e.
2030: 8,2 procent.
Invulling van het percentage met emissiereductie-eenheden, anders dan met emissiereductie-eenheden van de sector zeevaart, is toegestaan voor het kalenderjaar:
- a.
2026: tot ten hoogste 1,1 procent;
- b.
2027: tot ten hoogste 1,5 procent;
- c.
2028: tot ten hoogste 1,8 procent;
- d.
2029: tot ten hoogste 2,2 procent;
- e.
2030: tot ten hoogste 2,5 procent.
Invulling van het percentage is niet toegestaan:
- a.
met emissiereductie-eenheden-conventioneel en bijlage IX-B; en
- b.
met emissiereductie-eenheden elektriciteit hernieuwbare brandstof van niet biologische oorsprong uit een andere sector.
Invulling van het percentage met emissiereductie-eenheden hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, waarbij het aantal emissiereductie-eenheden hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong naar boven wordt afgerond, is voor het kalenderjaar:
- a.
2027: ten minste 0,02 procent;
- b.
2028: ten minste 0,08 procent;
- c.
2029: ten minste 0,16 procent;
- d.
2030: ten minste 0,32 procent.
Bij het voldoen aan het vierde lid, is de invulling van het percentage met raffinagereductie-eenheden toegestaan tot een bij ministeriële regeling bepaald percentage.
Een ambtshalve vaststelling als bedoeld in artikel 9.7.2.4, eerste of tweede lid, ten aanzien van een levering tot eindverbruik sector zeevaart, wordt gemaakt op basis van een redelijke inschatting, waarbij het bestuur van de emissieautoriteit zich in ieder geval baseert op de gegevens over geleverde brandstoffen op basis van de brandstofleveringsnota’s van de leverancier tot eindverbruik.
De gevolgen van een ambtshalve vaststelling worden verrekend met het saldo van het lopende kalenderjaar.
Bij de afschrijving, bedoeld in artikel 9.7.2.5, eerste lid, onderdeel b, van de wet, wordt de volgende volgorde gehanteerd, waarbij eerst emissiereductie-eenheden van de sector zeevaart en vervolgens emissiereductie-eenheden van de sector binnenvaart en de sector land in deze volgorde van de soorten worden afgeschreven:
- a.
het aantal raffinagereductie-eenheden en vervolgens het aantal emissiereductie-eenheden hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong wordt afgeschreven dat overeenkomt met het in artikel 5d, vierde en vijfde lid, genoemde percentage;
- b.
het aantal op de rekening beschikbare emissiereductie-eenheden elektriciteit wordt afgeschreven;
- c.
het aantal op de rekening beschikbare emissiereductie-eenheden overig wordt afgeschreven;
- d.
het aantal op de rekening beschikbare emissiereductie-eenheden geavanceerd wordt afgeschreven;
- e.
het aantal op de rekening beschikbare emissiereductie-eenheden hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong wordt afgeschreven.
Indien na toepassing van de afschrijving, bedoeld in het eerste lid, niet is voldaan aan de jaarverplichting, is het aantal emissiereductie-eenheden overig even groot als de resterende jaarverplichting.
In afwijking van het eerste lid kan door de leverancier tot eindverbruik de volgorde van afschrijving over de sectoren en soorten emissiereductie-eenheden, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met f, worden gewijzigd, voor invulling van het percentage, bedoeld in artikel 5d, tweede lid, met inachtneming van de percentages, bedoeld in artikel 5d, vierde lid.
De wijziging, bedoeld in het derde lid, kan vanaf 1 maart tot 1 april van enig kalenderjaar door de leverancier tot eindverbruik in het register worden verwerkt.
Indien binnen een sector het aantal emissiereductie-eenheden conventioneel op een rekening minder dan nul is, worden bijgeschreven emissiereductie-eenheden conventioneel, bijlage IX-B, elektriciteit, overig, geavanceerd en hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong in deze volgorde afgeschreven.
Indien binnen een sector het aantal emissiereductie-eenheden bijlage IX-B op een rekening minder dan nul is, worden bijgeschreven emissiereductie-eenheden bijlage IX-B, elektriciteit, overig, geavanceerd en hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong in deze volgorde afgeschreven.
Indien binnen een sector het aantal emissiereductie-eenheden overig op een rekening minder dan nul is, worden bijgeschreven emissiereductie-eenheden overig, elektriciteit, geavanceerd en hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong in deze volgorde afgeschreven.
Indien binnen een sector het aantal emissiereductie-eenheden hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong op een rekening minder dan nul is, worden bijgeschreven emissiereductie-eenheden hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong en raffinagereductie-eenheden in die volgorde afgeschreven.
Indien binnen een sector het aantal emissiereductie-eenheden geavanceerd op een rekening minder dan nul is, worden bijgeschreven emissiereductie-eenheden geavanceerd afgeschreven.
Indien het aantal emissiereductie-eenheden op een rekening minder is dan nul in meer dan een sector, worden bijgeschreven emissiereductie-eenheden ter voldoening van de jaarverplichting per sector afgeschreven, in de volgorde van de jaarverplichting van de sector land, de jaarverplichting van de sector binnenvaart en de jaarverplichting van de sector zeevaart.
Bij de afschrijving worden de bepalingen van de paragrafen 2.1, 2.2 en 2.3 in acht genomen.
Vloeibare biobrandstof die aan de Nederlandse markt voor vervoer geleverd wordt, kan slechts worden ingeboekt in het register door een onderneming die:
- a.
houder is van een vergunning voor een accijnsgoederenplaats als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de accijns voor minerale oliën;
- b.
geregistreerd geadresseerde is als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de accijns voor minerale oliën; of
- c.
importeur is.
De onderneming, bedoeld in het eerste lid, die ingevoerd LPG vervaardigd uit biomassa aan de Nederlandse markt voor vervoer niet levert vanaf zijn opslaglocatie of een opslaglocatie waarover zijn certificering zich uitstrekt, voert in afwijking van artikel 9.7.4.2, eerste lid, onderdeel b, van de wet, alleen een massabalans van biobrandstoffen.
Vloeibare biobrandstof die wordt ingeboekt in het register, voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, tweede tot en met zevende lid en tiende lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.
In afwijking van het derde lid voldoet vloeibare biobrandstof die vervaardigd is uit niet van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige afvalstoffen en residuen, ook indien deze afvalstoffen en residuen in een product zijn verwerkt alvorens ze verder wordt verwerkt in een vloeibare biobrandstof, aan de broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, tiende lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.
Leveringen van vloeibare biobrandstoffen aan de sector binnenvaart die leiden tot de bijschrijving van een emissiereductie-eenheid conventioneel, alsmede leveringen van vloeibare biobrandstoffen aan de sector zeevaart die leiden tot de bijschrijving van een emissiereductie-eenheid conventioneel of bijlage IX-B, zijn van de toepassing van paragraaf 9.7.4 van de wet uitgesloten.
Voor vloeibare biobrandstof die wordt ingeboekt in het register is geen exploitatiesubsidie betaald.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor het aantonen, bedoeld in artikel 9.7.1.1, onderdeel «leveren aan de Nederlandse markt» van vervoer, de soort brandstof waarin de vloeibare biobrandstof is bijgemengd en de bio-ethanol die voor inboeking in aanmerking komt.
Gasvormige biobrandstof die aan vervoer in Nederland wordt geleverd met behulp van het transmissiesysteem voor gas, kan slechts worden ingeboekt in het register door een onderneming die aangeslotene is en die:
- a.
een aansluiting of een bemeterd allocatiepunt heeft die uitsluitend bestemd is voor de levering van gas aan vervoer in Nederland en gekoppeld is aan een bemeterd leverpunt; of
- b.
over een bemeterd leverpunt beschikt, voorzien van een geregeld meetinstrument als bedoeld in artikel 1 van de Metrologiewet, met een geldige conformiteitsverklaring als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van die wet en voorzien van de voor dat meetinstrument voorgeschreven merktekens als bedoeld in artikel 8 van die wet.
Onverkort de vereisten van het eerste lid, kan gasvormige biobrandstof die aan vervoer in Nederland geleverd wordt, slechts worden ingeboekt in het register door de onderneming die met behulp van een directe lijn aan het adres van de onderneming geleverde gasvormige biobrandstof levert met een bemeterd leverpunt.
Gasvormige biobrandstof die wordt ingeboekt in het register voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, tweede tot en met zevende lid en tiende lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.
In afwijking van het derde lid voldoet gasvormige biobrandstof die vervaardigd is uit niet van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige afvalstoffen en residuen, ook indien deze afvalstoffen en residuen in een product zijn verwerkt alvorens ze verder wordt verwerkt in een gasvormige biobrandstof, aan de broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, tiende lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.
Voor gasvormige biobrandstof die wordt ingeboekt in het register is geen exploitatiesubsidie betaald.
Vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong die aan vervoer in Nederland geleverd wordt, kan slechts worden ingeboekt in het register door een onderneming die gecertificeerd is door een vrijwillig systeem die:
- a.
houder is van een vergunning voor een accijnsgoederenplaats als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de accijns voor minerale oliën;
- b.
geregistreerde geadresseerde is als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de accijns voor minerale oliën; of
- c.
importeur is.
Vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong die wordt ingeboekt voldoet aan de broeikasgasemissiereductiedrempels, bedoeld in artikel 29 bis, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor het aantonen, bedoeld in artikel 9.7.1.1, onderdeel «leveren aan de Nederlandse markt» en de soort brandstof waarin de vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong is bijgemengd.
Gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong die als waterstof aan vervoer in Nederland geleverd wordt, kan slechts worden ingeboekt in het register door een onderneming die beschikt over een vergunning bij of krachtens de Omgevingswet voor de ontvangst, de opslag en de verkoop van waterstof en die beschikt over een bemeterd leverpunt.
In afwijking van het eerste lid kan gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong die als waterstof geleverd wordt aan binnenschepen en zeeschepen worden ingeboekt in het register door een onderneming die gecertificeerd is door een vrijwillig systeem en die de gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong produceert en levert met behulp van een waterstofcontainer.
Gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong die wordt ingeboekt in het register voldoet aan de broeikasgasemissiereductiedrempels, bedoeld in artikel 29 bis, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.
Elektriciteit die geleverd wordt aan de bestemmingen, bedoeld in artikel 9.7.4.1, eerste lid, onderdeel e, van de wet, kan slechts worden ingeboekt in het register door een onderneming die aangeslotene is en die:
- a.
een aansluiting of een bemeterd allocatiepunt heeft die uitsluitend bestemd is voor de levering van elektriciteit aan die bestemmingen en gekoppeld is aan een bemeterd leverpunt;
- b.
beschikt over een bemeterd leverpunt, voorzien van een geregeld meetinstrument als bedoeld in artikel 1 van de Metrologiewet, met een geldige conformiteitsverklaring als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van die wet en van de voor dat meetinstrument voorgeschreven merktekens als bedoeld in artikel 8 van die wet en gekoppeld is aan een aansluiting of een bemeterd allocatiepunt; of
- c.
als onderneming openbaar vervoersdiensten aanbiedt en een aansluiting of een bemeterd allocatiepunt heeft die uitsluitend bestemd is voor de levering van elektriciteit aan openbaar vervoersbestemmingen.
Onverkort de vereisten van het eerste lid, kan elektriciteit worden ingeboekt in het register door een onderneming die:
- a.
elektriciteit aan wegvoertuigen of mobiele machines levert met behulp van verwisselbare accu’s, of
- b.
elektriciteit aan binnenschepen of zeeschepen levert met behulp van een accupakket of elektrolyt.
Onverkort de vereisten van het eerste lid, kan elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare bronnen, met uitzondering van energie uit biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogas, die geleverd wordt aan de bestemmingen als bedoeld in artikel 9.7.4.1, eerste lid, onderdeel e, van de wet, worden ingeboekt in het register door een onderneming die:
- a.
met behulp van een directe lijn aan het adres van de onderneming geleverde elektriciteit uit hernieuwbare bronnen levert met een bemeterd leverpunt; of
- b.
elektriciteit uit hernieuwbare bronnen op hetzelfde adres van de onderneming opwekt en levert met behulp van een bemeterd leverpunt.
Het eerste tot en met derde lid:
- a.
is van toepassing op de ondernemingen die de inboekdienstverlener hebben gemachtigd;
- b.
is van overeenkomstige toepassing op de natuurlijke personen die de inboekdienstverlener hebben gemachtigd;
- c.
is niet van toepassing op een inboekdienstverlener.
Met ingang van 1 januari 2030 is elektriciteit die wordt geleverd met een walstroomvoorziening van inboeking als bedoeld in artikel 9.7.4.1 van de wet uitgesloten.
Elektriciteit die wordt geleverd aan spoorvoertuigen is van inboeking als bedoeld in artikel 9.7.4.1 van de wet uitgesloten.
Voor de elektriciteit als bedoeld in het derde lid die wordt ingeboekt in het register is geen exploitatiesubsidie betaald.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:
- a.
elektriciteit die geleverd wordt met behulp van een directe lijn als bedoeld in het derde lid, onderdeel a of op dezelfde locatie opgewekte en geleverde elektriciteit zoals bedoeld in het derde lid, onderdeel b;
- b.
het aantonen van geleverde elektriciteit met behulp van verwisselbare accu’s als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, of een accupakket of elektrolyt als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b;
- c.
de inboekdienstverlener;
- d.
de minimale hoeveelheid in te boeken elektriciteit door een inboeker of een inboekdienstverlener;
- e.
de minimale hoeveelheid machtigingen van ondernemingen of natuurlijke personen waarover een inboekdienstverlener moet beschikken; en
- f.
het aantonen van het voldoen aan de vereisten voor inboeken van geleverde elektriciteit door de inboekdienstverlener.
De CO2-equivalent-ketenemissiereductie wordt berekend met inachtneming van artikel 31, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.
Vervallen
Het bestuur van de emissieautoriteit kan met toepassing van artikel 9.7.4.11, eerste lid, van de wet het bijschrijven van emissiereductie-eenheden voor ten hoogste vier weken opschorten. Het bestuur doet van de opschorting onverwijld mededeling aan de inboeker.
Het bestuur van de emissieautoriteit beslist binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, over de bijschrijving van de emissiereductie-eenheden. Indien niet binnen die termijn is beslist, schrijft het bestuur de emissiereductie-eenheden bij op de rekening van de inboeker.
De termijn, bedoeld in het eerste lid, kan eenmaal met ten hoogste vier weken worden verlengd. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
De gevolgen van een ambtshalve vaststelling als bedoeld in artikel 9.7.4.13, eerste lid, van de wet, worden verrekend met het saldo van het lopende kalenderjaar.
Artikel 5, artikel 5c, onderscheidenlijk artikel 5f is van overeenkomstige toepassing.
Onze Minister keurt op aanvraag van de verificateur, bedoeld in de artikelen 16, 19 en 22, een verificatieprotocol, of wijzigingen daarvan, goed.
Onze Minister verleent goedkeuring aan het verificatieprotocol, of wijzigingen daarvan, indien hij een gerechtvaardigd vertrouwen heeft dat de verklaringen, bedoeld in de artikelen 17, 20 en 23, op een juiste wijze tot stand komen.
Onze Minister beslist binnen twaalf weken na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid. De termijn kan eenmaal met ten hoogste vier weken worden verlengd.
De goedkeuring geldt voor de duur van een door onze Minister te bepalen termijn van ten hoogste vijf kalenderjaren, met inbegrip van het kalenderjaar waarin de goedkeuring is gegeven en vervalt bij de inwerkingtreding van een wijziging van de regelgeving wanneer en voor zover de wijziging het verificatieprotocol van de desbetreffende verificatie betreft.
De verificateur levering tot eindverbruik voert de verificatiewerkzaamheden op een onbevangen en onpartijdige wijze uit, werkt overeenkomstig een goedgekeurd verificatieprotocol als bedoeld in artikel 15 en is voor het onderdeel levering tot eindverbruik van het werkveld hernieuwbare energie vervoer:
- a.
geaccrediteerd of tijdelijk geaccrediteerd onder beperkende voorwaarden op basis van de norm NEN-EN-ISO/IEC 17020:2012 door de Raad voor Accreditatie;
- b.
geaccrediteerd of tijdelijk geaccrediteerd onder beperkende voorwaarden op basis van de norm NEN-EN-ISO/IEC 17020:2012 door een nationale accreditatie-instantie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van verordening (EEG) 339/93 (PbEU 2008, L 218).
Het bestuur van de emissieautoriteit neemt een verificateur als bedoeld in het eerste lid, die voldoet aan de eisen gesteld in dat lid, op in het register.
De verificateur levering tot eindverbruik verkrijgt een redelijke mate van zekerheid dat de hoeveelheid in de verificatieverklaring levering tot eindverbruik verantwoorde levering tot eindverbruik van de sector binnenvaart of de levering eindverbruik sector zeevaart geen materiële afwijkingen bevat. De verificateur levering tot eindverbruik verzamelt hiervoor toereikende controle-informatie en zorgt voor een aanvaardbaar laag controlerisico.
De verificateur levering tot eindverbruik toetst met een materialiteitsgrens van twee procent de volledigheid van de in het register ingevoerde levering tot eindverbruik sector binnenvaart en de levering tot eindverbruik sector zeevaart.
Indien de verificateur levering tot eindverbruik geen verificatieverklaring afgeeft, stelt hij een rapport van bevindingen op.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de verificatie levering tot eindverbruik.
De verificateur biomassa voert de verificatiewerkzaamheden op een onbevangen en onpartijdige wijze uit, werkt overeenkomstig een goedgekeurd verificatieprotocol als bedoeld in artikel 15 en is voor het onderdeel verificatie biomassa van het werkveld hernieuwbare energie vervoer:
- a.
geaccrediteerd of tijdelijk geaccrediteerd onder beperkende voorwaarden op basis van de norm NEN-EN-ISO/IEC 17020:2012 door de Raad voor Accreditatie;
- b.
geaccrediteerd of tijdelijk geaccrediteerd onder beperkende voorwaarden op basis van de norm NEN-EN-ISO/IEC 17020:2012 door een nationale accreditatie-instantie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van verordening (EEG) 339/93 (PbEU 2008, L 218).
Het bestuur van de emissieautoriteit neemt een verificateur als bedoeld in het eerste lid, die voldoet aan de eisen gesteld in dat lid, op in het register.
De verificateur biomassa verkrijgt een redelijke mate van zekerheid dat de hoeveelheid in de verificatieverklaring biomassa verantwoord LPG uit biomassa geen materiële afwijkingen bevat. De verificateur biomassa verzamelt hiervoor toereikende controle-informatie en zorgt voor een aanvaardbaar laag controlerisico.
De verificateur biomassa toetst met een materialiteitsgrens van twee procent de vervaardiging uit biomassa van de hoeveelheid LPG.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de verificatie biomassa.
De inboekverificateur voert de verificatiewerkzaamheden op een onbevangen en onpartijdige wijze uit, werkt overeenkomstig een goedgekeurd verificatieprotocol als bedoeld in artikel 15 en is voor het onderdeel inboeken van het werkveld hernieuwbare energie vervoer:
- a.
geaccrediteerd of tijdelijk geaccrediteerd onder beperkende voorwaarden op basis van de norm NEN-EN-ISO/IEC 17020:2012 door de Raad voor Accreditatie, of
- b.
geaccrediteerd of tijdelijk geaccrediteerd onder beperkende voorwaarden op basis van de norm NEN-EN-ISO/IEC 17020:2012 door een nationale accreditatie-instantie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) 339/93 (PbEU 2008, L 218).
Het bestuur van de emissieautoriteit neemt een verificateur als bedoeld in het eerste lid, die voldoet aan de eisen gesteld in dat lid, op in het register.
De inboekverificateur verkrijgt een redelijke mate van zekerheid dat de in de inboekverificatieverklaring verantwoorde inboekingen in het register geen materiële afwijking bevatten.
De inboekverificateur toetst met een materialiteitsgrens van twee procent van de totale hoeveelheid ingeboekte CO2-equivalent-ketenemissiereductie per geleverde soort hernieuwbare energie waarop de verificatieverklaring betrekking heeft:
- a.
de hoeveelheid ingeboekte CO2-equivalent-ketenemissiereductie naar energie-inhoud in verhouding tot de aantoonbaar geleverde hoeveelheid CO2-equivalent-ketenemissiereductie;
- b.
de overname van de kenmerken van en gegevens over de ingeboekte CO2-equivalent-ketenemissiereductie; en
- c.
de levering aan de bestemmingen, bedoeld in artikel 9.7.4.1, eerste lid, van de wet, zoals die blijkt uit de bedrijfsadministratie.
Indien de inboekverificateur geen inboekverificatieverklaring afgeeft, stelt hij een rapport van bevindingen op.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inboekverificatie.
Als categorie, bedoeld in artikel 9.7.5.3, derde lid, van de wet, wordt aangewezen ondernemingen die als hoofdactiviteit bedrijfsmatig handelen in energiederivaten, broeikasgasemissierechten of emissiereductie-eenheden.
Aan de eisen, bedoeld in artikel 9.7.5.4, eerste lid, van de wet is in elk geval niet voldaan indien de aanvrager niet:
- a.
heeft aangetoond de voor de aangevraagde rekening vereiste hoedanigheid te bezitten;
- b.
de vereiste gegevens heeft overgelegd.
Een vermoeden van fraude of misbruik van een rekening als bedoeld in artikel 9.7.5.4 van de wet bestaat in elk geval, indien:
- a.
de handelingen met betrekking tot de rekening afwijken van het gebruikelijke patroon van handelingen met betrekking tot die rekening;
- b.
derden zich mogelijk toegang tot de rekening hebben verschaft, of
- c.
de rekeninghouder een vermoeden van fraude of misbruik heeft geuit.
Het bestuur van de emissieautoriteit kan een rekening in elk geval ambtshalve opheffen indien:
- a.
de rekeninghouder niet langer de hoedanigheid bezit op basis waarvan hij een rekening heeft gekregen;
- b.
ondanks herhaalde kennisgevingen de gronden voor de blokkering niet binnen een redelijke termijn zijn opgeheven;
- c.
gedurende twaalf maanden geen activiteit is geweest op de rekening;
- d.
een rekening met een inboekfaciliteit enkel voor het inboeken van elektriciteit niet langer voldoet aan de minimale hoeveelheden in te boeken elektriciteit of de minimale hoeveelheid gemachtigde eindafnemers van een inboekdienstverlener.
Een rekening met inboekfaciliteit of een rekening met uitsluitend overboekfaciliteit kan op verzoek van de rekeninghouder worden opgeheven.
Een rekening wordt niet opgeheven als op de rekeninghouder nog een verplichting rust als bedoeld in de artikelen 9.7.2.5, vijfde lid, of 9.7.4.13, vijfde lid, van de wet.
Het gedeelte, bedoeld in artikel 9.7.5.6, eerste lid, van de wet, komt overeen met ten hoogste 45.000 emissiereductie-eenheden of, indien toepassing van het tweede of derde lid leidt tot meer dan 45.000 emissiereductie-eenheden, het in dat lid genoemde percentage. Indien een onderneming zowel leverancier tot eindverbruik als inboeker is, geldt de voor die onderneming gunstigste bepaling.
Voor de leverancier tot eindverbruik bedraagt het gedeelte, bedoeld in artikel 9.7.5.6, eerste lid, van de wet, ten hoogste 10 procent van het aantal emissiereductie-eenheden dat hij verschuldigd is over het kalenderjaar dat direct voorafgaat aan de datum, bedoeld in artikel 9.7.5.6, eerste lid, van de wet.
Voor de inboeker bedraagt het gedeelte, bedoeld in artikel 9.7.5.6, eerste lid, van de wet, ten hoogste 4 procent van het aantal emissiereductie-eenheden dat door het bestuur van de emissieautoriteit op zijn rekening is bijgeschreven voor hernieuwbare energie die hij heeft geleverd in het kalenderjaar dat direct voorafgaat aan de datum, bedoeld in artikel 9.7.5.6, eerste lid, van de wet.
Voor de toepassing van het eerste lid, wordt het aantal emissiereductie-eenheden gespaard in de volgende volgorde:
- a.
emissiereductie-eenheden hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong;
- b.
emissiereductie-eenheden geavanceerd;
- c.
emissiereductie-eenheden overig;
- d.
emissiereductie-eenheden bijlage IX-B;
- e.
emissiereductie-eenheden conventioneel;
- f.
emissiereductie-eenheden elektriciteit.
Het bestuur van de emissieautoriteit rapporteert over het laatst verstreken kalenderjaar jaarlijks aan Onze Minister:
- a.
de totale hoeveelheid CO2-equivalent-ketenemissiereductie per ingeboekte soort hernieuwbare energie;
- b.
de aard en herkomst van de grondstof van de totale hoeveelheid ingeboekte vloeibare en gasvormige biobrandstof, alsmede het gehanteerde duurzaamheidsysteem;
- c.
de totale hoeveelheid ingeboekte vloeibare en gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong, alsmede het gehanteerde vrijwillige systeem.
Het overzicht, bedoeld in artikel 9.7.4.7, eerste lid, van de wet, vermeldt met betrekking tot het gedeelte van het kalenderjaar of het kalenderjaar waarop het overzicht betrekking heeft:
- a.
het aantal per soort en sector op rekeningen in het register bijgeschreven emissiereductie-eenheden;
- b.
het aantal per soort en sector in dat kalenderjaar gespaarde emissiereductie-eenheden;
- c.
het aantal op 1 april afgeschreven emissiereductie-eenheden van rekeningen van publiekrechtelijke rechtspersonen.
Het overzicht, bedoeld in artikel 9.7.4.14, eerste lid, van de wet:
- a.
wordt langs elektronische weg bekendgemaakt;
- b.
heeft betrekking op het laatste kalenderjaar dat is verstreken voor de datum van openbaarmaking, en
- c.
vermeldt in afzonderlijke overzichten de aard van de grondstoffen, de herkomst van de grondstoffen, het land van de productie van de grondstof en het gehanteerde duurzaamheidsysteem.
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
redelijke mate van zekerheid: een hoge, maar niet absolute, mate van zekerheid ten aanzien van de vraag of de in de verificatieverklaring raffinagereductie vervoersbrandstoffen verantwoorde hoeveelheid in de raffinaderij gebruikte hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong bij de vervaardiging van biobrandstoffen of conventionele vervoersbrandstoffen vrij zijn van materiële onjuistheden;
rekeninghouder: onderneming die beschikt over een rekening als bedoeld in artikel 9.8.4.3 van de wet;
verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen: verificateur als bedoeld in artikel 9.8.3.6, eerste lid, van de wet;
wet:Wet milieubeheer.
De hoeveelheid hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong die wordt ingeboekt voldoet aan de broeikasgasemissiereductiedrempels, bedoeld in artikel 29 bis, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.
Onze Minister keurt op aanvraag van de verificateur, bedoeld in artikel 36, eerste lid, een verificatieprotocol, of wijzigingen daarvan, goed.
Onze Minister verleent goedkeuring aan het verificatieprotocol, of wijzigingen daarvan, indien hij een gerechtvaardigd vertrouwen heeft dat de verklaringen, bedoeld in artikel 36, derde, vierde en vijfde lid, op een juiste wijze tot stand komen.
Onze Minister beslist binnen twaalf weken na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid. De termijn kan eenmaal met ten hoogste vier weken worden verlengd.
De goedkeuring geldt voor de duur van een door onze Minister te bepalen termijn van ten hoogste vijf kalenderjaren, met inbegrip van het kalenderjaar waarin de goedkeuring is gegeven en vervalt bij de inwerkingtreding van een wijziging van de regelgeving wanneer en voor zover de wijziging het verificatieprotocol betreft.
De verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffenvoert de verificatiewerkzaamheden op een onbevangen en onpartijdige wijze uit, werkt overeenkomstig een goedgekeurd verificatieprotocol als bedoeld in artikel 35 en is voor het onderdeel raffinagereductie vervoersbrandstoffen van het werkveld hernieuwbare energie vervoer:
- a.
geaccrediteerd of tijdelijk geaccrediteerd onder beperkende voorwaarden door de Raad voor Accreditatie;
- b.
geaccrediteerd of tijdelijk geaccrediteerd onder beperkende voorwaarden door een nationale accreditatie-instantie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van verordening (EEG) 339/93 (PbEU 2008, L 218).
Het bestuur van de emissieautoriteit neemt een instelling als bedoeld in het eerste lid, die voldoet aan de eisen, gesteld in dat lid, op in het register.
De verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen verkrijgt een redelijke mate van zekerheid dat de in de verificatieverklaring verantwoorde hoeveelheid in de raffinaderij gebruikte hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong bij de vervaardiging van biobrandstoffen of conventionele vervoersbrandstoffen geen materiële afwijkingen bevat. De verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen verzamelt hiervoor toereikende controle-informatie en zorgt voor een aanvaardbaar laag controlerisico.
De verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen toetst met een materialiteitsgrens van twee procent de hoeveelheid in de raffinaderij gebruikte hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong bij de vervaardiging van biobrandstoffen of conventionele vervoersbrandstoffen.
Indien de verificateur raffinagereductie vervoersbrandstoffen geen verificatieverklaring afgeeft, stelt hij een rapport van bevindingen op.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de verificatie raffinagereductie vervoersbrandstoffen.
Het bestuur van de emissieautoriteit kan het bijschrijven van raffinagereductie-eenheden voor ten hoogste vier weken opschorten. Het bestuur doet van de opschorting onverwijld mededeling aan de raffinaderijhouder.
Het bestuur van de emissieautoriteit beslist binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, over de bijschrijving van de raffinagereductie-eenheden. Indien niet binnen die termijn is beslist, schrijft het bestuur de raffinagereductie-eenheden bij op de rekening van de raffinaderijhouder.
De termijn, bedoeld in het eerste lid, kan eenmaal met ten hoogste vier weken worden verlengd. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
De gevolgen van een ambtshalve vaststelling als bedoeld in artikel 9.8.3.7, eerste lid, van de wet, worden verrekend met het saldo van het lopende kalenderjaar.
De CO2-equivalent-ketenemissiereductie wordt berekend met inachtneming van bijlage V van de richtlijn hernieuwbare energie.
Aan de eisen, bedoeld in artikel 9.8.4.4, eerste lid, van de wet is in elk geval niet voldaan indien de aanvrager niet:
- a.
heeft aangetoond de voor de aangevraagde rekening vereiste hoedanigheid te bezitten;
- b.
de vereiste gegevens heeft overgelegd.
Een vermoeden van fraude of misbruik van een rekening als bedoeld in artikel 9.8.4.4 van de wet bestaat in elk geval, indien:
- a.
de handelingen met betrekking tot de rekening afwijken van het gebruikelijke patroon van handelingen met betrekking tot die rekening;
- b.
derden zich mogelijk toegang tot de rekening hebben verschaft, of
- c.
de rekeninghouder een vermoeden van fraude of misbruik heeft geuit.
Het bestuur van de emissieautoriteit kan een rekening in elk geval ambtshalve opheffen indien:
- a.
de rekeninghouder niet langer de hoedanigheid bezit op basis waarvan hij een rekening heeft gekregen;
- b.
ondanks herhaalde kennisgevingen de gronden voor de blokkering niet binnen een redelijke termijn zijn opgeheven;
- c.
gedurende twaalf maanden geen activiteit is geweest op de rekening;
- d.
de rekeninghouder daarom verzoekt.
Een rekening wordt niet opgeheven als op de rekeninghouder nog een verplichting rust als bedoeld in de artikel 9.8.3.7, vijfde lid, van de wet.
Het gedeelte, bedoeld in artikel 9.8.4.5, eerste lid, van de wet, bedraagt:
- a.
voor de raffinaderijhouder, ten hoogste tien procent van het aantal raffinagereductie-eenheden dat door het bestuur van de emissieautoriteit op zijn rekening is bijgeschreven in het kalenderjaar dat direct voorafgaat aan de datum, bedoeld in artikel 9.8.4.5, eerste lid, van de wet;
- b.
voor de leverancier tot eindverbruik, bedoeld in artikel 9.7.1.1, van de wet, ten hoogste twintig procent van het percentage, bedoeld in de artikelen 3, zesde lid, 5a, vijfde lid, en 5d, vierde lid, dat hij minimaal verschuldigd is over het kalenderjaar dat direct voorafgaat aan de datum, bedoeld in artikel 9.8.4.5, eerste lid, van de wet;
- c.
voor de onderneming, bedoeld in artikel 25, ten hoogste 45.000 raffinagereductie-eenheden.
Het overzicht, bedoeld in artikel 9.8.3.4, eerste lid, van de wet, vermeldt met betrekking tot het gedeelte van het kalenderjaar of het kalenderjaar waarop het overzicht betrekking heeft:
- a.
het aantal in het register bijgeschreven raffinagereductie-eenheden;
- b.
het aantal in dat kalenderjaar gespaarde raffinagereductie-eenheden.
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Het Besluit hernieuwbare energie vervoer 2015 wordt ingetrokken.
Wijzigt het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit energie vervoer.
De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen verschillend kan worden vastgesteld.