Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 11 februari 2021, nr. WJZ/26204211(12296), houdende de vaststelling van een nieuwe financieel handboek voor de regionale publieke media-instellingen en de RPO (Regeling financiële verantwoording regionale publieke media-instellingen en RPO 2021)Regeling financiële verantwoording regionale publieke media-instellingen en RPO 2021De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

Gelet op de artikelen 2.173a, derde lid en 2.172, derde lid, van de Mediawet 2008;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,A.Slob

Op de jaarrekening van de regionale publieke media-instellingen en de RPO is de bij deze regeling gevoegde bijlage van toepassing.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2021.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling financiële verantwoording regionale publieke media-instellingen en RPO 2021.

Copro 20059B

Handboek Financiële Verantwoording Regionale Publieke Media-instellingen en RPO 2021

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Den Haag, november 2020

Dit Handboek Financiële Verantwoording Regionale Publieke Media-instellingen en de RPO, bijlage bij de Regeling financiële verantwoording regionale publieke media-instellingen en de RPO (hierna: Handboek), is een ministeriële regeling op grond van artikel 2.173a, derde lid, juncto artikel 2.172, derde lid, van de Mediawet 2008. Deze wettelijke bepaling houdt in dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld over de inhoud en inrichting van de jaarrekening van de regionale publieke media-instellingen en de RPO.

Dit Handboek vervangt het vorige Handboek van 1 februari 2017 en is van toepassing vanaf het boekjaar 2021. Voor de leesbaarheid wordt in dit Handboek met ‘publieke media-instelling’ bedoeld de Regionale publieke media-instellingen en de RPO. Indien een regel alleen voor een van de Regionale publieke media-instellingen en/of de RPO van toepassing is, wordt dit expliciet vermeld.

De doelstelling van de voorschriften en modellen van het handboek is drieledig. Het Handboek:

Op de financiële verantwoording van de publieke media-instellingen zijn naast het Handboek de regels van toepassing die zijn opgenomen in:

Op grond van artikel 2.173a, derde lid, juncto artikel 2.172, eerste lid, Mediawet 2008, is Titel 9 Boek 2 BW van toepassing op de regionale publieke media-instellingen, met dien verstande dat zij de winst- en verliesrekening vervangen door een exploitatierekening. Op de exploitatierekening zijn de bepalingen omtrent de winst- en verliesrekening zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Bij toepassing van de omvangscriteria volgens de artikelen 2:396 en 2:397 van Titel 9 Boek 2 BW dient het begrip netto-omzet te worden geïnterpreteerd als de totale baten (inclusief subsidies en bijdragen van derden) van de publieke media-instelling.

De controleplicht is voor alle publieke media-instellingen van toepassing op de wijze zoals die in artikel 2:393 BW is geregeld, ongeacht de omvang van de publieke media-instelling. Voorts dienen de publieke media-instellingen een bestuursverslag op te stellen in overeenstemming met hetgeen hieromtrent is opgenomen in artikel 2:391 BW, welke verenigbaar is met de jaarrekening.

Wanneer sprake is van afwijkingen tussen Titel 9 Boek 2 BW, het Handboek en de RJ, dan weegt Titel 9 Boek 2 BW het zwaarst, vervolgens het Handboek -in zijn hoedanigheid als ministeriële regeling- en daarna de RJ1. Het Handboek hanteert hierbij het uitgangspunt dat het geen mogelijkheden wil uitsluiten, die op basis van Titel 9 Boek 2 BW mogelijk zijn. Hierbij kan worden gedacht aan de keuzemogelijkheid ten aanzien van de grondslag voor de waardering van een actief en een passief, waarbij de verkrijgings- of vervaardigingsprijs en de actuele waarde in aanmerking komen (artikel 2:384, eerste lid, BW). Het Handboek sluit hierop aan en wil niet zonder meer een van deze mogelijkheden negeren.

Het Handboek vormt evenals de RJ een nadere invulling van Titel 9 Boek 2 BW. Het Handboek bevat voorschriften die inhoudelijk kunnen afwijken van de RJ, omdat ze meer of minder ruimte bieden dan de RJ. Drie voorbeelden dienen ter illustratie van de relatie tussen de RJ en het Handboek. Stel dat de RJ ten aanzien van een specifieke actiefpost twee waarderingsmethoden bieden, dan kan het Handboek voorschrijven dat uitsluitend één van deze methoden is toegestaan. Een tweede voorbeeld is dat het Handboek beide methoden van de richtlijnen uitsluit en een andere (derde) methode voorschrijft. Een derde voorbeeld is dat het Handboek voorschriften stelt die de richtlijnen nader verdiepen, bijvoorbeeld door het stellen van concrete afschrijvingspercentages met betrekking tot de specifieke actiefpost.

Conform art. 2.173a, tweede lid, Mediawet 2008 zenden de publieke media-instellingen jaarlijks voor 1 mei de jaarrekening aan het Commissariaat voor de Media (hierna: Commissariaat).

Jaarrekening

De jaarrekening bevat minimaal de volgende onderdelen:

Daarnaast voegt het bestuur aan de jaarrekening toe:

Met betrekking tot de jaarrekening zijn het controleprotocol en het model Controleverklaring opgenomen in de bijlagen van dit Handboek.

Aanvullende informatie

De aanvullende informatie sluit aan bij de gepubliceerde jaarrekening en bestaat uit:

Publieke media-instellingen kunnen betrokken zijn bij andere rechtspersonen. Deze betreffen rechtspersonen waarin een publieke media-instelling een aanmerkelijk (financieel) belang heeft of waarop de publieke media-instelling een overwegende invloed uitoefent. Een publieke media-instelling is betrokken bij een rechtspersoon als bijvoorbeeld één of meer van de volgende aspecten, eventueel in onderlinge samenhang bezien, van toepassing zijn.

Deze opsomming van de aspecten is niet limitatief:

De financiële bescheiden c.q. de jaarrekening van de bedoelde rechtspersonen, waarover de betreffende publieke media-instelling uit hoofde van haar betrokkenheid kan beschikken, worden gelijktijdig met de toezending van de jaarrekening van de publieke media-instelling naar het Commissariaat gestuurd.

Indien sprake is van duurzame kapitaaldeelname in een afzonderlijke rechtspersoon ten dienste van de eigen werkzaamheden van de publieke media-instelling, zijn de betreffende bepalingen van artikel 2:24c BW inzake de zogenaamde deelneming in een rechtspersoon van toepassing.

De jaarrekening van een publieke media-instelling wordt opgesteld in euro’s en bevat minimaal de onderdelen vermeld in 1.3. Dit hoofdstuk gaat nader in op:

De publieke media-instelling neemt alleen die posten in de voorgeschreven modellen op, die voor de betrokken instelling van toepassing zijn.

De publieke media-instelling neemt in haar jaarrekening de balans op conform Model I. Met betrekking tot de waarderingsgrondslagen zijn in aanvulling op de bepalingen van Titel 9 Boek 2 BW de volgende regels van toepassing.

Waarderingsgrondslag

Waardering van materiële vaste activa geschiedt overeenkomstig Titel 9 Boek 2 BW en de RJ op basis van verkrijgings-/vervaardigingsprijs of actuele waarde onder aftrek van afschrijvingen. Ongerealiseerde waardemutaties dienen plaats te vinden via de balanspost Herwaarderingsreserve Materiële Vaste Activa en mogen niet via de exploitatierekening lopen. Doel van deze verwerkingswijze is om de impact op de volatiliteit van de reserve voor media-aanbod te beperken. Een uitzondering hierop geldt voor de situatie dat de herwaarderingsreserve onvoldoende omvang heeft om een waardevermindering volledig op te vangen. In een dergelijke situatie dient de waardevermindering verwerkt te worden via de exploitatierekening, nadat eerst de herwaarderingsreserve is teruggebracht tot een nihil saldo. Duurzame waardeverminderingen worden dus bij het ontbreken van een herwaarderingsreserve verwerkt via de exploitatierekening.

Aanschaffingen, vanaf het jaar 2021, boven € 2.500 worden geactiveerd. Aanschaffingen tot en met € 2.500 komen direct ten laste van de exploitatierekening.

Ten aanzien van de onderdelen bedrijfsgebouwen en terreinen (zie 2.2.1.1); overige materiële vaste activa (zie 2.2.1.2) en vaste activa niet aan de bedrijfsuitoefening dienstbaar (zie 2.2.1.3) geldt voor de afschrijvingspercentages dat deze percentages toezien op de nieuwe investeringen. Voor de investeringen tot en met 2020 gelden de reeds gehanteerde afschrijvingspercentages (van het geldende handboek tot en met 2020). Voor schattingswijzigingen gelden de bepalingen van RJ.

Waarderingsgrondslag

Bij waardering tegen actuele waarde wordt de bepaling van de actuele waarde voldoende regelmatig uitgevoerd om ervoor te zorgen dat de boekwaarde niet aanzienlijk verschilt van de actuele waarde op balansdatum. De publieke media-instelling stelt bij waardering tegen actuele waarde in ieder geval elke drie jaar de actuele waarde vast.

Bij waardering op basis van verkrijgings-/vervaardigingsprijs gelden de volgende afschrijvingsmethoden en -termijnen die in de onderstaande tabel worden weergegeven.

Waarderingsgrondslag

In geval van waardering op basis van verkrijgings-/vervaardigingsprijs wordt op materiële vaste activa met beperkte gebruiksduur jaarlijks afgeschreven volgens een stelsel dat op de verwachte toekomstige gebruiksduur is afgestemd. Het Handboek geeft een nadere duiding over de verwachte toekomstige gebruiksduur die is weergegeven in de onderstaande tabel. Het Handboek hanteert hierbij voor een aantal activacategorieën een bandbreedte. Het is vervolgens aan de publieke media-instellingen om de gebruiksduur van het actief in te schatten en af te zetten tegen de bandbreedtes. Daarmee kan een herziening van de afschrijvingstermijnen dus verwerkt worden als schattingswijziging.

Waarderingsgrondslag

Deze betreffen materiële vaste activa die niet dienstbaar zijn aan de publieke media-instelling en die ook niet meer zullen worden aangewend voor uitvoering van de mediataak. Te denken valt aan gebouwen die geheel of gedeeltelijk worden verhuurd aan derden of die duurzaam geheel of gedeeltelijk leegstand vertonen.

In geval van gebouwen die deels worden verhuurd of die deels leeg staan, moet zowel het verhuurde als het duurzaam leegstaande deel afzonderlijk verkoopbaar zijn of afzonderlijk door middel van een financiële lease aan anderen ter beschikking gesteld kunnen worden om als zelfstandige kasstroom-genererende eenheid te kunnen worden aangeduid. In dit geval is sprake van een vastgoedbelegging en is RJ 213 van toepassing.

Een actief dat niet meer aan de bedrijfsuitoefening dienstbaar is, is niet gelijk aan een ‘buiten gebruik gesteld actief’. In geval van buiten gebruikstelling is RJ 212.501 van toepassing.

Toelichting

De toelichting geeft inzicht in de aard en omvang van bijzondere waardeverminderingen.

Hierbij gelden regels voor:

Toelichting

De toelichting geeft een overzicht van alle rechtspersonen waarbij een publieke media-instelling betrokken is, geeft inzicht in de aard van de rechtspersonen. Verder geeft het overzicht inzicht in het resultaat per deelneming. Het overzicht vermeldt de omvang van eventuele afwaarderingen en licht daarbij bijzondere afwaarderingen nader toe.

Waarderingsgrondslag

Het gaat hierbij om effecten die bestemd zijn om duurzaam te worden aangehouden. Ongerealiseerde waardemutaties vinden plaats via de balanspost ‘Reserve Koersverschillen Beleggingen’ en mogen niet via de exploitatierekening verlopen om daarmee de impact op de volatiliteit van de reserve media aanbod te beperken. Een uitzondering hierop geldt voor de situatie dat de balanspost ‘Reserve Koersverschillen Beleggingen’ onvoldoende omvang heeft om een waardevermindering volledig op te vangen. In een dergelijke situatie wordt de waardevermindering verwerkt via de exploitatierekening nadat eerst de balanspost ‘Reserve Koersverschillen Beleggingen’ is teruggebracht tot een nihil saldo.

Toelichting

De toelichting vermeldt de marktwaarde van de ter beurze genoteerde effecten, ongeacht de toegepaste waarderingsgrondslag.

Voor de volgende posten gelden aanvullende regels:

Dit betreft voorschriften ten aanzien van zowel nog niet verspreid media-aanbod als herhalingen. Een overzicht specificeert het totaal van deze post naar nog te verspreiden media-aanbod. Het overzicht vermeldt de omvang van eventuele afwaarderingen en licht bijzondere afwaarderingen nader toe. In aanvulling hierop gelden de volgende regels.

Waarderingsgrondslag

Waardering van media-aanbod geschiedt tegen directe kosten. Onder de directe kosten vallen de personele kosten van eigen medewerkers en overige medewerkers, de facilitaire kosten en de overige programmakosten. Kosten die niet direct aan het programma zijn toe te rekenen (bijvoorbeeld die van de directie/programmaleiding en planning media-aanbod, netcoördinatie) maken deel uit van de organisatiekosten.

De waardering van media-aanbod wordt verminderd met de voor dit media-aanbod ontvangen bijdragen van derden. De bijdragen van derden betreffen bijdragen van commerciële sponsors, en overige derden.

Gereed voor uitzending maar nog niet verspreid media-aanbod wordt op balansdatum individueel beoordeeld. Media-aanbod wordt volledig afgewaardeerd als er door de regionale publieke media-instelling definitief is besloten het media-aanbod niet te verspreiden.

Als twee jaar na de eerste voorraadwaardering nog geen beslissing is genomen ten aanzien van het verspreiden van media-aanbod, wordt het betreffende media-aanbod volledig afgewaardeerd. In specifieke gevallen kan hiervan worden afgeweken. Het gaat dan om gevallen waarin wel voldoende zekerheid bestaat over de verspreiding van het media-aanbod, maar niet over het jaar waarin de verspreiding zal plaatsvinden of de verspreiding later dan twee jaar na aankoop of productie zal plaatsvinden. Dit geldt bijvoorbeeld voor de aankoop van (licenties voor) speelfilms en series die minimaal twee jaar na aankoop ingaan.

Toelichting

De toelichting licht afwijkingen toe, inclusief de waarde per speelfilm/serie e.d. De toelichting toont verder afzonderlijk de vermindering met de voor media-aanbod ontvangen bijdragen van derden. Voor het nog niet verspreide media-aanbod wordt per afzonderlijk media-aanbod de hoogte van de ontvangen bijdragen van derden gespecificeerd, waarbij ook de organisatie wordt vermeld die de bijdrage heeft verstrekt (Model VII).

Waarderingsgrondslag

De directe kosten van media-aanbod worden toegerekend aan de eerste verspreiding van media-aanbod. Alleen indien op het moment van eerste verspreiding schriftelijk is vastgelegd dat dit media-aanbod daadwerkelijk herhaald zal worden én voor de herhaling bekostiging is vastgesteld, mag een deel van de directe kosten worden toegerekend aan de herhaling. Waardering van een herhaling geschiedt tegen maximaal het vastgestelde bekostigingsbedrag.

Deze kosten mogen niet worden toegerekend aan eventuele herhalingen van deze productie.

Alle herhalingen worden drie jaar na de eerste voorraadwaardering volledig afgewaardeerd.

Toelichting

De toelichting geeft inzicht in de aard en omvang van de afwaarderingen.

Waarderingsgrondslag

Dit betreft effecten die niet duurzaam worden aangehouden, niet zijnde financiële instrumenten conform RJ 290 (zie 2.2.4). Ongerealiseerde waardemutaties vinden plaats via de balanspost ‘Reserve Koersverschillen Beleggingen’ en mogen niet via de exploitatierekening verlopen om daarmee de impact op de volatiliteit van de reserve media-aanbod te beperken.

Een uitzondering hierop geldt voor de situatie dat de balanspost ‘Reserve Koersverschillen Beleggingen’ onvoldoende omvang heeft om een waardevermindering volledig op te vangen. In een dergelijke situatie wordt de waardevermindering verwerkt via de exploitatierekening nadat eerst de balanspost ‘Reserve Koersverschillen Beleggingen’ is teruggebracht tot een nihil saldo.

Toelichting

De toelichting vermeldt de marktwaarde van de ter beurze genoteerde effecten.

Uitgangspunt is dat de in de verslagperiode te verwerken pensioenlast gelijk is aan de over die periode aan het pensioenfonds / bedrijfstakpensioenfonds verschuldigde pensioenpremies. Als de op balansdatum reeds betaalde premies de verschuldigde premies overtreffen, wordt een overlopende actiefpost opgenomen voor zover sprake zal zijn van terugbetaling door het fonds of van verrekening met in de toekomst verschuldigde premies.

Een verloopoverzicht van elk afzonderlijk onderdeel van het Eigen Vermogen geeft inzicht in de mutaties.

Waarderingsgrondslag

De reserve voor media-aanbod kan incidenteel een negatief saldo vertonen. In het volgende boekjaar wordt de negatieve reserve voor media-aanbod verrekend met het exploitatieresultaat van dat boekjaar. Indien dit exploitatieresultaat onvoldoende is voor volledige verrekening wordt het resterende negatieve saldo van de reserve voor media-aanbod afgeboekt van de algemene reserve.

Het totaal van de reserve voor media-aanbod in een kalenderjaar bedraagt niet meer dan 10 procent van de som de uitgaven. De uitgaven zijn het saldo som der bedrijfslasten. Indien het gereserveerde deel meer bedraagt dan 10 procent van de som der bedrijfslasten, wordt het surplus verantwoord als verschuldigd surplus reserve media-aanbod onder de kortlopende schulden.

Toelichting

De toelichting geeft inzicht in de aard en omvang van een eventuele negatieve reserve voor media-aanbod.

De toelichting geeft inzicht in de mutaties in de reserve voor media-aanbod gedurende het boekjaar. De bedragen die aan de exploitatierekening zijn toegevoegd (baten inzet reserve media aanbod) middels een onttrekking aan de reserve voor de verzorging van media-aanbod en de bedragen die via de resultaatverdeling aan de reserve media-aanbod worden toegevoegd of onttrokken (exploitatieresultaat na overdracht en belastingen) dienen duidelijk uit de specificatie van de reserve voor media-aanbod te blijken. In geval van onttrekking dienen de bedragen te zijn besteed aan de doelen waarvoor zij oorspronkelijk bestemd zijn (artikel 2.176 Mediawet 2008).

Positieve ongerealiseerde waardemutaties worden verwerkt via een Herwaarderingsreserve Materiële Vaste Activa. Dit geldt ook voor negatieve ongerealiseerde waardemutaties, voorzover de herwaarderingsreserve die toelaat. Indien de herwaarderingsreserve niet beschikbaar is, verloopt een negatieve ongerealiseerde waardemutatie via de exploitatierekening.

Positieve ongerealiseerde waardemutaties worden verwerkt via een Reserve Koersverschillen Beleggingen. Dit geldt ook voor negatieve ongerealiseerde waardemutaties, voorzover de reserve die toelaat. Indien de reserve niet beschikbaar is, verloopt een negatieve ongerealiseerde waardemutatie via de exploitatierekening.

Waarderingsgrondslag

Het Handboek staat in aanvulling op de reserves, zoals beschreven in paragrafen 2.2.4.1 tot en met 2.2.4.3 van dit Handboek, uitsluitend reserves toe die in Titel 9 Boek 2 BW worden aangeduid als wettelijke reserves. Zie hiervoor artikel 2:373, vierde lid, BW. Voor deze wettelijke reserves zijn de waarderingsgrondslagen, zoals beschreven in Titel 9 Boek 2 BW en de RJ, van toepassing. Een uitzondering hierop betreft de algemene reserve, indien en voor zover die ultimo 2015 op de balans stond. Vanaf 1 januari 2016 is het echter niet toegestaan om dotaties te doen aan deze reserve.

Toelichting

Overige wettelijke reserves worden, indien van toepassing, in de toelichting nader gespecifieerd. .

Dit Handboek bevat nadere regels ten aanzien van de volgende posten.

Op grond van de CAO die van toepassing is voor het omroeppersoneel worden in ieder geval de volgende voorzieningen getroffen:

Toelichting

Een verloopoverzicht van iedere individuele voorziening (jubileumvoorziening, voorziening loopbaantraject) geeft inzicht in de dotaties, onttrekkingen en overige mutaties. Het doel van de voorziening wordt toegelicht.

Het gaat hierbij om overlopende passiva in verband met budget voor media-aanbod.

Waarderingsgrondslag

Indien een regionale publieke media-instelling de bedragen die voor de verzorging van media-aanbod ter beschikking zijn gesteld in een boekjaar niet volledig aan de realisatie van programmering heeft toegekend, worden die gereserveerd en toegevoegd aan de reserve voor media-aanbod (zie paragraaf 2.2.4.1). Indien de reserve voor media-aanbod de maximale omvang overschrijdt, wordt dit surplus teruggevorderd door het Commissariaat voor de Media. Het surplus dient als ‘verschuldigde reserve media-aanbod’ te worden verantwoord onder de kortlopende schulden.

Toelichting

De regionale publieke media-instelling geeft bij de toelichting inzicht in het verloop van deze post.

Uitgangspunt is dat de in de verslagperiode te verwerken pensioenlast gelijk is aan de over die periode aan het pensioenfonds/bedrijfstakpensioenfonds verschuldigde pensioenpremies. Voor zover de verschuldigde premies op balansdatum nog niet zijn voldaan, wordt hiervoor een verplichting opgenomen.

De publieke media-instelling neemt in haar jaarrekening de exploitatierekening op conform Model II. Daarbij geeft de publieke media-instelling inzicht in de herkomst van baten en lasten van de publieke media-instelling.

In de toelichting op de exploitatierekening conform Model IV blijken de afzonderlijke exploitaties van de instelling, gesplitst in media-aanbod, nevenactiviteiten en organisatiekosten. De posten worden conform de indeling van modellen Va en Vb gerubriceerd. Daarbij is per post de aansluiting met de categoriale indeling vermeld.

Grondslagen

Onder baten media-aanbod wordt verstaan alle middelen vanuit OCW die voor de verzorging van media-aanbod beschikbaar zijn gesteld.

Toelichting

Bij deze post wordt onderscheid gemaakt tussen OCW ontvangen bekostiging, subsidies en andere bijdragen. Deze posten worden afzonderlijk worden toegelicht. In de toelichting op de categoriale exploitatierekening conform Model IV blijken de afzonderlijke exploitaties van de instelling, gesplitst in media-aanbod, nevenactiviteiten en organisatiekosten. De posten in model IV worden conform de indeling van model Va gerubriceerd en sluiten (in totaal) aan met de categoriale indeling in model II.

Grondslagen

Uit de Mediawet volgt de verplichting dat de kosten van de verzorging van media-aanbod worden verantwoord door de regionale publieke media-instellingen. De directe kosten omvatten de personele kosten van eigen medewerkers en overige medewerkers, de facilitaire kosten en de overige programmakosten.

Toelichting

Onder directe kosten worden die kosten verstaan die samenhangen met de kernactiviteiten van de organisatie. Het gaat hierbij om activiteiten die gericht zijn op de voortbrenging van een of meerdere producten. Er is sprake van een product bij de publieke media-instellingen, indien het onderdeel uitmaakt van het media-aanbod. Bij de publieke media-instellingen wordt het media-aanbod namelijk beschouwd als een verzameling van verschillende producten.

Indien zich onder de directe kosten media-aanbod bijzondere posten bevinden die zich kwalificeren als frictiekosten conform de van toepassing zijn de frictiekostenregeling van OCW. In dat geval worden aard en omvang van deze kostenposten separaat nader toegelicht.

Grondslagen

Alle kosten van de regionale publieke media-instellingen die niet rechtstreeks samenhangen met de kernactiviteiten van de organisatie en dus verband houden met ondersteunende activiteiten, worden aangemerkt als organisatiekosten.

De organisatiekosten en de vergoeding ervan worden in een aparte kolom ingevuld (zie model IV). De lasten media-aanbod en nevenactiviteiten bestaan dus alleen nog maar uit directe kosten. Op de laatste kostenregel ‘Toerekening organisatiekosten’ kunnen organisatiekosten toegerekend worden aan het media-aanbod en de nevenactiviteiten. De toerekening van de organisatiekosten dient plaats te vinden op bedrijfseconomische grondslagen. Deze grondslagen dienen te worden toegelicht.

De basis voor toerekening van organisatiekosten aan nevenactiviteiten is de kostprijs. Voor de toerekening van organisatiekosten worden de volgende organisatiekostensoorten onderscheiden:

Bij de toerekening van organisatiekosten aan nevenactiviteiten worden enkele van de in model Vb gedefinieerde categorieën organisatiekosten uitgezonderd. Dit betreft media specifieke overhead die ook voorheen niet is toegerekend aan nevenactiviteiten. Het betreft de rubrieken A2, A9, A10, B1 t/m B4 en dat deel van de onder rubriek C begrepen huisvestingskosten, die samenhangen met het gebruik van het bedrijfspand

voor media specifieke activiteiten.

De hiervoor genoemde organisatiekostensoorten worden hierna toegelicht.

Grondslagen

Voor de toerekening van de personele organisatiekosten wordt de opslagcalculatiemethode gehanteerd. Grondslag voor het opslagpercentage is de verhouding tussen de personele organisatiekosten, verminderd met de personele kosten in de uitzonderingsrubrieken, en de directe personele kosten, verhoogd met personele lasten in de uitzonderingsrubrieken.

Grondslagen

De toerekening van de huisvestingskosten voor niet media-specifiek gebruik vindt plaats op basis van de door de nevenactiviteit of gebruikte vloeroppervlakte (m2).

Grondslagen

Voor de toerekening van de overige algemene organisatiekosten wordt (conform de personele organisatiekosten) de opslagcalculatiemethode gehanteerd. Grondslag voor het opslagpercentage is de verhouding tussen de algemene organisatiekosten, verminderd met de overige kosten in de uitzonderingsrubrieken, en de directe overige algemene kosten verhoogd met de overige kosten in de uitzonderingsrubrieken.

Toelichting

Door de regionale publieke media-instellingen wordt in de toelichting een opgave verstrekt van de totale duur lasten, die samenhangen met de verzorging van media-aanbod dat bestaat uit Europese producties die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke productie als bedoeld in de artikelen 2.115 tot en met 2.121 Mediawet 2008.

Grondslag

Model II en IV schrijven voor dat in de exploitatierekening in aanvulling op de andere baten specifiek wordt gerapporteerd over de programmagebonden eigen bijdragen. Het gaat hierbij om inkomsten die direct gerelateerd zijn aan een specifiek programma.

Toelichting

Onder verwijzing naar artikel 2.106 t/m 2.114 Mediawet 2008 wordt jaarlijks een gespecificeerd overzicht conform Model VII verstrekt van alle sponsorbijdragen en andere bijdragen van derden die in het boekjaar in de exploitatierekening zijn verantwoord voor de verspreiding van media-aanbod.

Sponsoring is het verstrekken van financiële of andere bijdragen door een onderneming of een natuurlijke persoon, die zich gewoonlijk niet bezighoudt met de vervaardiging van mediadiensten of media-aanbod, ten behoeve van de totstandkoming of aankoop van media-aanbod teneinde de verspreiding daarvan naar het algemene publiek of een deel daarvan te bevorderen of mogelijk te maken (artikel 1.1, eerste lid, Mediawet 2008).

Onder sponsoring van media-aanbod wordt niet verstaan het verstrekken van een bijdrage ten behoeve van de totstandkoming of aankoop van media-aanbod door:

Het overzicht conform Model VII wordt ook ingevuld voor het in de voorraad opgenomen, maar nog niet verspreid media-aanbod. Als laatste wordt het overzicht ook ingevuld voor de bijdragen voor verspreid media-aanbod die direct door een buitenproducent zijn ontvangen en niet door de publieke media-instelling die het media-aanbod heeft verzorgd.

Sponsorbijdragen en andere bijdragen van derden worden direct met de publieke media-instelling verrekend, zodat deze bijdragen als inkomsten in de exploitatierekening van de publieke media-instelling worden verantwoord. Het in mindering brengen van deze bijdragen op de kosten van verzorging van media-aanbod is niet toegestaan. Als bijdragen voor verzorgd media-aanbod toch direct zijn uitbetaald aan de buitenproducent en niet aan de publieke media-instelling die het media-aanbod heeft verspreid, dan blijft de publieke media-instelling verantwoordelijk voor de verantwoording van deze bijdragen in de toelichting op de jaarrekening.

Grondslag

De inkomsten uit hoofdactiviteiten, anders dan sponsoring, worden gerapporteerd via de post ‘Overige bedrijfsopbrengsten’.

Toelichting

De toelichting op de post ‘Overige bedrijfsopbrengsten’ dient inzicht te geven in de opbrengsten per cluster van hoofdactiviteiten, waarbij activiteiten van gelijke aard worden geclusterd.

Reclame Baten

Bij de reclamebaten wordt een toelichting gegeven naar de baten per media-typen radio/televisie/online. De baten worden onderscheiden naar de verkopende partij in Regionaal, Boven Regionaal en Landelijk. De baten worden verantwoord met aftrek van verleende kortingen (netto omzet) maar zonder saldering met verkoopkosten.

Grondslagen

Na afloop van een boekjaar worden bartertransacties verantwoord in de exploitatierekening. Baten uit bartering dienen afzonderlijk te worden verantwoord in de exploitatierekening op basis van de geldelijke waarde van de ontvangen goederen of diensten. De lasten worden opgenomen onder de barterlasten in de exploitatierekening op basis van de geldelijke waarde van de geleverde goederen of diensten.

De omvang van de baten wordt bepaald op de reële waarde van de ontvangen zaken of diensten, vermeerderd of verminderd met eventuele ontvangen of betaalde liquide middelen of activa die op zeer korte termijn liquide te maken zijn4. Indien de reële waarde van de ontvangen zaken of diensten niet betrouwbaar kan worden bepaald, worden de baten bepaald op de reële waarde van de geruilde zaken of diensten, vermeerderd of verminderd met eventuele betaalde of ontvangen liquide middelen of activa die op zeer korte termijn liquide te maken zijn.

In de exploitatierekening worden de baten en lasten van alle bartertransacties verantwoord, ongeacht de aard en reële waarde van de bartertransactie. Voor de volledigheid wordt hierbij vermeld dat dit in tegenstelling is tot de RJ (RJ 270.108, RJ 270.108a), waarbij een bartertransactie met een gelijke aard en reële waarde niet wordt beschouwd als een transactie die een opbrengst genereert.

Toelichting

Bartering is te omschrijven als ruilhandel met gesloten beurzen tussen een publieke media-instelling en een externe contractpartij. Een belangrijke voorwaarde bij deze ruilhandel is dat de geleverde goederen of diensten ondanks de gelijke geldelijke waarde toch over en weer gefactureerd worden. De facturering is van belang in verband met zowel mediarechtelijke als belastingtechnische eisen. Het Commissariaat heeft hierover een beleidsbrief opgesteld, waarvan artikelen 48, 55, eerste lid, en 57c, eerste lid, Mediawet 2008 de grondslag vormen5. In de financiële administratie dienen alle bartertransacties intracomptabel (dus verwerkt in het grootboek) te worden vastgelegd. Het is niet toegestaan om bartertransacties uitsluitend extracomptabel vast te leggen.

De hiervoor genoemde beleidsbrief van het Commissariaat schrijft de toepassing van een model toe (‘Model Bartering Contracten’) als onderdeel van de additionele informatie. Dit model wordt gebruikt als toelichting in de jaarrekening op de verantwoorde baten en/of lasten als gevolg van bartertransacties en is in dit Handboek opgenomen als model VIII.

Grondslagen

Voor nevenactiviteiten wordt altijd een gescheiden administratie gevoerd. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.135, eerste lid, Mediawet 2008 worden de inkomsten uit nevens activiteiten (waaronder inkomsten uit vermogen) aangewend voor de verzorging van media-aanbod van de publieke media-instelling. Dit betreft ook de gerealiseerde koerswinsten, ofwel het verschil tussen de verkoopopbrengst en de boekwaarde van financiële belangen in derden. Genomen koersverliezen kunnen eerst met gerealiseerde koerswinsten worden verrekend alvorens saldering baten en lasten plaatsvindt.

Toelichting

Het overzicht van Model VI wordt ingevuld voor ieder cluster van nevenactiviteiten conform de beleidsbrieven van het Commissariaat inzake clusterindeling nevenactiviteiten. Voor deelnemingen wordt een exploitatie per individuele activiteit (deelneming) aangeleverd. Dit geldt tevens voor (experimentele) nevenactiviteiten (zoals publiek-private samenwerkingsverbanden die kwalificeren als nevenactiviteit) die niet in één van de clusters zijn opgenomen.

Indien de exploitatie van een individuele nevenactiviteit in een boekjaar niet kostendekkend is, wordt deze nevenactiviteit separaat verantwoord. Daarbij dient tevens de volgende informatie per niet-kostendekkende nevenactiviteit te worden verstrekt:

De beleidsregels inzake nevenactiviteiten van het Commissariaat worden in dit kader gevolgd.

Toelichting

Indien de media-instelling opbrengsten genereert door het verlenen van diensten aan derden en de kosten die samenhangen met de verstrekte dienstverlening zijn opgenomen in de organisatiekosten, worden deze opbrengsten in model IV verantwoord onder de overige bedrijfsopbrengsten in de kolom organisatiekosten.

Toelichting

Het financiële resultaat wordt in de toelichting gespecificeerd conform het volgende overzicht:

1 Ongerealiseerde waardemutaties worden verwerkt via de exploitatierekening indien sprake is van onvoldoende Reserve Koersverschillen Beleggingen.

2 Ongerealiseerde waardemutaties worden verwerkt via de exploitatierekening indien sprake is van onvoldoende Herwaarderingsreserve Materiële Vaste Activa.

Toelichting

Het aantal medewerkers in Full Time Equivalent (fte) dat ultimo boekjaar in dienst is bij de publieke media-instelling wordt aangegeven in de toelichting conform Model II en Model IV. Dit geldt ook voor het gemiddelde aantal medewerkers in fte dat gedurende het boekjaar in dienst is geweest bij de publieke media-instelling. Ook het gemiddelde aantal fte wordt door de regionale publieke media-instelling aangegeven in Model IV en door de RPO in Model II.

Hierbij gelden regels in verband met:

Toelichting

In de toelichting van de jaarrekening wordt overeenkomstig artikel 2:383 BW opgave gedaan van de bezoldiging van de gezamenlijke bestuurders en gewezen bestuurders en, afzonderlijk, voor de gezamenlijke toezichthouders en gewezen toezichthouders. De bedragen worden in het boekjaar ten laste van de publieke media-instelling verantwoord. Op overeenkomstige wijze wordt afzonderlijk opgave gedaan van de bezoldiging van de gezamenlijke directieleden en gewezen directieleden.

Grondslag

De wijze waarop de bezoldiging wordt berekend, is overeenkomstig de berekeningswijze zoals deze is bepaald in Wet normering topinkomens (WNT) die op 1 januari 2013 in werking is getreden. Volgens artikel 1.3, eerste lid, onderdeel d, vallen de regionale publieke media-instellingen en de RPO onder het bezoldigingsmaximum en het openbaarmakingsregime.

Ook in het geval van een samenwerkingsomroep geldt artikel 1.3, eerste lid, onderdeel d, van de WNT voor de oude verenigingen die met elkaar zijn gefuseerd. Zij vallen namelijk ook onder de definitie van een regionale publieke media-instelling in de Mediawet 2008. Ook indien dit niet het geval zou zijn, schrijft dit Handboek dwingend voor dat de oude verenigingen hun jaarverslaggeving inzake de bezoldiging opstellen zoals dit ook in de WNT is geregeld.

Voor nadere bepalingen omtrent de hoogte van het bezoldigingsmaximum en de berekening wordt verwezen naar de WNT, paragraaf 2.

Toelichting

In de financiële verantwoording wordt van iedere (gewezen) bestuurder de bezoldiging openbaar gemaakt conform de bepalingen in de WNT. Indien een bestuurder naast zijn besturende functie eveneens presentator is bij de media-instelling wordt de verdeling in de financiële verantwoording inzichtelijk gemaakt.

Indien een (gewezen) bestuurder meer bezoldiging heeft ontvangen dan het bezoldigingsmaximum zoals bepaald in de WNT, is het meerdere een onverschuldigde betaling.

Voor leden van raden van commissarissen en leden van raden van toezicht zijn specifieke bepalingen opgenomen in de WNT. Voor deze leden geldt eveneens het openbaarmakingsregime.

Jaarlijks worden de bezoldigingen voor 1 juli van het jaar volgend op het boekjaar gemeld.

Bij bezoldiging boven de norm van iedere reguliere functionaris (niet zijnde topfunctionaris) gelden aanvullende toelichtingsvereisten.

Instellingen die onder de reikwijdte van de WNT vallen én tevens bezoldigingsgegevens van bestuurders en toezichthouders openbaar moeten maken op grond van artikelen 2:383, eerste lid, en 2:383c BW, kunnen er voor kiezen om de BW-verantwoording van bezoldigingsgegevens achterwege te laten. In dit Handboek is er voor gekozen om in deze situatie vermelding van bezoldigingsgegevens in het kader van BW 2 titel 9 achterwege te laten met als doel om overlap van gegevens te vermijden.

Voor meer actuele informatie wordt verwezen naar de site www.topinkomens.nl.

Toelichting

Voor zover een organisatie vennootschapsbelasting verantwoordt, wordt deze opgenomen in model I6 en II van de jaarrekening. In Model IV is de verwerking afhankelijk van de oorsprong van het fiscaal belastbare resultaat.

De kasstromen worden conform Model III ingedeeld naar herkomst uit operationele activiteiten, investeringsactiviteiten en financieringsactiviteiten.

Het gaat hierbij om ontwikkelingen die een significante invloed hebben op de hoogte van de omvang van balansposten, baten en lasten, evenals significante verschillen tussen enerzijds posten van de exploitatierekening en anderzijds de begroting. De bijzonderheden die zich in het boekjaar hebben voorgedaan, worden tekstueel toegelicht in de jaarrekening op een zodanig niveau dat daarmee voldoende transparantie wordt gecreëerd over de precieze aard van de bijzonderheden. Dit betreft onder meer een toelichting op:

1 Dit geldt alleen voor de RPO.

2 Voor zover een organisatie vennootschapsbelasting verantwoordt, wordt deze opgenomen in dit model.

3 Dit bedrag wordt direct toegevoegd aan kortlopende schulden (verschuldigd surplus reserve media-aanbod).

1 Dit bedrag wordt direct toegevoegd aan kortlopende schulden (Verschuldigd surplus reserve media-aanbod)

1 Onder loonkosten worden de volgende kosten verstaan: salariskosten, sociale lasten, pensioenlasten, december- en vakantie-uitkering, NRD-uitkering, arbeidsmarkttoeslagen, werkgeversbijdrage zorgverzekeringen.

1 (Experimentele) nevenactiviteiten (zoals publiek-private samenwerkingsverbanden die kwalificeren als nevenactiviteit) die niet in één van de voorgaande clusters zijn opgenomen.

Indien de exploitatie van een individuele nevenactiviteit niet kostendekkend is, wordt deze nevenactiviteit separaat verantwoord. De informatie die over die nevenactiviteit dient te worden verstrekt staat in paragraaf 2.3.5 van dit Handboek. Nevenactiviteiten met baten >€125.000 dienen afzonderlijk te worden toegelicht cf. model VI.

Teneinde de jaarrekening zinvol te kunnen interpreteren, verschaft het bestuursverslag conform RJ 400.108 informatie over [naam instelling:_____________].

Conform RJ 400.122 is in het bestuursverslag ook informatie opgenomen over relevante gedragscodes die van toepassing zijn.

Betreft media-instelling:

Statutaire vestigingsplaats:

Bijlage bij jaarrekening:

Hierbij verklaart het bestuur dat regionale media-instelling X in 20YY, in overeenstemming met artikel 2.142, eerste lid, van de Mediawet 2008, er voor heeft gezorgd dat noch de leden van de directie, noch werknemers of andere personen of rechtspersonen waarmee regionale media-instelling X een overeenkomst met het oog op de verzorging van haar programma’s heeft gesloten, voor zichzelf, voor andere personen of rechtspersonen een op geld waardeerbaar voordeel van derden hebben bedongen of aanvaard, dat direct of indirect verband houdt met werkzaamheden van de betrokkene voor regionale media-instelling X. Daarnaast verklaart het bestuur dat bestuurders, medewerkers of hun partners geen financiële of andere belangen hebben in ondernemingen, organisaties e.d. die een directe dan wel indirecte relatie met regionale media-instelling X hebben. Ondertekening door /namens bestuur met vermelding van naam en functie.

Ondertekening door /namens raad van toezicht en directie met vermelding van naam en functie.

[Plaats], [Datum]

[ondertekening]

Op basis van de artikelen 2.172 en 2.173a Mediawet 2008 is dit protocol van toepassing op de publieke media-instellingen.

De op basis van artikel 2.170 Mediawet 2008 door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) ter beschikking gestelde budgetten worden via het Commissariaat betaald aan de regionale publieke media-instellingen. Namens de minister verwacht de publieke media-instelling van de instellingsaccountant een verklaring van getrouwheid en van rechtmatigheid bij de jaarrekening van de publieke media-instelling. Het controleprotocol is bedoeld om de verwachtingen van de minister vast te leggen ten aanzien van deze verklaringen. Deze verklaringen zijn mede de basis voor het oordeel van de departementale accountant bij de departementale jaarrekening.

De RPO en de regionale publieke media-instellingen leggen op grond van artikel 2.173a Mediawet 2008, financiële rekening en verantwoording af aan het Commissariaat over de financiële rechtmatigheid van de uitgaven. Krachtens artikel 2.172, derde lid, Mediawet 2008 zijn nadere regels gesteld voor de inrichting van de jaarrekening. Deze regels zijn opgenomen in het Handboek Financiële Verantwoording regionale publieke media-instellingen en de RPO 2021 (hierna: Handboek). Voor het rechtmatigheidsoordeel controleert de instellingsaccountant de naleving van:

Een en ander is limitatief opgesomd in de bijlage 3 ‘Wet- en regelgeving inzake financiële rechtmatigheid’.

Het object van controle is de verantwoording van de publieke media-instelling. De verantwoording bestaat uit de jaarrekening, het bestuursverslag volgens artikel 2:391 BW (inclusief de bedrijfsvoeringverklaring) en de overige gegevens van artikel 2:292 BW, eerste lid, onder b tot en met h.

Bij de controle van de jaarrekening stelt de instellingsaccountant de getrouwheid daarvan vast. Hieronder worden mede verstaan de toedeling van de kosten naar radio- en televisieprogramma’s, overig media-aanbod, nevenactiviteiten en naar categorie (direct-organisatie). De controle van de jaarrekening is tevens gericht op de financiële rechtmatigheid van de baten en lasten. Op grond van zijn controlewerkzaamheden dient de instellingsaccountant een getrouwheids- en rechtmatigheidsoordeel, zoals opgenomen in het model Controleverklaring, af te geven bij de jaarrekening14.

De instellingsaccountant stelt tevens vast dat geen tekortkomingen zijn gebleken naar aanleiding van het onderzoek, dat het bestuursverslag inclusief de bedrijfsvoeringverklaring overeenkomstig Titel 9 Boek 2 BW is opgesteld en dat de in artikel 2:392, eerste lid, onder b tot en met h, BW vereiste gegevens zijn toegevoegd. Ook stelt hij conform NBA Standaard 720 vast dat, voor zover hij dit kan beoordelen, het bestuursverslag inclusief de bedrijfsvoeringverklaring verenigbaar is met de jaarrekening zoals vereist in artikel 2:391, vierde lid, BW. Verder moet de accountant conform artikel 2:393 BW vaststellen of er in het licht van de tijdens de controle verkregen kennis en begrip omtrent de rechtspersoon en haar omgeving, materiële onjuistheden in het bestuursverslag zijn vastgesteld met opgave van de aard van deze onjuistheden.

De controle dient te worden uitgevoerd in overeenstemming met de Nadere Voorschriften Controle- en overige standaarden (NV COS) zoals uitgegeven door de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) en de aanwijzingen zoals opgenomen in dit controleprotocol. Bij de controle op de naleving van het bepaalde in de WNT dient de instellingsaccountant uit te gaan van de Regeling controleprotocol WNT 2020van het ministerie van BZK.

De regionale publieke media-instellingen sturen in overeenstemming met artikel 2.173a, tweede lid, Mediawet 2008 vóór 1 mei de jaarrekening in bij het Commissariaat. Het Commissariaat stelt op grond van de artikelen 2.173 en 7.7 t/m 7.8 Mediawet 2008 vóór 1 september een verantwoording op over het beheer van de mediagelden in het voorgaande boekjaar, voorzien van een getrouwheids- en rechtmatigheidsoordeel van de accountant van het Commissariaat, ten behoeve van de minister. In deze verantwoording zijn de vaststellingen opgenomen van de mediabijdragen over voorgaande jaren voor alle publieke media-instellingen, die door tussenkomst van het Commissariaat worden bekostigd.

De accountant van het Commissariaat maakt voor de hiervoor genoemde verantwoording gebruik van de controleverklaringen bij de jaarrekeningen van de publieke media-instellingen. Daarnaast maakt hij gebruik van de jaarlijkse toetsing door het Commissariaat van de financiële rechtmatigheid van de besteding van de mediabijdragen.

Het Commissariaat is belast met de jaarlijkse toetsing van de financiële rechtmatigheid van de besteding van mediagelden op basis van de jaarrekeningen van de regionale publieke media-instellingen en de RPO. De toetsing van de financiële rechtmatigheid geschiedt door het Commissariaat. Een van de beheermaatregelen die het Commissariaat ter beschikking staat, is het reviewen van de accountantscontroles bij de regionale publieke media-instellingen en de RPO. Het doel van de review is het krijgen van inzicht in de kwaliteit van de door de instellingsaccountants uitgevoerde werkzaamheden. De uitkomsten van deze review gebruikt de accountant van het Commissariaat voor de controle van de jaarrekening van het Commissariaat. Het Commissariaat kan de reviewtaak uitbesteden aan een registeraccountant. De reviews worden uitgevoerd mede op basis van een roulatiesysteem.

De instellingsaccountant neemt in zijn controledossier een risicoanalyse op, waarin rekening wordt gehouden met de aandachtspunten van dit controleprotocol. Dit controledossier vormt de basis voor een review die het Commissariaat kan (laten) uitvoeren. De instellingsaccountant controleert de financiële rechtmatigheid van de besteding van de mediagelden. De op de financiële rechtmatigheid van toepassing zijnde wettelijke bepalingen uit de Mediawet 2008 en overige relevante wet- en regelgeving zijn limitatief aangegeven in bijlage 3 ‘Wet- en regelgeving inzake financiële rechtmatigheid'. Van de instellingsaccountant wordt verwacht dat hij over de naleving van deze bepalingen rapporteert in het accountantsverslag, voorzover hierover bevindingen zijn te melden op grond van zijn controle.

Voor aanbestedingen die boven de Europese drempelbedragen vallen, gelden de gebruikelijke controle en rapportage toleranties. Bij de toetsing van de drempelbedragen voor Europese aanbestedingen dient uitgegaan te worden van de contractwaarde exclusief BTW.

Voor de definiëring van de fout moet in het eerste jaar worden uitgegaan van de volledige contractwaarde. Als het contract meerdere jaren loopt, dan moet het contract ook opgenomen zijn in de toelichting van de niet uit de balans blijkende verplichtingen in de jaarrekening. Indien geen contract aanwezig is, wordt de fout bepaald door de in dat jaar opgenomen kosten.

Voor de aanbestedingen onder de Europese drempelbedragen op grond van wet- en regelgeving geldt een kwalitatieve tolerantie. Hiermee wordt bedoeld dat de instellingsaccountant de AO/IB rondom deze aanbestedingen beoordeelt en daarover rapporteert in het accountantsverslag. Dit heeft geen effect op zijn verklaring

Bij de jaarlijkse toetsing van de financiële rechtmatigheid van alle bestedingen en inkomsten kunnen door het Commissariaat aanwijzingen zijn gegeven. De instellingsaccountant betrekt de naleving van de aanwijzingen in zijn controle. Voor zover deze niet zijn nageleefd, maakt de instellingsaccountant daarvan melding in het accountantsverslag. Tevens weegt de instellingsaccountant eventuele fouten en onzekerheden die hieruit voortvloeien, bij de strekking van het rechtmatigheidsoordeel.

Voor de controle van de volledigheid van de sponsoropbrengsten van buitenproducenten (zie ook model VII), stelt de accountant vast of de meldingen die de omroeporganisatie van de buitenproducent in het boekjaar heeft ontvangen en vastgelegd in de administratie, allen zijn verantwoord in de toelichting op de jaarrekening. Tevens stelt de accountant vast of de omroeporganisatie schriftelijk heeft vastgelegd (bijvoorbeeld in contracten) dat buitenproducenten sponsoropbrengsten aan de omroeporganisatie moeten melden. Tekortkomingen in de interne beheersing omtrent ontvangen sponsoropbrengsten door de buitenproducenten worden opgenomen in het accountantsverslag.

De controle behoort zodanig te worden ingepland en uitgevoerd dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de verantwoording geen afwijkingen van materieel belang bevat. Indien laatst genoemd begrip voor het gebruik van statistische technieken gekwantificeerd moet worden, moet uitgegaan worden van een betrouwbaarheid van 95%.

Een goedkeurende controleverklaring impliceert dat, gegeven de eerder genoemde betrouwbaarheid, in de verantwoording geen afwijkingen (onjuistheden) en in de controle geen onzekerheden voorkomen met een belang dat groter is dan de voorgeschreven toleranties.

Voor de strekking van de controleverklaring gelden de volgende toleranties in het onderstaande schema:

Indien de accountant zowel fouten als onzekerheden aantreft, weegt hij deze fouten en onzekerheden bij zijn oordeelsvorming altijd in onderlinge samenhang. Voor het omgaan met geconstateerde fouten geldt de volgende gedragslijn. Geconstateerde fouten die invloed kunnen hebben op de financiële rechtmatigheid van de baten en lasten, moeten voor zover mogelijk door de instelling worden gecorrigeerd. Indien dit niet meer mogelijk is, gelden de tolerantiegrenzen zoals weergegeven in schema 1. Voor het omgaan met geconstateerde fouten die invloed hebben op de getrouwheid van baten en lasten gelden de toleranties die in schema 1 staan. De instelling corrigeert deze fouten als de tolerantiegrens wordt overschreden. De accountant vermeldt alle fouten groter dan 0,1% van de lasten die niet zijn gecorrigeerd in het accountantsverslag. Rechtmatigheidsfouten worden in absolute zin opgevat. Salderen van deze fouten is daarom niet toegestaan

De publieke media-instelling stelt de jaarrekening op in overeenstemming met de richtlijnen die zijn opgenomen in het Handboek, de richtlijnen die zijn opgenomen in Titel 9 Boek 2 BW en de RJ. Zie hiervoor paragraaf 1.2 van het Handboek.

De instellingsaccountant controleert de jaarrekening van de publieke media-instellingen. De controle is gericht op het vaststellen van de getrouwheid van de jaarrekening en op de toetsing van de financiële rechtmatigheid van de baten en lasten. Onder financiële rechtmatigheid wordt verstaan dat alle financiële transacties van de publieke media-instelling hebben plaatsgevonden binnen de bepalingen die bij het wettelijke kader in bijlage 3 zijn weergegeven. Als een financiële transactie niet in overeenstemming met het wettelijke kader heeft plaatsgevonden, dan merkt de instellingsaccountant het totale bedrag van de financiële transactie aan als een fout in de verantwoording. Het totaal aan financiële rechtmatigheidsfouten betrekt de instellingsaccountant bij het rechtmatigheidsoordeel.

De instellingsaccountant van de publieke media-instelling verstrekt daartoe een controleverklaring inzake getrouwheid en financiële rechtmatigheid bij de jaarrekening. De instellingsaccountant hanteert bij het opstellen van de goedkeurende controleverklaring het voorgeschreven model dat bij dit controleprotocol is gevoegd.

De accountant stelt vast of de modelverklaring voor wat betreft de algemene teksten in overeenstemming is met de laatste voorbeeldtekst van de controleverklaring bij de jaarrekening zoals deze is vermeld op de website van de NBA. Indien de algemene teksten afwijken van de modelverklaring, neemt de accountant de algemene teksten over zoals vermeld op de website van de NBA.

Bij een niet-goedkeurende controleverklaring past de accountant het model aan overeenkomstig de betreffende voorbeeldteksten van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants. De instellingsaccountant waarmerkt de jaarrekening15.

De instellingsaccountant stelt een accountantsverslag op en deelt dit verslag met de raad van toezicht van de media-instelling. De raad van toezicht stuurt dit verslag naar het Commissariaat. In het accountantsverslag rapporteert de instellingsaccountant tenminste over niet door de instelling gecorrigeerde fouten (getrouwheid/financiële rechtmatigheid).

Controleverklaring van de onafhankelijke accountant

Aan: het bestuur en de raad van toezicht van (naam instelling)

Verklaring over de in dit jaarverslag opgenomen jaarrekening 2021

Wij hebben de in dit jaarverslag opgenomen jaarrekening 2021 van … (naam entiteit) te … (statutaire vestigingsplaats) gecontroleerd.

Naar ons oordeel:

De jaarrekening bestaat uit:

Wij hebben onze controle uitgevoerd volgens het Nederlands recht, waaronder ook de Nederlandse controlestandaarden, het Controleprotocol Publieke Media-instellingen van de Regeling vaststelling Handboek Financiële Verantwoording Regionale Publieke Media-instellingen en de RPO 2021. Onze verantwoordelijkheden op grond hiervan zijn beschreven in de sectie ‘Onze verantwoordelijkheden voor de controle van de jaarrekening’.

Wij zijn onafhankelijk van … (naam instelling) zoals vereist in de Verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assurance-opdrachten (ViO) en andere voor de opdracht relevante onafhankelijkheidsregels in Nederland. Verder hebben wij voldaan aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

Wij vinden dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is als basis voor ons oordeel.

In overeenstemming met het Controleprotocol WNT 201X hebben wij de anticumulatiebepaling, bedoeld in artikel 1.6a WNT en artikel 5, lid 1, sub n en o Uitvoeringsregeling WNT, niet gecontroleerd. Dit betekent dat wij niet hebben gecontroleerd of er wel of niet sprake is van een normoverschrijding door een leidinggevende topfunctionaris vanwege eventuele dienstbetrekkingen als leidinggevende topfunctionaris bij andere WNT-plichtige instellingen, alsmede of de in dit kader vereiste toelichting juist en volledig is.

Naast de jaarrekening en onze controleverklaring daarbij, omvat het jaarverslag andere informatie, die bestaat uit:

Op grond van onderstaande werkzaamheden zijn wij van mening dat de andere informatie:

Wij hebben de andere informatie gelezen en hebben op basis van onze kennis en ons begrip, verkregen vanuit de controle van de jaarrekening of anderszins, overwogen of de andere informatie materiële afwijkingen bevat.

Met onze werkzaamheden hebben wij voldaan aan de vereisten in het Controleprotocol Publieke Media-instellingen van de Regeling vaststelling Handboek Financiële Verantwoording Regionale Publieke Media-instellingen en de RPO 2021 en de Nederlandse Standaard 720. Deze werkzaamheden hebben niet dezelfde diepgang als onze controlewerkzaamheden bij de jaarrekening.

Het bestuur is verantwoordelijk voor het opstellen van de andere informatie, waaronder het bestuursverslag en de overige gegevens in overeenstemming met de Regeling vaststelling Handboek Financiële Verantwoording Regionale Publieke Media-instellingen en de RPO 2021.

Het bestuur is verantwoordelijk voor het opmaken en getrouw weergeven van de jaarrekening in overeenstemming met de Regeling vaststelling Handboek Financiële Verantwoording Regionale Publieke Media-instellingen en de RPO 2021. Het bestuur is ook verantwoordelijk voor het rechtmatig tot stand komen van de in de jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties in overeenstemming met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals vermeld in de Regeling vaststelling Handboek Financiële Verantwoording Regionale Publieke Media-instellingen en de RPO 2021. In dit kader is het bestuur tevens verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing die het bestuur noodzakelijk acht om het opmaken van de jaarrekening mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fouten of fraude.

Bij het opmaken van de jaarrekening moet het bestuur afwegen of de organisatie in staat is om haar werkzaamheden in continuïteit voort te zetten. Op grond van genoemd verslaggevingsstelsel moet het bestuur de jaarrekening opmaken op basis van de continuïteitsveronderstelling, tenzij het bestuur het voornemen heeft om de organisatie te liquideren of de activiteiten te beëindigen of als beëindiging het enige realistische alternatief is. Het bestuur moet gebeurtenissen en omstandigheden waardoor gerede twijfel zou kunnen bestaan of de organisatie haar activiteiten in continuïteit kan voortzetten, toelichten in de jaarrekening.

De raad van toezicht is verantwoordelijk voor het uitoefenen van toezicht op het proces van financiële verslaggeving van de instelling.

Onze verantwoordelijkheid is het zodanig plannen en uitvoeren van een controleopdracht dat wij daarmee voldoende en geschikte controle-informatie verkrijgen voor het door ons af te geven oordeel.

Onze controle is uitgevoerd met een hoge mate, maar geen absolute mate, van zekerheid waardoor het mogelijk is dat wij tijdens onze controle niet alle materiële fouten ontdekken.

Afwijkingen kunnen ontstaan als gevolg van fraude of fouten en zijn materieel indien redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze, afzonderlijk of gezamenlijk, van invloed kunnen zijn op de economische beslissingen die gebruikers op basis van deze jaarrekening nemen. De materialiteit beïnvloedt de aard, timing en omvang van onze controlewerkzaamheden en de evaluatie van het effect van onderkende afwijkingen op ons oordeel.

Wij hebben deze accountantscontrole professioneel kritisch uitgevoerd en hebben waar relevant professionele oordeelsvorming toegepast in overeenstemming met de Nederlandse controlestandaarden, het Controleprotocol Publieke Media-instellingen van de Regeling vaststelling Handboek Financiële Verantwoording Regionale Publieke Media-instellingen en de RPO 2021, ethische voorschriften en de onafhankelijkheidseisen.

Onze controle bestond onder andere uit:

Wij communiceren met de raad van toezicht onder andere over de geplande reikwijdte en timing van de controle en over de significante bevindingen die uit onze controle naar voren zijn gekomen, waaronder eventuele significante tekortkomingen in de interne beheersing.

Plaats en datum

... (naam accountantspraktijk)

... (naam accountant)

Deze bijlage bevat een overzicht van wet- en regelgeving die relevant is bij de beoordeling van financiële rechtmatigheid. De vermelde wet- en regelgeving is daarbij in samengevatte vorm toegelicht. Voor de integrale tekst wordt verwezen naar de betreffende wet- en regelgeving.

Het Commissariaat heeft als bestuursorgaan de bevoegdheid om beleidsregels vast te stellen over de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften. Een aantal beleidsregels heeft betrekking op het toetsingskader van financiële rechtmatigheid en/of de jaarverslaggeving van instellingen. Deze beleidsregels zijn in het onderstaande overzicht opgenomen.

De bovenstaande beleidsregels kunnen worden geraadpleegd via de Staatscourant en de website van het Commissariaat.

De RPO is op grond van artikel 2.60a Mediawet 2008 belast met het vaststellen van regelingen die nodig zijn voor de uitvoering van zijn taken. Regelingen die gerelateerd zijn aan de financiële verantwoording van de regionale publieke media-instellingen vormen onderdeel van het toetsingskader inzake financiële rechtmatigheid.

Ten tijde van het vaststellen van deze regeling zijn er geen regelingen door de RPO vastgesteld.

Indien er in de toekomst relevante wijzigingen/aanvullingen plaatsvinden in bovenstaande wet- en regelgeving, dan zijn deze onverkort van toepassing.