Beleidsregel · BWBR0046621
Beleidsregel bemonsteringsplannen sanitaire monitoring 2022
Gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 3, eerste lid, van het Warenwetbesluit uitvoering verordening officiële controles en andere officiële activiteiten, artikel 6, eerste lid, van de Warenwetregeling levende tweekleppige weekdieren en artikel 13, onderdeel a, van de Mandaatregeling VWS;
Besluit:
Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,namens deze:G.J.C.M.BakkerDe Inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en WarenautoriteitIn deze beleidsregel wordt verstaan onder:
- –
NVWA: de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit;
- –
productiegebied: productiegebied als bedoeld in bijlage I, punt 2.5, van verordening (EG) 853/2004 en aangewezen in artikel 2 van de Warenwetregeling levende tweekleppige weekdieren;
- –
tweekleppige weekdieren: tweekleppige weekdieren als bedoeld in bijlage I, punt 2.1, van verordening (EG) 853/2004, met uitzondering van pecten;
- –
uitvoeringsverordening (EU) 2019/627:Uitvoeringsverordening (EU) 2019/627 van de Commissie van 15 maart 2019 tot vaststelling van eenvormige praktische regelingen voor de uitvoering van officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong overeenkomstig Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2074/2005 van de Commissie wat officiële controles betreft (PbEU 2019, L 131);
- –
verordening (EG) 853/2004:Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004, L 139);
- –
verordening (EG) nr. 1881/2006:Verordening (EG) nr. 1881/2006 van de Commissie van 19 december 2016 tot vaststelling van de maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (PbEU 2006, L 364);
- –
verordening (EU) 2017/625:Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (PbEU 2017, L 95);
- –
verwatergebied: verwatergebied als bedoeld in de artikelen 1 en 3 van de Warenwetregeling levende tweekleppige weekdieren;
- –
verwatering: verwatering als bedoeld in bijlage I, punt 2.3, van verordening (EG) 853/2004.
De bemonsteringsplannen voor de productiegebieden en verwatergebieden van levende tweekleppige weekdieren ter uitvoering van Titel V van uitvoeringsverordening (EU) 2019/627, artikel 18, achtste lid, van verordening (EU) 2017/625, en artikel 6, eerste lid, van de Warenwetregeling levende tweekleppige weekdieren zijn opgenomen in de bijlage.
De Beleidsregels bemonsteringsplannen sanitaire monitoring worden ingetrokken.
Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst.
Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel bemonsteringsplannen sanitaire monitoring 2022.
1 | Inleiding |
2 | Gebiedsindeling |
2.1 | Aangewezen productie- en verwatergebieden |
2.2 | Indeling en aanwijzing productiegebieden |
2.3 | Indeling en aanwijzing verwatergebieden |
3 | Monsterpunten en frequentie |
3.1 | Monsterpunten |
3.2 | Frequentie |
3.3 | Geografische spreiding |
3.4 | Monstername programma |
3.4.1 | Noordzee |
3.4.2 | Westelijke Waddenzee |
3.4.3 | Oostelijke Waddenzee |
3.4.4 | Grevelingenmeer |
3.4.5 | Veerse Meer |
3.4.6 | Oosterschelde |
3.4.7 | Verwatergebieden in de Oosterschelde |
3.4.8 | Westerschelde |
4 | Beslissingen naar aanleiding van resultaten |
4.1 | Beslissingen op basis van microbiologische overschrijdingen productiegebieden |
4.2 | Beslissingen op basis van microbiologische overschrijdingen verwatergebieden |
4.3 | Beslissingen op basis overschrijdingen van toxinevormende algen en biotoxinen |
4.4 | Beslissingen op basis van overschrijdingen van chemische contaminanten |
4.5 | Gebruik registratiedocumenten |
5 | Beslissingen bij het niet hebben van monitoringsresultaten |
5.1 | Herbemonstering |
5.2 | (Her)opening gebied |
In Titel V van uitvoeringsverordening (EU) 2019/627 is bepaald hoe de bevoegde autoriteit de officiële controles op levende tweekleppige weekdieren uit geclassificeerde productiegebieden moet uitvoeren. In deze bijlage is de wijze van bemonstering uitgewerkt en aangegeven welke maatregelen, op grond van Titel V, artikelen 52 t/m 59 en artikelen 61 t/m 63 van uitvoeringsverordening (EU) 2019/627, worden genomen naar aanleiding van de bemonsteringsresultaten van de geclassificeerde productiegebieden.
De bemonsteringsplannen zijn gericht op de sanitaire kwaliteit van levende tweekleppige weekdieren en omvat de monitoring op:
- •
de microbiologische kwaliteit van de levende tweekleppige weekdieren (grenswaarden: Uitvoeringsverordening (EU) 2019/627);
- •
de aanwezigheid van (potentieel) toxinevormende algen (fytoplankton);
- •
de aanwezigheid van (mariene) biotoxinen in levende tweekleppige weekdieren
- •
(maximumwaarden/limietwaarde: Verordening (EG) nr. 853/2004 en nationale beleidsregel voor TTX) en
- •
de aanwezigheid van chemische contaminanten in levende tweekleppige weekdieren
- •
(maximumgehalten: Verordening (EG) nr. 1881/2006).
Voor de kweek en visserij van levende tweekleppige weekdieren zijn in de Warenwetregeling levende tweekleppige weekdieren productie- en verwatergebieden aangewezen en geclassificeerd.
In Nederland zijn 17 gebieden aangewezen als productiegebied voor levende tweekleppige weekdieren (figuur 2.1). De productiegebieden zijn verdeeld over zeven gebieden: Noordzee (zie paragraaf 3.4.1), Westelijke Waddenzee (zie paragraaf 3.4.2), Oostelijke Waddenzee (zie paragraaf 3.4.3), Grevelingenmeer (zie paragraaf 3.4.4), Veerse Meer (zie paragraaf 3.4.5), Oosterschelde (zie paragraaf 3.4.6) en de Westerschelde (zie paragraaf 3.4.8). Binnen de Oosterschelde zijn in drie productiegebieden verschillende delen aangewezen als verwatergebied (zie paragraaf 3.4.7).
Figuur 2.1 Ligging productiegebiedenDe Nederlandse productiegebieden zijn aangewezen voor de productie van alle levende tweekleppige weekdieren exclusief pecten. Het productiegebied Westerschelde Oost vormt hierop een uitzondering. Dit gebied is enkel aangewezen voor één soort tweekleppig weekdier: kokkels.
De aanwijzing van de Nederlandse productiegebieden is gebaseerd op de aanwezigheid van visserij en/of cultuur op levende tweekleppige weekdieren in het desbetreffende gebied.
Voorafgaande aan de aanwijzing van een productiegebied wordt naast monitoring (zie hoofdstuk 5) een sanitair onderzoeksrapport opgesteld (sanitaire survey)1 en na drie jaar (na aanwijzing) volgt een bureau onderzoek (desk studie). Drie jaar na het bureau onderzoek volgt opnieuw een volledige (her)inventarisatie met een sanitair onderzoeksrapport. Zolang het gebied aangewezen blijft, vindt per productiegebied met steeds tussenliggende perioden van drie jaar een herinventarisatie plaats afgewisseld met een deskstudie.
De aanwijzing van de Nederlandse verwatergebieden2 is gebaseerd op het verwateren van levende tweekleppige weekdieren op natuurlijke gronden en bassins. Deze behoefte komt voort uit de Nederlandse manier van produceren en verwerken van levende tweekleppige weekdieren. Er zijn verwatergebieden voor:
- •
mosselen (Mytilus edulis);
- •
oesters (Ostrea edulis en Crassostrea gigas).
In Nederland zijn delen van het productiegebied Oosterschelde Oost op de Yerseke Bank (YB) en de Speelman(splaten) (SP) en delen van het productiegebied Oosterschelde Noord in het Mastgat (MG) aangewezen als verwatergebied. Daarnaast is er een verwatergebied aangewezen in Oosterschelde Midden, Vondelingenplaat (VP). De gebieden (mosselverwatergebieden en oesterputcomplexen) worden gebruikt om zand, slik of slijm te verwijderen en organoleptische eigenschappen van de levende tweekleppige weekdieren te behouden of te verbeteren.
Het monstername programma is vastgesteld op basis van onderzoek van verzamelde gegevens, met een zodanig aantal monsters en een zodanige geografische spreiding en frequentie van de bemonsteringspunten dat de resultaten zo representatief mogelijk zijn voor het betrokken gebied. Voor de monitoring op fytoplankton worden watermonsters genomen, waarin de (potentieel) toxinevormende algen worden gemeten.
De bepaling van de plaats van de bemonsteringspunten in de productiegebieden voor de bepaling van de microbiologische kwaliteit van levende tweekleppige weekdieren is gebaseerd op:
- •
de geografische spreiding;
- •
de visserijactiviteiten.
De bepaling van de monsterpunten voor de bepaling van de aanwezigheid van (potentieel) toxinevormende algen en de aanwezigheid van biotoxinen in levende tweekleppige weekdieren is gebaseerd op:
- •
de stromingspatronen;
- •
de geografische spreiding;
- •
de perioden van algenbloei.
Het aantal monsterpunten voor (potentieel) toxinevormende algen en biotoxinen is per periode verschillend.
Voor de monsterpunten voor chemische contaminanten wordt zoveel mogelijk aansluiting gevonden bij monsterpunten voor biotoxine.
De frequentie van het microbiologische onderzoek is afhankelijk van de visserijactiviteiten binnen een productiegebied. In relatief rustige periode en weinig gebruikte productiegebieden vindt maandelijks onderzoek plaats. Bij veel visserijactiviteiten wordt de frequentie verhoogd naar tweewekelijks in bepaalde productiegebieden.
Afhankelijk van het voorkomen van de verschillende soorten levende tweekleppige weekdieren in een productiegebied moet zo veel mogelijk geprobeerd worden levende tweekleppige weekdieren te bemonsteren, die het meest vatbaar zijn voor accumulatie van biotoxinen. In dezelfde frequentie worden fytoplanktonmonsters (water) genomen. Uitzondering hierop zijn de verwatergebieden. Deze gebieden worden niet los bemonsterd op biotoxinen en fytoplankton, maar worden geacht over dezelfde kwaliteit te beschikken als het productiegebied waaruit de partijen afkomstig zijn.
De frequentie van het chemisch contaminanten onderzoek is een keer per jaar voor alle in gebruik zijnde productiegebieden3. Uitzondering hierop zijn de verwatergebieden. Deze gebieden worden niet los bemonsterd op chemische contaminanten, maar worden geacht over dezelfde chemische kwaliteit te beschikken als het productiegebied waaruit de partijen afkomstig zijn. Jaarlijks worden in maart monsters genomen voor de bepaling van chemische contaminanten in de productiegebieden.
Als er (tijdelijke) geen visserijactiviteiten plaatsvinden, vindt er bemonstering met een lage frequentie plaats, afhankelijk van de oorzaak en soort visserijactiviteiten. Als er in zijn geheel geen visserijactiviteiten of in het vooruitzicht geen visserijactiviteiten meer plaatsvinden in een productiegebied, wordt de status als open productiegebied ingetrokken en zal voor aanwijzing van een status/(her) opening van het productiegebied de procedure, zoals omschreven in hoofdstuk 5 moeten worden gevolgd.
De monsterpunten zijn dusdanig gesitueerd dat de monsterpunten verspreid liggen over de productiegebieden, waarbij zoveel mogelijk rekening gehouden is met potentiele vervuilingsbronnen en het voor handen zijn van monstermateriaal. Voor alle monsternamepunten geldt dat zoveel mogelijk gebruik gemaakt wordt van de hierna genoemde punten, maar dit is niet altijd mogelijk, bijvoorbeeld wanneer er onvoldoende of geen geschikte levende tweekleppige weekdieren beschikbaar zijn. Het kan dus voorkomen dat andere (naastgelegen) percelen worden gebruikt voor de monstername. In geval er perceelblokken vermeld staan, kan een monster van elk van de genoemde percelen afkomstig zijn.
De Noordzee is ingedeeld in drie productiegebieden; Noordzee Noord, Midden en Zuid (figuur 3.1).
Figuur 3.1 Productiegebieden Noordzee Noord, Noordzee Midden en Noordzee ZuidOmdat de visserij van levende tweekleppige weekdieren in de Noordzee voornamelijk wilde visserij op ensis (ook wel zwaardschedes of mesheften genaamd) betreft, zijn er geen vaste visgebieden (percelen) aan te wijzen, zoals bij schelpdierkweek aan de orde is. De plaats van de monstername in desbetreffende productiegebieden kan dan ook per monstername verschillen (locaties waar gevist wordt). In de productiegebieden wordt minimaal maandelijks bemonsterd (tabel 3.1) op ensis.
Productiegebied | Aantal monsters | Frequentie monstername |
Noordzee Noord | 5 x Microbiologie (E. coli) 1 x Fytoplankton (water) 1 x Biotoxinen 1 x Chemische contaminanten | 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per jaar |
Noordzee Midden | 5 x Microbiologie (E. coli) 1 x Fytoplankton (water) 1 x Biotoxinen 1 x Chemische contaminanten | 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per jaar |
Noordzee Zuid | 5 x Microbiologie (E. coli) 1 x Fytoplankton (water) 1 x Biotoxinen 1 x Chemische contaminanten | 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per jaar |
De westelijke Waddenzee is ingedeeld in drie productiegebieden: Westelijke Waddenzee Noord, Midden en Zuid (figuur 3.2).
Figuur 3.2 Productiegebieden Westelijke Waddenzee Noord, Westelijke Waddenzee Midden en Westelijke Waddenzee ZuidIn dit deel van de Waddenzee vindt vooral mosselvisserij- en cultuur plaats, voor de monstername worden daarom voornamelijk mosselen gebruikt. De monsterpunten zijn gesitueerd op percelen, de frequentie is afgestemd op het mosselseizoen. Daarnaast zijn er vergunningen om oesters te rapen. In de periode dat relatief veel oesters worden geraapt vindt daarom extra bemonstering plaats op wilde oesterbanken (tabel 3.2 en 3.3). Indien er redenen zijn om af te wijken van de voorgeschreven monsterpunten kunnen bijv. monsters genomen worden van (zeer) nabij gelegen wilde banken (e.o.).
Week 27 t/m 42 (juli t/m okt.) | Week 43 t/m 48 (november)1 | Week 49 t/m 26 (dec. t/m juni) | ||
Productiegebied | Monsterpunten | Frequentie monstername | ||
Westelijke Waddenzee Noord | Microbiologie (E. coli) 1 x Oosterom 1-5 e.o. 1 x Balgen 12-26 e.o. 1 x Meep 4-10 e.o. 1 x Meep 32-37 e.o. 1 x Oosterom 6-29A e.o. | 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand | 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand | 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand |
Westelijke Waddenzee Midden | Microbiologie (E. coli) 1 x Inschot 13-20 e.o. 1 x Inschot 37-45D e.o. 1 x Inschot 46-65 e.o 1 x Slenk 9-14A e.o. 1 x Inschot 36-45D e.o. 5 x Oesters | 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand – | 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand | 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand – |
Westelijke Waddenzee Zuid | Microbiologie (E. coli) 1 x Scheurrak 2-10A e.o. 1 x Scheurrak 45-49 e.o. 1 x Scheer 17-20 e.o. 1 x Texel 1-10 e.o. 1 x Scheurrak 11-24E e.o. 5 x Oesters | 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand – | 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand | 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand – |
1Afwisselend 1 x per maand mosselen (percelen) en 1 x per maand wilde oesterbanken (Zuid en Midden) = elke 2 weken monstername.
Week 27 t/m 41 (juli t/m okt.) | Week 42 t/m 26 (okt/nov. t/m juni) | ||
Productiegebied | Monsterpunten | Frequentie monstername | |
Westelijke Waddenzee Noord | Fytoplankton (water) 1 x Oosterom 1 e.o. Biotoxinen 1 x Oosterom 1 e.o. 1 x Meep 6 e.o. Chemische contaminanten 1 x Oosterom 1 e.o. | 1 x per week 1 x per week 1 x per week – | 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per jaar |
Westelijke Waddenzee Midden | Fytoplankton (water) 1 x Inschot 36 e.o. Biotoxinen 1 x Inschot 36 e.o. 1 x Inschot 60 e.o. Chemische contaminanten 1 x Inschot 36 e.o. | 1 x per week 1 x per week 1 x per week – | 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per jaar |
Westelijke Waddenzee Zuid | Fytoplankton (water) 1 x Scheer 17 e.o. Biotoxinen 1 x Scheer 17 e.o. 1 x Scheurrak 47 e.o. Chemische contaminanten 1 x Scheer 17 e.o. | 1 x per week 1 x per week 1 x per week – | 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per jaar |
De oostelijke Waddenzee is ingedeeld in drie productiegebieden: Oostelijke Waddenzee Friese Wad, Oostelijke Waddenzee Groninger Wad en Oostelijke Waddenzee Eems/Dollard4 (figuur 3.3).
Figuur 3.3 Productiegebieden Oostelijke Waddenzee Friese Wad, Oostelijke Waddenzee Groninger Wad en Oostelijke Waddenzee Eems/DollardIn het oostelijke deel van de Waddenzee vindt vooral (handmatige) kokkelvisserij plaats, voor de monstername worden voornamelijk kokkels gebruikt. Daarnaast zijn er vergunningen om oesters te rapen. In de periode dat relatief veel oesters worden geraapt vindt extra bemonstering plaats op wilde oesterbanken. Voor oesters en kokkels zijn geen vaste monsternamepunten aan te wijzen. De bemonstering hierop vindt plaats op de locaties waar geraapt wordt, de frequentie is het over het algemeen maandelijks (tabel 3.4). Het productiegebied Oostelijke Waddenzee Eems/Dollard is enkel aangewezen als productiegebied, het gebied is niet geclassificeerd en wordt niet bemonsterd. Levende tweekleppige weekdieren uit dit gebied mogen daarom niet in de handel worden gebracht voor menselijke consumptie. Zie hoofdstuk 5 voor het classificeren van een productiegebied.
Week 49 t/m 35 (dec. t/m aug.) | Week 36 t/m 48 (sept. t/m nov.)1 | ||
Productiegebied | Aantal monsters | Frequentie monstername | |
Oostelijke Waddenzee Friese Wad | 5 x Microbiologie (E. coli) 1 x Fytoplankton (water) 1 x Biotoxinen 1 x Chemische contaminanten | 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per jaar | 2 x per maand 2 x per maand 2x per maand – |
Oostelijke Waddenzee Groninger Wad | 5 x Microbiologie (E. coli) 1 x Fytoplankton (water) 1 x Biotoxinen 1 x Chemische contaminanten | 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per jaar | 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand – |
1Afwisselend 1 x per maand wilde kokkelbanken en 1 x per maand wilde oesterbanken = elke 2 weken monstername.
Het Grevelingenmeer is één productiegebied (figuur 3.4) en er vindt met name oesterkweek plaats op percelen.
Figuur 3.4 Productiegebied GrevelingenmeerHet Grevelingenmeer kent geen specifieke stromingspatroon door eb en vloed. Doordat er geen stroompatroon is, heeft het Grevelingenmeer te maken met gelaagdheid van waterlagen (stratificatie). Voor de bepaling van aanwezigheid van (potentieel) toxinevormende algen worden dan ook monsters genomen aan de oppervlakte en net boven de bodem of wordt gebruik gemaakt van waterkolombemonstering. Er wordt bemonsterd op oesters en de monsterpunten zijn gesitueerd op percelen, de bemonsteringsfrequentie is afgestemd op het oesterseizoen (tabel 3.5). Indien er redenen zijn om af te wijken van de voorgeschreven monsterpunten kunnen bijv. monsters genomen worden van (zeer) nabij gelegen wilde banken (e.o.).
Week 49 t/m 23 (dec. t/m juni) | Week 24 t/m 28 (juni/juli) | Week 29 t/m 32 (juli t/m aug.) | Week 33 t/m 48 (aug. t/m nov.) | ||
Productie-gebied | Monsterpunten | Frequentie monstername | |||
Grevelingen-meer | Microbiologie (E. coli) 1 x GM 65-85 e.o. 1 x GM 36-52 e.o. 1 x GM 160-169 e.o. 1 x GM 110-119 e.o. 1 x GM 140-156 e.o. Fytoplankton (water)1 1 x 2 GM 160-169 e.o. Biotoxinen 1 x GM 160-169 e.o. Chemische contaminanten 1 x GM 160-169 e.o. | 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per jaar | 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 2 x per maand 2 x per maand2 – | 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 2 x per maand 2 x per maand – | 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand 1 x per maand 1 x per maand – |
11 locatie, 2 monsters (1x aan oppervlakte en 1x op bodem)
2In 2021 uitgebreid naar 2 x per week in verband met de aanwezigheid van TTX boven de norm in 2020. Na 2021 zal bekeken moeten worden of de frequentie verder moet worden aangepast.
Het productiegebied Veerse Meer is één productiegebied (figuur 3.5) en er vindt met name mosselhangcultuur plaats.
Figuur 3.5 Productiegebied Veerse MeerIn het gebied is nagenoeg geen stroompatroon aanwezig is, het meer is enigszins gestratificeerd. In het Veerse Meer wordt voornamelijk bemonsterd op mosselen. De monsterpunten zijn gesitueerd op hangcultuur (mosselen) en wilde oesterbanken (oesters), de bemonsteringsfrequentie is afgestemd op het mosselseizoen (tabel 3.6). Indien er redenen zijn om af te wijken van de voorgeschreven monsterpunten kunnen bijv. monsters genomen worden van (zeer) nabij gelegen wilde banken (e.o.).
Week 22 t/m 41 (juni t/m okt.) | Week 42 t/m 21 (okt. t/m mei) | ||
Productiegebied | Monsterpunten | Frequentie monstername | |
Veerse Meer | Microbiologie (E. coli) 1 x Geersdijk/Kortgene e.o. 1 x Geersdijk/Kortgene e.o. 1 x Bastiaan de Langeplaat e.o. 1 x Bastiaan de Langeplaat e.o. 1 x Bastiaan de Langeplaat e.o. Fytoplankton (water) 1 x Geersdijk/Kortgene e.o. Biotoxinen 1 x Geersdijk/Kortgene e.o. Chemische contaminanten 1 x Geersdijk/Kortgene e.o. | 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand – | 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per jaar |
De Oosterschelde is ingedeeld in vier productiegebieden: Oosterschelde Noord, Oosterschelde Midden, Oosterschelde West en Oosterschelde Oost (figuur 3.6).
Figuur 3.6 Productiegebied Oosterschelde Noord, Oosterschelde Midden, Oosterschelde West en Oosterschelde OostDe frequentie van de monstername verschilt in het productiegebied Oosterschelde Oost ten opzichte van de overige productiegebieden in de Oosterschelde (West, Midden en Noord) (tabel 3.7 en 3.8). Indien er redenen zijn om af te wijken van de voorgeschreven monsterpunten kunnen bijv. monsters genomen worden van (zeer) nabij gelegen wilde banken (e.o.). In productiegebied Oosterschelde Oost vindt voornamelijk oestervisserij- en cultuur plaats. De periode van deze visserijactiviteiten wijkt af ten opzicht van de mosselvisserij- en cultuur, die voornamelijk in de productiegebieden Oosterschelde Noord, Midden en West plaatsvinden. In Oosterschelde Noord, Midden en West wordt bemonsterd op mosselen, in Oosterschelde Oost op oesters. In Oosterschelde Noord wordt deels bemonsterd op mosselhangcultuur5.
Week 22 t/m 43 (juni t/m okt.) | Week 44 t/m 21 (nov. t/m mei) | ||
Productiegebied | Monsterpunten | Frequentie monstername | |
Oosterschelde Noord | Microbiologie (E. coli) 1 x Mastgat 1-7 e.o. 1 x Mastgat 11-19 e.o. 1 x Mastgat 22-33 e.o. 1 x Slaak e.o. 1 x Mastgat 22-33 nabij e.o. | 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand | 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand |
Oosterschelde Midden | Microbiologie (E. coli) 1 x OSWD 4-19 e.o. 1 x OSWD 85-107 e.o. 1 x OSWD 176-182B e.o. 1 x Zandkreek 36-59 e.o. 1 x OSWD 85-107 e.o. | 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand | 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand |
Oosterschelde West | Microbiologie (E. coli) 1 x Hammen 8-10 e.o. 1 x Hammen 96-110 e.o. 1 x Hammen A-S/40-65 e.o. 1 x Hammen 181-186 e.o. 1 x Hammen 8-10 nabij e.o. | 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand | 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand |
Week 33 t/m 51 (aug. t/m dec.) | Week 52 t/m 32 (dec. t/m aug.) | ||
Productiegebied | Monsterpunten | Frequentie monstername | |
Oosterschelde Oost | Microbiologie (E. coli) 1 x YB 570 e.o. 1 x YB 380 e.o. 1 x HK 28 e.o. 1 x BB 41 e.o. 1 x YB 775 e.o. | 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand 2 x per maand | 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand 1 x per maand |
Week 23 t/m 32 (juni t/m aug) | Week 33 t/m 35 (aug.) | Week 36 t/m 39 (sep.) | Week 40 t/m 43 (okt.) | Week 44 t/m 22 (nov. t/m mei) | ||
Productie-gebied | Aantal monsters | Frequentie monstername | ||||
Oosterschelde Noord | Fytoplankton (water) 1 x Hang 2 e.o. 1 x OSWD 28 e.o. Biotoxinen 1 x Hang 2 e.o. 1 x OSWD 28 e.o. Chemische contaminanten 1 x Hang 2 e.o. | 1 x per week – 1 x per week – – | 1 x per week 1 x per week 1 x per week 1 x per week – | 1 x per week 1 x per week 1 x per week 1 x per week – | 1 x per maand – 1 x per maand – – | 1 x per maand – 1 x per maand – 1 x per jaar |
Oosterschelde Midden | Fytoplankton (water) 1 x OSWD 180 e.o. Biotoxinen 1 x OSWD 180 e.o. Chemische contaminanten 1 x OSWD 180 e.o. | 1 x per week 1 x per week – | 1 x per week 1 x per week – | 1 x per week 1 x per week – | 2 x per maand1 1 x per week – | 1 x per maand 1 x per maand 1 x per jaar |
Oosterschelde West | Fytoplankton (water) 1 x Hammen 182 e.o. Biotoxinen 1 x Hammen 182 e.o. 1 x Hammen 62 e.o. Chemische contaminanten 1 x Hammen 182 e.o. | 1 x per week 1 x per week – – | 1 x per week 1 x per week – – | 1 x per week 1 x per week 1 x per week – | 2 x per maand1 1 x per week – – | 1 x per maand 1 x per maand – 1 x per jaar |
1Eerste 2 weken
Week 23 (juni) | Week 24 t/m 28 (juni t/m juli) | Week 29 (juli) | Week 30 t/m 41 (juli t/m okt.) | Week 42 t/m 22 (okt. t/m mei) | ||
Oosterschelde Oost | Fytoplankton (water) 1 x YB 570 e.o. Biotoxinen 1 x YB 570 e.o. 1 x BB 41 e.o. Chemische contaminanten 1 x YB 570 e.o. | 1 x per week 1 x per week 1 x per week – | 1 x per week 1 x per week1 1 x per week1 – | 1 x per week 1 x per week 1 x per week – | 1 x per week 1 x per week – | 1 x per maand 1 x per maand 1 x per jaar |
1In 2021 en 2022 uitgebreid naar 2 x per week in verband met de aanwezigheid van TTX boven de norm in 2020. Na 2022 zal bekeken moeten worden of dit verder moet worden aangepast.
Enkel voor de mossel- en oestersector zijn verwatergebieden (figuur 3.7) aangewezen. Dit komt omdat de Nederlandse mossel- en oestersector vooral gebaseerd zijn op cultuur in plaats van wilde visserij. Andere schelpdiervisserijen zijn gebaseerd op wilde visserij. De doorloop op de verwatergebieden is hoog, omdat het tevens als een tijdelijke opslag wordt gebruikt (nat pakhuis). De verwatergebieden worden daarom niet los bemonsterd op (potentieel) toxinevormende algen en biotoxinen, maar worden geacht over dezelfde status te beschikken als het (Nederlandse) productiegebied waaruit de partijen afkomstig zijn. De levende tweekleppige weekdieren horen daarbij te voldoen aan de normen voor het in de handel brengen voor menselijke consumptie.
Figuur 3.7 Verwatergebieden in Oosterschelde Noord, Oosterschelde Midden en Oosterschelde OostIn de oesterputten wordt bemonsterd op oesters (over het algemeen crassostrea gigas). Op de mosselverwaterpercelen wordt bemonsterd op mosselen (mytilus edulis) (tabel 3.9). De verwatergebieden die in gebruik zijn worden jaarlijks erkend als verwatergebied. Niet in gebruik zijnde verwatergebieden worden gezien als deel van het productiegebied waarin ze gelegen zijn.
Verwatergebied | Aantal monsters | Frequentie monstername |
1 vak of put per huurder/pachter/eigenaar1 | 1 | 1 x per maand |
1Per keer wordt zoveel mogelijk een ander vak van een perceel of put van een putcomplex bemonsterd.
De Westerschelde bestaat uit twee productiegebieden: Westerschelde Oost en Westerschelde West (figuur 3.8).
Figuur 3.8 Productiegebieden Westerschelde West en Westerschelde OostOp dit moment zijn deze twee productiegebieden niet geclassificeerd en worden daarom niet bemonsterd. Levende tweekleppige weekdieren uit deze productiegebieden mogen daarom niet in de handel worden gebracht. Zie hoofdstuk 5 voor het classificeren van een productiegebied.
Als blijkt dat niet aan de gezondheidsnormen wordt voldaan of dat er anderszins een risico voor de menselijke gezondheid bestaat, kan de NVWA (voorzorgs)maatregelen nemen of het betrokken gebied sluiten.
Bij overschrijding van de grenswaarden7 voor microbiologie in levende tweekleppige weekdieren, wordt het gebied tijdelijk gedeclasseerd naar een B of C gebied of wordt gesloten, afhankelijk van de hoogte van de overschrijding. Het gebied wordt tijdelijk gedeclasseerd of gesloten, totdat uit de herbemonstering, in de daaropvolgende week, blijkt dat weer aan de grenswaarden wordt voldaan. In uitzonderlijke gevallen kan hiervan afgeweken worden en kunnen er bijvoorbeeld voor een deel van het productiegebied maatregelen getroffen worden.
Als bij verificatie de minimale grenswaarde (m) voor microbiologie (230 kve E. coli/100g) in een verwatergebied (een vak van een perceel of een put van een putcomplex) wordt overschreden, wordt het desbetreffende vak of put herbemonsterd volgens het bemonsteringschema n=5), mits de waarde niet boven de 700 kve E. coli/100g (M) uitkomt. Wanneer uit de herbemonstering blijkt dat niet voldaan wordt aan de grenswaarden (tabel 4.1), wordt het desbetreffende vak of put tijdelijk gedeclasseerd naar een B of C gebied of wordt het gesloten. Het gebied wordt tijdelijk gedeclasseerd of gesloten, totdat uit de herbemonstering (volgens het bemonsteringschema n=5), in de daaropvolgende week, blijkt dat weer aan de grenswaarden wordt voldaan. In uitzonderlijke gevallen kan hiervan afgeweken worden.
Als bij verificatie de maximale grenswaarde (M) voor microbiologie (700 kve E. coli/100g) in een verwatergebied (een vak van een perceel of een put van een putcomplex) wordt overschreden, wordt het desbetreffende vak of put tijdelijk gedeclasseerd naar een B of C gebied of wordt gesloten. Het gebied wordt tijdelijk gedeclasseerd of gesloten, totdat uit de herbemonstering (volgens het bemonsteringschema n=5) in de daaropvolgende week, blijkt dat weer aan de grenswaarden wordt voldaan. In uitzonderlijke gevallen kan hiervan afgeweken worden.
Gevonden waarde | Herbemonstering | Besluit |
≤230 kve/100g | Nee | Nee |
>230-700 kve/100g | Ja, 5 monsters | Nee |
>700 | Ja, 5 monsters | Ja |
Bij overschrijding van de actiegrens8 voor biotoxinen zal de NVWA voor het desbetreffende productiegebied maatregelen treffen (Fase 1). De maatregelen zullen van kracht blijven, totdat uit de herbemonstering in de daaropvolgende week, blijkt dat geen biotoxinen worden aangetroffen boven de actiegrens.
Bij een overschrijding van de maximumwaarden of limietwaarde9 voor biotoxinen, zal het desbetreffende productiegebied worden gesloten (Fase 2). De maatregelen zullen van kracht blijven, totdat uit twee achtereenvolgende resultaten met een interval van tenminste 48 uur blijkt, dat weer aan de maximumwaarden wordt voldaan. In beide gevallen vind een uitbreiding plaats van het aantal monsterpunten in het betreffende productiegebied.
De maatregelen en voorwaarden voor het in de handel brengen van een partij levende tweekleppige weekdieren bij aanwezigheid van biotoxinen zijn gebaseerd op het drie-fasen systeem: Fase 0 (regulier), Fase 1 (biotoxine boven de actiegrens) en Fase 2 (biotoxine boven de maximumwaarde) (tabel 4.2).
Biotoxine boven de actiegrens | Biotoxine boven de maximumwaarde | |
Fase 0 | Nee | Nee |
Fase 1 | Ja | Nee |
Fase 2 | Ja | Ja |
Als er geen (potentieel) toxinevormende algen (water) en geen biotoxinen (tweekleppige weekdieren) boven de maximumwaarden wordt waargenomen is Fase 0 van toepassing. Het aantal monsters is zoals regulier gebruikelijk (zie hoofdstuk 3). Er wordt regulier gebruik gemaakt van de Registratiedocumenten voor levende tweekleppige weekdieren, levende stekelhuidigen, levende manteldieren en levende mariene buikpotigen (zie paragraaf 4.5).
In geval er (potentieel) toxinevormende algen worden aangetroffen boven onderstaande drempelwaarden (tabel 4.3) worden het aantal fytoplanktonmonsters uitgebreid (tabel 4.4). Er wordt wekelijks fytoplanktonmonsters genomen, zolang de uitslagen boven de drempelwaarde ligt. Er zijn geen extra maatregelen van kracht voor de visserij. Er worden geen extra biotoxinemonsters genomen. In uitzonderlijke gevallen kan hier van afgeweken worden.
Potentieel toxine vormende algen | Maximumgehalten |
DSP vormende algen12 | 100 cellen/liter |
ASP vormende algen3 | 500.000 cellen/liter |
PSP vormende algen9 | 1.000 cellen/liter |
1De norm voor DSP vormende algen is gebaseerd op basis van een publicatie van Marie Kat getiteld ‘Toxic and non-toxic dinoflagellat blooms on the Dutch coast’ [copyright 1989 bij Elsevier Sciences Publishing Co.].
2Deze normen worden gebruikt als drempelwaarde sinds de implementatie van Richtlijn 91/492.
3Op basis van bevindingen is door het RIKILT is in 2007 de drempelwaarde voor ASP vormende algen verhoogd van 100.000 cellen/liter naar 500.000 cellen/liter.
Productiegebied | Aantal monsters fytoplankton (water) | Locaties fytoplanktonmonsters |
Noordzee Noord | 21 | Bij de visserij-activiteiten |
Noordzee Midden | 21 | Bij de visserij-activiteiten |
Noordzee Zuid | 21 | Bij de visserij-activiteiten |
Westelijke Waddenzee Zuid | 3 | – Texel 1 e.o. – Scheer 17 e.o. – Scheurrak 47 e.o. |
Westelijke Waddenzee Midden | 3 | – Boei VL-8/WM-1 e.o. – Boei IN-8 e.o. – Boei BS-7 e.o. |
Westelijke Waddenzee Noord | 3 | – Oosterom 1 e.o. – Meep 6 e.o. – Balgen 14 e.o. |
Oostelijke Waddenzee Friese Wad | 21 | Bij de visserij-activiteiten |
Oostelijke Waddenzee Groninger Wad | 21 | Bij de visserij-activiteiten |
Grevelingenmeer | 2x22 | – GM 160-169 e.o. – GM 36-52 e.o. |
Veerse Meer | 2 | – Geersdijk/Kortgene – Bastiaan de Langeplaat |
Oosterschelde Noord | 2 | – Hang 2 e.o. – OSWD 28 e.o. |
Oosterschelde Midden | 2 | – OSWD 180 e.o. – OSWD 90 e.o. |
Oosterschelde West | 2 | – Hammen 182 e.o. – Hammen 62 e.o. |
Oosterschelde Oost | 2 | – YB 570 e.o. – BB 41 e.o. |
1 Fytoplanktonmonsters op verschillende locaties
22 locaties, 4 monsters (2x aan oppervlakte en 2x op bodem)
Fase 1 is van toepassing als er biotoxine worden waargenomen boven de actiegrens (25% van de maximumwaarde), maar onder de maximumwaarde/limietwaarde (Fase 2). Het aantal biotoxinemonsters wordt uitgebreid (tabel 4.5). Voor TTX (niet Europees gereguleerd) geldt dat de actiegrens ligt op 50% van de limietwaarde10. Indien ook (potentieel) toxinevormende algen worden aangetroffen boven de drempelwaarde (tabel 4.3) worden het aantal fytoplanktonmonsters uitgebreid (tabel 4.4). Bij het voorkomen van biotoxine boven de 50% van de maximumwaarde wordt de voorkeur gegeven aan het bemonsteren van meerdere schelpdiersoorten binnen het productiegebied, mits van toepassing.
Productiegebied | Aantal biotoxine monsters (schelpdieren) | Locaties biotoxinemonsters |
Noordzee Noord | 2 | Bij de visserij-activiteiten |
Noordzee Midden | 2 | Bij de visserij-activiteiten |
Noordzee Zuid | 2 | Bij de visserij-activiteiten |
Westelijke Waddenzee Zuid | 3 | – Scheer 17 e.o. – Scheurrak 47 e.o. – Scheurrak 10 e.o. |
Westelijke Waddenzee Midden | 3 | – Inschot 36 e.o. – Inschot 60 e.o. – Slenk 12 e.o. |
Westelijke Waddenzee Noord | 3 | – Oosterom 1 e.o. – Meep 6 e.o. – Balgen 14 e.o. |
Oostelijke Waddenzee Friese Wad | 2 | Bij de visserij-activiteiten |
Oostelijke Waddenzee Groninger Wad | 2 | Bij de visserij-activiteiten |
Grevelingenmeer | 2 of 3 | – GM 160-169 e.o. – GM 36-52 e.o. (– MHC1) |
Veerse Meer | 2 of 3 | – Geersdijk/Kortgene e.o. – Bastiaan de Langeplaat e.o. (– Schotsman1) |
Oosterschelde Noord | 3 | – Hang 2 e.o. – OSWD 28 e.o. – MG 18 e.o. |
Oosterschelde Midden | 3 | – OSWD 180 e.o. of MHC1 – OSWD 90 e.o. – Zandkreek |
Oosterschelde West | 3 | – Hammen 182 e.o. of MHC1 – Hammen 62 e.o. – Hammen 8 e.o. |
Oosterschelde Oost | 3 | – YB 570 e.o. – HK 28 e.o. of MHC1 – BB 41 e.o. |
1Mits relevant (productie/noodzaak) kan mosselhangcultuur (MHC) of andere locatie bemonsterd worden.
Fase 1: – Tijdelijke maatregelen voor het gebied; – Wekelijkse herbemonstering (indien mogelijk); – Aantal biotoxinemonsters wordt uitgebreid (tabel 4.5), en indien van toepassing het aantal fytoplanktonmonsters (tabel 4.4); – Retourzending Registratiedocumenten (zie paragraaf 4.5) verkort naar 48 uur en – Intrekking maatregelen nadat geen biotoxine boven de actiegrens is aangetoond. |
Maatregelen (toegestaan) voor het gebied (Fase 1): – Het verzaaien van een partij met gebruikmaking van een Registratiedocument Verzaaien levende tweekleppige weekdieren (zie paragraaf 4.5) is toegestaan voor de volgende situaties: – Het verplaatsen van een partij die niet direct bestemd is voor menselijke consumptie (zaad/halfwas) naar een gebied waar geen Fase 1 van toepassing is; – Het verplaatsen van een partij binnen het gebied waar Fase 1 van toepassing is; – Het verplaatsen van een partij naar een gebied waar Fase 1 van toepassing is als de maatregelen genomen zijn voor dezelfde biotoxine; – Het verplaatsen van een partij naar een verwatergebied is toegestaan met gebruikmaking van een Registratiedocument voor levende tweekleppige weekdieren, levende stekelhuidigen, levende manteldieren en levende mariene buikpotigen (zie paragraaf 4.5); – Het in de handel brengen van een partij uit een gebied waar Fase 1 van toepassing is is toegestaan, nadat uit de uitslag van de alternatieve (her)bemonstering1 is gebleken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor het in de handel brengen van levende tweekleppige weekdieren; – Het in de handel brengen van een partij vanaf een verwatergebied (maar afkomstig uit een gebied waar Fase 1 van toepassing is) is toegestaan: – Nadat de uitslag van de reguliere bemonstering bekend is en geen biotoxinen boven de maximumwaarden/limietwaarde is aangetoond in het gebied waar Fase 1 van toepassing is, als de visdag van deze partij (in het gebied waar Fase 1 van toepassing is) ligt voor of op de dag van monstername2; – Of dat er gebruik gemaakt wordt van alternatieve (her)bemonstering in het betreffende verwatergebied. |
Maatregelen (niet toegestaan) voor het gebied (Fase 1) is: – Het verplaatsen van een partij die bestemd is voor menselijke consumptie naar een gebied waar geen Fase 1 van toepassing is; – Het verplaatsen van een partij die niet direct bestemd is voor menselijke consumptie (zaad/halfwas) naar een gebied waar geen Fase 1 van toepassing is zonder gebruikmaking van een Registratiedocument Verzaaien levende tweekleppige weekdieren (zie paragraaf 4.5); – Het direct in de handel brengen van een partij uit een gebied waar Fase 1 van toepassing is. |
1Deze alternatieve (her)bemonstering valt buiten het monitoringsprogramma en wordt bekostigd door het betreffende bedrijf of sector. Er dient gebruik gemaakt te worden van de wettelijk bepaalde methode (erkende methode of een andere internationaal erkende gevalideerde methode, zie Uitvoeringsverordening (EU) 2019/627, bijlage V) voor de betreffende biotoxine. Er dient een mengmonster per partij genomen te worden, welke representatief is voor de gehele lading. De lading mag niet in de handel worden gebracht voordat de uitslag van de alternatieve (her)bemonstering bekend is en de uitslag aantoont dat geen biotoxinen boven de maximumwaarde aanwezig zijn. Een mengmonster bestaat minimaal uit 5 eenheden op 5 willekeurige plaatsen genomen binnen een partij.
2Deze maatregel is niet van toepassing wanneer het verwatergebied zich bevindt binnen het gebied met Fase 2 maatregelen. Partijen in verwatergebieden kunnen op dat moment geen gebruik maken van de reguliere gebiedsbemonstering.
Fase 2 is van toepassing als er een hoeveelheid biotoxine in levende tweekleppige weekdieren of delen daarvan boven de maximumwaarde11 of de limietwaarde (nationale beleidsregel voor TTX) wordt vastgesteld. Het aantal biotoxinemonsters wordt uitgebreid (tabel 4.5). Indien ook (potentieel) toxinevormende algen worden aangetroffen boven onderstaande drempelwaarde (tabel 4.3) worden het aantal fytoplanktonmonsters uitgebreid (tabel 4.4). Bij het voorkomen van biotoxine boven de maximumwaarde wordt de voorkeur gegeven aan het bemonsteren van meerdere schelpdiersoorten binnen het productiegebied, mits van toepassing.
Fase 2: – Tijdelijke (gedeeltelijke) sluiting productiegebied met terugwerkende kracht vanaf de dag van monstername; – Tijdelijke sluiting verwatergebied met terugwerkende kracht vanaf de dag van monstername waarop een partij is gebracht afkomstig uit een eerder ander gesloten gebied na de dag van monstername; – Wekelijkse herbemonstering (indien mogelijk); – Aantal biotoxinemonsters wordt uitgebreid (tabel 4.5), en indien van toepassing het aantal fytoplankton monsters (tabel 4.4); – Retourzending Registratiedocumenten Verzaaien (zie paragraaf 4.5) verkort naar 24 uur en – Intrekking van de sluiting productiegebied en/of verwatergebied, nadat uit twee achtereenvolgende resultaten met een interval van tenminste 48 uur blijkt dat weer aan de maximumwaarden/limietwaarde wordt voldaan. |
Maatregelen (toegestaan) Fase 2: – Het verzaaien van een partij is toegestaan met gebruik van een Registratiedocument Verzaaien levende tweekleppige weekdieren (zie paragraaf 4.5) voor de volgende situaties: – Het verplaatsen van een partij binnen het gebied; – Het verplaatsen van een partij naar een ander gebied waar Fase 1 van toepassing is als de maatregelen genomen zijn voor dezelfde biotoxine-groep (ASP etc.); – Het in de handel brengen van een partij die in een verwatergebied is gebracht na de dag van monstername is toegestaan, als uit twee achtereenvolgende resultaten met een interval van tenminste 48 uur is gebleken dat aan de maximumwaarden/limietwaarde wordt voldaan, mits het verwatergebied niet in het gebied ligt waar Fase 2 van toepassing is; – Het in de handel brengen van een partij vanuit een verwatergebied in een gebied waar Fase 2 van toepassing is door gebruikmaking van een door de NVWA goedgekeurd sectorplan met vastgestelde gebieden/blokken. |
Maatregelen (niet toegestaan) Fase 2: – Visserij (met schepen, dan wel handmatig) bestemd voor menselijke consumptie na de dag van monstername; – Het verplaatsen van een partij die niet direct bestemd is voor menselijke consumptie (zaad/halfwas) naar een gebied waar geen Fase 1 van toepassing is; – Het direct in de handel brengen van een partij die uit het gebied waar Fase 2 van toepassing is afkomstig is na de dag van monstername. |
Bij overschrijding van de maximumgehalten voor lood, cadmium en kwik, Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK’s), dioxinen en Polychloorbifenylen (PCB’s)12, treedt de NVWA in overleg met de beheerder van het schelpdierwater, Rijkswaterstaat, onderdeel van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Het gebied waar de overschrijding plaatsvindt wordt (tijdelijk) gesloten.
Voor de visserij op levende tweekleppige weekdieren moet gebruik gemaakt worden van registratiedocumenten (Registratiedocumenten voor levende tweekleppige weekdieren, levende stekelhuidigen, levende manteldieren en levende mariene buikpotigen), wanneer de levende tweekleppige weekdieren bestemd zijn voor directe menselijke consumptie. Deze documenten zijn bij de NVWA op te vragen (via schelpdieronderzoek@nvwa.nl), het model is vastgesteld in Verordening (EG) nr. 853/2004, bijlage III, sectie VII, hoofdstuk X. Dit model is vanaf 9 september 2021 ook verplicht voor de aanvoer van levende stekelhuidigen, levende manteldieren, mariene buikpotigen als ook voor pectinidae (vallend onder levende tweekleppige weekdieren).
Wanneer er tijdelijke maatregelen middels een besluit genomen worden voor een gebied, kunnen in het besluit aanvullende voorwaarden gesteld worden voor het inleveren van Registratiedocumenten voor levende tweekleppige weekdieren, levende stekelhuidigen, levende manteldieren en levende mariene buikpotigen (bestemd voor directe menselijke consumptie), en Registratiedocumenten voor verzaaien van levende tweekleppige weekdieren (niet bestemd voor directe menselijke consumptie/ verzaaien van op te groeien levende tweekleppige weekdieren) (ookwel Verzaaidocumenten).
Ingeval er (tijdelijk) geen resultaten beschikbaar zijn voor een productiegebied wordt geprobeerd het gebied te (her)bemonsteren. Indien dit niet mogelijk is binnen 1 jaar is het noodzakelijk het gebied te zien als nieuw productiegebied en moet het voldoen aan meerdere voorwaarden voordat het gebied weer geopend kan worden. In voorkomende gevallen kan hiervan afgeweken worden, bijvoorbeeld als er reeds jarenlang in het gebied is gemonitord en er geen aanwijzingen zijn dat de omstandigheden veranderd zijn.
Indien geen monsters kunnen worden genomen, zoals bijvoorbeeld (weers)omstandigheden en/of het ontbreken van visserijactiviteiten, dan wordt het gebied na maximaal twee maanden (tijdelijk) gesloten voor visserij op levende tweekleppige weekdieren.
Is een gebied voor langere tijd gesloten (meer dan een jaar) dan moet bij het opnieuw opstarten van visserij activiteiten een productiegebied opnieuw worden geclassificeerd (zie paragraaf 5.2). De classificatie van het gebied in de Warenwetregeling levende tweekleppige weekdieren komt bij een langere tijd van sluiting (meer dan een jaar) te vervallen.
Indien het gebied binnen een jaar wordt heropend kan volstaan worden met een normale bemonstering, zolang er geen aanwijzingen zijn voor afwijkende waarden. Tevens moet uit de resultaten van meerdere jaren blijken dat in de periode dat het bemonsteren en de visserij wordt hervat er een laag risico is op E. coli, (potentieel) toxinevormende algen en biotoxinen.
Indien in een gebied voor langere tijd (meer dan één jaar) geen bemonstering plaatsvindt en het wenselijk is om in een gebied weer levende tweekleppige weekdieren te vissen/kweken, is het noodzakelijk het productiegebied opnieuw te classificeren en besmettingsbronnen te inventariseren middels een sanitair onderzoeksrapport op te stellen (sanitaire survey)13. Hierbij wordt rekening gehouden met:
- •
bronnen van vervuiling van menselijke of dierlijke oorsprong;
- •
organische verontreinigde stoffen gedurende verschillende perioden van het jaar, rekening houdend met onder andere afwateringsgebied, neerslagniveaus en de behandeling van afvalwater en
- •
stroompatronen, dieptemetingen en getijdencyclus in het productiegebied.
Om een goed beeld te krijgen van het (nieuwe) productiegebied wordt gekeken naar:
- •
de vorm van schelpdiervisserij (grootte visserij, gebied, seizoensgebondenheid, locatie, soort schelpdieren, etc.);
- •
de bronnen van vervuiling vastleggen (grootte, locatie, behandelingsmethode etc. van zuiveringsinstallaties, (wilde) dieren, landgebruik, schepen etc.);
- •
kustlijnonderzoek om de theorie te toetsen aan de praktijk;
- •
hydrografie en hydrodynamiek van het productiegebied;
- •
historische gegevens van microbiologische data onderzoek en
- •
eventueel beoordeling van de effecten van vervuiling op levende tweekleppige weekdieren.
Voor de classificering moeten minimaal 12 bacteriologische monsters genomen worden voor elk monsternamepunt in het (toekomstige) productiegebied, over een minimale periode van een jaar. Tussen de monsternames moet minimaal een week zitten en maximaal drie maanden.
Daarnaast moet er minimaal data beschikbaar zijn over de aanwezigheid van (potentieel) toxinevormende algen, biotoxinen en chemische contaminanten of uit onderzoek blijken dat de risico’s hierop minimaal zijn. Na afronding van het sanitaire onderzoeksrapport en de beschikbare monitoringsresultaten kan een classificatie worden bepaald en het gebied worden aangewezen als productiegebied, waarna het wordt opgenomen in bijlage I bij artikel 2 van de Warenwetregeling levende tweekleppige weekdieren.
Bij een productiegebied dat korter dan drie jaar is geclassificeerd wordt geadviseerd minimaal maandelijks te bemonsteren. Ook bij een productiegebied dat langer dan drie jaar is geclassificeerd wordt geadviseerd minimaal maandelijks te bemonsteren, hiervan kan afgeweken worden in uitzonderlijke situaties.
Bij het evalueren van een bestaand productiegebied, worden de resultaten van de laatste drie jaar (mits beschikbaar) meegenomen. Mochten er significante veranderingen hebben plaatsgevonden vanuit besmettingsbronnen, dan worden enkel de resultaten meegenomen na de verandering. Vanuit deze resultaten wordt jaarlijks de classificatie van elk productiegebied vastgesteld.