Wijzigingen Officiële bron
Besluit van de inspecteur-generaal van de Inspectie Justitie en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 25 maart 2019, nr. 2543357, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de inspecteur-generaal ressorterende functionarissen (Mandaatbesluit Inspectie JenV Ministerie van Justitie en Veiligheid 2019)Mandaatbesluit Inspectie JenV Ministerie van Justitie en Veiligheid 2019

De inspecteur-generaal van de Inspectie Justitie en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid,

Gelet op artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Veiligheid en Justitie, artikel 3 van de Regeling financieel beheer van het Rijk en artikel 4 en eerste lid, onderdeel b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;

Besluit:

Dit besluit zal met de bijlagen en de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag25 maart 2019De inspecteur-generaal van de Inspectie Justitie en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid,J.G.Bos

Als bevoegd gezag als bedoeld in het Algemeen Rijksambtenarenreglement, worden aangewezen de functionarissen, genoemd in kolom 1 van bijlage 1 bij dit besluit, voor zover het betreft de uitoefening van de bevoegdheden, vermeld in kolom 2 van die bijlage.

Als bevoegd om te beschikken over bedragen voor het aangaan van verplichtingen en voor het verrichten van uitgaven, worden aangewezen de functionarissen, genoemd in kolom 1 van bijlage 2 bij deze regeling voor zover het betreft de bedragen, genoemd in kolom 2 van die bijlage.

Aan de inspecteur-generaal blijft voorbehouden:

De in artikel 1, eerste lid, genoemde functionarissen wordt toegestaan elkaar volledig te vervangen. Zij treden daarbij in elkaars bevoegdheden.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Inspectie JenV Ministerie van Justitie en Veiligheid 2019.

De functionarissen bij wie in kolom 2 de letter A is geplaatst, zijn, onverminderd artikel 4 van dit besluit bevoegd tot uitoefening van alle bevoegdheden die in of krachtens het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) aan het bevoegd gezag zijn toegekend.

De functionarissen bij wie in kolom 2 de letter B is geplaatst zijn, onverminderd artikel 4 van dit besluit bevoegd tot uitoefening van alle bevoegdheden die in of krachtens het ARAR aan het bevoegd gezag zijn toegekend, met uitzondering van de bevoegdheden tot aanstelling (hoofdstuk II, paragraaf 2, ARAR), bevorderen naar een hogere salarisschaal (artikel 8 BBRA), het opleggen van disciplinaire straffen (artikel 80, derde lid ARAR) en ontslag (artikel 93 ARAR), alsmede het nemen van besluiten over de toekenning van een persoonsgebonden dienstauto.

De functionarissen genoemd in kolom 1 zijn bevoegd in overeenstemming met artikel 3 van de Regeling financieel beheer van het Rijk tot het aangaan van verplichtingen en het doen van uitgaven.

Indien in kolom 2 een bedrag is opgenomen betreft dit het maximumbedrag waarvoor de functionarissen telkens een verplichting of uitgave mag doen.

Indien in kolom 2 geen bedrag is opgenomen, geldt geen maximumbedrag.