Op de voordracht van Onze Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 5 juli 2023, nr. 2023-0000385226;
Gelet op de artikelen 22.4, 22.5, eerste en tweede lid, 22.6, derde lid, 22.15, 22.16, eerste en tweede lid, en 22.17 van de Omgevingswet, de artikelen 4.9, eerste lid, en 5.3 van de Invoeringswet Omgevingswet, de artikelen 8.2.2 en 8.2.11 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet en artikel XIV, vijfde lid, van het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage10 juli 2023Willem-AlexanderDe Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,H.M. deJongede achttiende juli 2023De Minister van Justitie en Veiligheid,D.Yeşilgöz-ZegeriusHet tijdstip, bedoeld in de artikelen 22.4, 22.5, eerste en tweede lid, 22.6, derde lid, 22.16, eerste en tweede lid, en 22.17 van de Omgevingswet en de artikelen 8.2.2 en 8.2.11 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet, wordt bepaald op 1 januari 2032.
Het tijdstip, bedoeld in artikel 22.15 van de Omgevingswet, wordt bepaald op 1 januari 2026.
Het tijdstip, bedoeld in artikel 4.9, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, wordt bepaald op 1 januari 2027.
Het tijdstip, bedoeld in artikel XVI, vijfde lid, van het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet, wordt bepaald op 1 januari 2032.
Artikel 2.8, onderdeel B, van de Invoeringswet Omgevingswet treedt in werking met ingang van 1 januari 2032.