Ministeriële regeling · BWBR0049610

Regeling politieonderwijs

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 29 februari 2024, nr. 5202197, houdende de vaststelling van de kwalificatiestructuur en de aanwijzing van politieopleidingen en overige opleidingen (Regeling politieonderwijs)Regeling politieonderwijsDe Minister van Justitie en Veiligheid,

Gelet op artikel 86, tweede lid, en artikel 87, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Justitie en Veiligheid,D.Yeşilgöz-Zegerius

Het stelsel van kwalificatiedossiers is vastgesteld en de kwalificatiedossiers zijn in bijlage I bij deze regeling opgenomen.

De overige opleidingen, bedoeld in artikel 74, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, van de Politiewet 2012, worden aangewezen in bijlage III bij deze regeling.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2023.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling politieonderwijs.

De verkeersspecialist selecteert de juiste informatie bij een ernstig verkeersongeval; hij wint informatie in over het ongeval en geeft advies/instructie met betrekking tot de behandeling van het ongeval aan een BPZ collega ter plaatse. Ook coördineert de verkeersspecialist ernstige verkeersongevallen op de PD. Hierbij controleert/beoordeelt hij het dossier van een ernstig verkeersongeval op kwaliteit en volledigheid voor behandeling door het OM. Dit gebeurt binnen een context van menselijk leed (zwaar gewonden of doden) waarbij snel beslissingen genomen moeten worden en emoties een rol kunnen spelen.

Kerntaken

Resultaat

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijhorende gedragsindicatoren.

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. Voor de Adviseur bewaken en beveiligen is er één kerntaak: Adviseren van bevoegd gezag.

Bij een kerntaak zijn diverse werkprocessen benoemd. Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. Voor de Adviseur bewaken en beveiligen kunnen bij de kerntaak de volgende werkprocessen worden onderscheiden:

De functionaris neemt zelfstandig celmateriaal (wangslijm en hoofdhaar) van een vrijwillige donor af en verpakt dit zonder dat hierbij contaminatie optreed. Hij werkt volgens de FT normen en draagt hierbij zelf de verantwoordelijkheid voor alle benodigde hulpmiddelen. De functionaris vult de documentstroom in en relateert deze aan de afname van het celmateriaal.

Kerntaken

Resultaat

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid. De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijbehorende gedragsindicatoren.

Kerntaak

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. In het geval van de Algemeen Commandant (hierna: AC) is er één kerntaak: Zorgdragen voor de preparatie van en leiding geven aan een expliciet SGBO.

Werkproces

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De kerntaak van de AC kent drie werkprocessen.

Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren benoemd. Deze gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe de AC wordt opgeleid. Daarmee zijn het die eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat de AC uitvoert. Gedragsindicatoren die voor deze doelgroep gelden, worden per werkproces puntsgewijs opgesomd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn ook het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR.

Het politieonderwijs leidt in grote lijnen op voor drie soorten beroepen, de Politieman/ -vrouw, de Rechercheur en de Politiechef. Dit kwalificatiedossier (KD) betreft het politieberoep Politieman/-vrouw. Dit beroep wordt uitgeoefend op meerdere kwalificatieniveaus. De kwalificatie waar het in dit dossier om gaat, bevindt zich op kwalificatieniveau 6, conform het NLQF.

In deel A wordt onder A.1 het politieberoep Politieman/-vrouw op NLQF-niveau 6 beschreven. Onder A.2 wordt ingegaan op de herijkte competenties van de vakbekwame Politieman/ -vrouw op hbo-niveau, zoals geformuleerd in Schakelen in Verantwoordelijkheid (februari 2011)1 en vastgesteld door de Minister van Veiligheid en Justitie (juni, 2011). Daarbij wordt de verbinding gemaakt met het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP).

In deel B is onder deel B.1 het ongedeelde diploma Bachelor Politiekunde vermeld en het bijbehorende kwalificatieprofiel. Daarbinnen bestaan differentiatiemogelijkheden. Onder andere is er de differentiatie Recherchekunde (30C). Door het onderscheiden van een eigenstandig beroep Rechercheur vindt hieromtrent heroverweging plaats (zie deel D.2 van dit KD en het KD Bachelor Recherchekunde). Onder deel B.2 is het deeldiploma Algemene Opsporingsbekwaamheid en Politiële Vorming (AOPV) vermeld. Onder deel B.3 zijn ook geen certificaten van na- en bijscholing vermeld.

In deel C zijn de examenvereisten beschreven van het diploma Bachelor Politiekunde. Deze examenvereisten zijn gereconstrueerd vanuit de bestaande examineringspraktijk. Examenvereisten zoals beoogd onder deel C dienen een aanmerkelijke concretisering van de kwalificatieprofielen in te houden. Formulering dient zodanig te gebeuren dat leerwegneutrale examinering mogelijk wordt. Deel C is onderwerp van ontwikkelwerk (zie deel D.2 van dit KD).

In deel D volgt de verantwoording van hetgeen is vermeld onder de delen A, B en C. Daarbij worden criteria van onderbouwing, navolgbaarheid, samenhang en doelmatigheid gehanteerd (deel D.1). In deel D.2 zijn ontwikkelpunten met betrekking tot dit KD vermeld. De gehanteerde begrippen zijn toegelicht in bijlage 1 bij dit KD.

De beroepskolom Politieman/ -vrouw heeft betrekking op meerdere vakgebieden en werkterreinen in het LFNP. Het beroep van Politieman/-vrouw wordt uitgeoefend in dikwijls sterk verschillende en wisselende omstandigheden en in uiteenlopende functies. In Schakelen (2011) heeft de Politieonderwijsraad een balans opgemaakt van veranderingen in het werk van de politie en de (benodigde) doorwerking daarvan in de beroepsprofielen van de politie. Het centrale thema bleek het toenemend belang van intelligence. De samenleving wordt complexer en minder kenbaar door globalisering, digitalisering en toenemende sociaal-culturele diversiteit. De aard en afbakening van het beroep van Politieman/ -vrouw wordt beïnvloed door een verschuiving van politietaken naar andere publieke uitvoeringsdiensten (gemeentelijke bijvoorbeeld) en soms ook naar particuliere beveiligingsdiensten. Enerzijds leidde dit tot een inperking van de politietaak, anderzijds vergrootte het de noodzaak tot samenwerken en het belang van een functionele, nodale oriëntatie.

Vakbekwame Politiemannen en -vrouwen op NLQF-niveau 6 zijn algemeen opsporingsbekwaam, breed inzetbaar op diverse vakgebieden en werkterreinen binnen de politie en in meerdere rollen (zoals niveau 4), maar beschikken tevens over brede aanvullende politiekundige en organisatorische expertise op hoger onderwijsniveau. Zij kunnen presteren in een onbekende, wisselende leef- en werkomgeving, ook internationaal. Zij begrijpen hoe het politiewerk in de noodhulp, de handhaving en de opsporing samenhangt, bijvoorbeeld in wijken, bij evenementen en bij calamiteiten, en weten effectief en proportioneel te handelen. Een situatie kan zo ontwikkelen of escaleren, dat een ingezette actie niet afgemaakt kan worden en een andere actie vereist is. Het adequaat kunnen kiezen uit meerdere opties vraagt een goed ontwikkeld oordeelsvermogen, in politietermen gezegd, een groot vermogen ‘om te schakelen’. Zij zijn in staat zowel territoriaal, als nodaal te opereren (met oog voor de virtuele kanten van het politiewerk) en weten een adequate keuze te maken tussen correctie en preventie. In de veiligheidsregio dragen zij adequaat bij aan het publieke gezag en de samenwerking met de brandweer en de GHOR. Deels kan dit geleerd worden in een opleiding, deels vergt dit meerjarige werkervaring. Het gaat erom de dingen goed te doen, maar ook om de goede dingen te doen.

Het volledige beroepsprofiel van de vakbekwame Politieman/ -vrouw op NLQF-niveau 6 is na te lezen in Schakelen in Verantwoordelijkheid (2011: 70–72). De vermelde competenties zijn als gevolg van de herijking in belangrijke mate nieuw, deels geconcretiseerd en slechts nog in beperkte mate hetzelfde als het beroepsprofiel dat werd vastgesteld in het jaar 1999. Nieuw geformuleerde competenties betreffen onder andere actuele juridische kennis en vaardigheden (strafrecht, bestuursrecht, civiel recht, internationale wet- en regelgeving) en het adequaat opstellen van dossiers, rapportages en adviezen, niet alleen in het Nederlands maar ook in een vreemde taal. Verder zijn het gebruik van (digitale) informatiebronnen benadrukt en het vermogen daar trends uit af te leiden en het toenemende belang van het kunnen ‘schakelen’. Op het terrein van de opsporing zijn diverse nieuwe competenties verwoord, onder andere op het terrein van de digitale recherche, sociale media en in internationaal verband. Adequaat kunnen omgaan met een overvloed aan informatie blijkt onontbeerlijk, alsook het vermogen om intelligence-gestuurd te handelen.

Een citaat uit Schakelen op pg. 70 gaat als volgt: “De Bachelor Politiekunde is als allround operationeel expert en drager van het geweldsmonopolie volledig executief inzetbaar in zowel alle politiële kerntaken van handhaving tot en met opsporing als in het mobiliseren, organiseren of coördineren van de afstemming daarvan op de bevoegdheden van gelijksoortige ketenpartners. Hij/zij is in veranderlijke en hectische situaties verantwoordelijk voor het eigen brede handelen en een adequate doorverwijzing naar specialisten of effectieve samenwerking met ketenpartners. Op basis van het analyseren en evalueren van omgevingsontwikkelingen en scenario’s en de combinatie van lokale en nodale ‘intelligence’ zorgt hij/zij voor duurzame veiligheidsarrangementen en een proactieve aanpak van criminaliteit. Zowel het brede en tegelijkertijd gedifferentieerde taakgebied als de operationele positie in een bepaalde keten van handhaving of opsporing vraagt om cognitieve flexibiliteit, ofwel het vermogen om in het politiële handelen – zowel intern als extern – permanent te switchen tussen invalshoeken, opties, benaderingen, uitvoerders, rechtsgebieden. Politiewerk op dit niveau stelt hoge eisen aan balanceren tussen ‘street wise’ en ‘science wise’ handelen, het beantwoorden en realiseren van de verantwoordelijkheidsvraag en het winnen van gezag.”

Het beroepsprofiel is vertaald naar het niveau van startbekwaamheid in het kwalificatieprofiel dat vermeld is in deel B van dit kwalificatiedossier. Tevens werkt het herijkte beroepsprofiel door in de examenvereisten en het onderwijs dat daartoe opleidt. De startbekwame Politieman/ -vrouw, die opgeleid is als Bachelor Politiekunde, is breed inzetbaar op de functieniveaus Generalist en Senior, en bij verdere doorgroei als Operationeel Expert. Een gerichte vorm van na- en bijscholing kan nuttig of noodzakelijk zijn, zodra sprake is van inzet op specifieke werkterreinen, bijv. Milieu of Verkeer, of in bepaalde rollen, zoals de Mobiele Eenheden (ME). In voorkomende gevallen kan de Politieman/ vrouw die opgeleid is als Bachelor Politiekunde gebruik maken van het bij- en nascholingsaanbod op niveau 3–5 (zie het KD Politiemedewerker en het KD Associate Politiekunde). Ook na afronding van een opleiding als Bachelor Politiekunde vergt vakbekwaamheid meerdere jaren van werkervaring.

Kwalificatieprofiel

Een Politiekundige Bachelor kan:

Noodhulp

Vakmatig

Contextueel

Sociaal

Individueel

Handhaving

Vakmatig

Contextueel

Sociaal

Individueel

Opsporing

Vakmatig

Contextueel

Sociaal

Individueel

Gemeenschappelijke veiligheid

Vakmatig

Contextueel

Sociaal

Individueel

Beroepstaken

De competenties in het kwalificatieprofiel hebben betrekking op de onderstaande positie, taken en te bereiken resultaten. In deel C zijn deze uitgewerkt in examenvereisten.

Context, zelfstandigheid en verantwoordelijkheid

De Bachelor Politiekunde is een zelfstandig functionerende agent die in staat is een complexe situatie, in een veranderlijke omgeving, af te handelen. Hij/ zij overziet de situatie, signaleert, analyseert, adviseert en onderscheidt daarbij hoofd- en bijzaken. Bij het signaleren denkt de bachelor buiten traditionele kaders. Bij het adviseren, op diverse niveaus, draagt hij/ zij bij aan creatieve en wellicht onconventionele oplossingen. De bachelor kan systematisch, probleemoplossend optreden en hierbij snel schakelen. De bachelor kan de samenhang tussen verschillende domeinen van het politievak overzien. Hij bezit onderzoeksvaardigheden en kan wetenschappelijk onderzoek vertalen naar de beroepspraktijk. De bachelor werkt zelfstandig, regisseert grote projecten, coacht collega’s en adviseert het management. Hij/zij is in het korps de schakel tussen de collega-dienders op straat en de leidinggevenden. Hij heeft een groot maatschappelijk besef en kan de positie van de politie en andere actoren inschatten. Hij werkt (multidisciplinair) samen met cruciale netwerkpartners en kan hierbij het concept van gemeenschappelijke veiligheidszorg hanteren.

De politiekundige bachelor neemt beleidsinitiatieven, hij neemt zijn eigen standpunten in en verdedigt deze. De politiekundige bachelor heeft inzicht in zijn eigen functioneren en dat van anderen. Hij staat open voor, en geeft feedback. De bachelor politiekunde is een startbekwame beroepsbeoefenaar die in staat is om relevante actoren uit de omgeving (buitenwereld) te mobiliseren, te organiseren en operationeel te regisseren gericht op het tot stand brengen van veiligheidsarrangementen, waarin hij zelf ook een uitvoerende rol kan vervullen. Deze uitvoerende rol spitst zich toe op het managen van de context, met andere woorden, het creëren van duurzame condities voor een effectieve aanpak van vraagstukken. Dit zal veelal geografisch gericht zijn, maar kan ook een functionele oriëntatie hebben. Hij of zij doet zijn of haar werk op basis van een grondige analyse van de situatie, waarbij bestaande kennis op het vakgebied politiekunde wordt opgezocht, toegepast en geëvalueerd.

Beroepstaak Handhaving

Beroepstaak Noodhulp

Beroepstaak Opsporing

Beroepstaak Gemeenschappelijke veiligheidskunde

Het deeldiploma Algemene Opsporingsbekwaamheid en Politiële vorming (AOPV), dat per 1 januari 2015 deel uitmaakt van alle kwalificatiedossiers politieonderwijs vanaf NLQF-niveau 2 t/m NLQF-niveau 6, is bedoeld als ‘vaste voet’ van het politieonderwijs en staat voor een algemene basis van kennis, inzicht, vaardigheden en houding met betrekking tot wat politiewerk in de Nederlandse democratie en rechtstaat inhoudt, hoe de politie is georganiseerd en wat politiewerk vereist van individuele beroepsbeoefenaren. Het deeldiploma sluit aan op het referentiekader generieke competenties dat verwoordt met welke bagage studenten vanuit het voortgezet onderwijs het politieonderwijs binnenkomen.

Het deeldiploma AOPV is opgebouwd uit vier thema’s:

Een toelichting op de vier thema’s van de AOPV is te vinden in de deelkwalificatie AOPV, waarvan de integrale tekst te vinden is op www.politieonderwijsraad.nl.

Er zijn geen certificaten van na- en bijscholing bij deze kwalificatie.

Instroomeisen

Minimaal: Havo-diploma of relevant mbo 4-diploma. Ook: vwo-diploma, propedeutisch bewijs hbo of wo, een met voorgaande kwalificaties vergelijkbaar buitenlands diploma. Voor aanvang van de opleiding kunnen op grond van eerder of elders verworven competenties mogelijke vrijstellingen worden verkregen voor onderdelen van de opleiding.

Hieronder volgt een beschrijving van de examenvereisten zoals deze worden geëxamineerd door de Politieacademie. In de hieronder beschreven examenvereisten zijn soms gedragsaspecten of taken opgenomen waarbij de vaardigheden en/ of de kennis nog niet in alle gevallen concreet zijn uitgewerkt.

1 In de opleiding wordt de naam Gemeenschappelijke Veiligheidskunde gehanteerd.

Vakkennis

Vakvaardigheden

Basisvaardigheden

Veiligheid

Onderzoek uitvoeren

Communiceren

Praktijkrepertoire

Functie/rol

Begeleiden/coachen

Kwaliteit

Rekening houden met belangen

Expertise

Handelen op basis van expertise

Eigen standpunt onderbouwen

Adviseren

Oordeelsvermogen

Omgevings- en organisatiebewustzijn tonen

Situatie analyseren en oplossing genereren

Veiligheid genereren

Reflecteren en evalueren

Recht en veiligheid

Uitvoerende overheidsorganen

Burger en politieambtenaar

Nederlandse politieorganisatie

Taakopdracht in delen

Bevoegdheid, ruimte en begrenzing

Vraagstukken en schaal

Werk en werkrelaties

Gebruik systemen, procedures, formats

Samenleving, veiligheid en politie

Standaarden, ruimte en rekenschap

resultaten en onvoorziene effecten.

Positie, gedrag en balans

Doelmatigheid

In het LFNP zijn de functielagen Medewerker, Generalist, Senior en Operationeel Expert onderscheiden. Functiebeschrijvingen zijn geformuleerd in termen van vakbekwaamheid. De kwalificatie Bachelor Politiekunde correspondeert met de functielagen Medewerker en Generalist (startbekwaam, breed inzetbaar, inclusief algemene opsporingsbekwaamheid en politiële vorming).

De kwalificatie Bachelor Politiekunde is qua breedte vergelijkbaar met de kwalificatie Allround Politiemedewerker, maar stelt qua examenvereisten hogere eisen aan inzicht, overzicht en ontwikkelend vermogen. In plaats van examenvereisten op het terrein van Intake & Service, zijn er examenvereisten geformuleerd op het terrein van Gemeenschappelijke Veiligheid.

Met de kwalificatie Bachelor Politiekunde is de basis tevens gelegd voor de functielagen Senior en Operationeel Expert in de vakgebieden die tot het beroep Politieman/ -vrouw gerekend worden (Beveiliging, GGP, Interventie, Meldkamer, Intake & Service). Voor wat betreft de vakgebieden en werkterreinen die tot het beroep Rechercheur gerekend worden (Tactische Opsporing, Forensische Opsporing, Observatie, Intelligence, Informantenrunner) biedt de kwalificatie Bachelor Politiekunde een beperktere startbekwaamheid (een differentiatie met de omvang van 30C). Verbreding en deels ook verdieping is mogelijk door middel van certificaten van na- en bijscholing die geordend zijn in het KD Recherchemedewerker. Ontwikkeling van een volwaardige Bachelor Recherchekunde kan hierin verandering brengen (zie het betreffende KD).

Navolgbaarheid

Het KD is gebaseerd op analyses in Schakelen en het herijkte beroepsprofiel Bachelor Politiekunde (pg. 70–72). Parallel aan de herijking vonden consultaties plaats in de kring van de RKC en werd het curriculum opnieuw gedefinieerd (betere aansluiting op de beroepspraktijk, minder grote nadruk op ‘beleid’). De examenvereisten zijn niet onderscheiden naar de differentiaties binnen de opleiding, waaronder de differentiatie Recherchekunde. Een verdere verheldering hiervan is van belang in verband de ontwikkeling van een volwaardige bachelor Recherchekunde. Wat geldt voor alle bachelors Politiekunde en wat geldt voor hen die de differentiatie Recherchekunde kiezen? Ook een nadere verheldering is nodig op het punt van de doorstroomkwalificatie richting de wo Master Politiekunde (pre-master), zie ook KD Master Politiekunde. De kwalificatie Bachelor Politiekunde behoort al sedert 2002 tot het stelsel van politieonderwijs.

Onderbouwing

In Schakelen is het belang van een kwalificatie Politieman/ -vrouw op hbo-niveau benadrukt. De toenemende complexiteit van de samenleving en het politiewerk vraagt om een hoger niveau van kwalificatie, zodanig dat ermee een substantiële basis gelegd wordt voor de functielagen van Senior en Operationeel Expert. Werkervaring in de functielagen Medewerker en/ of Generalist is echter mede een voorwaarde voor de uitoefening van functies op een hoger niveau.

Samenhang

Ontwikkeling van het KD Associate Politiekunde kan niet zonder inbreng vanuit het KD Bachelor Politiekunde. NLQF 5 betreft een kwalificatieniveau dat overlapt met NLQF 6. Een volledige Associate Degree (een nieuwe graad binnen het hoger beroepsonderwijs) telt 120 C van de 240 C van de Bachelor Degree. Een vergelijkbare afstemming is nodig voor de ontwikkeling van het KD Bachelor Recherchekunde. Een vervolg op de huidige Bachelor Politiekunde is mogelijk op NLQF niveau 5 (verbreding inzetbaarheid door middel van gerichte, specialistische na- en bijscholing) en op kwalificatieniveau 7 (Master Politiekunde; Master Recherchekunde). Zie D.2.

Historie van het kwalificatiedossier

De eerste versie van het kwalificatiedossier is vastgesteld in 2014. Conform de monitor- en onderhoudsagenda, die in het Voorjaarsadvies van 2016 is voorgesteld, heeft in september 2017 een actualisatie van het kwalificatiedossier plaatsgevonden. Dit is een lichte actualisatie geweest, mede met het oog op de herijking van de beroepsprofielen, die naar verwachting in 2018 gereed is. Er wordt voorzien dat deze herijking grondige doorwerking in het kwalificatiedossier vereist. In onderstaande tabel is weergegeven welke elementen van het dossier zijn gewijzigd.

Algemeen

In het Najaarsadvies 2013 van de Politieonderwijsraad zijn enkele algemene ontwikkelpunten benoemd, die mede betrekking hebben op het KD Bachelor Politiekunde. Een aantal hiervan heeft al doorwerking gehad in het kwalificatiedossier, zoals de integratie van de AOPV in het dossier. Van de indertijd geformuleerde ontwikkelpunten resteert het volgende:

Specifiek

Niveau 6

Context: Een onbekende, wisselende leef- en werkomgeving, ook internationaal.

Kennis: Bezit een gevorderde gespecialiseerde kennis en kritisch inzicht in theorieën en beginselen van een beroep, kennisdomein en breed wetenschapsgebied. Bezit brede, geïntegreerde kennis en begrip van de omvang, de belangrijkste gebieden en grenzen van een beroep, kennisdomein en breed wetenschapsgebied. Bezit kennis en begrip van enkele belangrijke actuele onderwerpen en specialismen gerelateerd aan het beroep of kennisdomein en breed wetenschapsgebied. Gevorderde kennis van een werk- of studiegebied, die een kritisch inzicht in theorieën en beginselen impliceert.

Vaardigheden: Toepassen van kennis: Reproduceert en analyseert de kennis en past deze toe, ook in andere contexten zodanig dat dit een professionele en wetenschappelijke benadering in beroep en kennisdomein laat zien. Past complexe gespecialiseerde vaardigheden toe op de uitkomsten van onderzoek. Brengt met begeleiding op basis van methodologische kennis een praktijkgericht of fundamenteel onderzoek tot een goed einde. Stelt argumentaties op en verdiept die. Evalueert en combineert kennis en inzichten uit een specifiek domein kritisch.

Signaleert beperkingen van bestaande kennis in de beroepspraktijk en in het kennisdomein en onderneemt actie. Analyseert complexe beroeps- en wetenschappelijke taken en voert deze uit. Probleemoplossende vaardigheden: Onderkent en analyseert complexe problemen in de beroepspraktijk en in het kennisdomein en lost deze op tactische, strategische en creatieve wijze op door gegevens te identificeren en te gebruiken. Leer en ontwikkelvaardigheden: Ontwikkelt zich door zelfreflectie en zelf beoordeling van eigen(leer) resultaten. Informatievaardigheden: Verzamelt en analyseert op een verantwoorde, kritische manier brede, verdiepte en gedetailleerde aan het beroep gerelateerde of wetenschappelijke informatie over een beperkte reeks van basis theorieën, principes en concepten van en gerelateerd aan een beroep of kennisdomein, evenals beperkte informatie over enkele belangrijke actuele onderwerpen en specialismen gerelateerd aan het beroep en kennisdomein en geeft deze informatie weer. Communicatievaardigheden: Communiceert doelgericht op basis van in de context en beroepspraktijk geldende conventies met gelijken, specialisten en niet-specialisten, leidinggevenden en cliënten.

Competentie: Verantwoordelijkheid en Zelfstandigheid: Werkt samen met gelijken, specialisten en niet-specialisten, leidinggevenden en cliënten. Draagt verantwoordelijkheid voor resultaten van eigen werk en studie en het resultaat van het werk van anderen. Draagt gedeelde verantwoordelijkheid voor het aansturen van processen en de professionele ontwikkeling van personen en groepen. Verzamelt en interpreteert relevante gegevens met het doel een oordeel te vormen dat mede gebaseerd is op het afwegen van relevante sociaalmaatschappelijke, beroepsmatige, wetenschappelijke of ethische aspecten.

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet beheersen en kunnen aantonen om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Intelligence neemt inmiddels een nadrukkelijke positie in binnen Politie Nederland en de ondersteunende diensten. Dat vraagt wat van de informatiemedewerker van nu en van de toekomst. Van de intelligencemedewerkers wordt veel verwacht; het duiden van informatie en het geven van advies, zorgen voor draagvlak en overdracht van kennis, proactief, prospectief met een brede oriëntatie. De BIN beschrijft de basisprincipes van het vakgebied Intelligence, die elke medewerker Intelligence moet beheersen, met als doel deze kennis in te zetten bij het werk binnen de Intelligence-afdeling.

Overkoepelende competenties

Leeruitkomsten BIN

De student

Een belangrijk onderdeel van de werkzaamheden van de basis motorsurveillant is het houden van verkeerstoezicht, waarbij onder meer overtreders achterhaald en staande gehouden moeten worden. Hierbij wordt ingehaald en worden zo nodig overtredingen gepleegd, zoals het overschrijden van een doorgetrokken streep, het negeren van een inhaalverbod, het overschrijden van de maximum snelheid en het rijden door rood licht. Uiteraard wordt hierbij het proportionaliteitsbeginsel in acht genomen.

Daarnaast vervult de motorsurveillant allerlei politietaken zoals de behandeling van aanrijdingen, hulpverlening, spoedopdrachten, het gidsen van voertuigen, begeleidingen van wielerrondes, Sinterklaas e.d.

Resultaat

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid voor basis plaats delict (PD) onderzoek en om het bijhorende certificaat te ontvangen.

Deze kwalificatievereisten beperken zich tot de startbekwame basis forensisch plaats delict onderzoeker die zelfstandig onderzoek verricht op een standaard plaats delict. Een standaard plaats delict is een overzichtelijke en beheersbare onderzoekssituatie die zich kenmerkt door een beperkte omvang, duidelijke afbakening, relatief voorspelbare omstandigheden en lage juridische, technische of maatschappelijke impact. Het sporenbeeld bestaat doorgaans uit herkenbare en goed interpreteerbare sporen. Er zijn meestal weinig betrokkenen en er is geen sprake van verstorende factoren zoals extreem weer, grootschalige schade, of intense media- of tijdsdruk.

Als basis forensisch PD onderzoeker pas je de fundamentele aspecten van forensisch PD onderzoek nauwkeurig en consistent toe, bestaande uit de professionele kwaliteitsstandaarden, principes van forensische wetenschap en onderzoek. Dit doe je binnen de juridische kaders.

Je beveiligt de PD volgens landelijke richtlijnen en stelt een risico-inventarisatie op. Je kan op professionele wijze communiceren met betrokkenen. Je verzamelt en beoordeelt informatie die je vóór, tijdens en na je onderzoek verkrijgt, objectief en kritisch en hierbij werk je datagedreven. Om risico’s voor de omgeving, personen en het bewijs te beperken tref je vóór, tijdens en na het onderzoek veiligheidsmaatregelen. Je formuleert en overweegt meerdere scenario’s op basis van je waarnemingen, waarbij je verbanden legt tussen sporen, tijdlijnen en omgevingsfactoren. Je stelt een strategie en vereisten op, met fasering en afbakening van onderzoeksvragen, om het PD onderzoek uit te voeren. Je verzamelt biologisch, biometrisch, fysisch en digitaal bewijsmateriaal. Je demonstreert basistechnieken en methoden voor detecteren, identificeren, verzamelen, verpakken en documenteren van bewijsmateriaal volgens landelijke richtlijnen, waarbij je de integriteit van het onderzoek waarborgt. Je duidt, analyseert, evalueert en verantwoordt je onderzoeksbevindingen in relatie tot scenario’s, op basis van logische redenering. Je stelt onderzoeksaanvragen op voor vervolgonderzoeken.

Je documenteert de verrichte handelingen en bevindingen methodisch en herleidbaar volgens de geldende richtlijnen in een dossier, zowel visueel als schriftelijk. Je stelt een proces verbaal op en levert deze conform landelijke richtlijnen aan en kan hierover verantwoording afleggen.

Je werkt effectief samen met de betrokken ketenpartners. Je kan de juiste ketenpartner inschakelen binnen het onderzoek waarin je werkzaam bent. Je analyseert bevindingen van de betrokken ketenpartners en duidt deze in het licht van je onderzoek.

Je reflecteert kritisch op eigen gedrag, handelen en gemaakte keuzes tijdens je werk. Je kunt feedback vragen en ontvangen. Je handelt met inachtneming van de kernwaarden van je eigen organisatie.

KSP modaliteit 2

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijbehorende gedragsindicatoren.

Kerntaak

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. In het geval van de Basis Rijvaardigheid Auto is er één kerntaak: Het vlot, veilig en verantwoord besturen van een politievoertuig conform de (basis-)rijtaak.

Werkproces

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De kerntaak van de Basis Rijvaardigheid Auto kent vijf werkprocessen.

Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren benoemd. Deze gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe de politiemedewerker binnen de basis rijtaak wordt opgeleid. Daarmee zijn het die eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat de politiemedewerker uitvoert. Gedragsindicatoren die voor deze doelgroep gelden, worden per werkproces puntsgewijs opgesomd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn ook het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR.

De Ruiter Bereden Politie:

Vakvaardigheden

Rijvaardigheid

Beheerst de volgende aspecten van rijvaardigheden te paard:

Politiële vaardigheden

Overige werkzaamheden

Ontwikkeling en houding

Kwalificatievereisten geven aan wat de medewerker moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

Voor het uitvoeren van verkeerscontroles dienen medewerkers uit zowel basisteams als specialistische teams hun bekwaamheid in de bediening van verschillende meetmiddelen verkeer aan te tonen. Zij dienen te voldoen aan de volgende robuuste kwalificatievereisten, die gelden voor verschillende meetmiddelen.

Vakvaardigheden

De student:

Houding, oordeelsvermogen

De student:

KSP modaliteit 2

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

KSP modaliteit 2

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

KSP modaliteit 2

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

KSP modaliteit 2

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijbehorende gedragsindicatoren.

Kerntaak

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. In het geval van de chauffeur van een ME- of AE-voertuig (opleidingen Besturen van een ME-voertuig ME en Besturen van een AE-voertuig), is er één kerntaak: Het besturen van een voertuig ten behoeve van een ME- of AE-inzet.

Werkproces

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De kerntaak van de chauffeur van een ME- of AE-voertuig kent drie werkprocessen.

Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren benoemd. Deze gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe de chauffeur van een ME- of AE-voertuig wordt opgeleid. Daarmee zijn het die eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat de chauffeur van een ME- of AE-voertuig uitvoert. Gedragsindicatoren die voor deze doelgroep gelden, worden per werkproces puntsgewijs opgesomd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn ook het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR.

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijhorende gedragsindicatoren. Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer en zijn voor het werkveld een logische en herkenbare combinatie van leeruitkomsten, passend bij een functie, rol of expertise uit het werkveld.

Leeruitkomsten beschrijven wat een student geacht wordt te weten, te begrijpen en te kunnen toepassen na afronding van een leerperiode of de opleiding in zijn geheel (NVAO, 2015). Om dit inzichtelijk te maken, is dit weergegeven in werkprocessen en bijbehorende competenties en gedragsindicatoren.

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat.

De kerntaken, werkprocessen en gedragsindicatoren voor de chauffeur Waterwerper worden in de tabellen hieronder weergegeven.

De politiële verkeersspecialist voert sleutelvrije technische controles uit van alle voertuigen, zoals landbouwverkeer, ongekentekende voertuigen, recreatief verkeer en aanhangwagens. Hij beschikt over technisch inzicht en heeft specialistische kennis van wet- en regelgeving. Bij de uitvoering van het werk is het herkennen van voertuigcriminaliteit belangrijk evenals het inrichten van de controleplaats.

Kerntaken

Resultaat

Voert metingen aan voertuigen uit3

Controleert voertuigen

De coördinator PD-unit wordt veelal ingezet bij ernstige delicten, waarbij sprake is van gelijktijdige inzet van meerdere technische rechercheurs en/of andere vakdisciplines. Vaak ontbreekt de daderindicatie, betreft het gecompliceerd sporenonderzoek en is er sprake van verhoogde maatschappelijke druk.

Resultaat

Tussenresultaat: daderindicatie

Proces-verbaal, waarin zijn vastgelegd:

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

De dossiervormer is in staat om een rapportage te maken m.b.t. de opbouw en inhoud van het procesdossier dat is opgemaakt a.d.h.v. een complex onderzoek. De dossiervormer heeft te maken met juridische complexiteit en werken onder tijdsdruk. Om het werk uit te kunnen voeren moet men beschikken over analytische vaardigheden, punctueel en accuraat zijn en overzicht houden over informatie. Belangrijk in het werk zijn het rekening houden met kwaliteitseisen en de projectmatige aanpak; meerdere verdachten en meerdere gepleegde strafbare feiten in een wisselende samenstelling.

Resultaat

De functionaris stelt een dreigingsinschatting op a.d.h.v. een actuele dreiging. De functionaris is omgevingsbewust, gespreksvaardig, kent de eigen grenzen en mogelijkheden, kent en gebruikt relevante partners, kan interne en externe druk weerstaan, kan logisch redeneren en heeft aandacht voor detail. Hij analyseert en interpreteert grote hoeveelheden ongestructureerde gegevens en adviseert over de te volgen strategie en maatregelen vanuit de ingeschatte dreiging. Het werk kenmerkt zich door een hoog afbreukrisico. De functionaris moet om kunnen gaan met geheime informatie en kent de justitiële, bestuurlijke en politieke verhoudingen en verantwoordelijkheden.

Resultaat

De politiemedewerker is beschikbaar voor hulpverleningsvragen, handelt hulpverleningsvragen zelfstandig af, stabiliseert de situatie van slachtoffers en draagt zorg voor overdracht. De politiemedewerker kent de juridische kaders van het optreden als ambtenaar aangesteld voor de uitoefening van de politietaak voor hen die dat behoeven waar geen andere hulp voor handen is, werkt veilig, verleent hulp conform ABCDE-methode en beheerst voor het optreden als hulpverlener de (levensreddende dan wel stabiliserende) handelingen conform protocollen EHDP.

De politiemedewerker onderhoudt en controleert de hulpmiddelen, beheerst het gebruik van AED, hanteert de eerste hulphandeling en past deze juist toe. De politiemedewerker kan waarnemen, anticiperen en per situatie levensreddend handelen. De politiemedewerker kan reflecteren op zijn en andermans handelen om hiervan te leren. Kenmerken van het werk zijn onder andere het optreden met de kans op fysiek gevaar voor anderen en zelf.

Kwalificatievereisten

De politiemedewerker:

Overall

(Levensreddende) Hulpverlening

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Het werk van de familierechercheur is vaak gericht op ingrijpende incidenten en kan betrekking hebben op traumabegeleiding. De familierechercheur wordt altijd ingezet samen met een andere familierechercheur, als koppel. De familierechercheur werkt samen met justitie, Slachtoffer Hulp Nederland en recherchespecialisten. De onderzoeken waarmee de familierechercheur te maken krijgt kunnen een internationaal karakter hebben. Het werk heeft betrekking op het uitvoeren van specifieke opdrachten binnen kaders. De familierechercheur moet uitleg kunnen geven over rechercheprocessen en over de juridische aspecten die van belang zijn voor slachtoffers, nabestaanden en/ of betrokkenen. De familierechercheur zorgt ervoor dat de familie op de hoogte blijft van de voortgang van het onderzoek, binnen de grenzen van wat gedeeld mag worden. Dit voorkomt speculatie en misverstanden. Soms heeft de familie cruciale informatie die het onderzoek kan helpen. De familierechercheur fungeert als een laagdrempelig aanspreekpunt en zorgt ervoor dat deze informatie op een gestructureerde manier bij het onderzoeksteam terechtkomt. Kortom, de familierechercheur brengt structuur aan door zowel de familie als het onderzoeksteam te ondersteunen, waardoor het opsporingsonderzoek efficiënter en zorgvuldiger verloopt. Daarnaast moet de familierechercheur kunnen werken in het spanningsveld met confronterende belangen (van direct betrokkenen en opsporingsbelangen).

Resultaat

KSP modaliteit 2

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Vakvaardigheden

Praktijkrepertoire

Expertise

De forensisch digitale rechercheur onderzoekt netwerkdata en netwerkconfiguraties op de aanwezigheid van forensisch waardevolle sporen. Hij kan deze sporen herkennen, veiligstellen en onderzoeken. De forensisch digitale rechercheur dient over specifieke kennis van netwerkconfiguraties, netwerkprotocollen en -componenten te beschikken om deze te kunnen herkennen en de daarop aanwezige tactisch relevante informatie veilig te kunnen stellen en over te kunnen dragen.

Kerntaken

Resultaat

De Digitaal rechercheur is in staat om:

Vakmatig en methodisch

Bestuurlijk-organisatorisch en strategisch

Sociaal-communicatief en cultureel-normatief

Lerend en vormgevend

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten Rekenmodellen 2.

De Forensisch coördinator (FoCo) heeft als kerntaak het coördineren van de feitelijke onderzoekswerkzaamheden op de PD of PI of op meerdere locaties als het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Tevens heeft een FoCo de taak om het onderzoek af te stemmen met het OM (Openbaar Ministerie) en de tactische teamleiding, en de FoCo maakt in een TGO dan ook deel uit van de VKL (Vaste Kern Leidinggevenden). De FoCo is ook verantwoordelijk voor de productie en de kwaliteit van het totale FoDo (Forensische Dossier). De FoCo is derhalve van begin tot eind verantwoordelijk voor en betrokken bij het onderzoek.

De FoCo begeleidt de implementatie van (nieuw) beleid en (nieuwe) beleidsproducten en monitort de toepassing van beleid en beleidsproducten. Hierbij bevordert de FoCo tevens de deskundigheid van collega's en beoordeelt als mentor hun vakvolwassenheid. Hij bouwt, onderhoudt en regisseert vanuit zijn specialisatie netwerken voor de aanpak van veiligheidsproblematiek en voor analyse, monitoring en evaluatie van de toepassing van vastgestelde (nieuwe) werkwijzen, uitvoeringskaders en -procedures, instrumenten, methoden en technieken in de uitvoeringspraktijk.

Resultaat

Algemeen

Beoordelen van bewijswaarde Materiele Sporen / Criminalistiek en Bayesiaanse Statistiek

Juridische kennis

FO-aspecten, de FO-reikwijdte m.b.t. strafvorderlijke bevoegdheden en de procedurele en juridische gang van zake, de rol van forensisch coördinator in relatie tot verschillende juridische thema’s (o.a. WDS, NRGS, WLB, Arbowetgeving), de juridische taken en verantwoordelijkheden als forensisch coördinator, de eigen beweegruimte en die van anderen

Dossiervorming

Organisatorische coördinatie en advisering

Netwerken

Beleid

Interpreteren / analyseren in een review

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid en om het bijhorende certificaat te ontvangen.

De student is in staat om:

KSP modaliteit 2

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

KSP modaliteit 2

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

KSP modaliteit 2

Forensische Opsporing – Dactyloscopie en Vastlegging

Forensische Opsporing – HAVANK

Forensische Opsporing – Dactyloscopie 2-ster

Forensische Opsporing – Dactyloscopie 3-ster

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

In de module HAVANK leert de student om sporen in het systeem in te voeren, zodat met dit systeem het verdere onderzoek ten aanzien van dactyloscopische sporen kan plaatsvinden. Deze werkzaamheden zijn cruciaal voor de nadere handelingen van iedere dactyloscoop.

Kwalificatievereisten Forensische Opsporing – HAVANK

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten Forensische Opsporing – Dactyloscopie 2-ster

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten Forensische Opsporing Dactyloscopie 3ster

KSP modaliteit 2

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

KSP modaliteit 2

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

De student is in staat om:

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

De student is in staat om:

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

De student:

De politiemedewerker is fysiek en motorisch weerbaar. De politiemedewerker heeft inzicht in zijn politiespecifieke conditie en fysieke vaardigheden die nodig zijn om het vak professioneel uit te voeren.

Kwalificatievereisten

De politiemedewerker legt een uitgezet circuit af binnen een gestelde tijd. Het circuit bestaat uit onderdelen waarbij uithoudingsvermogen, snelheid-versnelling (stuwkracht), duw-, trek-, en tilkracht moeten worden aangetoond.

De eisen waaraan moet worden voldaan zijn gerelateerd aan de leeftijd en het geslacht van de kandidaat en zijn vastgelegd in de Regeling Fysieke vaardigheidstoets politie.

De ME-er zet, in opdracht van de commandant, zelfstandig traangas in, in een aangewezen gebied en verspreidt dit op een verantwoorde manier. Hij kiest zelfstandig de meest geschikte tactiek en techniek. Hij adviseert de commandant gevraagd of ongevraagd over de mogelijkheden en onmogelijkheden voor het verspreiden van gas en weegt juridische aspecten mee in het advies. Hij garandeert de veiligheid van zichzelf en anderen optimaal. Hieronder valt ook het zorgvuldig en verantwoord omgaan met uitrustingsstukken.

Resultaat

De analist is in het bezit van de competenties om verkeersongevallen te analyseren met behulp van computersimulatie. Hij maakt hiervoor een plan van aanpak en voert analyses uit. Op basis van de bevindingen wordt een proces-verbaal opgemaakt. Onderdelen die in het werk aan bod komen zijn o.a. het inventariseren van relevante informatie, het maken van een plan van aanpak en het uitvoeren van onderzoek, het toetsen van gegevens en uitkomsten, het overleggen met specialisten, zorgen voor terugkoppeling naar de opdrachtgever en het verstrekken van advies en het opmaken van een proces-verbaal.

Resultaat

Beschrijving

De centralist werkt in een meldkameromgeving en is in staat om meldingen aan te nemen en meldingen uit te geven. Tevens is hij verantwoordelijk voor alarmering en opschaling op de meldkamer. Hij kan het werk zowel in eenvoudige monodisciplinaire als in complexe multidisciplinaire situaties uitvoeren. De centralist moet om kunnen gaan met spanningen die zich tijdens situaties voordoen. Kenmerkend voor de werkzaamheden zijn het denken in processen, onvoorspelbaarheid en complexiteit van het werk en de samenwerking met in- en externe partners. Belangrijk voor een goede uitvoering is de coördinatie van de ingezette eenheden en partners bij de lopende incidenten.

De opleiding richt zich op een geschikt niveau van startbekwaamheid. De centralist is vaardig in het bedienen van de meldkamerapplicaties en heeft kennis over de veelvuldig gebruikte gestandaardiseerde werkwijzen.

Kerntaken

Doelstellingen

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kerntaken

Bij het ontwikkelen van de kwalificatievereisten van Generiek Opsporen in Veelvoorkomende Criminaliteit zijn de volgende kerntaken gehanteerd:

De kerntaken komen overeen met de fases waarin een opsporingsonderzoek zich kan bevinden en waarop de kerntaken in de kwalificatie Politieagent VVC gebaseerd zijn. In de kwalificatievereisten staat dat de politieagent in de opsporing in staat kan worden geacht om zelfstandig een niet-complex opsporingsonderzoek voor te bereiden, uit te voeren en af te sluiten (Politieacademie, 2021b).

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijbehorende gedragsindicatoren.

Kerntaak

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. In het geval van de groepscommandant in het CCB-domein is er één kerntaak te onderscheiden: Aansturen van een groep tijdens de operationele inzet in het CCB-domein.

Werkproces

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De kerntaak van de opleidingen tot groepscommandant kennen drie werkprocessen.

Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren benoemd. Deze gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe de groepscommandant wordt opgeleid. Daarmee zijn het die eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat de groepscommandant uitvoert. Gedragsindicatoren die voor deze doelgroep gelden, worden per werkproces puntsgewijs opgesomd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn ook het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR.

De kandidaat heeft kennis van de gangbare methodes en tools die door hackers worden toegepast. Hij kan aantonen wie welke informatie op een computer heeft geplaatst en wat de consequenties zijn voor de integriteit van de gegevens op het systeem. Hij Herkent of er sprake is van hacking en schat in of hij eventueel specialistische ondersteuning moet inschakelen.

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijbehorende gedragsindicatoren.

Kerntaak

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. De kerntaak omvat:

Beoordelen van vermoedelijk kinderpornografisch materiaal.

Werkproces

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De kerntaak kent de volgende werkprocessen.

Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren benoemd. Deze gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe wordt opgeleid. Daarmee zijn het eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat wordt uitgevoerd. Gedragsindicatoren die voor deze doelgroepen gelden, worden per werkproces puntsgewijs genoemd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn ook het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR.

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten:

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid. De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijbehorende gedragsindicatoren.

Het niveau van vakbekwaamheid is beschreven in De professionele standaard Hondenprofessionals. Dit valt buiten de scope van dit document. Geadviseerd wordt dat de startbekwame Hondengeleider kennis neemt van de professionele standaard.

Kerntaak

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. In het geval van de Hondengeleider is er één kerntaak: het uitvoeren van operationele politietaken waarbij de ondersteuning van een politiehond van meerwaarde is aan het proces.

Werkproces

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De kerntaak van de Hondengeleider kent vier werkprocessen.

Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren benoemd. Deze gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe de Hondengeleider wordt opgeleid. Daarmee zijn het die eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat de Hondengeleider uitvoert. Gedragsindicatoren die voor deze doelgroep gelden, worden per werkproces puntsgewijs opgesomd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn ook het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR.

Deze kwalificatie heeft drie uitstroomprofielen, namelijk:

Hieronder staan de gedragsindicatoren behorende bij deze drie uitstroomprofielen weergegeven. Werkproces 1 en werkproces 2 zijn voor alle uitstroomprofielen van toepassing. Binnen werkproces 3 en werkproces 4 staat aangegeven welke gedragsindicator bij welk uitstroomprofiel behoort. Op dit niveau lijkt het soms dat uitstroomprofielen exact hetzelfde zijn, maar is de daadwerkelijke invulling van de abstract beschreven gedragsindicatoren verschillend. Dit verschil is terug te zien in de beoordelingscriteria in de examendocumenten van de opleidingen behorende bij de uitstroomprofielen.

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid. De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijbehorende gedragsindicatoren.

Kerntaak

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. In het geval van de Hoofd Taakorganisatie is er één kerntaak: Zorgdragen voor de preparatie van en leiding geven aan een expliciete taakorganisatie binnen een SGBO.

Werkproces

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De kerntaak van de Hoofd Taakorganisatie kent drie werkprocessen.

Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren benoemd. Deze gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe het Hoofd Taakorganisatie wordt opgeleid. Daarmee zijn het die eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat het Hoofd Taakorganisatie uitvoert. Gedragsindicatoren die voor deze doelgroep gelden, worden per werkproces puntsgewijs opgesomd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn ook het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR.

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijbehorende gedragsindicatoren.

Kerntaak

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. In het geval van de Hoogtespecialist Operationele Ondersteuning is er één kerntaak: Uitvoeren van operationele werkzaamheden op hoogte.

Werkproces

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De kerntaak van de Hoogtespecialist Operationele Ondersteuning kent drie werkprocessen.

Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren benoemd. Deze gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe de Hoogtespecialist Operationele Ondersteuning wordt opgeleid. Daarmee zijn het die eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat de Hoogtespecialist Operationele Ondersteuning uitvoert. Gedragsindicatoren die voor deze doelgroep gelden, worden per werkproces puntsgewijs opgesomd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn ook het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR.

Deze kwalificatie heeft drie uitstroomprofielen, namelijk die van de Technische Eenheid (TE), Hondengeleider (HG) en Integrale Beroepsvaardigheidstraining (IBT). Deze drie uitstroomprofielen hebben een overeenkomstig deel en een specialistisch deel. Hieronder staan de gedragsindicatoren behorende bij deze drie uitstroomprofielen weergegeven. Werkproces 1 en werkproces 3 en het veilig en professioneel handelen zijn voor alle uitstroomprofielen van toepassing. Binnen werkproces 2 staat aangegeven welke gedragsindicator bij welk uitstroomprofiel behoort. Op dit niveau lijkt het soms dat uitstroomprofielen exact hetzelfde zijn, maar is de daadwerkelijke invulling van de abstract beschreven gedragsindicatoren verschillend. Dit verschil is terug te zien in de beoordelingscriteria in de examendocumenten van de opleidingen behorende bij de uitstroomprofielen.

De hulpofficier van justitie:

Vakkennis

Vakvaardigheden

Praktijkrepertoire / Expertise

Houding, oordeelsvermogen

Ontwikkeling

KSP modaliteit 2

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Intelligence neemt inmiddels een nadrukkelijke positie in binnen Politie Nederland en de ondersteunende diensten. Dat vraagt wat van de informatiecoördinator van nu en van de toekomst. Van deze nieuwe intell-medewerker wordt meer verwacht; het duiden van informatie en het geven van advies, zorgen voor draagvlak en overdracht van kennis, proactief, prospectief met een brede oriëntatie. Het doel van de KIC is om de student startbekwaam te maken voor de rol van informatiecoördinator. De student zal kennis, vaardigheden en houdingsaspecten verwerven die nodig zijn om op basis van data van een bepaalde omvang en complexiteit, informatie bij elkaar te brengen tot een intelligenceproduct waarmee richting kan worden gegeven aan de gehele besluitvorming.

De informatiecoördinator is tot het volgende in staat:

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid en om het bijhorende certificaat te ontvangen.

Kerntaken

Bij het ontwikkelen van de kwalificatievereisten Integraal opsporen in meeromvattende zaken is gekeken naar een aantal kerntaken en bouwstenen uit de kwalificatie Rechercheur niveau 5 om de doorlopende lijn van kwalificaties voor de opsporing te gaan realiseren. Het betreft de kerntaken:

Kwalificatievereisten

De student:

KSP modaliteit 2

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Intelligence neemt inmiddels een nadrukkelijke positie in binnen Politie Nederland en de ondersteunende diensten. Dat vraagt wat van de analist van nu en van de toekomst. Van deze intell-medewerker wordt het volgende verwacht; het duiden van informatie en advies, draagvlak en kennis, pro activiteit en een brede oriëntatie. Het doel van de kwalificatie IZA is om de student startbekwaam te maken voor de rol van zaaksanalist. De student verwerft kennis, vaardigheden en houdingsaspecten die nodig zijn om op basis van data van een bepaalde omvang en complexiteit, beschrijvende, verklarende en voorspellende analyses te kunnen produceren waarmee richting kan worden gegeven aan de gehele besluitvorming.

De zaaksanalist is tot het volgende in staat (kritische beroepssituaties):

De digitaal rechercheur is in staat om anoniem op internet te rechercheren en offline internetsporen inzichtelijk te maken. Hij werkt met vluchtige gegevens en werkt volgens FT-normen. Het werk heeft een afbreukrisico.

Resultaat

De functionaris wordt tijdens de inzet van een peloton ME ingezet als commandant van een sectie AE.

De werkzaamheden vinden plaats binnen de ME-structuur, hebben betrekking op grote aantallen mensen en de openbare orde inzet. Bij de uitvoering van werkzaamheden is er kans op geweldgebruik, is de timing van belang en vindt interactie plaats met andere eenheden.

Resultaat

De functionaris wordt tijdens een praktijkoptreden, waarbij een groep of een sectie ME wordt ingezet, ingezet als commandant van een groep hondengeleiders.

De werkzaamheden hebben betrekking op optreden in het publieke domein. Bij de uitvoering van werkzaamheden is er kans confrontatie met geweld en escalatie van geweld. Er vindt interactie plaats met andere eenheden en interactie met publiek. Er wordt gewerkt in teamverband.

Resultaat

De functionaris wordt tijdens de inzet van een peloton ME ingezet als commandant van een sectie ME. Kenmerkend voor hert werk is het werken in teamverband, het optreden in het kader van CBRN, de interactie met het publiek, het optreden in het publiek domein, interactie met andere eenheden, de kans op confrontatie met geweld en escalatie van geweld.

Resultaat

Bronnen

De functionaris wordt tijdens de inzet van een peloton ME ingezet als commandant van een peloton ME. Kenmerkend voor hert werk is het werken in teamverband, het optreden in het kader van CBRN, de interactie met het publiek, het optreden in het publiek domein, interactie met andere eenheden, de kans op confrontatie met geweld en escalatie van geweld.

Resultaat

Als lid van een (aanhoudings)eenheid (AE) worden de aanhoudingsprocedures technisch en tactisch goed uitgevoerd, individuele verdachten aangehouden en de arrestantenoverdracht verzorgd. Men kan onopvallend observeren, waarnemen en volgen en zet tijdens deze werkzaamheden verbindingsmiddelen en bewapenings- en uitrustingsstukken juist in. Kenmerken voor hert werk zijn onder andere het optreden van incident tot crisis, het werken in teamverband, de kans op fysiek- en escalatiegevaar bij aanhoudingen en er kan sprake zijn van een (mogelijke dreiging van de) verstoring van de openbare orde.

Resultaat

Pakken

Afschermen

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijbehorende gedragsindicatoren.

Kerntaak

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. In het geval van het Lid Ondersteuningsgroep is er één kerntaak: Uitvoeren van complexe en/of risicovolle aanhoudings- en ondersteuningswerkzaamheden in groepsverband.

Werkproces

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De kerntaak van het Lid Ondersteuningsgroep kent drie werkprocessen.

Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren benoemd. Deze gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe het Lid Ondersteuningsgroep wordt opgeleid. Daarmee zijn het die eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat het Lid Ondersteuningsgroep uitvoert. Gedragsindicatoren die voor deze doelgroep gelden, worden per werkproces puntsgewijs opgesomd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn ook het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR.

In de eerste helft van 2008 kreeg de Politieacademie signalen uit het beroepenveld dat er behoefte zou zijn aan een masteropleiding op het gebied van gevaarkunde. Daarop is de Politieacademie gestart met een behoefte-onderzoek dat antwoord diende te geven op de vraag of er inderdaad behoefte was aan een master op het gebied van gevaarkunde en op welke beroepscompetenties deze master gericht zou moeten zijn. De behoefte bleek er te zijn. In het behoeftenonderzoek is aan relevante betrokkenen de vraag voorgelegd tot welke competenties een master op het gebied van gevaar- en crisisbeheersing op moet leiden. Vanwege de wens van de beroepspraktijk een multidisciplinaire Master te ontwikkelen, is tijdens het behoefteonderzoek toenadering gezocht tot het NIFV om te onderzoeken of samenwerking mogelijk is. Op basis van deze interviews is een eerste beroepsprofiel geconstrueerd. Dit beroepsprofiel is indertijd goedgekeurd door de Strategische Beleidsgroep Conflict en Crisis Beheersing van Politie-Nederland (rechtstreeks ressorterend onder de Raad van Hoofdcommissarissen) en door de Raad van Regionaal Commandanten van Brandweer- Nederland. Daarna is het beroepsprofiel goedgekeurd door de Politie Onderwijs Raad.

In het rapport Schakelen in verantwoordelijkheid van de Politieonderwijsraad (2010) is geen beroeps- en competentieprofiel geschetst voor de Master of Crisis and Public order Management (vanaf nu: MCPM). De opgegeven reden hiervoor is: “Het betreft een opleiding in een (samenwerkings)specialisme dat gericht is op een functionele, niet-permanente inzet.” De MCPM’er is dus geen beroep of functie, maar het gaat om crisisprofessionals met gevarieerde posities, rollen en takken binnen verschillende hulpverlenings- en andere (semi-)overheidsorganisaties.

De MCPM is gebaseerd op de voormalige Master of Crisis and Disaster Management (MCDM) van het NIFV (nu IFV). Bij de MCDM lag het accent op ramp- en crisismanagement. Bij de MCPM is daaraan het onderwerp gevaarsbeheersing/public order management toegevoegd. Daarnaast zijn onderdelen uit de MCDM die zich specifiek richten op de brandweer vervallen en zijn bestaande onderwerpen op basis van evaluaties en nieuwe inzichten bijgesteld. Het resultaat is een geaccrediteerde multidisciplinaire master.

In 2012 is er een MCPM-kwalificatiedossier door de POR vastgesteld, wat in 2017 een summiere (light) actualisatie heeft ondergaan.

In de zelfevaluatie die is geschreven voor de her-accreditatie door de NVAO in 2017 is geconstateerd dat vaststelling van dit dossier geen monodisciplinaire aangelegenheid zou moeten zijn, maar juist multidisciplinair zou moeten plaatsvinden.

Het kwalificatiedossier uit 2012, en later het dossier uit 2017, heeft altijd aan de basis gelegen van de leergangen van de MCPM. Echter, elke leergang is telkens aangepast op basis van de actuele ontwikkelingen van dat moment en het kwalificatiedossier is daar nooit op aangepast.

Het Onderwijsteam MCPM heeft zich vanaf januari 2020 ingespannen ten behoeve van een aangescherpte actualisatie. Het resultaat daarvan is de inhoudelijke basis van dit kwalificatiedossier.

In dit document wordt allereerst algemene informatie over de context van het beroep gegeven. Vervolgens worden in het tweede hoofdstuk de kerntaken beschreven met de bijbehorende werkzaamheden. In hoofdstuk 3 zijn de competenties opgenomen, geselecteerd uit het functiewaarderingssysteem HR21 van de VNG. In het vierde hoofdstuk is er aandacht voor vereisten die horen bij deze functie. Het laatste hoofdstuk is een verantwoordingshoofdstuk.

Omwille van de leesbaarheid is steeds ‘hij’ gebruikt in de tekst. Waar ‘hij’ staat kan uiteraard ook ‘zij’ worden gelezen. Om verder bij te dragen aan de leesbaarheid van deze kwalificatie worden de belangrijkste begrippen vooraf uiteengezet.

Aan het begin van de 21e eeuw hebben een aantal grote incidenten, zowel nationaal (de vuurwerkramp te Enschede en de cafébrand in ’t Hemeltje te Volendam) als internationaal (aanslag WTC in New York), geleid tot een herbeschouwing van het vakgebied van de (toen nog) klassieke rampenbestrijding. De beweging naar de moderne crisisbeheersing is daarmee ingezet, op zowel beleidsmatig als organisatorisch niveau, maar ook in het onderzoek en onderwijs op dit thema. Een belangrijke ontwikkeling daarbij is de inrichting van veiligheidsregio’s sinds 2010, waar de multidisciplinaire samenwerking tussen de verschillende partners (politie, brandweer, GHOR, defensie, gemeenten) verder vormgegeven wordt. Ook de komst van de Nationale Politie heeft invloed op deze samenwerking. Daarnaast was (en is) er een toenemende complexiteit van grootschalige incidenten en de maatschappelijke impact daarvan wat vraagt om een multidisciplinaire inzet. De MCPM levert graag een bijdrage aan deze ontwikkeling en professionalisering, door de crisisprofessional in zijn2 complexe praktijk toe te rusten om op cognitief, handelings- en gedragsniveau een piekprestatie te leveren.

1 Jong, W. & R. Johannink. (2007). ‘Als het dan toch gebeurt, bestuurlijke ervaringen met crises.’ Enschede, Bestuurlijk Netwerk Crisisbeheersing (ISBN: 90-78228-02-8).

De hierboven aangehaalde gebeurtenissen hebben de opvattingen over de klassieke rampenbestrijding aardig opgeschud. En dat blijkt maar goed ook, want door de toenemende verstrengeling tussen economie, technologie, ecologie, cultuur en bestuur is de complexiteit van de samenleving sterk toegenomen. De moderne crisisbeheersing moet zich verhouden tot nieuwe typen crisis: de dreiging van een pandemieën, moorden met een politieke en/of criminele aanleiding (Pim Fortuyn, Theo van Gogh, Derk Wiersum), dierziekten, opkomst IS, maatschappelijke onrust als gevolg van vluchtelingencrises of klimaatveranderingen, maatschappelijke ontwrichting door het uitvallen van vitale infrastructuren, etc. En dan is er ook steeds vaker sprake van het fenomeen van ‘de ongekende crisis’. Nieuwe vormen van dreiging vragen om een ander soort aanpak, andere partners en een andere strategie, en uiteraard heeft dit ook gevolgen voor de werkzaamheden van de studenten van de MCPM.

De MCPM is bedoeld voor alle partners in veiligheid. Het gaat om personen, werkzaam op tactisch-strategisch niveau bij de overheid of in het bedrijfsleven, die veiligheidszorg en rampenbestrijding en/of crisismanagement – zoals de voorbeelden hierboven – in hun portefeuille hebben of krijgen en personen, die een verantwoordelijkheid hebben bij evenementenbeleid en/of grootschalig optreden. Dit zijn onder andere functionarissen bij de veiligheidsregio’s, politie, brandweer, GHOR, defensie en gemeenten. Maar ook functionarissen bij nutsbedrijven, de energiesector en ministeries die in hun werk veel te maken hebben met gevaar- en crisisbeheersing (de functionele keten).

Veiligheidsregio´s. In onderstaande grafiek een schematische weergave van de herkomst van de MCPM- studenten t/m 2020.

Een Master of Crisis and Public order Management kan:

Voor de MCPM zijn te ontwikkelen competenties en randvoorwaardelijke competenties geselecteerd uit het HR21 competentiewoordenboek. De randvoorwaardelijke competenties worden benoemd in hoofdstuk 5.

Na de inschrijving worden de kandidaten getoetst op de instroomeisen:

Dit kwalificatiedossier is gebaseerd op het eerste kwalificatiedossier uit 2012. Dit dossier is als uitgangspunt genomen en feitelijk is niet veel gewijzigd. De werkzaamheden zijn nog steeds in lijn met het oorspronkelijke gedachtegoed van de MCPM. In de verschillende leergangen is telkens de actualiteit meegenomen, waardoor er bijvoorbeeld gebruik is gemaakt van actuele casuïstiek.

Hiermee is de context gelijk gebleven waardoor er is voldaan aan het oorspronkelijke kwalificatiedossier. De wijziging in kwalificatiedossier lijkt nu wellicht inhoudelijk groter dan het feitelijk verschil in uitvoeringen van leergangen. Dit ogenschijnlijk grotere verschil wordt versterkt door het gebruik van een andere systematiek van kerntaakbeschrijvingen en competenties.

Dit kwalificatiedossier is niet gekoppeld aan een beroepsprofiel. De MCPM leidt immers niet op tot een beroep. Dé MCPM’er bestaat dan ook niet. De student die de MCPM heeft gevolgd, in dit dossier gemakshalve de MCPM’er genoemd, vervult een rol in de crisisbeheersing. In de uitoefening van zijn reguliere functie zal hij de beschreven kentaken met bijbehorende werkzaamheden uitvoeren in de context van zijn reguliere functie. Doelmatigheid van dit kwalificatiedossier is dan ook niet aan te tonen daar te relateren aan een vastgesteld beroepsprofiel, maar eerder door bijvoorbeeld gebruik te maken van evaluatiegegevens.

In 2020 is aan de leidinggevenden van de dan studenten van de MCPM7 een korte enquête voorgelegd. Hoewel de respons gering was, is de trend wel duidelijk:

> De helft van de respondenten is van mening dat de inhoud van de leergang MCPM bijna in zijn geheel toepasbaar is op de werkzaamheden van de MCPM’er. De andere helft is van mening dat de inhoud van de leergang MCPM enigszins van toepassing is op de werkzaamheden van de MCPM’er. Geen enkele respondent is van mening dat de inhoud van de leergang MCPM niet van toepassing is op de werkzaamheden van de MCPM’er. Motivatie van de respondenten bij hun antwoord: zie tabel op volgende pagina.

De kerntaken zijn in eerste instantie beschreven door de decaan en de hoofddocenten. Deze zijn al jarenlang betrokken bij de MCPM en hebben vanuit hun andere taken ook goed zicht op het werkgebied van de MCPM’er. De kerntaken zijn vervolgens in eerste instantie voorgelegd aan de opleidingscommissie en na hun akkoord verder uitgewerkt in werkzaamheden en er is een koppeling gelegd met de competenties. Dit resultaat is op 22 juni 2020 in een online meeting bediscussieerd. De leden van de opleidingscommissie zijn studenten, alumni en leidinggevenden, ook de hoofddocenten waren bij deze discussie aanwezig, maar hebben uiteraard een wat terughoudendere rol gehad, gezien het voortraject. Op basis van de discussie hebben enkele inhoudelijke wijzigingen plaats gevonden. Daarna heeft de opleidingscommissie ingestemd met de beschreven kerntaken, activiteiten en competenties voor de MCPM.

Zoals al eerder benoemd is de MCPM geen apart beroep. Ook in het Besluit personeel veiligheidsregio’s staat deze dan ook niet opgenomen. Er zijn dan ook geen wettelijke kaders voor de MCPM, anders dan de eisen die gesteld worden aan het zijn van een wettelijk erkende opleiding van een hogeschool, na erkenning door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO).

Uit de hiervoor al genoemde korte enquête onder de leidinggevenden is gevraagd naar het belang van een NVAO erkenning van de MCPM. Alle respondenten zijn van mening het belangrijk is dat de MCPM een door de NVAO geaccrediteerde opleiding is.

Dit is de eerste versie van deze kwalificatie die niet alleen door de politiekolom zal worden vastgesteld. Binnen de reguliere termijn van drie jaar wordt bezien of onderhoud noodzakelijk is.

Het politieonderwijs leidt in grote lijnen op voor drie soorten beroepen, de Politieman/ -vrouw, de Rechercheur en de Politieleider. Dit kwalificatiedossier (KD) betreft het politieberoep Politieman/ -vrouw. Dit beroep wordt uitgeoefend op meerdere kwalificatieniveaus. De kwalificatie waar het in dit dossier om gaat, bevindt zich op kwalificatieniveau 7, conform het NLQF (wo master).

In deel A wordt onder A.1 het politieberoep Politieman/ -vrouw op niveau 7 beschreven. Onder A.2 wordt ingegaan op de herijkte competenties van de vakbekwame Politieman/ -vrouw op wetenschappelijk niveau, zoals geformuleerd in Schakelen in Verantwoordelijkheid (februari 2011) en vastgesteld door de Minister van Veiligheid en Justitie (juni, 2011). Daarbij wordt de verbinding gemaakt met het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP).

In deel B is onder deel B.1 het ongedeelde diploma Master Politiekunde vermeld en het bijbehorende kwalificatieprofiel. Onder deel B.2 zijn geen deeldiploma’s vermeld. Onder deel B.3 zijn ook geen certificaten van na- en bijscholing vermeld.

In deel C zijn de examenvereisten beschreven van het diploma Master Politiekunde. Deze examenvereisten zijn gereconstrueerd vanuit de bestaande examineringspraktijk. Examenvereisten zoals beoogd onder deel C dienen een aanmerkelijke concretisering van de kwalificatieprofielen in te houden. Formulering dient zodanig te gebeuren dat leerwegneutrale examinering mogelijk wordt. Deel C is onderwerp van ontwikkelwerk (zie deel D.2 van dit KD).

In deel D volgt de verantwoording van hetgeen is vermeld onder de delen A, B en C. Daarbij worden criteria van onderbouwing, navolgbaarheid, samenhang en doelmatigheid gehanteerd (deel D.1). In deel D.2 zijn ontwikkelpunten met betrekking tot dit KD6 vermeld.

De beroepskolom Politieman/ -vrouw heeft betrekking op meerdere vakgebieden en werkterreinen in het LFNP. Het beroep van Politieman/ -vrouw wordt uitgeoefend in dikwijls sterk verschillende en wisselende omstandigheden en in uiteenlopende functies. In Schakelen (2011) heeft de Politieonderwijsraad een balans opgemaakt van veranderingen in het werk van de politie en de (benodigde) doorwerking daarvan in de beroepsprofielen van de politie. Het centrale thema bleek het toenemend belang van intelligence. De samenleving wordt complexer en minder kenbaar door globalisering, digitalisering en toenemende sociaal-culturele diversiteit. De aard en afbakening van het beroep van Politieman/ -vrouw wordt beïnvloed door een verschuiving van politietaken naar andere publieke uitvoeringsdiensten (gemeentelijke bijvoorbeeld) en soms ook naar particuliere beveiligingsdiensten. Enerzijds leidde dit tot een inperking van de politietaak, anderzijds vergrootte het de noodzaak tot samenwerken en het belang van een functionele, nodale oriëntatie.

Vakbekwame Politiemannen en -vrouwen op niveau 7 zijn algemeen opsporingsbekwaam, breed inzetbaar op diverse vakgebieden en werkterreinen binnen de politie en in meerdere rollen (zoals niveau 6), maar beschikken tevens over wetenschappelijke expertise aangaande (onderdelen van) het politievak, de politieorganisatie en het beleid daaromtrent. Zij behoren tot de intellectuele kern van de Nederlandse politie en houden zich bezig met zowel operationele, tactische, als strategische politiële vraagstukken. Zij voelen maatschappelijke ontwikkelingen goed aan, zijn politiek geëngageerd, doorgronden de politiepraktijk en dragen bij aan een duurzame en toekomstgerichte ontwikkeling van de Nederlandse politie. Zowel vanuit een leidinggevende positie, als een positie als expert, specialist en onderzoeker, dragen zij bij aan de verdere ontwikkeling van het politievak en -organisatie en de kennis van de fenomenen waarop de politie zich richt (onderzoeksrapporten, adviezen). In de positie van docent dragen zij o.a. bij via de ontwikkeling en actualisering van leermiddelen.

Het volledige beroepsprofiel van de vakbekwame Politieman/ -vrouw op NLQF 7 is na te lezen in Schakelen (2011: 73–75). De vermelde competenties zijn als gevolg van de herijking in belangrijke mate nieuw, deels geconcretiseerd en slechts nog in beperkte mate hetzelfde als het beroepsprofiel dat werd vastgesteld in het jaar 1999. Nieuw geformuleerde competenties betreffen onder andere het vermogen actuele trends te identificeren, passende strategieën te ontwikkelen (politieel/ multidisciplinair; nodaal/ territoriaal; real/ virtual), relevante informatie te genereren en te verwerken tot intelligence, het ontwerpen en uitvoeren van empirisch evaluatief onderzoek. Andere voorbeelden betreffen brede en actuele juridische expertise, het vermogen tot het opstellen van passende dossiers, rapportages en adviezen, het vermogen tot (internationale) samenwerking en onderhandeling met een grote diversiteit aan publieke en private partners, en een adequate beheersing van moderne vreemde talen.

Een citaat uit Schakelen op pg. 73 gaat als volgt: “De politiekundige master kan wetenschappelijk onderzoek ten goede laten komen aan strategieën, tactieken en operationele benaderingswijzen voor het dagelijkse en bijzondere politiewerk, de recherche en de internationale samenwerking daarin. Omgekeerd kan hij uit grondige evaluaties van gangbare of incidentele politiële werkwijzen meerjarige beleidsperspectieven of concepten distilleren die leiden tot efficiënte verbeteringen voor een toekomstige aanpak van ordehandhaving bij grootschalige gebeurtenissen, de beheersing van onvoorspelbare of gevaarlijke situaties en de wijze of organisatie van het rechercheren. Hij kan ‘intelligence’ methodieken inzetten voor het voorspellen van criminele trends en de uitkomsten matchen met de ‘intelligence’ van analisten, informatie uit het gebiedsgebonden werk en een analyse van relevante maatschappelijke ontwikkelingen. Vanwege de academische achtergrond kan de politiekundige master in relatie tot OM [of leidinggevenden in de politie] bestuurlijke rapportages maken en in wetenschappelijk opzicht een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het politiekundige vakgebied. In het geval hij/ zij over executieve bevoegdheden beschikt, kan hij in alle gevallen ook een hoogwaardige, algemene of specialistische operationele rol vervullen.”

Het beroepsprofiel is vertaald naar het niveau van startbekwaamheid in het kwalificatieprofiel dat vermeld is in deel B van dit kwalificatiedossier. Tevens werkt het herijkte beroepsprofiel door in de examenvereisten en het onderwijs dat daartoe opleidt. De startbekwame Politieman/ -vrouw, die opgeleid is als Master Politiekunde, is afhankelijk van het persoonlijke loopbaanpad, meer of minder breed inzetbaar als Operationeel Specialist, Docent of Onderzoeker.

Kwalificatieprofiel

A Master of Science in Policing is able to:

Professional Competencies

Contextual Competencies

Social Competencies

Individual Competencies

Beroepstaken

De competenties in het kwalificatieprofiel hebben betrekking op de onderstaande positie, taken en te bereiken resultaten. In deel C zijn deze uitgewerkt in examenvereisten.

Context, zelfstandigheid en verantwoordelijkheid

The Master of Science in Policing should be able to develop an independent academic vision on professional needs. He will conduct research into societal developments relevant to policing, leading to strategic recommendations, structural solutions and practical improvements that are not only profitable for the operational police officer or police leaders, but also contribute to the scientific development of policing.

Successful students on the MSc in Policing Programme will be able to:

A MSc graduate in Policing is likely to be recruited for supportive tasks at a strategic level of policing, protection or public administration. His main quality will be the ability to:

The duties mentioned above performs the Master of Science in Policing within the scope of the following themes: Policing models, Police & Society, International Policing, scholarly research (master thesis). The activities per theme of the MSc in Policing are mentioned below.

Source: Master of Science in Policing, Critical Reflection for NVAO & CCCU Validated Programme (2012)

Er zijn geen deeldiploma’s bij deze kwalificatie

Er zijn geen certificaten van na- en bijscholing bij deze kwalificatie.

Instroomeisen

Bachelor Politiekunde (hbo) met een op instroom in het wo gerichte minor (= pre-master keuzeonderdeel). Universitair diploma bachelor of master. Een met voorgaande kwalificaties vergelijkwaardig ander of buitenlands diploma.

Current Examination requirements

The under mentioned examination requirements are a description of the current examination requirements used by the Police Academy of the Netherlands. In the examination requirements described below are some behavioural issues or tasks, of which skills and/ or knowledge have not yet been worked out in all cases.

The examination requirements mentioned below refer to the following themes:

Professional knowledge

Professional skills

Practical repertoire

Expertise

Er zijn geen deeldiploma’s bij deze kwalificatie.

Er zijn geen certificaten van na- en bijscholing bij deze kwalificatie.

Doelmatigheid

In het LFNP is onder de noemer Uitvoering de functielaag Operationeel Expert en de functiekolom Operationeel Specialist (A tot en met F) onderscheiden. Onder de noemer Ondersteuning zijn kolommen Bedrijfsvoeringspecialismen, Onderzoek en Kennisontwikkeling en Docenten onderscheiden. Functiebeschrijvingen zijn geformuleerd in termen van vakbekwaamheid. De kwalificatie Master Politiekunde correspondeert in meer of mindere mate met de functielaag Operationeel Expert en de genoemde functiekolommen. De inzetbaarheid varieert echter vooral met wat een gekwalificeerde Master Politiekunde nog meer in huis heeft aan werkervaring en andere kwalificaties. Niet elke Master Politiekunde is een politieman/ -vrouw met uitvoerende werkervaring.

Met de kwalificatie Master Politiekunde wordt beoogd bij te dragen aan het intellectuele kapitaal van de politieorganisatie en de verdere ontwikkeling van het politievak (breed, maar ook specifiek). De Master Politiekunde is thuis in de politiekundige en aanverwante literatuur en kan zelfstandig bijdragen aan onderzoek, beleid en onderwijs (nationaal en internationaal). Differentiatie is mogelijk in drie richtingen, Crime Policing, European Policing en High-Risk Policing. De kwalificatie is slechts beperkt gerelateerd aan gestelde behoeften van de politieorganisatie. Er is, gegeven het academische karakter van de kwalificatie, geen aansluiting op onderscheiden politiële beroepstaken, maar een ordening op grond van politiële en maatschappelijke thema’s.

Navolgbaarheid

Het KD is deels gebaseerd op analyses in Schakelen en het herijkte beroepsprofiel in (pg. 73–75); deels gaat het om afspraken over examenvereisten die zijn gemaakt in overleg met de Engelse partner (Canterbury Christ Church University).

Onderbouwing

Onderbouwing van examenvereisten en omvang van het aantal credits wordt overwegend gevonden in evaluaties van de bijbehorende opleiding (onder andere in het kader van accreditatie door het NVAO), maar is in onderhavig KD niet zichtbaar gekoppeld aan gearticuleerde behoeften van de politie. Zie deel D.2.

Samenhang

De opleiding die leidt tot de kwalificatie Master Recherchekunde is geaccrediteerd door de NVAO. Aansluiting op de Bachelor Politiekunde die op hbo-niveau is gepositioneerd is geregeld via een apart pre-master traject binnen het kader van deze bachelor. Deze is slechts beperkt geëxpliciteerd (zie KD Bachelor Politiekunde). Binnen de kwalificatie Bachelor Politiekunde is het relevant een apart deeldiploma ‘Algemene Opsporingsbekwaamheid en Politiële Vorming’ te onderscheiden dat als een entreevoorwaarde kan gelden voor de Master Politiekunde in geval van zij-instroom.

Historie van het kwalificatiedossier

De eerste versie van het kwalificatiedossier is vastgesteld in 2014. Conform de monitor- en onderhoudsagenda, die in het Voorjaarsadvies van 2016 is voorgesteld, heeft in september 2017 een actualisatie van het kwalificatiedossier plaatsgevonden. Dit is een lichte actualisatie geweest, mede met het oog op de herijking van de beroepsprofielen, die naar verwachting in 2018 gereed is. Er wordt voorzien dat deze herijking grondige doorwerking in het kwalificatiedossier vereist. In onderstaande tabel is weergegeven welke elementen van het dossier zijn gewijzigd.

Algemeen

In het Najaarsadvies 2013 van de Politieonderwijsraad zijn enkele algemene ontwikkelpunten benoemd, die mede betrekking hebben op het KD Master Politiekunde. Deze zijn de volgende:

Specifiek

De komst van het LFNP nodigt uit tot mogelijke heroverwegingen aangaande de kwalificatie Master Politiekunde. De volgende ontwikkelpunten kunnen worden vermeld:

Niveau 7

Context: Een onbekende, wisselende leef- en werkomgeving met een hoge mate van onzekerheid, ook internationaal.

Kennis: Bezit bijzonder gespecialiseerde en geavanceerde kennis van een beroep, kennisdomein en wetenschapsgebied en op het raakvlak tussen verschillende beroepen, kennisdomeinen en wetenschapsgebieden. Bezit een kritisch begrip van een reeks van theorieën, principes en concepten, waaronder de belangrijkste van een beroep, kennisdomein en wetenschapsgebied. Bezit uitgebreide, gedetailleerde kennis en kritisch begrip van enkele belangrijke actuele onderwerpen en specialismen gerelateerd aan het beroep of kennisdomein en wetenschapsgebieden.

Vaardigheden: Toepassen van kennis: Reproduceert, analyseert en integreert de kennis en past deze toe, ook in andere contexten en gaat om met complexe materie. Deze kennis vormt de basis voor originele ideeën en onderzoek. Gebruikt de opgedane kennis op een hoger abstractieniveau. Denkt conceptueel. Stelt argumentaties op en verdiept deze. Brengt op basis van methodologische kennis een fundamenteel onderzoek zelfstandig tot een goed einde. Levert een originele bijdrage aan het ontwikkelen en toepassen van ideeën, vaak in verband met onderzoek. Signaleert beperkingen van bestaande kennis in de beroepspraktijk en in het kennisdomein op het raakvlak tussen verschillende beroepspraktijken en kennisdomeinen onderneemt actie. Analyseert complexe beroeps- en wetenschappelijke taken en voert deze uit. Probleemoplossende vaardigheden: Onderkent en analyseert complexe problemen in de beroepspraktijk en in het kennisdomein en lost deze op tactische, strategische en creatieve wijze op. Levert in de beroepspraktijk en in het kennisdomein een bijdrage aan de (wetenschappelijke) oplossing van complexe problemen door gegevens te identificeren en te gebruiken. Leer en ontwikkelvaardigheden: Ontwikkelt zich grotendeels autonoom. Informatievaardigheden: Verzamelt en analyseert op een verantwoorde, kritische manier brede, verdiepte en gedetailleerde wetenschappelijke informatie over een reeks van theorieën, principes en concepten van en gerelateerd aan een beroep of kennisdomein, evenals informatie over enkele belangrijke actuele onderwerpen en specialismen gerelateerd aan het beroep en kennisdomein en geeft deze informatie weer. Communicatievaardigheden: Communiceert doelgericht op basis van in de context en beroepspraktijk geldende conventies met gelijken, specialisten en niet-specialisten, leidinggevenden en cliënten.

Competentie: Verantwoordelijkheid en Zelfstandigheid: Werkt samen met specialisten en niet-specialisten, gelijken, leidinggevenden en cliënten. Draagt verantwoordelijkheid voor resultaten van eigen werk en studie en het resultaat van het werk van anderen. Draagt verantwoordelijkheid voor het aansturen van complexe processen en de professionele ontwikkeling van personen en groepen. Formuleert oordelen op grond van onvolledige of beperkte informatie en houdt daarbij rekening met sociaal-maatschappelijke, wetenschappelijke en ethische verantwoordelijkheden, die zijn verbonden aan het toepassen van de eigen kennis en oordelen.

Het politieonderwijs leidt in grote lijnen op voor drie soorten beroepen, de Politieman/ -vrouw, de Rechercheur en de Politiechef. Dit kwalificatiedossier (KD) betreft het politieberoep Rechercheur. Dit beroep wordt uitgeoefend op meerdere kwalificatieniveaus. De kwalificatie waar het in dit dossier om gaat, bevindt zich op kwalificatieniveau 7, conform het NLQF (hbo master).

In deel A wordt onder A.1 het politieberoep Rechercheur op niveau 7 beschreven. Onder A.2 wordt ingegaan op de benodigde competenties, zoals vermeld in Schakelen in Verantwoordelijkheid (februari 2011)7 en vastgesteld door de Minister van Veiligheid en Justitie (juni, 2011). Daarbij wordt de verbinding gemaakt met het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP).

In deel B is onder deel B.1 het diploma Master Recherchekunde (Master of Criminal Investigation) vermeld en het bijbehorende kwalificatieprofiel. Hoewel het diploma ongedeeld is, is sprake van meerdere en sterk onderscheiden studierichtingen (tactische recherchekunde, criminaliteitsanalyse en recherchekunde, forensisch-technische recherchekunde, digitale recherchekunde, financiële recherchekunde en politiekundig milieuspecialist). Onder deel B.2 zijn geen deeldiploma’s vermeld en in deel B.3 geen certificaten van na- en bijscholing.

In deel C zijn de examenvereisten beschreven van het diploma Master Recherchekunde. Deze examenvereisten zijn gereconstrueerd vanuit de bestaande examineringspraktijk. Examenvereisten zoals beoogd onder deel C dienen een aanmerkelijke concretisering van de kwalificatieprofielen in te houden. Formulering dient zodanig te gebeuren dat leerwegneutrale examinering mogelijk wordt.

Deel C is onderwerp van ontwikkelwerk (zie deel D.2 van dit KD).

In deel D volgt de verantwoording van hetgeen is vermeld onder de delen A, B en C. Daarbij worden criteria van onderbouwing, navolgbaarheid, samenhang en doelmatigheid gehanteerd (deel D.1). In deel D.2 zijn ontwikkelpunten met betrekking tot dit KD vermeld. De gehanteerde begrippen zijn toegelicht in bijlage 1 bij dit KD.

De beroepskolom Rechercheur heeft betrekking op meerdere vakgebieden en werkterreinen in het LFNP. Het beroep van Rechercheur wordt uitgeoefend in relatie tot een brede waaier van (mogelijk) criminele gedragingen van personen en organisaties. In Schakelen (2011) heeft de Politieonderwijsraad een balans opgemaakt van veranderingen in het werk van de politie en de (benodigde) doorwerking daarvan in de beroepsprofielen van de politie. Het centrale thema bleek het toenemend belang van intelligence. De samenleving wordt complexer en minder kenbaar door globalisering, digitalisering en toenemende sociaal-culturele diversiteit. De aard en de afbakening van het beroep van de Rechercheur wordt beïnvloed door een verschuiving van politietaken naar andere publieke uitvoeringsdiensten (bijzondere opsporingsdiensten bijvoorbeeld) en naar particuliere recherchebureaus die werken ten behoeve van grote private ondernemingen. Anderzijds werd de taakopdracht uitgebreid met nieuwe thema’s en problemen op terreinen als cybercrime, fraude, hennepteelt, e.d. Een toenemende nadruk op een functionele, nodale oriëntatie is hiervan het gevolg. Digitaal en financieel rechercheren is daarbij onontbeerlijk.

Rechercheren hoort bij het basispolitiewerk. Politiemannen en -vrouwen dragen zorg voor een belangrijk deel van de opsporing, waar het snel en zonder al te veel moeite kan. Opsporingskwesties worden veelal gesignaleerd en aangepakt door geüniformeerde politiemensen. Zij maken doorgaans als eerste een proces-verbaal op basis waarvan vervolgonderzoek kan plaatsvinden of vervolging.

Zaken die meer aandacht, ervaring en expertise vergen, tactisch of forensisch, komen bij een rechercheur terecht. Grote(re) zaken komen bij teams van rechercheurs terecht die opereren op regionaal, nationaal of internationaal niveau. Binnen het rechercheberoep hebben zich tal van specifieke expertises ontwikkeld, variërend van bijvoorbeeld kinderporno, Internetfraude, drugshandel, kunstdiefstal, de verboden handel in exotische dieren en planten, etc.

De vakbekwame Rechercheur op niveau 7 is algemeen opsporingsbekwaam, breed inzetbaar op diverse vakgebieden en werkterreinen binnen de recherche, maar beschikt tevens over diepgaande organisatorische en specialistische ervaring en expertise op een of meerdere terreinen van de recherche. Bijpassende functiecategorieën in het LFNP worden geduid als ‘operationeel specialist’. Deels kan dit geleerd worden in een opleiding, deels vergt dit meerjarige werkervaring.

Het volledige beroepsprofiel van de vakbekwame Rechercheur op NLQF-niveau 7 is na te lezen in Schakelen in Verantwoordelijkheid (2011: 80–82). Omdat het beroepsprofiel nog recent was aangepast, beperkte de herijking zich tot enkele accenten met betrekking tot de beheersing van vreemde talen en de kennis van (de werking van) internationale instanties, met name de Europese.

Een citaat uit Schakelenop pg. 80 gaat als volgt: “De recherchekundige Master beschikt over een hoogwaardige, veelal specialistische opsporingsexpertise die verder gaat dan nodig is in het alledaagse optreden in handhavingsprocessen. Bij het opereren in bijzondere rechercheprojecten moet hij/zij de hoofdprocessen van (specialistisch) criminologisch en criminalistisch onderzoek kunnen evalueren en matchen, opsporingsstrategieën en scenario’s kunnen ontwerpen en beoordelen, informatie kunnen omzetten in proactieve ‘intelligence’ en deze kunnen integreren met elders verkregen ‘intelligence’. Hierbij moet hij/zij de bevindingen van wetenschappelijk onderzoek kunnen betrekken. De coördinatie, communicatie en coöperatie met specialisten binnen en buiten de politie en het OM in het bijzonder dient soepel te verlopen. In de regel gaat het om een hoofdtaak.

Recherchekundigen beschikken weliswaar over een gemeenschappelijke set van vakbekwaamheden, maar daarenboven over geavanceerde specialismen die bij hun collega’s niet voorhanden hoeven te zijn. In de praktijk uiten deze verschillen zich bijvoorbeeld in het voorkomen van een financieel naast een digitaal recherchekundige, of een recherchekundige gespecialiseerd in milieucriminaliteit naast een forensisch-technische recherchekundige.”

Het beroepsprofiel is vertaald naar het niveau van startbekwaamheid in het kwalificatieprofiel, inclusief de profielen van onderscheiden differentiaties, die vermeld zijn onder deel B van dit kwalificatiedossier. Tevens werkt het herijkte beroepsprofiel door in de examenvereisten en het onderwijs dat daartoe opleidt. De startbekwame Recherchemedewerker op NLQF-niveau 7 is, afhankelijk van de gekozen differentiatie, bijvoorbeeld inzetbaar op de functieniveaus Operationeel Specialist.

Kwalificatieprofiel

Een Master Recherchekunde kan:

Vakmatig

Contextueel

Sociaal

Individueel

Beroepstaken

De competenties in het kwalificatieprofiel hebben betrekking op de onderstaande positie, taken en te bereiken resultaten. In deel C zijn deze uitgewerkt in examenvereisten.

Context,zelfstandigheid en verantwoordelijkheid

De Recherchekunde Master verzamelt relevante wetenschappelijke literatuur en inzichten vanuit zijn vakdeskundigheid en beroepspraktijk en vertaalt deze in concrete aanbevelingen voor (het management in) de opsporingspraktijk. Hij/ zij maakt hierbij gebruik van vakspecifieke kennis en (beroeps)vaardigheden. Masters Recherchekunde denken analytisch, conceptueel en toekomstgericht en leveren een verdiepende en verbredende bijdrage aan de tactische en/of technische opsporingscompetenties in (opsporing)teams. Zij dragen bij aan de ontwikkeling én vernieuwing van de opsporingspraktijk, werken samen en netwerken met (inter)nationale collega’s en (keten)partners. Zij zijn in staat om tussen verschillende belangen en niveaus te schakelen en dragen bij aan de professionalisering van de eigen organisatie. Zij doen proactieve beleidsvoorstellen aangaande het nut van een opsporingsonderzoek, kunnen verantwoord afwijken van traditionele denkpatronen en zijn in staat ‘out of the box’ te denken om strategieën te verbeteren en/ of te ontwikkelen die criminaliteitsontwikkelingen kunnen bestrijden of tegengaan. Zij zijn in staat producten van specialistische diensten te beoordelen en coördineren de toepassing van die producten in een opsporingsonderzoek.

De eerste twee onderstaande beroepstaken gelden voor alle differentiaties, de overige beroepstaken zijn specifiek voor één of meer differentiaties (zie verder onder C.1).

Beroepstaak Structureren van een meeromvattend rechercheonderzoek

De Recherchekundige Master neemt juridisch en tactisch goed onderbouwde besluiten en geeft adviezen omtrent de inzet van verschillende opsporingsmethoden.

Beroepstaak Uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek op het gebied van opsporing

De Recherchekundige Master voert zelfstandig wetenschappelijk onderzoek uit op het terrein van zijn differentiatie.

Beroepstaak Adviseren, coördineren, toepassen en evalueren van strategieën in een opsporingsonderzoek

De Recherchekundige Master selecteert, analyseert en interpreteert recherchekundige informatie en past daarbij wetenschappelijke inzichten toe. Dit resulteert in hypothesen en scenario’s, projectplannen voor opsporingsonderzoek, (bestuurlijke en effect-) rapportages en (wetenschappelijke) adviezen.

Beroepstaak Beoordelen van dader- en slachtoffergedrag

De Recherchekundige Master kan criminaliteit en opsporing in een breed perspectief plaatsen. Door middel van kennis uit de criminologie en psychologie is hij in staat delicten, daders en slachtoffers vanuit verschillende invalshoeken te belichten. Zijn bevindingen resulteren in een onderzoeksrapport, beleidsadvies of evaluatierapport.

Beroepstaak Het toepassen van sociale wetenschap in sociale netwerkanalyse

De Recherchekundige Master voert een sociale netwerkanalyse uit met gebruik van sociaalwetenschappelijke theorieën. Centraal staat het paradigma netwerkdenken. De resultaten leveren input voor het vormen van scenario’s en voor de keuze van geschikte recherchestrategieën.

Beroepstaak Beoordelen van de bewijswaarde van (im)materiële sporen

De Recherchekundige Master stelt binnen een forensische context heldere en relevante onderzoeksvragen, interpreteert de resultaten van een forensisch onderzoek, beoordeelt de bewijswaarde hiervan en vertaalt en integreert dit in aanbevelingen voor de opsporingspraktijk. Hierbij maakt de Recherchekundige Master gebruik van 'state-of-the-art' forensische vakinhoudelijke kennis

Beroepstaak Vaststellen en beoordelen van de bewijswaarde van digitale sporen

De Recherchekundige Master analyseert en interpreteert het digitale sporenbeeld in de context. Dit resulteert in forensische digitale aanbevelingen en juridisch onderbouwde bewijsvoering.

Beroepstaak Financieel administratieve waarheidsvinding

De Recherchekundige Master rechercheert in financiële bescheiden en administraties van bedrijven en particulieren en gebruikt daarbij controlemiddelen en opsporingstechnieken voor complex financieel onderzoek. Dit resulteert in tactisch relevante financiële rapportages en gemotiveerde voorstellen die leiden tot waarheidsvinding in relatie tot strafbare gedragingen.

Beroepstaak Evalueren van de bewijswaarde in complexe milieuonderzoeken (Bewijswaarde in complexe milieuonderzoeken)

De Recherchekundige Master geeft uitvoering aan milieuonderzoek in het kader van opsporing van milieudelicten. Hij evalueert de bewijswaarde van complex milieuonderzoek en vertaalt de resultaten naar (aanbevelingen) voor de opsporingspraktijk.

Er zijn geen deeldiploma’s bij deze kwalificatie, wel is sprake van differentiaties (zie deel C.1).

Er zijn geen certificaten van na- en bijscholing bij deze kwalificatie.

Instroomeisen B.1

Minimaal: diploma bachelor Politiekunde, of een ander diploma hbo of wetenschappelijk onderwijs in combinatie met een politiediploma, of de Premaster Recherchekunde.

Hieronder volgt een beschrijving van de examenvereisten zoals deze worden geëxamineerd door de Politieacademie. In de hieronder beschreven examenvereisten zijn soms gedragsaspecten of taken opgenomen waarbij de vaardigheden en/of de kennis nog niet in alle gevallen concreet zijn uitgewerkt.

De examenvereisten moeten gelezen worden in het licht van onderstaande beroepstaken. In onderstaande matrix zijn de beroepstaken geordend naar differentiatie.

Vakkennis

Vakvaardigheden

Praktijkrepertoire

Vakvaardigheden

Praktijkrepertoire

Expertise

Vakvaardigheden

Praktijkrepertoire

Vakkennis

Vakvaardigheden

Expertise

Vakvaardigheden

Praktijkrepertoire

Vakkennis

Vakvaardigheden

Expertise

Oordeelsvermogen

Vakkennis

Vakvaardigheden

Praktijkrepertoire

Expertise

Vakvaardigheden

Praktijkrepertoire

Expertise

Vakvaardigheden

Praktijkrepertoire

Expertise

C.2 Examenvereisten deeldiploma’s

C.3 Examenvereisten certificaten van na- en bijscholing

Doelmatigheid

In het LFNP is onder de noemer Uitvoering de functielaag de functiekolom Operationeel Specialist (A tot en met F) onderscheiden. Functiebeschrijvingen zijn geformuleerd in termen van vakbekwaamheid. De kwalificatie Master Recherchekunde is gericht op (eind)verantwoordelijke functies op het terrein van de recherche, een terrein waar de politie opereert in nauwe samenwerking met het Openbaar Ministerie en bijzondere opsporingsdiensten.

De inzetbaarheid van de Master Recherchekunde varieert met de gekozen differentiatie (zie deel C.1) en met wat de gekwalificeerde nog meer in huis heeft aan werkervaring en andere kwalificaties.

Navolgbaarheid

In Schakelen is onderstreept dat de Rechercheur een eigenstandig beroep is, naast het beroep van Politieman/ -vrouw en Politiechef. Dit beroep wordt volgens Schakelen uitgevoerd op minimaal NLQF-niveau 5. Aspecten van het recherchewerk zijn inbegrepen in het beroep van Politieman/ -vrouw, reeds vanaf NLQF-niveau 2 (forensisch technisch assistent), naast een reeks van andere beroepstaken. De rechercheur richt zich echter ten volle op de opsporing.

Onderbouwing

Tot 2012 waren expertgroepen, strategische beleidsgroepen en boards en het Programma Versterking Opsporing belangrijke gesprekspartners voor inhoudelijke of organisatorische keuzes. Voor wat betreft de Rechercheur op NLQF-niveau 7 bevat Schakelen (pg. 80–82) een herijkt beroepsprofiel. Dit is vertaald in termen van startbekwaamheid in het kwalificatieprofiel dat is opgenomen in deel B.1. De examenvereisten die zijn verwoord zijn ontleend aan diverse documenten van de opleiding, als volgt:

Nummers:

Samenhang

Het KD Recherchekunde ontleent zijn interne samenhang aan examenvereisten die gelden voor alle zes differentiaties. De bijbehorende opleiding is geaccrediteerd door de NVAO.

Historie van het kwalificatiedossier

De eerste versie van het kwalificatiedossier is vastgesteld in 2014. Conform de monitor- en onderhoudsagenda, die in het Voorjaarsadvies van 2016 is voorgesteld, heeft in september 2017 een actualisatie van het kwalificatiedossier plaatsgevonden. Dit is een lichte actualisatie geweest, mede met het oog op de herijking van de beroepsprofielen, die naar verwachting in 2018 gereed is. Er wordt voorzien dat deze herijking grondige doorwerking in het kwalificatiedossier vereist. In onderstaande tabel is weergegeven welke elementen van het dossier zijn gewijzigd.

In 2021 zijn wijzigingen doorgevoerd in de differentiaties Financieel-economische criminaliteit en Criminaliteitsanalyse.

Afstudeerrichting Financieel-economische criminaliteit

Afstudeerrichting Criminaliteitsanalyse

Algemeen

In het Najaarsadvies 2013 van de Politieonderwijsraad zijn enkele algemene ontwikkelpunten benoemd, die mede betrekking hebben op het KD Master Recherchekunde. Deze zijn als volgt:

Specifiek

Mede gegeven de kenmerken van het LFNP vormt het KD Master Recherchekunde een belangrijk uitgangspunt om zowel de samenhang, de flexibiliteit, als de doelmatigheid van het rechercheonderwijs te bevorderen. Hiervoor zijn in 2014 onderstaande ontwikkelpunten geformuleerd.

De afgesproken light-actualisatie betreft een bijwerking op hoofdlijnen, waarbij bijvoorbeeld actuele ontwikkelingen worden gesignaleerd die op een later moment kunnen worden verwerkt in het kwalificatiedossier. (Een onderzoek naar) de doorwerking past niet binnen de kaders van een lichte actualisatie. Bovenstaande punten blijven gehandhaafd, in afwachting van een aantal ontwikkelingen binnen het opsporingsonderwijs.

Niveau 7

Context: Een onbekende, wisselende leef- en werkomgeving met een hoge mate van onzekerheid, ook internationaal.

Kennis: Bezit bijzonder gespecialiseerde en geavanceerde kennis van een beroep, kennisdomein en wetenschapsgebied en op het raakvlak tussen verschillende beroepen, kennisdomeinen en wetenschapsgebieden. Bezit een kritisch begrip van een reeks van theorieën, principes en concepten, waaronder de belangrijkste van een beroep, kennisdomein en wetenschapsgebied. Bezit uitgebreide, gedetailleerde kennis en kritisch begrip van enkele belangrijke actuele onderwerpen en specialismen gerelateerd aan het beroep of kennisdomein en wetenschapsgebieden.

Vaardigheden: Toepassen van kennis: Reproduceert, analyseert en integreert de kennis en past deze toe, ook in andere contexten en gaat om met complexe materie. Deze kennis vormt de basis voor originele ideeën en onderzoek. Gebruikt de opgedane kennis op een hoger abstractieniveau. Denkt conceptueel. Stelt argumentaties op en verdiept deze. Brengt op basis van methodologische kennis een fundamenteel onderzoek zelfstandig tot een goed einde. Levert een originele bijdrage aan het ontwikkelen en toepassen van ideeën, vaak in verband met onderzoek. Signaleert beperkingen van bestaande kennis in de beroepspraktijk en in het kennisdomein op het raakvlak tussen verschillende beroepspraktijken en kennisdomeinen onderneemt actie. Analyseert complexe beroeps- en wetenschappelijke taken en voert deze uit. Probleemoplossende vaardigheden: Onderkent en analyseert complexe problemen in de beroepspraktijk en in het kennisdomein en lost deze op tactische, strategische en creatieve wijze op. Levert in de beroepspraktijk en in het kennisdomein een bijdrage aan de (wetenschappelijke) oplossing van complexe problemen door gegevens te identificeren en te gebruiken. Leer en ontwikkelvaardigheden: Ontwikkelt zich grotendeels autonoom. Informatievaardigheden: Verzamelt en analyseert op een verantwoorde, kritische manier brede, verdiepte en gedetailleerde wetenschappelijke informatie over een reeks van theorieën, principes en concepten van en gerelateerd aan een beroep of kennisdomein, evenals informatie over enkele belangrijke actuele onderwerpen en specialismen gerelateerd aan het beroep en kennisdomein en geeft deze informatie weer. Communicatievaardigheden: Communiceert doelgericht op basis van in de context en beroepspraktijk geldende conventies met gelijken, specialisten en niet-specialisten, leidinggevenden en cliënten.

Competentie: Verantwoordelijkheid en Zelfstandigheid: Werkt samen met specialisten en niet-specialisten, gelijken, leidinggevenden en cliënten. Draagt verantwoordelijkheid voor resultaten van eigen werk en studie en het resultaat van het werk van anderen. Draagt verantwoordelijkheid voor het aansturen van complexe processen en de professionele ontwikkeling van personen en groepen. Formuleert oordelen op grond van onvolledige of beperkte informatie en houdt daarbij rekening met sociaal-maatschappelijke, wetenschappelijke en ethische verantwoordelijkheden, die zijn verbonden aan het toepassen van de eigen kennis en oordelen.

Het politieonderwijs leidt in grote lijnen op voor drie soorten beroepen, de Politieman/-vrouw, de Rechercheur en de Politieleider. Dit kwalificatiedossier (KD) betreft het politieberoep Politieleider. Dit beroep wordt uitgeoefend op meerdere kwalificatieniveaus. De kwalificatie waar het in dit dossier om gaat, bevindt zich op NLQF kwalificatieniveau 7 (hbo master).

In deel A wordt onder A.1 het politieberoep tactisch politieleider beschreven. Onder A.2 wordt ingegaan op het beroepsprofiel, waarbij wordt aangesloten op het leiderschapsmodel dat de Nationale Politie hanteert en het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP).

In deel B is onder deel B.1 het diploma hbo Master Tactisch Leidinggeven (MTL) vermeld, in het Engels Executive Master of Tactical Policing, alsmede het bijbehorende kwalificatieprofiel. In deel B.2 zijn geen deeldiploma’s vermeld. In deel B.3 zijn evenmin certificaten van bij- en nascholing opgenomen.

In deel C zijn de examenvereisten vermeld, in termen van kennis, vaardigheden en attituden, onderscheiden naar mensgericht leiderschap, resultaatgericht leiderschap, omgevingsgericht leiderschap, organisatiegericht leiderschap, en onderzoek & innovatie. De formulering van examenvereisten is leerwegneutraal.

In deel D volgt de verantwoording van hetgeen is vermeld onder de delen A, B en C. Daarbij worden criteria van onderbouwing, navolgbaarheid, samenhang en doelmatigheid gehanteerd (deel D.1). In deel D.2 zijn ontwikkelpunten met betrekking tot dit KD vermeld.

De gehanteerde begrippen zijn toegelicht in bijlage 1 bij dit KD. In bijlage 2 staan de descriptoren van een niveau 7 kwalificatie vermeld.

Leidinggeven bij de politie onderscheidt zich van leidinggeven binnen een ander beroep doordat de context waarin leiding wordt gegeven altijd onderhevig is aan het gegeven dat de politie – in vredestijd – als enige organisatie geweld mag toepassen (het zogenaamde geweldsmonopolie) en inbreuk mag maken op grondrechten die de vrijheid van het individu inperken. Dat brengt verantwoordelijkheden met zich mee waardoor het leiderschap gelegitimeerd moet worden ten overstaan van de samenleving, formeel aan het bevoegd gezag, informeel aan de burgers die van de politie een bijdrage aan een veilige samenleving verwachten.

Zoals elk beroep heeft ook het politieberoep te maken met ontwikkelingen in de samenleving, zoals de toenemende globalisering, digitalisering en sociaal-culturele diversiteit – ontwikkelingen die (volgens Schakelen in verantwoordelijkheid, 2011) voor politieleiders veranderingen tot gevolg hebben, die zowel de aard als de afbakening van het politieel leidinggeven beïnvloeden, zoals het toenemende belang van horizontaal functionerende netwerken, informatietechnologieën en (nieuwe) sociale media. Daardoor heeft een politieleider niet alleen te maken met hiërarchische werkrelaties, maar ook met horizontale werkrelaties (intern en extern). De politieleider moet niet alleen territoriaal, maar ook functioneel en nodaal opereren en niet alleen het handelen volgens professionele standaarden en protocollen bevorderen, maar ook het improviserend vermogen van de medewerkers. Dit alles gericht op het effect dat het handelen heeft op de veiligheid in de samenleving.

De politieleider geeft niet alleen sturing aan het personeel, maar coördineert vooral ook het politiewerk en stelt het politievak centraal. In het Realisatieplan Nationale Politie (2012) wordt benadrukt dat de organisatiestructuur ook een cultuurverandering impliceert: “Het bereiken van de doelen van de Nationale Politie vereist het voortdurend aanpassen van de cultuur, het gangbare gedrag en de vorm van het leiderschap. Ook is duidelijk dat cultuur iets is van de gehele organisatie en dat voorbeeldgedrag een belangrijke katalysator is. Daarom zullen politieleiders op alle niveaus het goede voorbeeld moeten geven.”

In dit geval gaat het om de tactisch politieleider van een ‘robuust team’. In termen van het LFNP opereert deze op het niveau van de teamchef B/C, een positie tussen strategisch leidinggevenden en de organisatorische coördinatie van het uitvoerende politiewerk.

Een beroepsprofiel is ruimer dan een functieprofiel, omdat het een “klasse van functies afdekt” (Schakelen, 2011). Afgezien van het feit dat functiebenamingen kunnen veranderen (daarom wordt hierna soms gesproken van ‘naast hogere leidinggevende’), is dit onderscheid vooral van belang omdat in een beroepsprofiel de vereiste vakbekwaamheid voor een bepaald functieniveau wordt geadresseerd, terwijl het navolgende kwalificatieprofiel verwijst naar de te verwachten startbekwaamheid bij het afsluiten van een opleiding.

In een beroepsprofiel gaat het om verantwoordelijkheden en taken. Deverantwoordelijkheden van een tactisch politieleider staan in het teken van het waardegedreven verbinden van mensen aan resultaten om zo bij te dragen aan een effectieve en efficiënte organisatie en uitvoering van het politiewerk en aan legitimering van het politieoptreden in de samenleving.

De bij deze verantwoordelijkheden horende taken worden uitgeoefend in een complexe en veranderlijke omgeving van handhaving, opsporing en aansturen van het politiewerk. Deze leidinggevende beroepstaken passen bij het leiderschapsmodel dat de Nationale Politie hanteert. Dit model is hieronder weergegeven.

Bron: Traject Operationeel Leiderschap Nationale Politie. Eindrapportage Deel I.

Het leiderschapsmodel is gebaseerd op het concurrerende waardenmodel van Quinn. Alle kwadranten van het model zijn in principe van een even groot belang. De Nationale Politie legt de nadruk op de verbinding van linksboven naar rechtsonder (stippellijn). Hiermee wordt gefocust op de verbinding tussen politieprofessionals en de bescherming van burgers. Dat neemt niet weg, dat de andere twee kwadranten nog steeds van belang zijn.

De ‘verbindende politieleider’ moet de vier invalshoeken in balans brengen en houden. Een politieleider kan de eigen leiderschapskwaliteiten op waarde schatten, durft de persoonlijk zwakke kanten te erkennen en daarvoor aanvullende leiderschapskwaliteiten te organiseren. De politieleider kan in functie van de organisatiedoelstellingen reflecteren op het eigen handelen: is het koersvast, transparant, voorspelbaar? De politieleider is daarop aanspreekbaar, organiseert tegenspraak en laat zo zien, dat hij/zij als lerende politieleider bijdraagt aan een lerende organisatie. Zowel ten aanzien van het leiderschap als het gedrag van medewerkers zijn de kernwaarden “integer, betrouwbaar, moedig en verbindend” leidend voor een gedeelde beroepsidentiteit.

De beroepstaken van de tactisch politieleider zijn geordend naar de vier invalshoeken. Ze worden hierna beschreven in een volgorde die het leggen van de “waardegedreven verbinding van mensen en resultaten” vergemakkelijkt (de accentuering van Quinn’s model door de Nationale Politie).

Beroepstaken

Het betreft de volgende beroepstaken van de vakbekwame tactisch politieleider en de daarvoor benodigde intellectuele en operationele bagage.

Leiding geven aan een team medewerkers vraagt – in afstemming op de span of control – om zorg voor het personeel en de professionele ontwikkeling van medewerkers, wat onder meer blijkt uit het begeleiden van cultuurveranderingen, het faciliteren van de dagelijkse inzet en het bieden van een veilige werkomgeving (steunen naar ‘boven’ en naar ‘buiten’), waardoor medewerkers elkaar ook durven aan te spreken op ongewenst gedrag. Dat vraagt om een open cultuur. Voor het stelselmatig (laten) houden van functionerings- en beoordelingsgesprekken is kennis van het van toepassing zijnde arbeidsrecht noodzakelijk (Barp, Bbp, Brvvp).

In persoonlijk opzicht is de tactisch politieleider een motiverende en inspirerende kracht die de medewerkers zowel coacht als hun verwachtingen managet. Voor zowel goed leidinggeven als de persoonlijke ontwikkeling is van belang dat de politieleider niet alleen het vak kent en de eigen professionele ruimte benut, maar ook kritisch gebruik maakt van de adviezen van medewerkers, daarbij uitstralend dat hij/zij weet wat mensen in de frontlijn bezighoudt en nodig hebben. De politieleider zorgt voor een hecht team en de nodige faciliteiten en stemt het werkplan af met de naast hogere leidinggevende, met specialisten en externe stakeholders. Bij het monitoren van de dagelijkse inzet van medewerkers weet de tactisch politieleider gebruik te maken van de multidisciplinaire samenstelling en de diversiteit van een team (in allerlei opzicht).

De tactisch politieleider vermijdt wegkijken van problematische situaties (non-interventie), bestrijdt een ongewenste groepscultuur en tolereert geen normafwijkend gedrag. Voor al deze kwaliteiten is kennis van principes uit human talent development van belang, naast kennis van principes uit de sociale psychologie, de werking van groepsdynamica en het bezigen van een gezamenlijke ‘taal’ (eenheid van taal).

Het gaat om het dragen van resultaat- en budgetverantwoordelijkheid voor het behalen van de door de samen met de naast hogere leidinggevende vastgestelde resultaatdoelen in de uitvoeringspraktijk, zoals beoogd in het werkplan voor een team. Dat vraagt om een meervoudig perspectief en om deductief vermogen, d.w.z. het vertalen van grotere verbanden naar intern samenhangende vraagstukken, van doelen naar beoogde resultaten en van teamdoelstellingen naar individuele bijdragen. Kortom, om het bepalen en uitzetten van de koers, het maken van keuzes en stellen van prioriteiten ten aanzien van doelstellingen, tactieken en lange termijn oplossingen. Daarvoor is nodig dat de tactisch politieleider op de hoogte is van organisatiepsychologische aspecten die hierbij een rol (kunnen) spelen en van de dynamiek van besluitvormingsprocessen: hoe kunnen uitkomsten daarvan beïnvloed worden?

De tactisch politieleider is in staat om complexe vraagstukken doelgericht aan te pakken, waarbij de gekozen bezetting afgewogen wordt tegen de te bereiken resultaten. Ofwel, hij/zij kan effectief en efficiënt leidinggeven onderscheiden. De tactisch politieleider gaat met medewerkers de dialoog aan over wat op individueel en teamniveau aan resultaten verwacht kan worden en verdedigt resultaten vanuit het opereren op basis van de gemeenschappelijke kernwaarden van de Nationale Politie, niet vanuit een louter cijfergedreven aanpak. Hij/zij hakt op het juiste moment knopen door, pleegt proactief betekenisvolle interventies of draait zo nodig besluiten terug – ook tegen de stroom in, wanneer zaken onzeker zijn, risico’s inhouden of niet alle informatie (intelligence) beschikbaar is.

De operationele kant van leidinggeven aan een politieteam vraagt om het beïnvloeden en onderhouden van samenwerkingsverbanden en netwerken met ketenpartners, (vertegenwoordigers van) maatschappelijke organisaties en het (lokale) politiek-bestuurlijke krachtenveld, waarbij de legitimiteit van het politiewerk bevestigd wordt en politiek-maatschappelijk verantwoording wordt afgelegd over de inzet van bevoegdheden. Bij een gezamenlijke aanpak van veiligheidsproblemen moet de tactisch politieleider kunnen omgaan met externe veranderingen en transities binnen de Nationale Politie en koersvast zijn in de (politieke) waan van de dag.

Hij/zij is op de hoogte van theorieën van change management, systeemdenken, elementaire politicologische/bestuurskundige inzichten, (inter)nationale politierelevante maatschappelijke ontwikkelingen en van internationale, met name Europese richtlijnen voor grensoverschrijdende politiesamenwerking. Bij het sturen op het effect van het politiewerk, het meten daarvan, en bij het gebruik van bevoegdheden houdt de tactisch politieleider rekening met aspecten van legitimiteit, ook ten overstaan van de politiek-maatschappelijke omgeving.

In breder verband is de tactisch politieleider actief in netwerken en coalities met het oog op het verkrijgen van de gewenste informatie, steun en medewerking. Als het gaat om externe informatievergaring, gebeurt dit integer, d.w.z. met inachtneming van het Nederlandse juridische kader. Ook weet hij/zij politierelevante zaken op de (bestuurlijke) agenda te krijgen.

Het gaat om leidinggeven aan het politiewerk, d.w.z. aan de organisatie van een zeer brede variëteit aan uitvoerende werkzaamheden van een team medewerkers en specialisten. Het inrichten van het politiewerk, waarbij capaciteitsmanagement een aspect kan zijn, en een adequate inzet van bevoegdheden staan daarbij centraal. Dat komt tot uitdrukking in het vaststellen, realiseren, monitoren, evalueren en tijdig bijsturen van het werkplan voor het team, waarbij de inzet van mensen en middelen verantwoord wordt op basis van een analyse van prioriteiten, randvoorwaarden en beoogde resultaten.

Vanuit een positie in bijvoorbeeld de handhaving en opsporing is daarvoor analytisch vermogen vereist en kennis in organisatiesociologisch, organisatiekundig en managementopzicht, evenals het besef wat deze kennis betekent voor de operationele aansturing van het werk. De tactisch politieleider moet in de aansturing van het politiewerk rekening houden met uiteenlopende uitvoeringsvormen en met door medewerkers voorgestelde operationele verbeteringen. Hij/zij kan organisatorische knelpunten benoemen en op grond van een samenhangende analyse verbeterslagen introduceren.

De tactisch politieleider durft ingrijpende organisatorische beslissingen te nemen als de effectiviteit van het politiewerk in het gedrang komt of als de gegeven teamsamenstelling daarvoor een belemmering zou vormen. Dat kan op grond van eigen inzichten of vanwege het honoreren van initiatieven van teamleden. Concreet gaat het om (mee)beslissen over kwaliteit en kwantiteit van producten en diensten, en het bijdragen aan de vraagarticulatie/behoeftestelling inzake contracten en plannen van aanpak voor werkwijzen, personeel, middelen, financiële, juridische en overige randvoorwaardelijke aspecten.

Kwalificatieprofiel

De hbo master Tactisch Leidinggeven kan:

Vakmatig

Contextueel

Sociaal

Individueel

Het kwalificatieprofiel beschrijft de competenties die de tactisch leidinggevende nodig heeft om de onder A2 vermelde verantwoordelijkheden en taken uit te kunnen voeren. De vier typen competenties, vakmatig, contextueel, sociaal en individueel sluiten direct aan op het op Quinn georiënteerde leiderschapsmodel van de Nationale Politie. Een startbekwame politieleider kan balans brengen en bewaren tussen een mensgerichte en een resultaatgerichte oriëntatie, rekening houdend met interne bedrijfsprocessen en externe partners.

Voor een kwalificatieprofiel hbo master gelden descriptoren van niveau 7 van het NLQF (zie bijlage 2). In termen van het equivalente EQF niveau 7 gaat het samengevat om:

Kennis

Vaardigheden

Competenties

Het diploma Master Tactisch Leidinggeven is gericht op de functie van teamchef B of C. Het bereiken van een dergelijke functie is mede afhankelijk van (de aard van) werkervaring en presteren. Deelnemers aan de MTL opleiding zullen zich veelal in een eerdere fase van de loopbaan bevinden en bijvoorbeeld een functie bekleden als Operationeel Expert of Operationeel Specialist.

Er zijn geen deeldiploma’s bij deze kwalificatie.

Er zijn geen certificaten van bij- en nascholing bij deze kwalificatie.

Instroomeisen B.1

Het diploma Bachelor Politiekunde of een daaraan gelijkwaardig te stellen vooropleiding.

Instroomeisen B.2

Niet van toepassing.

Instroomeisen B.3

Niet van toepassing.

In aansluiting op het rapport Traject Operationeel Leiderschap nationale Politie (deel 1, 2013) zijn de examenvereisten verwoord in termen van kennis, vaardigheden en attitude. In dit rapport is te lezen: “het kennen (kennis), kunnen (vaardigheden), willen en durven (attitude) zijn de aangrijpingspunten voor de door de Nationale Politie nagestreefde gedragsverandering”.

De hieronder geformuleerde examenvereisten moeten worden begrepen tegen de achtergrond van het beroep, zoals verwoord in de delen A (vakbekwaam) en B (startbekwaam) van dit kwalificatiedossier. Voorwaardelijke kennis wordt in de vorm van een kennisbasis als bijlage toegevoegd aan het kwalificatiedossier (zie verder D2).

Mensgericht leiderschap

Kennis

Vaardigheden

Attituden

Resultaatgericht politieleiderschap

Kennis

Vaardigheden

Attituden

Omgevingsgericht politieleiderschap

Kennis

Vaardigheden

Attituden

Organisatiegericht leiderschap

Kennis

Vaardigheden

Attituden

Onderzoek & Innovatie

Kennis

Vaardigheden

Attituden

Er zijn geen deeldiploma’s onderscheiden.

Er zijn geen examenvereisten voor certificaten van bij- en nascholing van toepassing.

Doelmatigheid

In het LFNP worden ten aanzien van het leidinggeven top down de functies korpschef, politiechef8, directeur, sectorhoofd, teamchef C, teamchef B en teamchef A onderscheiden. Met de invoering van robuuste basisteams is de functie van teamchef A vooralsnog niet ingevuld. In het domein uitvoering van het LFNP is de hoogste functielaag die van de Operationeel Expert. Deze combineert vakmatige expertise met aspecten van operationele sturing (organisatorische coördinatie) en voert regie binnen netwerken. Functiebeschrijvingen zijn geformuleerd in termen van vakbekwaamheid.

Navolgbaarheid

In de aanloop naar de vorming van de Nationale Politie heeft een werkgroep onder leiding van Bernard Welten zich verdiept in het benodigde leiderschap. Dit resulteerde in het rapport Traject Operationeel Leiderschap, Eindrapportage deel I (‘rapport Welten’, 2013).

Onderbouwing

Het KD MTL is gebaseerd op analyses in Schakelen in Verantwoordelijkheid (POR, 2011), het rapport Welten, het rapport Scherp Sturingsconcept Nationale Politie (2013), vacatureteksten voor Teamchef B/C, functieomschrijvingen en bijbehorende competentieprofielen.

Samenhang

Historie van het kwalificatiedossier

De eerste versie van dit kwalificatiedossier is vastgesteld in 2015. Conform de monitor- en onderhoudsagenda, die in het Voorjaarsadvies van 2016 is voorgesteld, heeft in het najaar van 2018 een actualisatie van het kwalificatiedossier plaatsgevonden. Dit is een lichte actualisatie geweest, mede met het oog op de herijking van de beroepsprofielen, die naar verwachting in 2018 gereed is. Er wordt voorzien dat deze herijking grondige doorwerking in het kwalificatiedossier vereist. In onderstaande tabel is weergegeven welke elementen van het dossier zijn gewijzigd.

Algemeen

In het Najaarsadvies 2014 van de Politieonderwijsraad zijn enkele algemene ontwikkelpunten benoemd, die mede betrekking hebben op het KD MTL. Dit zijn punten die in de komende tijd verdere aandacht vragen.

Specifiek

In dit besluit wordt verstaan onder:

Niveau 7

Context: Een onbekende, wisselende leef- en werkomgeving met een hoge mate van onzekerheid, ook internationaal.

Kennis: Bezit bijzonder gespecialiseerde en geavanceerde kennis van een beroep, kennisdomein en wetenschapsgebied en op het raakvlak tussen verschillende beroepen, kennisdomeinen en wetenschapsgebieden. Bezit een kritisch begrip van een reeks van theorieën, principes en concepten, waaronder de belangrijkste van een beroep, kennisdomein en wetenschapsgebied. Bezit uitgebreide, gedetailleerde kennis en kritisch begrip van enkele belangrijke actuele onderwerpen en specialismen gerelateerd aan het beroep of kennisdomein en wetenschapsgebieden.

Vaardigheden: Toepassen van kennis: Reproduceert, analyseert en integreert de kennis en past deze toe, ook in andere contexten en gaat om met complexe materie. Deze kennis vormt de basis voor originele ideeën en onderzoek. Gebruikt de opgedane kennis op een hoger abstractieniveau. Denkt conceptueel. Stelt argumentaties op en verdiept deze. Brengt op basis van methodologische kennis een fundamenteel onderzoek zelfstandig tot een goed einde. Levert een originele bijdrage aan het ontwikkelen en toepassen van ideeën, vaak in verband met onderzoek. Signaleert beperkingen van bestaande kennis in de beroepspraktijk en in het kennisdomein op het raakvlak tussen verschillende beroepspraktijken en kennisdomeinen onderneemt actie. Analyseert complexe beroeps- en wetenschappelijke taken en voert deze uit. Probleemoplossende vaardigheden: Onderkent en analyseert complexe problemen in de beroepspraktijk en in het kennisdomein en lost deze op tactische, strategische en creatieve wijze op. Levert in de beroepspraktijk en in het kennisdomein een bijdrage aan de (wetenschappelijke) oplossing van complexe problemen door gegevens te identificeren en te gebruiken. Leer- en ontwikkelvaardigheden: Ontwikkelt zich grotendeels autonoom. Informatievaardigheden: Verzamelt en analyseert op een verantwoorde, kritische manier brede, verdiepte en gedetailleerde wetenschappelijke informatie over een reeks van theorieën, principes en concepten van en gerelateerd aan een beroep of kennisdomein, evenals informatie over enkele belangrijke actuele onderwerpen en specialismen gerelateerd aan het beroep en kennisdomein en geeft deze informatie weer. Communicatievaardigheden: Communiceert doelgericht op basis van in de context en beroepspraktijk geldende conventies met gelijken, specialisten en niet-specialisten, leidinggevenden en cliënten.

Competentie: Verantwoordelijkheid en zelfstandigheid: Werkt samen met specialisten en niet-specialisten, gelijken, leidinggevenden en cliënten. Draagt verantwoordelijkheid voor resultaten van eigen werk en studie en het resultaat van het werk van anderen. Draagt verantwoordelijkheid voor het aansturen van complexe processen en de professionele ontwikkeling van personen en groepen. Formuleert oordelen op grond van onvolledige of beperkte informatie en houdt daarbij rekening met sociaal-maatschappelijke, wetenschappelijke en ethische verantwoordelijkheden, die zijn verbonden aan het toepassen van de eigen kennis en oordelen.

Informatievaardigheden

De intelligencemedewerker heeft:

Communicatieve vaardigheden

De intelligencemedewerker kan:

Overige vaardigheden

De intelligencemedewerker kan:

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

De opsporingsambtenaar is in staat om:

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

De milieuagent vervult een zelfstandige en samenwerkende rol op het gebied van inrichtingsgebonden activiteiten, past kennis m.b.t. afvalstoffen toe, brengt bodemactiviteiten die mogelijk schadelijke gevolgen hebben in kaart en adviseert over de aanpak hiervan, beheerst de wetgeving op het gebied van watergerelateerde zaken actief, werkt probleemgericht en proactief en kan met anderen een project opzetten voor de aanpak of voorkoming van milieuproblematiek. Het werk betreft complexe milieuwetgeving en gebiedsgebonden werk. De milieuagent participeert in een breed netwerk van bestuurlijke tot opsporingsgericht inerte en externe partners en geeft advisering en ondersteuning aan de wijkagent, wijkchef of het lokaal bestuur.

Resultaat

Omgevingsrecht

Afval

Bodem

Water

Natuurlijke omgeving

Een AT’er op de motor beschikt over een zodanige bediening en beheersing van de motorfiets, alsmede over een zodanig anticipatievermogen, verkeersinzicht en beslissingsvaardigheid, dat hij onder aanvaardbare risico's met een offensief tolerante rijstijl in gecompliceerde omstandigheden veilig, snel en zo nodig toch zo onopvallend mogelijk kan rijden op diverse soorten wegen, zowel met als zonder duopassagier. Hij brengt zijn duopassagier desgewenst zodanig in stelling dat deze een aanhouding kan verrichten.

Resultaat

De bestuurder voert o.a. zoekopdrachten uit, achtervolgt andere voertuigen en kan spoedopdrachten uitvoeren. De bestuurder werkt in teamverband, kan onopvallend rijden, is omgevingsbewust, kan werken onder psychische druk en heeft een groot verantwoordelijkheidsgevoel, heeft een offensief tolerante rijstijl en past vrijstellingen evenwichtig toe.

Resultaat

Kwalificatievereisten

Na de opleiding is de student in staat:

KSP modaliteit 2

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijbehorende gedragsindicatoren.

Kerntaak

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. In het geval van de Officier van Dienst Operationeel Centrum is er één kerntaak: Leiding geven aan de operatie vanuit het operationeel centrum.

Werkproces

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De kerntaak Leiding geven aan de operatie vanuit het operationeel centrum kent drie werkprocessen.

Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren benoemd. Deze gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe de officier van dienst operationeel centrum (OvD-OC) wordt opgeleid. Daarmee zijn het die eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat de OvD-OC uitvoert. Gedragsindicatoren die voor deze doelgroep gelden, worden per werkproces puntsgewijs opgesomd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn ook het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR.

Kerntaak 1. Leiding geven aan de operatie vanuit het operationeel centrum.

De recherchemedewerker werkt met explosieven en explosieve mengsels. Hij werkt vaak op een plaats delict die na een explosie veranderd is. Vaak is kenmerkend voor de zaken dat het gaat om sporenvernietiging door het feit zelf. De recherchemedewerker is in staat om (de mogelijke opbouw van) een explosief te reconstrueren, een restantonderzoek uit te voeren en de restanten die op een plaats delict zijn aangetroffen te herkennen. Het werk is fysiek zwaar, brengt veiligheids- en gezondheidsrisico’s met zich mee en men komt mogelijk in aanraking met chemische, biologische of radioactieve stoffen. In het werk kan men geconfronteerd worden met menselijk leed en kan men in aanraking komen met eventuele slachtoffers.

Resultaat

Proces verbaal met daarin:

Past kennis toe / heeft inzicht in de volgende onderwerpen:

De werkzaamheden bestaan uit het aanpakken en volgen van verdachten. De motorrijder is kwetsbaar, maar kan zich ook ‘makkelijk’ door het verkeer bewegen en wordt minder gehinderd door infrastructurele beperkingen. De motorrijder zal regelmatig de brancherichtlijn verkeer moeten overschrijden en moet noodzakelijke inzichten en rijvaardigheid hebben. Belangrijk in het werk is het afwegen van doel en middel (subsidiariteit).

Resultaat

KSP modaliteit 2

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Startbekwame operationele sturing omvat:

vakmatig

contextueel

sociaal

individueel

De bijbehorende examenvereisten zijn:

Vakmatig

Kennis

Vaardigheden

Houding

Contextueel

Kennis

Vaardigheden

Houding

Sociaal

Kennis

Vaardigheden

Houding

Individueel

Kennis

Vaardigheden

Houding

De politiemedewerker dierenwelzijn is competent op het gebied van dierenwelzijn/dierenleed en treedt op in het geval van dierenmishandeling en dierenverwaarlozing. Het gaat om overtreding van regels zoals de Gezondheids- en Welzijnswet Dieren, de Visserijwet, de Flora&Faunawet en het Wetboek van Strafrecht. Hij is in staat om overtredingen op het gebied van dierenwelzijn te signaleren, past hierbij relevante wet- en regelgeving toe en kent het juridisch kader. Bij de uitvoering van het werk moet de politiemedewerker dierenwelzijn samenwerken met specialisten (dierenartsen) en andere toezichts- en opsporingsinstanties. Men kan ook te maken krijgen met psychosociale problemen van de verdachte.

Resultaat

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Examenvereisten opsporing mensenhandel en migratiecriminaliteit

KSP modaliteit 2

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Vakvaardigheden

Praktijkrepertoire

Expertise

De beredene ME wordt ingezet tijdens een inzet van een ME-peloton / groep beredenen waarbij (eventueel) ondersteunende eenheden aanwezig zijn. Kenmerkend is het werken in teamverband, de interactie met het publiek, het optreden in het publiek domein, interactie met andere eenheden, de kans op confrontatie met geweld en escalatie van geweld.

Resultaat

De functionaris wordt tijdens een praktijkoptreden, waarbij een groep of een sectie ME wordt ingezet, ingezet als lid van een groep hondengeleiders. De werkzaamheden hebben betrekking op optreden in het publieke domein. Bij de uitvoering van werkzaamheden is er kans confrontatie met geweld en escalatie van geweld. Er vindt interactie plaats met andere eenheden en interactie met publiek. Er wordt gewerkt in teamverband.

Resultaat

De ME-er is in staat om als lid van een groep/sectie of peloton te functioneren. Hij kan omgaan met zowel voorziene als onvoorziene situaties en stressvolle en fysiek verzwarende omstandigheden. Hij gaat correct om met vuur (ontwijken en afweren molotovcocktails) en met bewapenings- en uitrustingsstukken (wapenstok & schild en traangas). Kenmerkend voor hert werk is het werken in teamverband, het optreden in het kader van CBRN, de interactie met het publiek, het optreden in het publiek domein, interactie met andere eenheden, de kans op confrontatie met geweld en escalatie van geweld.

Resultaat

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijhorende gedragsindicatoren.

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. De EV heeft één belangrijke kerntaak, namelijk het uitvoeren van een CBRN-E veiligheidsonderzoek.

Bij de kerntaken zijn diverse werkprocessen benoemd. Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De volgende werkprocessen kunnen voor een EV onderscheiden worden bij de kerntaak:

Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren uitgewerkt. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat de EV op het niveau van startbekwaamheid uit moet kunnen voeren en om het bijbehorende certificaat te kunnen ontvangen. Per werkproces zijn de relevante competenties verweven in de gedragsindicatoren. Om de kerntaak en werkprocessen adequaat uit te kunnen voeren, dient de EV te beschikken over de volgende competenties: accuratesse, flexibel gedrag, integriteit, mondelinge uitdrukkingsvaardigheid, samenwerken, stressbestendigheid en zelfreflectie.

De competenties zijn dus verweven in de beschreven gedragsindicatoren per werkproces en vormen daarmee een onlosmakelijk onderdeel van onderwijs en examinering.

Het lid van de verkenningseenheid (VE) is in staat om op non-politionele wijze een verkenning uit te voeren, ook tijdens een grootschalig politieoptreden. Tijdens het grootschalig politieoptreden wordt informatie op basis van waarnemingen en observaties verzameld. De ingewonnen informatie wordt vertaalt in korte en zakelijke meldingen. Deze worden gerapporteerd aan de groepscommandant VE. Tijdens de waarneming of observatie is een kans op fysiek-, escalatie- of herkenningsgevaar en kan men te maken krijgen met verstoring van de rechtsorde. Het lid van de VE moet zowel individueel, in koppel- en in groepsverband kunnen werken.

Resultaat

Het ME-lid functioneert als lid van een groep / sectie tijdens ME-inzet op en nabij water op juiste wijze. Hij kan zichzelf tijdens het te water raken redden. Kenmerkend voor het werk zijn de (meestal) multidisciplinaire samenwerking, de inzet van crisis tot incident, een afwijkende werkomgeving waarbij normale referentiekaders niet gelden, individueel grote gevaarzetting met individuele risico’s, de maatschappelijke onrust die kan ontstaan i.v.m. blokkeringen van waterwegen en de kans op mogelijk grote economische schade.

Resultaat

Voert reddingshandelingen uit

Treedt op op en nabij water (o.a. bij ontruiming sluizencomplex vanaf water, blokkade van waterwerk door schip en bij varend openbare orde probleem)

De functionaris kan zichzelf bij het te water raken redden en kan tijdens ME-inzet als commandant van een groep op en nabij water functioneren. De werkzaamheden vinden plaats binnen de ME-structuur, hebben betrekking op grote aantallen mensen en de openbare orde inzet. Bij de uitvoering van werkzaamheden is er kans op geweldgebruik, is de timing van belang en vindt interactie plaats met andere eenheden.

Resultaat

Voert reddingshandelingen uit

Geeft leiding tijdens een praktijkoptreden

De functionaris kan zichzelf bij het te water raken redden en kan tijdens ME-inzet als commandant van een sectie op en nabij water functioneren. De werkzaamheden vinden plaats binnen de ME-structuur, hebben betrekking op grote aantallen mensen en de openbare orde inzet. Bij de uitvoering van werkzaamheden is er kans op geweldgebruik, is de timing van belang en vindt interactie plaats met andere eenheden.

Resultaat

Voert reddingshandelingen uit

Geeft leiding tijdens een praktijkoptreden

De PD onderzoeker verkeer is in staat om een compleet niet uitstelbaar PD onderzoek naar verkeersdelicten zelfstandig uit te voeren en af te handelen en eventueel vervolgonderzoek mogelijk te maken. Hij voert forensisch onderzoek naar de oorzaak, toedracht en gevolgen van een verkeersdelict uit, waarbij de geëigende onderzoeksmethoden en technieken worden toegepast. Hij draagt het onderzoek indien nodig, over aan de specialist en treft de voor de overdracht noodzakelijke maatregelen.

Kerntaken

Resultaat

Sporenleer

Fotogrammetrie

Tekenen

Rekenmodellen

Omgevingsonderzoek

Voertuigonderzoek

Uitvoeren en afronden PD onderzoek

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijbehorende gedragsindicatoren.

Kerntaak

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. In het geval van de PDA-V zijn er twee kerntaken: Lesgeven in vaardigheidsonderwijs en Zorgdragen voor eigen professionele bekwaamheid en ontwikkeling.

Werkproces

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De kerntaken van de PDA-V kennen zeven werkprocessen.

Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren benoemd. Deze gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe in de PDA-V wordt opgeleid. Daarmee zijn het die eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat de vaardigheidsdocent uitvoert. Gedragsindicatoren die voor deze doelgroep gelden, worden per werkproces puntsgewijs opgesomd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn ook het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR.

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijhorende gedragsindicatoren. Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer en zijn voor het werkveld een logische en herkenbare combinatie van leeruitkomsten, passend bij een functie, rol of expertise uit het werkveld.

Leeruitkomsten beschrijven wat een student geacht wordt te weten, te begrijpen en te kunnen toepassen na afronding van een leerperiode of de opleiding in zijn geheel (NVAO, 2015). Om dit inzichtelijk te maken, is dit weergegeven in werkprocessen en bijbehorende competenties en gedragsindicatoren.

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat.

De kerntaken, werkprocessen en gedragsindicatoren voor de PDA-V fase 1 worden in de tabellen hieronder weergegeven.

In 2019 heeft de korpsleiding van de politie zes nieuwe beroepsprofielen vastgesteld. In deze beroepsprofielen beschrijft de politie via de zes politieberoepen welke medewerkers er nodig zijn om het werk uit te kunnen voeren. Het gaat dan over vakbekwame medewerkers. De Politieacademie gebruikt de beroepsprofielen om te kijken welke kwalificaties nodig zijn om politiemensen op te leiden die zijn toegerust op het werk dat ze gaan doen. Het gaat dan om het niveau van startbekwaamheid, omdat iemand naast een goede opleiding ook werkervaring nodig heeft om vakbekwaam te worden.

De Politieacademie levert nieuwe collega’s af die hebben aangetoond dat zij over de noodzakelijke kennis en vaardigheden en over de juiste beroepshouding beschikken om in de praktijk aan de slag te gaan bij de politie. De aangetoonde startbekwaamheid geeft recht op een politiediploma.

Om helder vast te leggen wat wordt verstaan onder de startbekwaamheid, zijn er kwalificaties. In een kwalificatiedossier wordt de vereiste kennis, houding en vaardigheden beschreven op het niveau van startbekwaamheid. Elke kwalificatie binnen een kwalificatiedossier beschrijft de eisen waaraan iemand moet voldoen om zijn diploma te behalen.

Deze kwalificatie hoort bij het beroepsprofiel Politieagent. Voor dit beroep zijn er meerdere kwalificatieniveaus.

Met het aanbieden van een kwalificatie leggen belanghebbende partijen in het politieonderwijs verantwoording af aan de Minister van Justitie en Veiligheid over de kwalificatie van politiemedewerkers. Dit is de verantwoordingsfunctie van de kwalificatie. Daarnaast worden kwalificaties gebruikt om richting te geven aan onderwijsontwikkeling en examinering.

De Politieacademie ontwikkelt kwalificaties in samenwerking met het werkveld en stakeholders. En legt deze voor aan de commissie Kwalificatiestructuur Politieonderwijs (KSP) van de Politieonderwijsraad (hierna: de Raad). Na advies van deze commissie en de Raad stelt de Minister van J&V de kwalificatie vast als deze voldoet aan alle eisen.

In dit document wordt allereerst algemene informatie over de context van het beroep gegeven. Daarna wordt een overzicht weergegeven van de kwalificatiestructuur Politieonderwijs. Vervolgens wordt deze kwalificatie beschreven, in de vorm van kerntaken uitgewerkt in onderliggende bouwstenen, instroomvereisten en beroepsvereisten. Dit begint met een algemene basis, die voor elke kwalificatie gelijk is. Daarna volgt de brede gemeenschappelijke basis, die van toepassing is op meerdere verwante kwalificaties op hetzelfde niveau. Aan de Politieagent (niveau 6) verwante kwalificaties zijn de Rechercheur (niveau 6), de Wijkagent (niveau 6) en de Politieleider (niveau 6). Zij delen gemeenschappelijke kerntaken die maken dat politiefunctionarissen met deze kwalificaties generiek inzetbaar zijn. In de algemene basis en de brede gemeenschappelijke basis wordt daarom gesproken over de Politiefunctionaris, soms aangevuld met specifieke onderdelen voor – in dit geval – Politieagent. Als derde onderdeel zijn de specifieke kerntaken voor deze kwalificatie beschreven. Dit zijn de taken voor de Politieagent (niveau 6). Tot slot is er een bijlage opgenomen, waarin de totstandkoming van deze kwalificatie verantwoord wordt, aan de hand van de criteria die gehanteerd worden door de KSP en de Raad.

Omwille van de leesbaarheid is steeds ‘hij’ gebruikt in de tekst. Waar ‘hij’ staat kan uiteraard ook ‘zij’, ‘hen’ of ‘die’ worden gelezen. Om verder bij te dragen aan de leesbaarheid van deze kwalificatie worden de belangrijkste begrippen vooraf uiteengezet.

Om herhaling in de uitwerking van de bouwstenen te voorkomen, zijn de vaardigheden zoveel mogelijk opgenomen in de leeruitkomsten. Daarom is er alleen een Body of Knowledge (BOK) vormgegeven, gevuld met kennisaspecten. Kerntaken en bouwstenen worden als op zichzelf staande leereenheden benaderd. Om die reden is er bij het lezen van deze kwalificatie kans op herhaling.

De BOK is opgebouwd aan de hand van zogenaamde kernthema’s, passend bij het niveau van de kwalificatie. Kennis op niveau 6 wordt in het NLQF als volgt geduid:

1 Meer informatie over specifieke inzetbaarheid is te vinden in het Staatsblad 2018-204.

De Politiewet omschrijft de taak van de politie als volgt:

De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

De politie is ‘waakzaam en dienstbaar’ aan de waarden van de rechtsstaat. Deze missie vervult de politie door, afhankelijk van de situatie, gevraagd en ongevraagd te beschermen, te begrenzen of te bekrachtigen. Bij het beschermen van mensen gaat het om hun leven, vrijheid en bezittingen. Begrenzen betreft het beperken en beëindigen van ongeoorloofd, al dan niet gewelddadig gedrag. Bekrachtigen heeft te maken met de ondersteuning van gewenst gedrag en het creëren van structurele samenwerkingsverbanden die de veiligheid bevorderen. De politie is zich bewust van zijn taak en positie in de Nederlandse democratie en van zijn dienende rol in de maatschappij. De politie dient dit op een rechtvaardige manier te doen, in de ogen van een enorm divers publiek.

De politieorganisatie kent drie nauw samenwerkende niveaus: lokaal, regionaal en nationaal. Op al deze niveaus spelen ook de internationale en digitale context een rol, want de ontwikkeling van criminaliteit staat steeds meer onder invloed van digitalisering, mondialisering, internationalisering en netwerkvorming. Het werkveld van de politie is heel breed, van meldkamer tot high-tech crime en van tactisch rechercheur tot specialist interventie.

De politie wil haar missie bereiken door:

De vier kernwaarden van de politie vormen de basis voor iedereen die er werkt, namelijk integer, betrouwbaar, moedig en verbindend.

De politie in Nederland kent haar positie in een dynamische samenleving en beweegt zich in een snel veranderende omgeving, waarin nieuwe veiligheidsvraagstukken zich in rap tempo aandienen. Dit vraagt om een flexibele organisatie die weet wat zij wil, die vooruit kijkt en die met haar partners koers bepaalt en vasthoudt en weet wat zij kan: ‘de politie van overmorgen’. De politie van overmorgen:

Deze kwalificatie betreft de politieagent (niveau 6) die inzetbaar is als executief politiemedewerker. De politieagent is doorgaans werkzaam in het operationele politiewerk op een basisteam. Het operationele gebiedsgebonden werk is de core business van de politieagent. Hij levert als operationele en verbindende professional een bijdrage aan de veiligheid in de wijk door de effectieve aanpak van veiligheidsvraagstukken. Hierbij vertaalt de politieagent theoretische inzichten naar concrete toepassingen in de praktijk. Hiermee kan de politieagent werkend in de praktijk zien dat het eigen werk en het werk van het team beter kan en hij kan bewerkstelligen dat dit gebeurt. Op deze manier combineert hij streetwise en sciencewise handelen.

De politieagent overziet de context van wijk, web en wereld en begrijpt de onlosmakelijke verwevenheid daarvan. Hij is doordrongen van de functie van de politie in de samenleving en belichaamt de verbindende en doortastende rol van de politie als handhaver van de rechtsorde in een diverse en complexe samenleving. De politieagent manoeuvreert daartoe op het grensvlak van politie en diverse samenwerkingspartners in het veiligheidsdomein, van burger tot burgemeester. Daarnaast is de politieagent voldoende digitaal vaardig om de eigen functie uit te oefenen in de gedigitaliseerde samenleving.

Vanuit zijn basis in het operationele politiewerk, werkt de politieagent aan de aanpak van veiligheids- en leefbaarheidsvraagstukken. Deze vraagstukken raken direct aan het werkgebied van het basisteam en het politiewerk daarbinnen. Hierbij is hij in staat om maatschappelijke ontwikkelingen te signaleren, te analyseren en te onderzoeken en deze te koppelen aan zijn taak binnen het basisteam. Hij kan over incidenten heen kijken en werken aan grotere vraagstukken. Hij overziet de situatie en kan op basis van een analyse in (multidisciplinaire) samenwerking betekenisvolle interventies ontwikkelen. Op basis hiervan ontwikkelt hij betekenisvolle aanpakken binnen (multidisciplinaire) samenwerkingsverbanden. Door zijn netwerk en inzicht in zowel de politieorganisatie als de (bestuurlijke) context weet hij beweging binnen en buiten de eigen organisatie op gang te brengen. Tot slot wordt van de politieagent verwacht dat hij de aanpak van veiligheidsvraagstukken kan monitoren en evalueren om op deze manier beleid te beïnvloeden en het politiewerk te verbeteren.

De kwalificatie Politieagent (niveau 6) is gebaseerd op het beroepsprofiel Politieagent en heeft een link naar diverse functies in het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP).

De politieagent beweegt zich in uniform in de publieke ruimte en dat brengt verplichtingen met zich mee en vereist een professionele beroepshouding. Dit geldt óók voor de startbekwame politieagent op niveau 6. Hij handelt met durf en daadkracht (en volgens de geldende kernwaarden) en op basis van inschatting van eigen mogelijkheden. Hij stapt naar voren waar anderen terugdeinzen. Ook onder "druk" moet hij kunnen functioneren en zich ervan bewust zijn dat zijn handelen onder een vergrootglas ligt.

De typerende beroepshouding van de politieagent (niveau 6) sluit aan bij zijn rol en positie als verbinder in het operationele politiewerk. Hij doorkruist vanuit zijn operationele functie in het basisteam het dominante onderscheid dat veelal wordt gemaakt tussen werkvloer, leidinggevenden en interne processen en domeinen en staat op het grensvlak van de eigen en andere organisaties. Dit vraagt van de politieagent dat hij de institutionele standaarden en identiteit van de politie kent, begrijpt en zich eigen maakt en dat hij leert zijn omgeving te beïnvloeden. Hij is betrouwbaar en vervult daarin een verbindende, soms een regisserende en de andere maal een meer faciliterende rol, zowel intern als extern en voegt een analytische houding toe aan de dagelijkse operationele werkpraktijk. Hij begrijpt de organisatie waarin hij werkt, analyseert de taken en werkprocessen, signaleert beperkingen en weet beweging op gang te brengen om zo bij te dragen aan de kwaliteitsversterking binnen het basisteam. De politieagent is zich bewust van zijn voorbeeldfunctie binnen het basisteam. Als aanjager van verandering weet hij om te gaan met en kan inspelen op de onduidelijkheid, weerstanden en conflicterende perspectieven die deze rol met zich mee kan brengen. Hij toont moed en kan omgaan met de uitdagingen die kunnen optreden als gevolg van zijn positie.

Ten aanzien van het werk is de politieagent fysiek, mentaal en moreel weerbaar en wendbaar. In snel veranderende situaties houdt hij overzicht en weet hij efficiënt en passend te reageren op basis van zijn kennis, vaardigheden en ervaring. Vanuit zijn operationele werkzaamheden en in wederkerige samenwerking met zijn collega’s op verschillende niveaus, waarbij het steeds gaat om het vraagstuk wie het beste kan bijdragen aan de oplossing. Binnen multidisciplinaire samenwerkingsverbanden vertrekt hij vanuit de kernwaarden van de politie en verbindt hij deze aan gemeenschappelijke belangen en doelstellingen. Verder is de politieagent continue in staat om te reflecteren op het eigen handelen en het handelen van anderen. Hiertoe volstaat hij niet met een kritische houding ten opzichte van werkpraktijken, maar werkt hij aan verbeteringen van het werkproces op basis van eigen initiatief en praktische bewijslast. Daarbij staat het te bereiken effect centraal en dienen procedures en standaarden faciliterend te zijn. De politieagent heeft de durf om hiervan soms beargumenteerd af te wijken indien de situatie daarom vraagt.

Het afwisselen van handelingsrepertoire is kenmerkend voor zijn rol; van een ferme, zelfverzekerde houding tot een terughoudende, observerende opstelling. Op deze manier weet hij betekenisvolle interventies en creatieve oplossingen in de actiegerichte beroepspraktijk in te bedden en maatschappelijk effect te bereiken.

In onderstaande afbeelding is de nieuwe Kwalificatiestructuur Politieonderwijs gevisualiseerd.

Instroomeisen en startvereisten

De kwalificatie is ontwikkeld voor iedereen die voldoet aan de in wet- en regelgeving vastgestelde aanstellingseisen en is aangesteld bij de Nederlandse politie.

Beroepsvereisten

Bij beroepsvereisten is bij wet vastgesteld dat er voorwaarden zijn waaraan moet worden voldaan om een bepaald beroep of bepaalde beroepshandelingen uit te mogen oefenen. In het geval van de politie hebben deze in algemene zin betrekking op het juridische kader gerelateerd aan de aanstelling als ambtenaar ter uitvoering van de politietaak. Meer specifiek hebben wettelijke beroepsvereisten betrekking op bijvoorbeeld het gebruik van geweldsmiddelen en het op de openbare weg rijden in een politievoertuig met optische en geluidssignalen. Wettelijke beroepsvereisten zijn vastgelegd in een nationale of internationale wet of verdrag.

Onderdeel van deze kwalificatie zijn de beroepsvereisten op het gebied van:

De bijhorende kwalificatievereisten zijn opgenomen in bijlagen 2 tot en met 5.

Beroepsprofiel

Deze kwalificatie is gebaseerd op het beroepsprofiel Politieagent.

Doelmatigheid

In het LFNP zijn functiebeschrijvingen geformuleerd in termen van vakbekwaamheid. De kwalificatie politieagent correspondeert met de functie van senior GGP/GGP/Tactische Opsporing (startbekwaam, breed inzetbaar). Met deze kwalificatie is tevens de basis gelegd voor de functie van Operationeel Expert GGP/GGP/Tactische Opsporing en de functies in de kolom van Operationeel Specialist.

Navolgbaarheid

Deze kwalificatie is gebaseerd op het beroepsprofiel Politieagent. Daarnaast is gebruik gemaakt van schriftelijke bronnen: onderliggende documentatie van de beroepsprofielen, diverse rapporten over trends en ontwikkelingen binnen en rond de politie, rapporten van de Politieonderwijsraad, informatie over ontwikkelingen in regulier onderwijs, politiedocumenten met informatie over werkprocessen, enzovoort. Daarnaast zijn veel direct en indirect betrokkenen bevraagd in werksessies, klankbordsessies, bijeenkomsten voor collegiale consultatie en individuele gesprekken.

De werksessies waren gericht op het ophalen en uitwisselen van informatie uit het werkveld. In de werksessies waren vertegenwoordigers aanwezig vanuit het werkveld en vanuit de Politieacademie. Er heeft zorgvuldige afstemming plaatsgevonden over de samenstelling van de groepen.

In de klankbordsessies zijn de vier dossiers op niveau 6 in gezamenlijkheid besproken. Deze sessies waren gericht op het toetsen van de uitwerking van de informatie uit de werksessies. In de klankbordgroep zaten vertegenwoordigers van openbaar bestuur, openbaar ministerie, het regulier onderwijs, de Politieonderwijsraad, de politievakbonden, Directie Operatiën, Directie HRM, ministerie J&V en Politieacademie. De bijeenkomsten voor collegiale consultatie waren gericht op het controleren van de uitwerkingen op toekomstgerichtheid. De individuele gesprekken waren zeer divers van aard.

Samenhang/doorstroommogelijkheden

Op dit moment loopt de uitwerking van de beroepsprofielen richting kwalificatie nog. De samenhang en de doorstroommogelijkheden zijn dus nog niet volledig te beschrijven. De samenhang tussen de vier kwalificaties op niveau 6 is groot. In het format wordt hiermee rekening gehouden door te werken met een algemene basis die voor elke kwalificatie gelijk is. Daarna volgen de brede gemeenschappelijke kerntaken, die van toepassing zijn op meerdere verwante kwalificaties op hetzelfde niveau. Tenslotte worden de profiel specifieke kerntaken weergegeven. Hiermee wordt de overlap zichtbaar. Horizontale doorstroom tussen deze beroepen is mogelijk, evenals doorstroom naar een hoger kwalificatieniveau binnen het beroep. Daarnaast is doorstroom naar vakspecialistisch politieonderwijs mogelijk.

Niveau

Uitgangspunt voor het formuleren van de kwalificatie is niveau 6. Het niveau wordt door de formulering van de kerntaken, bouwstenen en bijbehorende leeruitkomsten op de volgende manier geborgd:

Dit wil niet zeggen dat álle leeruitkomsten op niveau 6 zijn beschreven. De kerntaken en bouwstenen zijn beschreven op niveau 6. Het kan zijn dat een aantal leeruitkomsten op een niveau hoger of lager zijn geformuleerd op basis van de verkregen input. Vanuit de best-fit methode zijn alle leeruitkomsten bekeken en is vervolgens bepaald welk niveau het best bij het geheel van de kwalificatie past. Voor deze kwalificatie is dat niveau 6.

Toekomstige ontwikkelingen

Kwalificaties zijn in samenhang per niveau ontwikkeld. Kwalificaties zijn in een zekere mate van abstractie geformuleerd om hiermee zowel richting als ruimte te bieden en toekomstbestendig te zijn. Toekomstige ontwikkelingen kunnen te allen tijde impact hebben op kwalificaties, maar in de gekozen formulering is steeds kritisch gekeken naar mogelijkheden om deze ontwikkelingen ook te kunnen omvatten. Verder zijn er in de komende jaren binnen de politie ontwikkelingen te verwachten op het gebied van het gewenste opleidingsniveau van de medewerkers. Deze ontwikkelingen kunnen ook impact hebben op de kwalificaties op niveau 6.

Wettelijke kaders

Deze kwalificatie voldoet aan de in de Politiewet gestelde eisen aan politieonderwijs.

De politiemedewerker is fysiek en motorisch weerbaar. De politiemedewerker heeft inzicht in zijn politiespecifieke conditie en fysieke vaardigheden die nodig zijn om het vak professioneel uit te voeren.

Kwalificatievereisten

De politiemedewerker legt een uitgezet circuit af binnen een gestelde tijd. Het circuit bestaat uit onderdelen waarbij uithoudingsvermogen, snelheid-versnelling (stuwkracht), duw-, trek-, en tilkracht moeten worden aangetoond.

De eisen waaraan moet worden voldaan zijn gerelateerd aan de leeftijd en het geslacht van de kandidaat en zijn vastgelegd in de Regeling Fysieke vaardigheidstoets politie.

Bronnen

De bestuurder van een politieauto controleert het voertuig, beheerst het voertuig tijdens het rijden en neemt op een veilige manier deel aan het verkeer. De bestuurder kan waarnemen, anticiperen en naar de bestemming rijden, al dan niet met spoed, en zet tijdens gebruik van de politieauto de optische- en geluidssignalen en de ontheffing juist in. Kenmerken van het werk zijn onder andere het optreden van surveillance tot incident, de kans op fysiek gevaar voor anderen en zelf, en er kan sprake zijn van een verstoring van het ‘normale’ verkeer.

Kwalificatievereisten

De politiemedewerker:

Bronnen

De politiemedewerker kent de juridische kaders van het optreden als ambtenaar aangesteld voor de uitoefening van de politietaak, en beheerst voor dit optreden met betrekking tot de geweldsmiddelen de vaardigheden (aanhouding en zelfverdediging en schieten).

De politiemedewerker onderhoudt en controleert de uitrusting, beheerst het gebruik van communicatietechnieken, hanteert de aanhoudings- en zelfverdedigingshoudingen en past het gebruik van geweldsmiddelen juist toe. De politiemedewerker kan waarnemen, anticiperen en per situatie proportioneel handelen. De politiemedewerker kan reflecteren op zijn en andermans handelen om hiervan te leren. Kenmerken van het werk zijn onder andere het optreden van surveillance tot incident tot crisis met de kans op fysiek gevaar voor anderen en zelf.

Kwalificatievereisten

De politiemedewerker:

Overall

Geweldsbeheersing

AZV

Schieten

Bronnen

De politiemedewerker is beschikbaar voor hulpverleningsvragen, handelt hulpverleningsvragen zelfstandig af, stabiliseert de situatie van slachtoffers en draagt zorg voor overdracht. De politiemedewerker kent de juridische kaders van het optreden als ambtenaar aangesteld voor de uitoefening van de politietaak voor hen die dat behoeven waar geen andere hulp voor handen is, werkt veilig, verleent hulp conform ABCDE-methode en beheerst voor het optreden als hulpverlener de (levensreddende dan wel stabiliserende) handelingen conform protocollen EHDP.

De politiemedewerker onderhoudt en controleert de hulpmiddelen, beheerst het gebruik van AED, hanteert de eerste hulphandeling en past deze juist toe. De politiemedewerker kan waarnemen, anticiperen en per situatie levensreddend handelen. De politiemedewerker kan reflecteren op zijn en andermans handelen om hiervan te leren. Kenmerken van het werk zijn onder andere het optreden met de kans op fysiek gevaar voor anderen en zelf.

Kwalificatievereisten

De politiemedewerker:

Overall

(Levensreddende) Hulpverlening

Bronnen

In 2019 heeft de korpsleiding van de politie zes nieuwe beroepsprofielen vastgesteld. In deze beroepsprofielen beschrijft de politie via de zes politieberoepen welke medewerkers er nodig zijn om het werk uit te kunnen voeren. Het gaat dan over vakbekwame medewerkers. De Politieacademie gebruikt de beroepsprofielen om te kijken welke kwalificaties nodig zijn om politiemensen op te leiden die zijn toegerust op het werk dat ze gaan doen. Het gaat dan om het niveau van startbekwaamheid, omdat iemand naast een goede opleiding ook werkervaring nodig heeft om vakbekwaam te worden.

De Politieacademie levert nieuwe collega’s af die hebben aangetoond dat zij over de noodzakelijke kennis en vaardigheden en over de juiste beroepshouding beschikken om in de praktijk aan de slag te gaan bij de politie. De aangetoonde startbekwaamheid geeft recht op een politiediploma.

Om helder vast te leggen wat wordt verstaan onder de startbekwaamheid, zijn er kwalificaties. In een kwalificatiedossier wordt de vereiste kennis, houding en vaardigheden beschreven op het niveau van startbekwaamheid. Elke kwalificatie binnen een kwalificatiedossier beschrijft de eisen waaraan iemand moet voldoen om zijn diploma te behalen.

Deze kwalificatie hoort bij het beroepsprofiel Politieagent. Voor dit beroep zijn er meerdere kwalificatieniveaus.

Met het aanbieden van een kwalificatie leggen belanghebbende partijen in het politieonderwijs verantwoording af aan de Minister van Justitie en Veiligheid over de kwalificatie van politiemedewerkers. Dit is de verantwoordingsfunctie van de kwalificatie. Daarnaast worden kwalificaties gebruikt om richting te geven aan onderwijsontwikkeling en examinering.

De Politieacademie ontwikkelt kwalificaties in samenwerking met het werkveld en stakeholders. En legt deze voor aan de commissie Kwalificatiestructuur Politieonderwijs (KSP) van de Politieonderwijsraad (hierna: de Raad). Na advies van deze commissie en de Raad stelt de Minister van J&V de kwalificatie vast als deze voldoet aan alle eisen.

In dit document wordt allereerst algemene informatie over de context van het beroep gegeven. Daarna wordt een overzicht weergegeven van de kwalificatiestructuur Politieonderwijs. Vervolgens wordt iedere kwalificatie beschreven, in de vorm van kerntaken uitgewerkt in onderliggende bouwstenen, instroomvereisten en beroepsvereisten. Dit begint met een algemene basis, die voor elke kwalificatie gelijk is. Daarna volgt de gemeenschappelijke basis, die van toepassing is op meerdere verwante kwalificaties op hetzelfde niveau. Aan de Politieagent GGP (niveau 4) verwante kwalificatie is de politieagent Opsporing (niveau 4). Zij delen gemeenschappelijke kerntaken die maken dat politiefunctionarissen met deze kwalificaties generiek inzetbaar zijn. In de algemene basis en de brede gemeenschappelijke basis wordt daarom soms gesproken over Politiefunctionaris. Als derde onderdeel zijn de specifieke kerntaken voor deze kwalificatie beschreven. Dit zijn de taken voor de Politieagent GGP (niveau 4). Tot slot is er een bijlage opgenomen, waarin de totstandkoming van deze kwalificatie verantwoord wordt, aan de hand van de criteria die gehanteerd worden door de KSP en de Raad.

Omwille van de leesbaarheid is steeds ‘hij’ gebruikt in de tekst. Waar ‘hij’ staat kan uiteraard ook ‘zij’, ‘hen’ of ‘die’ worden gelezen. Om verder bij te dragen aan de leesbaarheid van deze kwalificatie worden de belangrijkste begrippen vooraf uiteengezet.

Om herhaling in de uitwerking van de bouwstenen te voorkomen, zijn de vaardigheden zoveel mogelijk opgenomen in de leeruitkomsten. Daarom is er alleen een Body of Knowledge (BOK) vormgegeven, gevuld met kennisaspecten. Kerntaken en bouwstenen worden als op zichzelf staande leereenheden benaderd. Om die reden is er bij het lezen van deze kwalificatie kans op herhaling.

De BOK is opgebouwd aan de hand van zogenaamde kernthema’s, passend bij het niveau van de kwalificatie. Kennis op niveau 4 wordt in het NLQF als volgt geduid:

1 Meer informatie over specifieke inzetbaarheid is te vinden in het Staatsblad 2018-204.

De Politiewet omschrijft de taak van de politie als volgt:

De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

De politie is ‘waakzaam en dienstbaar’ aan de waarden van de rechtsstaat. Deze missie vervult de politie door, afhankelijk van de situatie, gevraagd en ongevraagd te beschermen, te begrenzen of te bekrachtigen. Bij het beschermen van mensen gaat het om hun leven, vrijheid en bezittingen. Begrenzen betreft het beperken en beëindigen van ongeoorloofd, al dan niet gewelddadig gedrag. Bekrachtigen heeft te maken met de ondersteuning van gewenst gedrag en het creëren van structurele samenwerkingsverbanden die de veiligheid bevorderen. De politie is zich bewust van zijn taak en positie in de Nederlandse democratie en van zijn dienende rol in de maatschappij. De politie dient dit op een rechtvaardige manier te doen, in de ogen van een enorm divers publiek.

De politieorganisatie kent drie nauw samenwerkende niveaus: lokaal, regionaal en nationaal. Op al deze niveaus spelen ook de internationale en digitale context een rol, want de ontwikkeling van criminaliteit staat steeds meer onder invloed van digitalisering, mondialisering, internationalisering en netwerkvorming. Het werkveld van de politie is heel breed, van meldkamer tot high-tech crime en van tactisch rechercheur tot specialist interventie.

De politie wil haar missie bereiken door:

De vier kernwaarden van de politie vormen de basis voor iedereen die er werkt, namelijk integer, betrouwbaar, moedig en verbindend.

De politie in Nederland kent haar positie in een dynamische samenleving en beweegt zich in een snel veranderende omgeving, waarin nieuwe veiligheidsvraagstukken zich in rap tempo aandienen. Dit vraagt om een flexibele organisatie die weet wat zij wil, die vooruit kijkt en die met haar partners koers bepaalt en vasthoudt en weet wat zij kan: ‘de politie van overmorgen’. De politie van overmorgen:

Deze kwalificatie betreft de politieagent GGP. De politieagent GGP is werkzaam binnen het basisteam. Via de algemene en brede gemeenschappelijke kerntaken krijgt hij de juiste vorming om breed generiek inzetbaar te zijn en daarnaast heeft hij via de specifieke kerntaken een focus richting gebiedsgebonden politiewerk.

De politieagent GGP is een executieve, generiek inzetbare politiefunctionaris die beschikt over alle politiebevoegdheden. Hij is waardegedreven, fysiek, mentaal en moreel weerbaar en belast met de uitvoering van uit de Politiewet voortvloeiende taken: “handhaven van de rechtsorde en hulp verlenen aan hen die deze behoeven”. De politieagent GGP handelt subsidiair en proportioneel en beschikt daarbij over het vermogen om horizontaal te schakelen tussen handhaving, opsporing en hulpverlening. De politieagenten GGP is breed inzetbaar, op meerdere werkterreinen en in meerdere rollen in het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP). Hij is regelmatig herkenbaar aanwezig op straat. Hij is voldoende digitaal vaardig om zijn eigen functie uit te oefenen in de gedigitaliseerde samenleving. Hij draagt bij aan een veilige en leefbare wijk, stad of regio.

De belangrijkste werkzaamheden van de politieagent GGP zijn:

De kwalificatie politieagent GGP is gebaseerd op het beroepsprofiel Politieagent en heeft een link naar diverse functies in het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP).

De politieagent GGP is breed inzetbaar in het basisteam, met een focus op gebiedsgebonden politiewerk. Hij beweegt zich in uniform in de publieke ruimte en dat brengt verplichtingen met zich mee en vereist een professionele beroepshouding. Hij handelt met durf en daadkracht en op basis van inschatting van eigen mogelijkheden. Hij stapt naar voren waar anderen terugdeinzen. Ook onder "druk" moet hij kunnen functioneren en zich ervan bewust zijn dat zijn handelen onder een vergrootglas ligt. Dit vereist flexibiliteit, improviserend vermogen en doorzettingsvermogen. Hij moet fysiek en mentaal fit zijn. Hij heeft de wil om te blijven leren. De politieagent GGP werkt volgens wettelijke regelgeving, interne beleidskaders en procedures. Die regelgeving en beleidskaders zijn echter algemeen van karakter, terwijl de politieagent GGP in het werk juist geconfronteerd wordt met unieke situaties. Vanuit discretionaire bevoegdheid kiest de politieagent GGP de meest passende aanpak voor die situatie, soms voorbij aan de gestelde kaders. De keuze voor een aanpak wordt – naast regelgeving – ook in hoge mate bepaald door beroepsethiek en reflecterend vermogen. De dilemma’s die dit met zich meebrengt, vereisen een sterk moreel kompas. Hij geeft rekenschap over zijn handelen en de keuzes die hij maakt, zowel binnen als buiten de organisatie en voor zichzelf. Van de politieagent GGP wordt verwacht dat hij zowel in stabiele als in stressvolle situaties verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen handelen, maar ook goed kan samenwerken, met collega’s, burgers en partners in het veiligheidsnetwerk maar ook andere instanties zoals zorg en onderwijs. De politieagent GGP heeft het vermogen om zijn werk te kunnen doen onder veranderende omstandigheden.

In onderstaande afbeelding is de nieuwe Kwalificatiestructuur Politieonderwijs gevisualiseerd.

Instroomeisen en startvereisten

De kwalificatie is ontwikkeld voor iedereen die voldoet aan de in wet- en regelgeving vastgestelde aanstellingseisen en is aangesteld bij de Nederlandse politie.

Beroepsvereisten

Bij beroepsvereisten is bij wet vastgesteld dat er voorwaarden zijn waaraan moet worden voldaan om een bepaald beroep of bepaalde beroepshandelingen uit te mogen oefenen. In het geval van de politie hebben deze in algemene zin betrekking op het juridische kader gerelateerd aan de aanstelling als ambtenaar ter uitvoering van de politietaak. Meer specifiek hebben wettelijke beroepsvereisten betrekking op bijvoorbeeld het gebruik van geweldsmiddelen en het op de openbare weg rijden in een politievoertuig met optische en geluidssignalen. Wettelijke beroepsvereisten zijn vastgelegd in een nationale of internationale wet of verdrag.

Onderdeel van deze kwalificatie zijn de beroepsvereisten op het gebied van:

De bijhorende kwalificatievereisten zijn opgenomen in bijlagen 2 tot en met 5.

Beroepsprofiel

Deze kwalificatie is gebaseerd op het beroepsprofiel Politieagent.

Doelmatigheid

In het LFNP zijn de functielagen Medewerker en Generalist onderscheiden. Functiebeschrijvingen zijn geformuleerd in termen van vakbekwaamheid. De kwalificatie Politieagent GGP correspondeert met de functie Medewerker GGP (startbekwaam, breed inzetbaar). Met deze kwalificaties is tevens de basis gelegd voor de functielagen Generalist en Senior.

Navolgbaarheid

Deze kwalificatie is gebaseerd op het beroepsprofiel Politieagent. Daarnaast is gebruik gemaakt van schriftelijke bronnen: onderliggende documentatie van de beroepsprofielen, diverse rapporten over trends en ontwikkelingen binnen en rond de politie, rapporten van de Politieonderwijsraad, informatie over ontwikkelingen in regulier onderwijs, politiedocumenten met informatie over werkprocessen, enzovoort. Daarnaast zijn veel direct en indirect betrokkenen bevraagd in werksessies, klankbordsessies, bijeenkomsten voor collegiale consultatie en individuele gesprekken.

De werksessies waren gericht op het ophalen en uitwisselen van informatie uit het werkveld. De werksessies van Politieagent en Rechercheur zijn gecombineerd. In de werksessies waren vertegenwoordigers aanwezig vanuit diverse eenheden (sectorhoofden, medewerkers politieprofessie, politiekundigen, wijkagenten, hoofdagenten, VVC-coördinatoren, medewerkers DR, coördinator specialistisch team LE), vanuit de Staf Korpsleiding (directie HRM en directie Operatiën), vanuit de portefeuilles GGP en Opsporing en vanuit de Politieacademie (docenten en beleidsadviseurs).

Ook in de klankbordsessies zijn de Politieagent en de Rechercheur gecombineerd. Deze sessies waren gericht op het toetsen van de uitwerking van de informatie uit de werksessies. In de klankbordgroep zaten vertegenwoordigers van openbaar bestuur, openbaar ministerie, het regulier onderwijs, de Politieonderwijsraad, de politievakbonden, Directie Operatiën, Directie HRM, ministerie J&V en Politieacademie. De bijeenkomsten voor collegiale consultatie waren gericht op het controleren van de uitwerkingen op toekomstgerichtheid. De individuele gesprekken waren zeer divers van aard.

Samenhang/doorstroommogelijkheden

Op dit moment loopt de uitwerking van de beroepsprofielen richting kwalificatiedossiers nog. De samenhang en de doorstroommogelijkheden zijn dus nog niet volledig te beschrijven.

De samenhang tussen de kwalificaties Politieagent GGP en Politieagent Opsporing is groot, er is sprake van overlap op 4 van de 7 kerntaken, 11 van de 18 bouwstenen. Horizontale doorstroom tussen deze beroepen is mogelijk, evenals doorstroom naar een hoger kwalificatieniveau binnen het beroep. Daarnaast is doorstroom naar vakspecialistisch politieonderwijs mogelijk.

Niveau

Uitgangspunt voor het formuleren van de kwalificaties Politieagent GGP en Politieagent Opsporing is niveau 4. Het niveau wordt door de formulering van de kerntaken, bouwstenen en bijbehorende leeruitkomsten op de volgende manier geborgd:

Dit wil niet zeggen dat álle leeruitkomsten op niveau 4 zijn beschreven. De kerntaken en bouwstenen zijn beschreven op niveau 4. Het kan zijn dat een aantal leeruitkomsten op een niveau hoger of lager zijn geformuleerd op basis van de verkregen input. Vanuit de best-fit methode zijn alle leeruitkomsten bekeken en is vervolgens bepaald welk niveau het best bij het geheel van de kwalificatie past. Voor deze kwalificatie is dat niveau 4.

Toekomstige ontwikkelingen

Kwalificaties zijn in samenhang per niveau ontwikkeld. Kwalificaties zijn in een zekere mate van abstractie geformuleerd om hiermee zowel richting als ruimte te bieden en toekomstbestendig te zijn. Toekomstige ontwikkelingen kunnen te allen tijde impact hebben op kwalificaties, maar in de gekozen formulering is steeds kritisch gekeken naar mogelijkheden om deze ontwikkelingen ook te kunnen omvatten. Verder zijn er in de komende jaren binnen de politie ontwikkelingen te verwachten op het gebied van het gewenste opleidingsniveau van de medewerkers. Deze ontwikkelingen kunnen ook impact hebben op de kwalificaties op niveau 4.

Wettelijke kaders

Deze kwalificatie voldoet aan de in de Politiewet gestelde eisen aan politieonderwijs.

De politiemedewerker is fysiek en motorisch weerbaar. De politiemedewerker heeft inzicht in zijn politiespecifieke conditie en fysieke vaardigheden die nodig zijn om het vak professioneel uit te voeren.

Kwalificatievereisten

De politiemedewerker legt een uitgezet circuit af binnen een gestelde tijd. Het circuit bestaat uit onderdelen waarbij uithoudingsvermogen, snelheid-versnelling (stuwkracht), duw-, trek-, en tilkracht moeten worden aangetoond.

De eisen waaraan moet worden voldaan zijn gerelateerd aan de leeftijd en het geslacht van de kandidaat en zijn vastgelegd in de Regeling Fysieke vaardigheidstoets politie.

Bronnen

De bestuurder van een politieauto controleert het voertuig, beheerst het voertuig tijdens het rijden en neemt op een veilige manier deel aan het verkeer. De bestuurder kan waarnemen, anticiperen en naar de bestemming rijden, al dan niet met spoed, en zet tijdens gebruik van de politieauto de optische- en geluidssignalen en de ontheffing juist in. Kenmerken van het werk zijn onder andere het optreden van surveillance tot incident, de kans op fysiek gevaar voor anderen en zelf, en er kan sprake zijn van een verstoring van het ‘normale’ verkeer.

Kwalificatievereisten

De politiemedewerker:

Bronnen

De politiemedewerker kent de juridische kaders van het optreden als ambtenaar aangesteld voor de uitoefening van de politietaak, en beheerst voor dit optreden met betrekking tot de geweldsmiddelen de vaardigheden (aanhouding en zelfverdediging en schieten).

De politiemedewerker onderhoudt en controleert de uitrusting, beheerst het gebruik van communicatietechnieken, hanteert de aanhoudings- en zelfverdedigingshoudingen en past het gebruik van geweldsmiddelen juist toe. De politiemedewerker kan waarnemen, anticiperen en per situatie proportioneel handelen. De politiemedewerker kan reflecteren op zijn en andermans handelen om hiervan te leren. Kenmerken van het werk zijn onder andere het optreden van surveillance tot incident tot crisis met de kans op fysiek gevaar voor anderen en zelf.

Kwalificatievereisten

De politiemedewerker:

Overall

Geweldsbeheersing

AZV

Schieten

Bronnen

De politiemedewerker is beschikbaar voor hulpverleningsvragen, handelt hulpverleningsvragen zelfstandig af, stabiliseert de situatie van slachtoffers en draagt zorg voor overdracht. De politiemedewerker kent de juridische kaders van het optreden als ambtenaar aangesteld voor de uitoefening van de politietaak voor hen die dat behoeven waar geen andere hulp voor handen is, werkt veilig, verleent hulp conform ABCDE-methode en beheerst voor het optreden als hulpverlener de (levensreddende dan wel stabiliserende) handelingen conform protocollen EHDP.

De politiemedewerker onderhoudt en controleert de hulpmiddelen, beheerst het gebruik van AED, hanteert de eerste hulphandeling en past deze juist toe. De politiemedewerker kan waarnemen, anticiperen en per situatie levensreddend handelen. De politiemedewerker kan reflecteren op zijn en andermans handelen om hiervan te leren. Kenmerken van het werk zijn onder andere het optreden met de kans op fysiek gevaar voor anderen en zelf.

Kwalificatievereisten

De politiemedewerker:

Overall

(Levensreddende) Hulpverlening

Bronnen

In 2019 heeft de korpsleiding van de politie zes nieuwe beroepsprofielen vastgesteld. In deze beroepsprofielen beschrijft de politie via de zes politieberoepen welke medewerkers er nodig zijn om het werk uit te kunnen voeren. Het gaat dan over vakbekwame medewerkers. De Politieacademie gebruikt de beroepsprofielen om te kijken welke kwalificaties nodig zijn om politiemensen op te leiden die zijn toegerust op het werk dat ze gaan doen. Het gaat dan om het niveau van startbekwaamheid, omdat iemand naast een goede opleiding ook werkervaring nodig heeft om vakbekwaam te worden.

De Politieacademie levert nieuwe collega’s af die hebben aangetoond dat zij over de noodzakelijke kennis en vaardigheden en over de juiste beroepshouding beschikken om in de praktijk aan de slag te gaan bij de politie. De aangetoonde startbekwaamheid geeft recht op een politiediploma.

Om helder vast te leggen wat wordt verstaan onder de startbekwaamheid, zijn er kwalificaties. In een kwalificatiedossier wordt de vereiste kennis, houding en vaardigheden beschreven op het niveau van startbekwaamheid. Elke kwalificatie binnen een kwalificatiedossier beschrijft de eisen waaraan studenten moeten voldoen om hun diploma te behalen.

Met het aanbieden van een kwalificatie leggen belanghebbende partijen in het politieonderwijs verantwoording af aan de Minister van Justitie en Veiligheid over de kwalificatie van politiemedewerkers. Dit is de verantwoordingsfunctie van de kwalificatie. Daarnaast worden kwalificaties gebruikt om richting te geven aan onderwijsontwikkeling en examinering.

De Politieacademie ontwikkelt kwalificaties in samenwerking met het werkveld en stakeholders. En legt deze voor aan de commissie Kwalificatiestructuur Politieonderwijs (KSP) van de Politieonderwijsraad (hierna: de Raad). Na advies van deze commissie en de Raad stelt de Minister van J&V de kwalificatie vast als deze voldoet aan alle eisen.

In dit document wordt allereerst algemene informatie over de context van het beroep gegeven. Daarna wordt een overzicht weergegeven van de kwalificatiestructuur Politieonderwijs. Vervolgens wordt deze kwalificatie beschreven, in de vorm van kerntaken uitgewerkt in onderliggende bouwstenen, instroomvereisten en beroepsvereisten. Dit begint met een algemene basis, die voor elke kwalificatie gelijk is. Omdat de algemene basis geldt voor alle kwalificaties op alle niveaus, wordt er gesproken over ‘de Politiefunctionaris’. Daarna volgt de brede gemeenschappelijke basis. Deze taken hebben qua opbouw verwantschap met andere kwalificaties in de kwalificatiestructuur politieonderwijs. Voor de politieboa op niveau 2 zijn er geen specifieke kerntaken. Tot slot is er een bijlage opgenomen, waarin de totstandkoming van het kwalificatiedossier verantwoord wordt, aan de hand van de criteria die gehanteerd worden door de KSP en de Raad. Om verder bij te dragen aan de leesbaarheid van dit dossier worden de belangrijkste begrippen vooraf uiteengezet.

Om herhaling in de uitwerking van de bouwstenen te voorkomen, zijn de vaardigheden zoveel mogelijk opgenomen in de leeruitkomsten. Daarom is er alleen een Body of Knowledge (BOK) opgenomen, gevuld met kennisaspecten. Kerntaken en onderliggende bouwstenen worden als op zichzelf staande leereenheden benaderd. Om die reden is er bij het lezen van deze kwalificatie kans op herhaling.

De BOK is opgebouwd aan de hand van zogenaamde kernthema’s, passend bij het niveau van de kwalificatie. Kennis op niveau 2 wordt in het NLQF geduid met kennis van feiten, zienswijzen, processen, materialen, middelen en basisbegrippen van- en gerelateerd aan een beroep en/of kennisdomein.

1 Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar. (2023, 1 juli). Geraadpleegd van Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar.

2 Meer informatie over specifieke inzetbaarheid is te vinden in het Staatsblad 2018-204.

De Politiewet omschrijft de taak van de politie als volgt:

De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

De politie is ‘waakzaam en dienstbaar’ aan de waarden van de rechtsstaat. Deze missie vervult de politie door, afhankelijk van de situatie, gevraagd en ongevraagd te beschermen, te begrenzen of te bekrachtigen. Bij het beschermen van mensen gaat het om hun leven, vrijheid en bezittingen. Begrenzen betreft het beperken en beëindigen van ongeoorloofd, al dan niet gewelddadig gedrag. Bekrachtigen heeft te maken met de ondersteuning van gewenst gedrag en het creëren van structurele samenwerkingsverbanden die de veiligheid bevorderen. De politie is zich bewust van zijn taak en positie in de Nederlandse democratie en van zijn dienende rol in de maatschappij. De politie dient dit op een rechtvaardige manier te doen, in de ogen van een enorm divers publiek.

De politieorganisatie kent drie nauw samenwerkende niveaus: lokaal, regionaal en nationaal. Op al deze niveaus spelen ook de internationale en digitale context een rol, want de ontwikkeling van criminaliteit staat steeds meer onder invloed van digitalisering, mondialisering, internationalisering en netwerkvorming. Het werkveld van de politie is heel breed, van meldkamer tot high-tech crime en van tactisch rechercheur tot specialist interventie.

De politie wil haar missie bereiken door:

De vier kernwaarden van de politie vormen naar binnen en naar buiten toe de basis voor iedereen die er werkt. De kernwaarden betreffen: namelijk integer, betrouwbaar, moedig en verbindend.

De politie in Nederland kent haar positie in een dynamische samenleving en beweegt zich in een snel veranderende omgeving, waarin nieuwe veiligheidsvraagstukken zich in rap tempo aandienen. Dit vraagt om een flexibele organisatie die weet wat zij wil, die vooruitkijkt en die met haar partners koers bepaalt en vasthoudt en weet wat zij kan: ‘de politie van overmorgen’. De politie van overmorgen:

De Buitengewoon Opsporingsambtenaar (boa) is een ambtenaar met specifieke opsporingsbevoegdheid. Er zijn zes domeinen waarbinnen boa’s werkzaam zijn. Deze kwalificatie geldt voor boa’s die binnen de politie aangesteld zijn, dit is altijd in het domein VI: generieke opsporing. Politieboa’s zijn actief binnen verschillende vakgebieden, waaronder: Beveiliging, GGP en Intake & Service (NB: Dit moet niet gezien worden als een limitatieve opsomming). Politieboa’s zijn aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie.

Politieboa’s zijn ambtenaren die met specifieke werkzaamheden en de bij hun functie horende bevoegdheden bijdragen aan de uitvoering van de politietaak. De politieboa’s verkrijgen (anders dan executieve politiemedewerkers) geen bevoegdheden vanuit hun aanstellingsgrond, maar ze krijgen een akte van opsporingsbevoegdheid van de minister die gekoppeld is aan hun functie en de rol binnen hun functie bij de politie. Dit houdt in dat hun bekwaamheden en bevoegdheden zich uitsluitend richten op de toegewezen en afgebakende opsporingstaken en -werkzaamheden die zijn opgenomen in de functiebeschrijving en waarvoor ze ook daadwerkelijk worden ingezet.

Taken en werkzaamheden

De politieboa kan werkzaam zijn binnen een grote variëteit aan functies, niveaus en rollen. De taken en werkzaamheden die politieboa’s uitvoeren verschillen per vakgebied, functie en rol binnen die functie. Voorbeelden van taken en werkzaamheden waarbij de politieboa in direct contact staat met de burger zijn bijvoorbeeld het opnemen van aangiften door politieboa’s die baliewerkzaamheden verrichten op een politiebureau of het aanspreken van burgers op afwijkend gedrag (vanuit hun specifieke taak) door politieboa’s die toezicht houden in het publiek domein. Voorbeelden van taken en werkzaamheden waar politieboa’s meer achter de schermen werkzaam zijn, zijn het verrichten van administratieve werkzaamheden zoals het verwerken van aangiftes. Andere voorbeelden van concrete werkzaamheden die de politieboa’s verrichten zijn het verzamelen van gegevens over mogelijke strafbare feiten, het beoordelen van informatie, het opmaken van een proces verbaal en het signaleren van overtredingen. Om een beeld te krijgen van de variëteit aan functies en rollen zijn hieronder een aantal voorbeelden per vakgebied weergegeven:

De politieboa’s zijn zich bewust van hun rol in hun functie en weten waar de grenzen van hun bevoegd- en bekwaamheden liggen. Ze weten hoe hun bevoegd- en bekwaamheden en hun rol in hun functie verschillen van die de van executieve collega’s. Daarnaast zijn zij voldoende taal- en digitaal vaardig om hun functie uit te oefenen.

Zoals hierboven toegelicht, is de variëteit in functies, niveaus, rollen, taken en werkzaamheden van de politieboa’s groot. Maar wat zij wel gemeen hebben is dat ze over een algemene basis moeten beschikken om als boa werkzaam te zijn binnen de politieorganisatie. Deze kwalificatie omvat de gemeenschappelijke algemene basis die voor alle politieboa’s relevant is. Daarnaast is, om startbekwaam te zijn in de functie die de politieboa uiteindelijk zal gaan uitvoeren, soms een vakspecifiek leertraject noodzakelijk. Dit leertraject besteedt aandacht aan uitbreidende en verdiepende, specifieke kennis en vaardigheden die de politieboa’s nodig hebben binnen deze functie en rol binnen de functie.

Deze kwalificatie is algemeen van aard en bevat geen kerntaken gericht op de specifieke functie of het vakgebied waarbinnen de politieboa gaat werken. De kwalificatie is niet niveauverhogend. Bij de totstandkoming van deze kwalificatie zijn de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar (dd. 01-07-2023) als kader meegenomen.

De kwalificatie betreft een basis die verplicht is voor alle politieboa’s. De kwalificatie is op niveau 2 geformuleerd. Dit niveau heeft geen verband met het niveau van de toekomstige functie van de politieboa. In sommige gevallen zal de politieboa na het behalen van deze kwalificatie een aanvullend vakspecifiek leertraject moeten volgen. Dit aanvullende leertraject biedt een verdieping op de taken die horen bij de specifieke functie die de politieboa zal gaan uitvoeren. De kwalificatie is gebaseerd op het beroepsprofiel Politieondersteuner en heeft een link naar diverse functies in het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) waarop politieboa’s kunnen worden aangesteld.

In bepaalde functies en rollen binnen die functies kunnen boa’s ook bevoegd zijn tot het gebruik van geweldsmiddelen (RTGB). Omdat geweldsmiddelen niet voor alle politieboa’s relevant zijn, is dit geen onderdeel van deze kwalificatie.

Bij het uitvoeren van hun werk zijn politieboa’s zich goed bewust van hun professionele beroepshouding. Ze hebben een toegewezen, afgebakende en specifieke taakzetting en zijn zich bewust van wat er wel en niet binnen hun taak, rol en bevoegdheden valt. Ze kunnen hierover ook duidelijk communiceren met collega’s en relevante derden. Ze gedragen zich volgens de algemene kernwaarden van de politie; ze zijn integer, betrouwbaar, moedig en verbindend.

Politieboa’s handelen transparant, navolgbaar en toetsbaar. Het uitgangspunt daarbij is het werken op basis van protocollen, procedures en vastgestelde werkwijzen die houvast bieden. In situaties waarin protocollen, procedures en vastgestelde werkwijzen niet passend zijn kunnen ze hiervan afwijken zolang zij handelen binnen wettelijke kaders en waar mogelijk overleggen met de verantwoordelijke in de situatie.

Ze werken samen met collega’s en zijn sterk in de communicatie naar collega’s, burgers en derden. Hierin zijn ze empathisch, luisteren ze, begrijpen ze de informatie en stellen ze de juiste vragen. Daarnaast durven ze (zowel in non-verbale als verbale) communicatie assertief te zijn en gezag uit te stralen, als de situatie daarom vraagt. Politieboa’s zijn vaak betrokken bij administratieve processen en het documenteren van informatie. Hiertoe is het van belang dat ze accuraat en gestructureerd werken en zorgvuldig met informatie omgaan.

De politieboa’s dragen zorg voor de kwaliteit van de resultaten van het eigen handelen en reflecteren daarop door feedback te vragen en te ontvangen van hun leidinggevende, de verantwoordelijke ter plaatse of andere collega’s. Politieboa’s blijven werken aan hun eigen kennis en vaardigheden en bepalen samen met hun leidinggevende wat ze hiervoor nodig hebben. Politieboa’s zijn weerbaar en stressbestendig en durven verbeteringen aan te dragen. Politieboa’s zijn betrouwbaar in het uitvoeren van hun werk en zijn van onbesproken gedrag binnen en buiten hun werk.

In onderstaande afbeelding is de nieuwe Kwalificatiestructuur Politieonderwijs gevisualiseerd.

Algemene kerntaak

1 Met de term ‘boa-bevoegdheden’ wordt verwezen naar de politiebevoegdheden die voor alle politieboa’s van toepassing zijn. Specifieke wet- en regelgeving passend bij een bepaalde functie of rol binnen die functie zijn geen onderdeel van deze kwalificatie.

Instroomeisen en startvereisten

De kwalificatie is ontwikkeld voor iedereen die wordt aangesteld als ATH-boa bij de Nederlandse politie.

Beroepsvereisten

Bij beroepsvereisten is bij wet vastgesteld dat er voorwaarden zijn waaraan moet worden voldaan om een bepaald beroep of bepaalde beroepshandelingen uit te mogen oefenen. De politieboa dient te handelen binnen het juridische kader waarbinnen het politiewerk wordt uitgevoerd. Er gelden geen aanvullende beroepsvereisten.

Beroepsprofiel

Deze kwalificatie is gebaseerd op het beroepsprofiel Politieondersteuner.

Doelmatigheid

In het LFNP zijn functiebeschrijvingen geformuleerd in termen van vakbekwaamheid. De kwalificatie politieboa correspondeert met meerdere functies in het LFNP waarop medewerkers met een aanstelling als ATH-boa geplaatst kunnen worden.

Navolgbaarheid

Deze kwalificatie is gebaseerd op het beroepsprofiel Politieondersteuner. De kwalificatie Politieboa is ontwikkeld op niveau 2. Dit niveau heeft geen verband met het niveau van de toekomstige functie van de politieboa. In sommige gevallen zal de politieboa na het behalen van deze kwalificatie een aanvullend vakspecifiek leertraject moeten volgen. Dit aanvullende leertraject biedt een verdieping op de taken die horen bij de specifieke functie die de politieboa zal gaan uitvoeren. Om de kwalificatie een goede invulling te geven, is naast het beroepsprofiel gebruik gemaakt van schriftelijke bronnen: onderliggende documentatie van de beroepsprofielen, diverse rapporten over trends en ontwikkelingen binnen en rond de politie, rapporten van de Politieonderwijsraad, informatie over ontwikkelingen in regulier onderwijs, politiedocumenten met informatie over werkprocessen, enzovoort. Bovendien zijn er direct en indirect betrokkenen bevraagd in werksessies en individuele gesprekken.

De werksessies waren gericht op het ophalen en uitwisselen van informatie uit het werkveld. In de werksessies waren vertegenwoordigers aanwezig vanuit het werkveld en vanuit de Politieacademie. Er heeft zorgvuldige afstemming plaatsgevonden over de samenstelling van de groepen.

Samenhang/doorstroommogelijkheden

De samenhang tussen de kwalificaties binnen de kwalificatiestructuur politieonderwijs (KSP) is groot. In het format wordt hiermee rekening gehouden door te werken met een algemene basis die voor elke kwalificatie gelijk is. Daarna volgt de brede gemeenschappelijke basis. Deze taken hebben qua opbouw verwantschap met andere kwalificaties in de kwalificatiestructuur. Hiermee wordt de overlap zichtbaar. Voor de politieboa op dit niveau zijn er geen specifieke kerntaken. Zoals eerder gezegd is er, om startbekwaam te zijn in de functie die de politieboa uiteindelijk gaat uitvoeren, soms een vakspecifiek leertraject noodzakelijk. Daarnaast is doorstroom naar vakspecialistisch politieonderwijs mogelijk.

Niveau

Uitgangspunt voor het formuleren van de kwalificatie is niveau 2. Het niveau wordt door de formulering van de kerntaken, bouwstenen en bijbehorende leeruitkomsten op de volgende manier geborgd:

Dit wil niet zeggen dat álle leeruitkomsten op niveau 2 zijn beschreven. De kerntaken en bouwstenen zijn beschreven op niveau 2. Het kan zijn dat een aantal leeruitkomsten op een niveau hoger of lager zijn geformuleerd op basis van de verkregen input. Vanuit de best-fit methode zijn alle leeruitkomsten bekeken en is vervolgens bepaald welk niveau het best bij het geheel van de kwalificatie past. Voor deze kwalificatie is dat niveau 2.

Toekomstige ontwikkelingen

Kwalificaties binnen de KSP zijn in samenhang per niveau ontwikkeld. Kwalificaties zijn in een zekere mate van abstractie geformuleerd om hiermee zowel richting als ruimte te bieden en toekomstbestendig te zijn. Toekomstige ontwikkelingen kunnen te allen tijde impact hebben op kwalificaties, maar in de gekozen formulering is steeds kritisch gekeken naar mogelijkheden om deze ontwikkelingen ook te kunnen omvatten. Verder zijn er in de komende jaren binnen de politie ontwikkelingen te verwachten op het gebied van het gewenste opleidingsniveau van de medewerkers. Deze ontwikkelingen kunnen ook impact hebben op deze kwalificatie.

Wettelijke kaders

Deze kwalificatie voldoet aan de in de Politiewet gestelde eisen aan politieonderwijs. Daarnaast voldoet de kwalificatie aan de Beleidsregel Buitengewoon Opsporingsambtenaar. In de beleidsregel is in bijlage C ook het examenplan basisbekwaamheid gespecificeerd. Hoe dit examenplan correspondeert met deze kwalificatie is te vinden in de bijlage: Conversietabel beleidsregel Buitengewoon Opsporingsambtenaar.

Conversietabel kwalificatie politieboa en Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar

Bij de totstandkoming van deze kwalificatie zijn de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar in acht genomen, specifiek het examenplan basisbekwaamheid (Bijlage C). In onderstaande tabel is te zien hoe bijlage C correspondeert met de kwalificatie. NB: bijlage C heeft gedeeltelijk een lager abstractieniveau dan de kwalificatie. Ondanks dat sommige elementen uit Bijlage C daardoor niet woordelijk terug komen in de teksten van de kwalificatie, biedt de kwalificatie genoeg houvast en richting voor onderwijsontwikkelaars om tot onderwijs te komen waar de elementen uit Bijlage C in meegenomen zijn.

In 2019 heeft de korpsleiding van de politie zes nieuwe beroepsprofielen vastgesteld. In deze beroepsprofielen beschrijft de politie via de zes politieberoepen welke medewerkers er nodig zijn om het werk uit te kunnen voeren. Het gaat dan over vakbekwame medewerkers. De Politieacademie gebruikt de beroepsprofielen om te kijken welke kwalificaties nodig zijn om politiemensen op te leiden die zijn toegerust op het werk dat ze gaan doen. Het gaat dan om het niveau van startbekwaamheid, omdat iemand naast een goede opleiding ook werkervaring nodig heeft om vakbekwaam te worden.

De Politieacademie levert nieuwe collega’s af die hebben aangetoond dat zij over de noodzakelijke kennis en vaardigheden en over de juiste beroepshouding beschikken om in de praktijk aan de slag te gaan bij de politie. De aangetoonde startbekwaamheid geeft recht op een politiediploma.

Om helder vast te leggen wat wordt verstaan onder de startbekwaamheid, zijn er kwalificaties. In een kwalificatiedossier wordt de vereiste kennis, houding en vaardigheden beschreven op het niveau van startbekwaamheid. Elke kwalificatie binnen een kwalificatiedossier beschrijft de eisen waaraan iemand moet voldoen om zijn diploma te behalen.

Deze kwalificatie hoort bij het beroepsprofiel Politieleider. Voor dit beroep zijn er meerdere kwalificatieniveaus.

Met het aanbieden van een kwalificatie leggen belanghebbende partijen in het politieonderwijs verantwoording af aan de Minister van Justitie en Veiligheid over de kwalificatie van politiemedewerkers. Dit is de verantwoordingsfunctie van de kwalificatie. Daarnaast worden kwalificaties gebruikt om richting te geven aan onderwijsontwikkeling en examinering.

De Politieacademie ontwikkelt kwalificaties in samenwerking met het werkveld en stakeholders. En legt deze voor aan de commissie Kwalificatiestructuur Politieonderwijs (KSP) van de Politieonderwijsraad (hierna: de Raad). Na advies van deze commissie en de Raad stelt de Minister van J&V de kwalificatie vast als deze voldoet aan alle eisen.

In dit document wordt allereerst algemene informatie over de context van het beroep gegeven. Daarna wordt een overzicht weergegeven van de kwalificatiestructuur Politieonderwijs. Vervolgens wordt deze kwalificatie beschreven, in de vorm van kerntaken uitgewerkt in onderliggende bouwstenen, instroomvereisten en beroepsvereisten. Dit begint met een algemene basis, die voor elke kwalificatie gelijk is. Daarna volgt de brede gemeenschappelijke basis, die van toepassing is op meerdere verwante kwalificaties op hetzelfde niveau. Aan de Politieleider (niveau 6) verwante kwalificaties zijn de Rechercheur (niveau 6), de Politieagent (niveau 6) en de Wijkagent (niveau 6). Zij delen gemeenschappelijke kerntaken die maken dat politiefunctionarissen met deze kwalificaties breed generiek inzetbaar zijn. In de algemene basis en de brede gemeenschappelijke basis wordt daarom gesproken over de Politiefunctionaris, soms aangevuld met specifieke onderdelen voor – in dit geval – Politieleider. Als derde onderdeel zijn de specifieke kerntaken voor deze kwalificatie beschreven. Dit zijn de taken voor de Politieleider (niveau 6). Tot slot is er een bijlage opgenomen, waarin de totstandkoming van deze kwalificatie verantwoord wordt, aan de hand van de criteria die gehanteerd worden door de KSP en de Raad.

Omwille van de leesbaarheid is steeds ‘hij’ gebruikt in de tekst. Waar ‘hij’ staat kan uiteraard ook ‘zij’, ‘hen’ of ‘die’ worden gelezen. Om verder bij te dragen aan de leesbaarheid van deze kwalificatie worden de belangrijkste begrippen vooraf uiteengezet.

Om herhaling in de uitwerking van de bouwstenen te voorkomen, zijn de vaardigheden zoveel mogelijk opgenomen in de leeruitkomsten. Daarom is er alleen een Body of Knowledge (BOK) vormgegeven, gevuld met kennisaspecten. Kerntaken en bouwstenen worden als op zichzelf staande leerheden benaderd. Om die reden is er bij het lezen van deze kwalificatie kans op herhaling.

De BOK is opgebouwd aan de hand van zogenaamde kernthema’s, passend bij het niveau van de kwalificatie. Kennis op niveau 6 wordt in het NLQF als volgt geduid:

1 Meer informatie over specifieke inzetbaarheid is te vinden in het Staatsblad 2018-204.

De Politiewet omschrijft de taak van de politie als volgt:

De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

De politie is ‘waakzaam en dienstbaar’ aan de waarden van de rechtsstaat. Deze missie vervult de politie door, afhankelijk van de situatie, gevraagd en ongevraagd te beschermen, te begrenzen of te bekrachtigen. Bij het beschermen van mensen gaat het om hun leven, vrijheid en bezittingen. Begrenzen betreft het beperken en beëindigen van ongeoorloofd, al dan niet gewelddadig gedrag. Bekrachtigen heeft te maken met de ondersteuning van gewenst gedrag en het creëren van structurele samenwerkingsverbanden die de veiligheid bevorderen. De politie is zich bewust van zijn taak en positie in de Nederlandse democratie en van zijn dienende rol in de maatschappij. De politie dient dit op een rechtvaardige manier te doen, in de ogen van een divers publiek.

De politieorganisatie kent drie nauw samenwerkende niveaus: lokaal, regionaal en nationaal. Op al deze niveaus spelen ook de internationale en digitale context een rol, want de ontwikkeling van criminaliteit staat steeds meer onder invloed van digitalisering, mondialisering, internationalisering en netwerkvorming. Het werkveld van de politie is heel breed, van meldkamer tot high-tech crime en van tactisch rechercheur tot specialist interventie.

De politie wil haar missie bereiken door:

De vier kernwaarden van de politie vormen de basis voor iedereen die er werkt, namelijk integer, betrouwbaar, moedig en verbindend.

De politie in Nederland kent haar positie in een dynamische samenleving en beweegt zich in een snel veranderende omgeving, waarin nieuwe veiligheidsvraagstukken zich in rap tempo aandienen. Dit vraagt om een flexibele organisatie die weet wat zij wil, die vooruitkijkt en die met haar partners koers bepaalt en vasthoudt en weet wat zij kan: ‘de politie van overmorgen’. De politie van overmorgen:

Deze kwalificatie betreft de politieleider op niveau 6. De politieleider geeft leiding aan een vaste groep mensen die werken in wisselende omstandigheden. De politieleider is in staat mensen waardengedreven aan elkaar te verbinden en aan resultaten. Het niveau van de Politieleider hangt samen met span of control, plaatsvervangerschap, operationeel en bestuurlijk afbreukrisico, de complexiteit van opgave en het interne en externe speelveld. De politieleider op niveau 6 kan strategisch beleid tactisch vertalen naar de operatie (tactisch en operationeel verantwoordelijk) voor zijn team. Hij moet hiervoor vanuit leiderschap verbinding kunnen maken met zijn team. De politieleider staat altijd in verbinding met zijn team en zijn omgeving. De politieleider faciliteert een goede uitvoering van zijn medewerkers, kent zijn mensen en hun drijfveren en richt zich op hun voortdurende ontwikkeling. Hij faciliteert de voorwaarden voor een goede samenwerking tussen de verschillende niveaus binnen zowel intern als extern. Hij vervult een voorbeeldfunctie, hij toont niet alleen in woorden maar juist in handelen wat gewenst gedrag is, De politieleider op dit niveau is executief.

De belangrijkste werkzaamheden van de Politieleider op niveau 6 zijn:

Daarnaast is de politieleider voldoende digitaal vaardig om de eigen functie uit te oefenen in de gedigitaliseerde samenleving.

De kwalificatie Politieleider (niveau 6) is gebaseerd op het beroepsprofiel Politieleider en heeft een link naar diverse functies in het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP).

Elke politieleider is mens- en vakgericht. Relationele, interactieve vaardigheden zijn belangrijk om vanuit leiderschap verbinding met vakmensen en vakmanschap te kunnen maken, met oog en ruimte voor de kracht van verschillen en voortdurende ontwikkeling. De politieleider is de verbindende schakel tussen de verschillende domeinen in het functiehuis en daarbuiten. De politieleider zorgt voor variatie in samenspel in teams en ook tussen functies, om daarmee te sturen op en bereiken van optimaal resultaat. Hiervoor zorgt de politieleider voor rolduidelijkheid en duidelijke afspraken over het samenspel binnen het eigen team en toont hij moed om af te wijken van de voorgeschreven regels en creëert hij condities om beweging op gang te brengen. De politieleider is in staat zich te verantwoorden op basis van de opgave en toegevoegde waarde en vanuit de kaders van de bedrijfsvoering.

In onderstaande afbeelding is de nieuwe Kwalificatiestructuur Politieonderwijs gevisualiseerd.

Instroomeisen en startvereisten

De kwalificatie is ontwikkeld voor iedereen die voldoet aan de in wet- en regelgeving vastgestelde aanstellingseisen en is aangesteld bij de Nederlandse politie.

Beroepsvereisten

Bij beroepsvereisten is bij wet vastgesteld dat er voorwaarden zijn waaraan moet worden voldaan om een bepaald beroep of bepaalde beroepshandelingen uit te mogen oefenen. In het geval van de politie hebben deze in algemene zin betrekking op het juridische kader gerelateerd aan de aanstelling als ambtenaar ter uitvoering van de politietaak. Meer specifiek hebben wettelijke beroepsvereisten betrekking op bijvoorbeeld het gebruik van geweldsmiddelen en het op de openbare weg rijden in een politievoertuig met optische en geluidssignalen. Wettelijke beroepsvereisten zijn vastgelegd in een nationale of internationale wet of verdrag.

Onderdeel van deze kwalificatie zijn de beroepsvereisten op het gebied van:

De bijhorende kwalificatievereisten zijn opgenomen in bijlagen 2 tot en met 5.

Beroepsprofiel

Deze kwalificatie is gebaseerd op het beroepsprofiel Politieleider.

Doelmatigheid

In het LFNP zijn functiebeschrijvingen geformuleerd in termen van vakbekwaamheid. De kwalificatie politieleider correspondeert met de functie van Teamchef A (startbekwaam, breed inzetbaar). Met deze kwalificatie is tevens de basis gelegd voor de functies van Teamchef B en C.

Navolgbaarheid

Deze kwalificatie is gebaseerd op het beroepsprofiel Politieleider. Daarnaast is gebruik gemaakt van schriftelijke bronnen: onderliggende documentatie van de beroepsprofielen, diverse rapporten over trends en ontwikkelingen binnen en rond de politie, rapporten van de Politieonderwijsraad, informatie over ontwikkelingen in regulier onderwijs, politiedocumenten met informatie over werkprocessen, enzovoort. Daarnaast zijn veel direct en indirect betrokkenen bevraagd in werksessies, klankbordsessies, bijeenkomsten voor collegiale consultatie en individuele gesprekken.

De werksessies waren gericht op het ophalen en uitwisselen van informatie uit het werkveld. In de werksessies waren vertegenwoordigers aanwezig vanuit het werkveld en vanuit de Politieacademie. Er heeft zorgvuldige afstemming plaatsgevonden over de samenstelling van de groepen.

In de klankbordsessies zijn de vier dossiers op niveau 6 in gezamenlijkheid besproken. Deze sessies waren gericht op het toetsen van de uitwerking van de informatie uit de werksessies. In de klankbordgroep zaten vertegenwoordigers van openbaar bestuur, openbaar ministerie, het regulier onderwijs, de Politieonderwijsraad, de politievakbonden, Directie Operatiën, Directie HRM, ministerie J&V en Politieacademie. De bijeenkomsten voor collegiale consultatie waren gericht op het controleren van de uitwerkingen op toekomstgerichtheid. De individuele gesprekken waren zeer divers van aard.

Samenhang/doorstroommogelijkheden

Op dit moment loopt de uitwerking van de beroepsprofielen richting kwalificatie nog. De samenhang en de doorstroommogelijkheden zijn dus nog niet volledig te beschrijven. De samenhang tussen de vier kwalificaties op niveau 6 is groot. In het format wordt hiermee rekening gehouden door te werken met een algemene basis die voor elke kwalificatie gelijk is. Daarna volgen de brede gemeenschappelijke kerntaken, die van toepassing zijn op meerdere verwante kwalificaties op hetzelfde niveau. Tenslotte worden de profiel specifieke kerntaken weergegeven. Hiermee wordt de overlap zichtbaar. Horizontale doorstroom tussen deze beroepen is mogelijk, evenals doorstroom naar een hoger kwalificatieniveau binnen het beroep. Daarnaast is doorstroom naar vakspecialistisch politieonderwijs mogelijk.

Niveau

Uitgangspunt voor het formuleren van de kwalificatie is niveau 6. Het niveau wordt door de formulering van de kerntaken, bouwstenen en bijbehorende leeruitkomsten op de volgende manier geborgd:

Dit wil niet zeggen dat álle leeruitkomsten op niveau 6 zijn beschreven. De kerntaken en bouwstenen zijn beschreven op niveau 6. Het kan zijn dat een aantal leeruitkomsten op een niveau hoger of lager zijn geformuleerd op basis van de verkregen input. Vanuit de best-fit methode zijn alle leeruitkomsten bekeken en is vervolgens bepaald welk niveau het best bij het geheel van de kwalificatie past. Voor deze kwalificatie is dat niveau 6.

Toekomstige ontwikkelingen

Kwalificaties zijn in samenhang per niveau ontwikkeld. Kwalificaties zijn in een zekere mate van abstractie geformuleerd om hiermee zowel richting als ruimte te bieden en toekomstbestendig te zijn. Toekomstige ontwikkelingen kunnen te allen tijde impact hebben op kwalificaties, maar in de gekozen formulering is steeds kritisch gekeken naar mogelijkheden om deze ontwikkelingen ook te kunnen omvatten. Verder zijn er in de komende jaren binnen de politie ontwikkelingen te verwachten op het gebied van het gewenste opleidingsniveau van de medewerkers. Deze ontwikkelingen kunnen ook impact hebben op de kwalificaties op niveau 6.

Wettelijke kaders

Deze kwalificatie voldoet aan de in de Politiewet gestelde eisen aan politieonderwijs.

De politiemedewerker is fysiek en motorisch weerbaar. De politiemedewerker heeft inzicht in zijn politiespecifieke conditie en fysieke vaardigheden die nodig zijn om het vak professioneel uit te voeren.

Kwalificatievereisten

De politiemedewerker legt een uitgezet circuit af binnen een gestelde tijd. Het circuit bestaat uit onderdelen waarbij uithoudingsvermogen, snelheid-versnelling (stuwkracht), duw-, trek-, en tilkracht moeten worden aangetoond.

De eisen waaraan moet worden voldaan zijn gerelateerd aan de leeftijd en het geslacht van de kandidaat en zijn vastgelegd in de Regeling Fysieke vaardigheidstoets politie.

Bronnen

De bestuurder van een politieauto controleert het voertuig, beheerst het voertuig tijdens het rijden en neemt op een veilige manier deel aan het verkeer. De bestuurder kan waarnemen, anticiperen en naar de bestemming rijden, al dan niet met spoed, en zet tijdens gebruik van de politieauto de optische- en geluidssignalen en de ontheffing juist in. Kenmerken van het werk zijn onder andere het optreden van surveillance tot incident, de kans op fysiek gevaar voor anderen en zelf, en er kan sprake zijn van een verstoring van het ‘normale’ verkeer.

Kwalificatievereisten

De politiemedewerker:

Bronnen

De politiemedewerker kent de juridische kaders van het optreden als ambtenaar aangesteld voor de uitoefening van de politietaak, en beheerst voor dit optreden met betrekking tot de geweldsmiddelen de vaardigheden (aanhouding en zelfverdediging en schieten).

De politiemedewerker onderhoudt en controleert de uitrusting, beheerst het gebruik van communicatietechnieken, hanteert de aanhoudings- en zelfverdedigingshoudingen en past het gebruik van geweldsmiddelen juist toe. De politiemedewerker kan waarnemen, anticiperen en per situatie proportioneel handelen. De politiemedewerker kan reflecteren op zijn en andermans handelen om hiervan te leren. Kenmerken van het werk zijn onder andere het optreden van surveillance tot incident tot crisis met de kans op fysiek gevaar voor anderen en zelf.

Kwalificatievereisten

De politiemedewerker:

Overall

Geweldsbeheersing

AZV

Schieten

Bronnen

De politiemedewerker is beschikbaar voor hulpverleningsvragen, handelt hulpverleningsvragen zelfstandig af, stabiliseert de situatie van slachtoffers en draagt zorg voor overdracht. De politiemedewerker kent de juridische kaders van het optreden als ambtenaar aangesteld voor de uitoefening van de politietaak voor hen die dat behoeven waar geen andere hulp voor handen is, werkt veilig, verleent hulp conform ABCDE-methode en beheerst voor het optreden als hulpverlener de (levensreddende dan wel stabiliserende) handelingen conform protocollen EHDP.

De politiemedewerker onderhoudt en controleert de hulpmiddelen, beheerst het gebruik van AED, hanteert de eerste hulphandeling en past deze juist toe. De politiemedewerker kan waarnemen, anticiperen en per situatie levensreddend handelen. De politiemedewerker kan reflecteren op zijn en andermans handelen om hiervan te leren. Kenmerken van het werk zijn onder andere het optreden met de kans op fysiek gevaar voor anderen en zelf.

Kwalificatievereisten

De politiemedewerker:

Overall

(Levensreddende) Hulpverlening

Bronnen

Sinds enige jaren zet de Politie specialisten in met specifieke expertise, die is verworven buiten de Politie, voor de uitvoering van politietaken. Tot voor kort werkten deze medewerkers bij de Politie op basis van een ATH-aanstelling en een BOA-aanwijzing. Met ingang van 1 juli 201811 kan de Politie deze medewerkers aanstellen als politieambtenaar aangesteld ter uitvoering van de politietaak met specifieke inzetbaarheid (hierna: executief specifieke inzet). Dit heeft geleid tot de vraag welke kwalificaties passend zijn voor deze doelgroep en voor de beoogde specifieke inzet bij de Politie. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid (J&V) heeft de Politieonderwijsraad (hierna: de Raad) in april 2018 verzocht om te adviseren over (1) de benodigde kwalificaties voor deze doelgroep en (2) de eventueel benodigde aanpassing en/of aanvulling van de kwalificatiestructuur politieonderwijs (KSP) die hieruit volgt. Het ministerie verzocht de Raad om rekening te houden met een aantal aspecten, zoals de wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: BARP), de behoeftestelling van de Politie, de bestaande AOPV12-kwalificatie en huidige functiegerichte schakelopleidingen13.

Op 18 oktober 2018 heeft de Raad het gevraagde advies naar de minister verzonden. De Raad adviseert de minister om voor deze nieuwe doelgroep een eigenstandige kwalificatie te ontwikkelen binnen modaliteit 1. Dit kwalificatiedossier heeft betrekking op deze eigenstandige kwalificatie Politiemedewerker Specifieke Inzet.

De executief politieambtenaar met specifieke inzet

De afgelopen jaren is bij de Politie behoefte ontstaan aan executieve politieambtenaren met specialistische of specifieke expertise op verschillende terreinen, bijvoorbeeld digitale waarheidsvinding, financieel-economisch of forensisch sporenonderzoek. De Politie trekt medewerkers die beschikken over deze expertise veelal van buiten de politieorganisatie aan en zet hun specifieke kennis en kunde in op onderdelen van de politietaken.

Voor een aanstelling als executief en generiek inzetbare politieambtenaar in de basispolitiezorg is op dit moment het voldoen aan de kwalificatie Politiemedewerker verplicht. Deze kan worden behaald via een meerjarige basisopleiding aan de Politieacademie.

Bovengenoemde specialisten worden met hun aanstelling executief politieambtenaar met bijbehorende bevoegdheden, waaronder een algemene opsporingsbevoegdheid. Zij zullen echter uitsluitend worden ingezet op politietaken vanuit hun specifieke bijdrage. Daarom hoeven zij niet gekwalificeerd te zijn voor brede inzet als politiemedewerker in de basispolitiezorg. Voor deze groep gelden daarom andere aanstellingseisen: zo is er sprake van een afzonderlijke opleiding en zijn er geen fysieke vaardigheidseisen. Voor deze specialisten is met ingang van 1 juli 2018 het BARP en overige relevante wet- en regelgeving gewijzigd.

De kwalificatie Politiemedewerker Specifieke Inzet bereidt voor op een specifieke inzet binnen verschillende LFNP-vakgebieden. De kwalificatie bestaat uit een voor elk vakgebied eenzelfde, gemeenschappelijke ‘algemene’ basis.

De medewerker is in het algemeen voldoende startbekwaam na het afronden van deze kwalificatie en verkrijgt door middel van de aanstelling de politiebevoegdheden. Echter, voor een bepaald vakgebied of een functie in een vakgebied kan het nodig zijn dat er een aanvullende functiegerichte module nodig is om startbekwaam te worden voor deze functie. Het moment van startbekwaamheid verschilt derhalve per (functie in een) vakgebied.

Samengevat:

Opbouw kwalificatiedossier

Het politieonderwijs leidt in grote lijnen op voor drie soorten beroepen, de Politieman/ -vrouw, de Rechercheur en de Politieleider14. Dit kwalificatiedossier (KD) betreft het politieberoep Politieman/ -vrouw. Dit beroep wordt uitgeoefend op meerdere kwalificatieniveaus. De kwalificatie waar het in dit dossier om gaat, is van toepassing op kwalificatieniveau 2 tot en met 7, conform het NLQF.

In deel A wordt onder A.1 het politieberoep Politieman/ -vrouw beschreven gerelateerd aan de aanstelling specifieke inzetbaarheid. Onder A.2 wordt ingegaan op de competenties en beschrijving gerelateerd aan de inzetbaarheid van de Politiemedewerker Specifieke Inzet. Daarbij is gebruikt gemaakt van de door de Politie geleverde documenten (Startdocument, aanvulling op Startdocument), de adviezen van de Politieonderwijsraad en daartoe aangeleverde documenten alsmede de toelichting op de wijziging van het BARP.

In deel B is onder deel B.1 een diploma vermeld, de Politiemedewerker Specifieke inzet en het bijbehorende kwalificatieprofiel.

In deel C zijn de examenvereisten beschreven van het diploma vermeld onder B.1.

In deel D volgt de verantwoording van hetgeen is vermeld onder de delen A, B en C. Daarbij worden criteria van onderbouwing, navolgbaarheid, samenhang en doelmatigheid gehanteerd (deel D.1). In deel D.2 zijn ontwikkelpunten met betrekking tot dit KD vermeld. De gehanteerde begrippen zijn toegelicht in bijlage 1 bij dit KD.

Inleiding

Voor de executief politieambtenaar met specifieke inzet is geen separaat beroepsprofiel beschikbaar. In dit kwalificatiedossier wordt gewerkt met een typering van de specifieke inzet en de brede doelgroep en diverse werkzaamheden die hierbinnen vallen.

De beroepsprofielen worden momenteel herijkt en de uitkomst hiervan heeft mogelijk invloed op de gekozen indeling.

Voor de ophanging in het huidige KSP is gekozen voor het meest passende beroep Politieman/-vrouw.

De beroepskolom Politieman/ -vrouw heeft betrekking op meerdere vakgebieden, werkterreinen en rollen in het LFNP. Het beroep van Politieman/-vrouw wordt uitgeoefend in dikwijls sterk verschillende en wisselende omstandigheden en in uiteenlopende functies. In Schakelen (2011) heeft de Politieonderwijsraad een balans opgemaakt van veranderingen in het werk van de politie en de (benodigde) doorwerking daarvan in de beroepsprofielen van de politie. Het centrale thema bleek het toenemend belang van intelligence. De samenleving wordt complexer en minder kenbaar door globalisering, digitalisering en toenemende sociaal- culturele diversiteit. De aard en afbakening van het beroep van Politieman/-vrouw wordt beïnvloed door een verschuiving van politietaken naar andere publieke uitvoeringsdiensten (gemeentelijke bijvoorbeeld) en soms ook naar particuliere beveiligingsdiensten. Enerzijds leidde dit tot een inperking van de politietaak, anderzijds vergrootte het de noodzaak tot samenwerken en het belang van een functionele, nodale oriëntatie.

In Schakelen (2011) wordt uitgegaan van brede uitoefening van het beroep. Executieve politiemannen en -vrouwen zijn algemeen opsporingsbevoegd en hebben politiebevoegdheden. Daartoe zijn ze bekwaam gemaakt en inzetbaar op meerdere vakgebieden en werkterreinen binnen de politie en in meerdere rollen. Zij zien toe op het navolgen van wetten en regels, sporen wetsovertreders op, zijn opmerkzaam zodat wetsovertreding kan worden voorkomen en geven daarover advies. In hun werk komt vanuit specifieke kennis en kunde inzet op de politietaken van de politie aan bod: handhaving rechtsorde, handhaving openbare orde, hulpverlening en, in mindere mate, taken ten dienste van justitie. Dit vraagt om een deskundigheid van en inzicht in de toepassing van de eigen kennis, vaardigheden binnen de politiële context en binnen de politiële bevoegdheden.

De politiemedewerker met executieve aanstelling specifieke inzetbaarheid werkt in functies in aangewezen vakgebieden aan veiligheidsvraagstukken in de brede politiecontext. De specifieke inzet houdt in dat de medewerker vanuit de specifieke kennis en kunde wordt ingezet op uitvoering van de politietaak maar niet in de uitvoering van de basispolitiezorg wordt ingezet. Voor de huidige aangewezen vakgebieden betekent een aanstelling executief specifieke inzetbaarheid dat deze medewerkers niet bewapend worden15.

Veiligheid staat hoog in het vaandel en vanuit gedrevenheid en specifieke deskundigheid levert de politiemedewerker zijn bijdrage aan de uitvoering van de politietaak. Hij kent de rol van de politie in de samenleving, weet wat het betekent om in de politieorganisatie te werken, participeert in de veiligheidsketen en hij kent de grenzen van de specifieke inzet. De medewerker past relevante wet- en regelgeving, beleidskaders en protocollen toe en rapporteert adequaat en accuraat. Samen met een generiek inzetbare collega kan hij een verhoor of doorzoeking uitvoeren, of een bijdrage leveren aan een rechtshulpverzoek. De politiemedewerker draagt vanuit zijn specifieke deskundigheid bij aan de uitvoering van een doorzoeking en kan zelfstandig een inbeslagname uitvoeren. Binnen de opsporing is hij in staat om vanuit zijn specifieke kennis en kunde (onderzoeks-)bevindingen correct vast te leggen en te verbaliseren.

De politiemedewerker met executieve aanstelling specifieke inzetbaarheid is onderzoekend ingesteld, is kritisch op het eigen werk en dat van anderen. Hij ziet het tot zijn taak om kennis te delen en aan anderen over te dragen en heeft de ruimte om het vak uit te oefenen en met nieuwe inzichten en voorstellen voor verbetering te komen. Hij is een professional die specifieke deskundigheid bezit en actief het specialisme onderhoudt waarvoor hij is opgeleid buiten de politie.

De politiemedewerker werkt in een multidisciplinair team; met collega’s in de dagelijkse politiepraktijk, met specialisten en met vakgenoten van binnen en buiten de politieorganisatie, ook in internationaal perspectief. In deze omgevingen bouwt en onderhoudt hij actief zijn netwerken. Hij kan een vraag of probleem goed in de context plaatsen en zoekt de samenwerking met anderen op om vanuit meerdere perspectieven naar oplossingen en aanpakken te zoeken. Hier zit immers de meerwaarde voor de politie: de ingebrachte specifieke kennis en kunde toevoegen aan het politiewerk.

Ter illustratie:

Een medewerker met financieel-economische kennis en kunde levert binnen de politiecontext vanuit zijn specifieke deskundigheid een bijdrage aan drie hoofdthema’s: financiële waarheidsvinding, het vaststellen en ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel en eigendomsrecherche. Strafrechtelijk afpakken, het opmaken van ontnemingsrapportages en het rechercheren in administraties behoren tot de kernactiviteiten van de financieel specialist. De financieel specialist stelt zaaks- en ontnemingsdossiers op. Ook het vorderen van informatie behoort tot zijn taken.

Een medewerker met digitale expertise levert binnen de politiecontext vanuit zijn specifieke deskundigheid een bijdrage aan digitale waarheidsvinding: zijn werk is erop gericht menselijk handelen in kaart te brengen. Het kan daarbij gaan om zowel klassieke delicten als bijvoorbeeld cybercrime.

1 In juridische termen, conform Politiewet 2012, is dit een deeldiploma van de kwalificatiedossiers Politiemedewerker en Bachelor Politiekunde.

De beroepsbeoefenaar als beginnend politiemedewerker:

Vakmatige competenties

Contextuele competenties

Sociale competenties

Individuele competenties

De competenties in het kwalificatieprofiel hebben betrekking op de onderstaande positie, taken en te bereiken resultaten. In deel C zijn deze uitgewerkt in examenvereisten.

Context, zelfstandigheid en verantwoordelijkheid

De Politiemedewerker Specifieke inzet maakt deel uit van een team en werkt in wisselende samenstelling met collega’s. Hij werkt op steeds wisselende plekken. De werkzaamheden worden uitgevoerd volgens standaardprocedures, combinaties ervan, maar ook kan er sprake zijn van afwijkende procedures. Het toepassen van kennis en kunde vereist dan een grote mate van flexibiliteit. Omdat een situatie of taak snel kan veranderen, moet hij snel en afwisselend schakelen en de werkwijze aanpassen aan de situatie. De Politiemedewerker Specifieke inzet werkt samen met gelijken, collega’s met andere inzetten, externen en leidinggevenden. Hij werkt zelfstandig binnen het team en is in stabiele, maar mogelijk stressvolle situaties verantwoordelijk voor het eigen brede handelen en een adequate doorverwijzing naar medewerkers met generieke inzet of andere specialisten of een effectieve afstemming met ketenpartners. De Politiemedewerker Specifieke inzet is in staat om, met inachtneming van de wettelijke eisen en bepalingen, zelfstandig (onderdelen van) een opsporingsonderzoek uit te voeren. Hij is, evenals de andere teamleden, mede verantwoordelijk voor het bereikte resultaat van de teamopdracht.

De Politiemedewerker Specifieke inzet speelt een actieve rol in de samenwerking met burgers, collega’s en partners in de veiligheidsketen. Hij heeft de expertise om informatie te selecteren, verbanden te leggen, betekenisvolle patronen te herkennen en op basis hiervan signalen af te geven aan anderen.

Het diploma Politiemedewerker Specifieke inzet is opgebouwd uit vijf thema’s:

Doelmatigheid

In de aanpassing van het BARP per 1 juli 2018 is naar aanleiding van de behoefte van de politie een nieuwe route naar executieve aanstelling mogelijk geworden (zie BARP artikel 2c). Hierbij hoort naast aangepaste aanstellingseisen een nieuwe kwalificatie en politieopleiding (zie BARP artikel 2c en de verwijzing naar Politiewet 2012, artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 2°).

De wijziging in het aanstellingenstelsel vraagt een andere kwalificatie waarbij doelmatigheid voorop staat: enkel dát wordt gevraagd wat (aanvullend) nodig is om te kunnen functioneren in de politieorganisatie. Daar in het oude aanstellingenstelsel een executieve medewerker altijd werd geselecteerd en opgeleid tot het beroep van medewerker brede basispolitiezorg via een met het regulier onderwijs vergelijkbaar kwalificatieniveau, kan met de nieuwe route een al opgeleide en ontwikkelde medewerker met een specifiek beroep toetreden tot functies voor uitvoering van de politietaak. Deze medewerker wordt niet ingezet als medewerker brede basispolitiezorg, maar is juist binnengehaald om vanuit het al verworven beroep de specifieke kennis en kunde bij te dragen aan de politietaak.

Na het behalen van het diploma Politiemedewerker Specifieke inzet is het mogelijk dat er functiegerichte modules gevolgd kunnen worden. Voor een aantal functies zijn deze functiegerichte modules mogelijk voorwaardelijk om als medewerker te kunnen worden aangesteld in die betreffende functie. Indien van toepassing worden voor deze voorwaardelijke functiegerichte modules aparte kwalificatiedossiers ontwikkeld en vastgesteld.

Navolgbaarheid

Het KD is gebaseerd op de analyses en voorbereidingen voor de introductie van het nieuwe aanstellingenstelsel, met een aanstelling executief met specifieke inzetbaarheid. Tevens zijn de aangewezen vakgebieden die passend zijn voor deze aanstelling gebruikt als input voor dit KD, op grond van LFNP-beschrijvingen en op basis van gesprekken met diverse huidige functionarissen.

Dit KD is ondergebracht onder het beroep Politieman/vrouw. Op dit moment is dit het meest passende beroepsprofiel. Echter, vanuit het project Herijking beroepsprofielen dat momenteel plaatsvindt zal mogelijk een nieuw beroepsprofiel ontstaan, waarin deze kwalificatie naar verwachting kan worden ingepast.

Onderbouwing

In aansluiting op de BARP-wijziging inzake de introductie van ambtenaar ter uitvoering van de politietaak met specifieke inzetbaarheid, is er behoefte aan een (voorwaardelijke) kwalificatie voor het bekwaam maken van deze specifieke politiemedewerker, alvorens kan worden overgegaan tot aanstelling. Met de aanstelling verkrijgt de medewerker de politiebevoegdheden waaronder de algemene opsporingsbevoegdheid.

Samenhang

Bij de ontwikkeling van de kwalificatie en de examenvereisten is aangesloten bij de uitgangspunten van de introductie van deze ambtenaar uitvoering politietaak met specifieke inzetbaarheid naast die van de huidige executieve ambtenaar met generieke inzetbaarheid. De lopende ontwikkeling van functiegerichte modulen, al dan niet via formeel onderwijs, zal er toe leiden dat op meerdere vakgebieden/ werkterreinen certificaten van na- en bijscholing van toepassing kunnen zijn. Dit maakt verbreding van de inzet mogelijk binnen dezelfde kwalificatie. Vergelijking van de examenvereisten van de kwalificaties Basis Politiemedewerker en Allround Politiemedewerker met deze examenvereisten zullen zicht gaan bieden op complementariteit en eventuele overlap, en daarmee als basis kunnen dienen voor de ontwikkeling van doorstroom-opleidingen ‘specifiek naar generiek’.

Historie van het kwalificatiedossier

Versie 1.0: Dit is de eerste versie van een kwalificatiedossier voor deze specifiek inzetbare ambtenaar. Er wordt voorzien dat de herijking beroepsprofielen doorwerking heeft in met name het onderbrengen van het kwalificatiedossier bij het passende beroepsprofiel.

Versie 1.1: Voetnoot 6 over deeldiploma toegevoegd.

Algemeen

In dit besluit wordt verstaan onder:

Beroepen bij de politie: Binnen de Nederlandse politie zijn drie brede beroepen onderscheiden, de Politieman/ -vrouw, de Rechercheur en de Politiechef. Deze beroepen worden beoefend op verschillende niveaus van complexiteit, expertise, zelfstandigheid en verantwoordelijkheid. Om deze niveaus te duiden in relatie tot het politieonderwijs wordt aangesloten bij de kwalificatieniveaus van het NLQF. Er zijn 9 ministerieel vastgestelde beroepsprofielen.

Beroepskolom: Omdat het beroep (Politieman/ -vrouw, Rechercheur, Politiechef wordt uitgeoefend op meerdere functioneringsniveaus, kan gesproken worden van een beroepskolom.

Beroepsprofiel: Globale beschrijving van een beroep en wat er van een vakbekwame beroepsbeoefenaar mag worden verwacht. Wordt een beroepsprofiel uitgedrukt in een competentieprofiel, dan is sprake van beroepscompetentieprofiel. Een beroep dekt een categorie van functies af.

Beroepsspecifieke competenties: Competenties die nodig zijn om een beroepstaak adequaat uit te voeren, inclusief de daarin begrepen kennis, vaardigheden en expertise en de benodigde redzaamheid, teamroutine en praktijkrepertoire.

Beroepstaak: Een onderscheiden deel van de beroepsuitoefening. Beroepstaken zijn kenmerkende werkzaamheden waarop een kwalificatie is gericht. Beroepstaken kunnen meer of minder breed zijn geformuleerd en meer of minder deskundigheid vergen.

Certificaten van na- en bijscholing: Het politieonderwijs kent een groot aantal certificaten van na- en bijscholing, gericht op diverse beroepstaken en politiële rollen en handelingen. Een certificaat van na- en bijscholing wordt eenmaal vermeld binnen de kwalificatiestructuur in één bepaald KD. Met na- en bijscholing worden additionele deskundigheden en vaardigheden verworven op vakgebieden en werkterreinen die sinds kort gestandaardiseerd zijn onderscheiden in het LFNP. Ook kan het gaan om deskundigheden en vaardigheden die betrekking hebben op politiële rollen en handelingen die niet direct herkenbaar zijn in het LFNP. Na- en bijscholing impliceert niet altijd dat er ‘iets nieuws’ wordt geleerd, onderhoud van de vakbekwaamheid behoort er evenzeer toe.

Competentie: Een competentie betreft het vermogen om een taak op een juiste en verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren. Competentie blijkt uit oordeelsvermogen en handelingsbekwaamheid en veronderstelt kennis, inzicht, vaardigheden, houding en ervaring. Competenties zoals bedoeld binnen het politieonderwijs zijn ten eerste beroepsspecifieke competenties, geënt op onderscheiden beroepstaken en daarmee verbonden normen.

Daarnaast worden bepaalde generieke competenties onderscheiden die voorondersteld en voorwaardelijk zijn voor de uitoefening van een politieberoep, dan wel daarin een eigenstandige relevantie hebben.

Competentiemodel: Het competentiemodel dat in de kwalificatieprofielen wordt gehanteerd bestaat uit vier categorieën: vakmatig, contextueel, sociaal en individueel. Het competentiemodel dat in de opleidingen en examens wordt gebruikt kent zeven velden: oordeelsvermogen, expertise, kennis, vaardigheden, praktijkrepertoire, redzaamheid en teamroutine.

Credits: Het politieonderwijs hanteert, zoals het regulier onderwijs, het European Credit Transfer System (ECTS). Gekoppeld aan het kwalificatieniveau levert dit de waarde van een kwalificatie (diploma, certificaat) op. Credits zijn tevens een belangrijke parameter in de bekostiging van opleidingen. Eén credit staat dan voor 28 studiebelastingsuren.

Diploma politieonderwijs: Door de Minister van Veiligheid en Justitie erkend document waarmee is aangetoond en vastgelegd dat de eigenaar de examenvereisten zoals beschreven in een kwalificatiedossier heeft behaald.

Deeldiploma politieonderwijs: Een politiediploma kan één of meerdere deeldiploma’s omvatten, mits sprake is van een eigenstandige arbeidsrelevantie van het betreffende deel en duidelijk afgebakende examentermen. Een deeldiploma maakt aanstelling in een afgebakend deel van het politieberoep mogelijk en nodigt uit tot het behalen van het volledige diploma. Een deeldiploma genereert een beperkte inzetbaarheid binnen de werkprocessen van de politie op het betreffende kwalificatieniveau.

Doelmatigheid: Een van verantwoordingscriteria van het kwalificatiedossier. De aansluiting van een kwalificatie op de vraag vanuit de politieorganisatie, de samenleving en het vervolgonderwijs op het naast hoger gelegen kwalificatieniveau.

Examenvereisten: De examenvereisten van elk (deel)diploma en certificaat van na- en bijscholing zijn verwoord in toetsbare examentermen, deels beroepsspecifiek in relatie tot onderscheiden beroepstaken en deels generiek in relatie tot relevante, algemene kennis, vaardigheden en expertise.

Functie: De politie als werkorganisatie heeft het werk beschreven in termen van kerntaken, vakgebieden, functies, werkterreinen en rollen en meer of minder omvattende beschrijvingen van werkprocessen, verantwoordelijkheden en te bereiken resultaten. Functiebeschrijvingen verwoorden het werk in een bepaald vakgebied, eventueel verbijzonderd naar werkterrein op een bepaald niveau van complexiteit, expertise, zelfstandigheid en verantwoordelijkheid. In vergelijking met de beschrijving van beroepen zijn functiebeschrijvingen aanmerkelijk specifieker.

Generieke competenties: Breed toepasbare algemene kennis, vaardigheden en expertise. Voor wat betreft het politiewerk en het politieonderwijs gaat het om competenties die voorondersteld of voorwaardelijk zijn voor de uitoefening van een politieberoep, dan wel daarin een eigenstandige relevantie hebben.

Kerntaak: De Nederlandse politie heeft de eigen wettelijke taakopdracht, cf. artikel 3 van de Politiewet, onderscheiden in vijf kerntaken, te weten Intake & Service, Handhaving, Noodhulp, Opsporing en Signaleren & Adviseren. Het begrip kerntaak wordt alleen in deze betekenis gebruikt. Voor wat betreft de taken binnen het kader van een beroep, functie, werkterrein of rol waartoe het politieonderwijs opleidt, wordt gesproken van beroepstaken.

Kwalificatie: Een kwalificatie van het politieonderwijs is een waardepapier, erkend door de Minister van Veiligheid en Justitie, dat verworven competenties en daarin begrepen kennis, vaardigheden uitdrukt. Er zijn drie soorten kwalificaties: diploma’s, deeldiploma’s en certificaten van na- en bijscholing. De waarde van een kwalificatie wordt uitgedrukt in termen van credits en kwalificatieniveau. Het aantal credits drukt tevens de nominale studieduur uit en is als zodanig een belangrijke parameter voor de bekostiging van opleidingen.

Kwalificatiedossier: Het kwalificatiedossier vormt een verzameling van direct met elkaar samenhangende kwalificaties, naar inhoud en niveau. Kwalificatiedossiers beschrijven de aansluiting op het afnemend werkveld en de uitwerking van kwalificaties naar beoogde leeropbrengsten en examentermen. Met ingang van 2013 gelden er binnen het politieonderwijs twaalf kwalificatiedossiers, verdeeld over drie brede politieberoepen (beroepskolommen) en zes kwalificatieniveaus. In een kwalificatiedossier staan de leeropbrengsten van het politieonderwijs centraal, verbijzonderd naar drie typen kwalificaties: diploma’s, deeldiploma’s en certificaten van na- en bijscholing. Het geheel van alle erkende kwalificaties is opgenomen in een jaarlijks vast te stellen kwalificatiematrix.

Kwalificatiematrix: De kwalificatiestructuur als geheel is weergegeven in de vorm van een kwalificatiematrix. Hierin zijn alle door de Minister van Veiligheid en Justitie erkende diploma’s, deeldiploma’s en certificaten van na- en bijscholing vermeld.

Kwalificatieniveau: Diploma’s en certificaten van na- en bijscholing zijn geordend naar niveau. Hierbij is aangesloten bij het NLQF, het Netherlands Qualifications Framework, de Nederlandse variant van het EQF, het European Qualifications Framework. De niveaus die voor wat betreft het Nederlandse politieonderwijs gebruikt worden, zijn de niveaus 2 tot en met 7. Zie verder bijlage 2.

Kwalificatieprofiel: Een kwalificatieprofiel betreft de competenties van startbekwaamheid die bewezen verworven zijn als een diploma, deeldiploma of certificaat van na- en bijscholing wordt uitgereikt.

Kwalificatiestructuur: Landelijk stelsel van alle vastgestelde kwalificatiedossiers en daarin besloten diploma’s, deeldiploma’s en certificaten van na- en bijscholing.

LFNP: Het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) en de daarin naar vakgebied beschreven functies, inclusief de verbijzondering naar werkterreinen, aandachtsgebieden, rollen en opleidingsprofielen.

Navolgbaarheid: Een van verantwoordingscriteria van het kwalificatiedossier. Betreft de wijze waarop voorstellen voor (wijziging van) kwalificaties tot stand komen. Daarbij is in ieder geval de relatie met de leiding van de nationale politie van belang, hoewel ook andere belanghebbenden relevante bijdrage verwacht mogen worden.

Nominale studieduur: De standaard studieduur die benodigd is voor het behalen van een kwalificatie, uitgaande van de wettelijke vooropleidingseisen en de gehanteerde standaard selectie-eisen, uitgedrukt in credits (CR).

Onderbouwing: Een van verantwoordingscriteria van het kwalificatiedossier. Betreft de inhoudelijke onderbouwing van voorstellen voor (wijziging van) kwalificaties plaatsvindt (validiteit van argumenten, bronnen).

Ontwikkelagenda: De thema’s die van belang zijn voor de verdere ontwikkeling van een kwalificatiedossier, de kwalificatiestructuur in brede zin en het politieonderwijs.

Opleidingsdossier: Een opleidingsdossier bevat een verzameling van direct met elkaar samenhangende opleidingen en/ of leerwegen, zoals verzorgd door de Politieacademie. Opleidingsdossiers sluiten direct aan op kwalificatiedossiers, zoals door de Minister van Veiligheid en Justitie vastgesteld.

Referentiekader Nederlandse taal en rekenen: Wettelijke kader waarin referentieniveaus voor Nederlands en rekenen zijn aangegeven met betrekking tot het reguliere onderwijs dat valt onder de ministeries van OCW en ELI. In verband met de aansluiting van het politieonderwijs op het reguliere onderwijs, wordt dit kader ook toegepast in de kwalificatiedossiers van het politieonderwijs.

Samenhang: Een van verantwoordingscriteria van het kwalificatiedossier. Betreft de samenhang tussen kwalificaties onderling, waarbij ondoelmatige overlap is vermeden en doorlopende studielijnen zijn geborgd.

Startbekwaamheid: De bekwaamheid van een beginnend beroepsbeoefenaar en waartoe een politieopleiding opleidt.

Studie- en loopbaanperspectief: De gebruikelijke doorstroommogelijkheden van een gediplomeerde in de politieorganisatie en in het vervolgonderwijs (politieonderwijs of anderszins).

Vakbekwaamheid: De mate van bekwaamheid die ontwikkeld kan zijn op basis van meerjarige werkervaring.

Vakkennis en -vaardigheid: Het geheel van feiten, beginselen, theorieën en manier van werken dat nodig is voor een succesvolle uitoefening van de beroepstaak.

Verantwoordelijkheid en zelfstandigheid: Eén van de descriptoren uit het NLQF. Betreft de mate van samenwerking en de mate waarin een startbekwame beroepsbeoefenaar aanspreekbaar is op het eigen handelen en/ of dat van anderen en de mate waarin verantwoordelijkheid gedragen kan worden voor de eigen werk- en studieresultaten en/ of dat van anderen.

Wettelijke beroepsvereisten: Wettelijke eisen die gesteld worden aan de uitoefening van het beroep en de beroepsbeoefenaar. In het geval van de politie hebben deze in algemene zin betrekking op het juridische kader waarbinnen het politiewerk wordt uit gevoerd. Meer specifiek hebben wettelijke beroepsvereisten betrekking op bijv. op het gebruik van geweldsmiddelen en het ambtsedig opmaken van een proces verbaal. Wettelijke beroepsvereisten zijn vastgelegd in een nationale of internationale wet of verdrag.

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijhorende gedragsindicatoren. Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer en zijn voor het werkveld een logische en herkenbare combinatie van leeruitkomsten, passend bij een functie, rol of expertise uit het werkveld.

Leeruitkomsten beschrijven wat een student geacht wordt te weten, te begrijpen en te kunnen toepassen na afronding van een leerperiode of de opleiding in zijn geheel (NVAO, 2015). Om dit inzichtelijk te maken, is dit weergegeven in werkprocessen en bijbehorende competenties en gedragsindicatoren.

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat.

De kerntaken, werkprocessen en gedragsindicatoren voor de opleidingen Politie rijinstructeur categorie B en de daaraan gerelateerde categorieën A, C en D worden in de tabellen hieronder weergegeven.

In 2019 heeft de korpsleiding van de politie zes nieuwe beroepsprofielen vastgesteld. In deze beroepsprofielen beschrijft de politie via de zes politieberoepen welke medewerkers er nodig zijn om het werk uit te kunnen voeren. Het gaat dan over vakbekwame medewerkers. De Politieacademie gebruikt de beroepsprofielen om te kijken welke kwalificaties nodig zijn om politiemensen op te leiden die zijn toegerust op het werk dat ze gaan doen. Het gaat dan om het niveau van startbekwaamheid, omdat iemand naast een goede opleiding ook werkervaring nodig heeft om vakbekwaam te worden.

De Politieacademie levert nieuwe collega’s af die hebben aangetoond dat zij over de noodzakelijke kennis en vaardigheden en over de juiste beroepshouding beschikken om in de praktijk aan de slag te gaan bij de politie. De aangetoonde startbekwaamheid geeft recht op een politiediploma.

Om helder vast te leggen wat wordt verstaan onder de startbekwaamheid, zijn er kwalificaties. In een kwalificatiedossier wordt de vereiste kennis, houding en vaardigheden beschreven op het niveau van startbekwaamheid. Elke kwalificatie binnen een kwalificatiedossier beschrijft de eisen waaraan iemand moet voldoen om zijn diploma te behalen.

Deze kwalificatie hoort bij het beroepsprofiel Rechercheur. Voor dit beroep zijn er meerdere kwalificatieniveaus.

Met het aanbieden van een kwalificatie leggen belanghebbende partijen in het politieonderwijs verantwoording af aan de Minister van Justitie en Veiligheid over de kwalificatie van politiemedewerkers. Dit is de verantwoordingsfunctie van de kwalificatie. Daarnaast worden kwalificaties gebruikt om richting te geven aan onderwijsontwikkeling en examinering.

De Politieacademie ontwikkelt kwalificaties in samenwerking met het werkveld en stakeholders. En legt deze voor aan de commissie Kwalificatiestructuur Politieonderwijs (KSP) van de Politieonderwijsraad (hierna: de Raad). Na advies van deze commissie en de Raad stelt de Minister van J&V de kwalificatie vast als deze voldoet aan alle eisen.

In dit document wordt allereerst algemene informatie over de context van het beroep gegeven. Daarna wordt een overzicht weergegeven van de kwalificatiestructuur Politieonderwijs. Vervolgens wordt deze kwalificatie beschreven, in de vorm van kerntaken uitgewerkt in onderliggende bouwstenen, instroomvereisten en beroepsvereisten. Dit begint met een algemene basis, die voor elke kwalificatie gelijk is. Daarna volgt de brede gemeenschappelijke basis die van toepassing is op meerdere verwante kwalificaties op hetzelfde niveau. Aan de Rechercheur N6 verwante kwalificaties zijn de Wijkagent N6,de Politieagent N6 en de Politieleider N6. Zij delen gemeenschappelijke kerntaken die maken dat politiefunctionarissen met deze kwalificaties breed generiek inzetbaar zijn. In de algemene basis en de brede gemeenschappelijke basis wordt daarom gesproken over de Politiefunctionaris, soms aangevuld met specifieke onderdelen voor – in dit geval – Rechercheur. Als derde onderdeel zijn de specifieke kerntaken voor deze kwalificatie beschreven. Dit zijn de taken voor de Rechercheur N6. Tot slot is er een bijlage opgenomen, waarin de totstandkoming van het kwalificatiedossier verantwoord wordt, aan de hand van de criteria die gehanteerd worden door de KSP en de Raad.

Omwille van de leesbaarheid is steeds ‘hij’ gebruikt in de tekst. Waar ‘hij’ staat kan uiteraard ook ‘zij’, ‘hen’ of ‘die’ worden gelezen. Om verder bij te dragen aan de leesbaarheid van dit dossier worden de belangrijkste begrippen vooraf uiteengezet.

Om herhaling in de uitwerking van de bouwstenen te voorkomen, zijn de vaardigheden zoveel mogelijk opgenomen in de leeruitkomsten. Daarom is er alleen een Body of Knowledge (BOK) opgenomen, gevuld met kennisaspecten. Kerntaken en onderliggende bouwstenen worden als op zichzelf staande leereenheden benaderd. Om die reden is er bij het lezen van deze kwalificatie kans op herhaling.

De BOK is opgebouwd aan de hand van zogenaamde kernthema’s, passend bij het niveau van de kwalificatie. Kennis op niveau 6 wordt in het NLQF als volgt geduid:

1 Meer informatie over specifieke inzetbaarheid is te vinden in het Staatsblad 2018-204.

De Politiewet omschrijft de taak van de politie als volgt:

De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

De politie is ‘waakzaam en dienstbaar’ aan de waarden van de rechtsstaat. Deze missie vervult de politie door, afhankelijk van de situatie, gevraagd en ongevraagd te beschermen, te begrenzen of te bekrachtigen. Bij het beschermen van mensen gaat het om hun leven, vrijheid en bezittingen. Begrenzen betreft het beperken en beëindigen van ongeoorloofd, al dan niet gewelddadig gedrag. Bekrachtigen heeft te maken met de ondersteuning van gewenst gedrag en het creëren van structurele samenwerkingsverbanden die de veiligheid bevorderen. De politie is zich bewust van zijn taak en positie in de Nederlandse democratie en van zijn dienende rol in de maatschappij. De politie dient dit op een rechtvaardige manier te doen, in de ogen van een enorm divers publiek.

De politieorganisatie kent drie nauw samenwerkende niveaus: lokaal, regionaal en nationaal. Op al deze niveaus spelen ook de internationale en digitale context een rol, want de ontwikkeling van criminaliteit staat steeds meer onder invloed van digitalisering, mondialisering, internationalisering en netwerkvorming. Het werkveld van de politie is heel breed, van meldkamer tot high-tech crime en van tactisch rechercheur tot specialist interventie.

De politie wil haar missie bereiken door:

De vier kernwaarden van de politie vormen de basis voor iedereen die er werkt, namelijk integer, betrouwbaar, moedig en verbindend.

De politie in Nederland kent haar positie in een dynamische samenleving en beweegt zich in een snel veranderende omgeving, waarin nieuwe veiligheidsvraagstukken zich in rap tempo aandienen. Dit vraagt om een flexibele organisatie die weet wat zij wil, die vooruit kijkt en die met haar partners koers bepaalt en vasthoudt en weet wat zij kan: ‘de politie van overmorgen’.

De politie van overmorgen:

De ervaren rechercheur is een weerbare, waarden-gedreven en executief inzetbare politiefunctionaris die zich bezighoudt met rechercheren in de breedte van het recherche-vak of op een bepaald (deel)terrein. Bij de uitoefening van het werk verzamelt, analyseert, interpreteert en benut de rechercheur (internationale) gegevens, informatie en intelligence. De rechercheur voert in teamverband opsporingsonderzoeken uit, die variëren van eenvoudig tot grootschalig en complex. In voorkomende situaties voert hij hierover de leiding. Hij werkt multidisciplinair samen in een team met o.a. gelijken, leidinggevenden en/of (specialistische) collega’s, burgers, het OM, en partners in het veiligheidsnetwerk. Dit zijn met name partners in de keten van voorkomen, opsporen en vervolgen zowel nationaal als internationaal. Daarnaast is de rechercheur voldoende digitaal vaardig om zijn eigen functie uit te kunnen voeren in de gedigitaliseerde samenleving.

De belangrijkste werkzaamheden van de Rechercheur N6 zijn:

Deze kwalificatie betreft de Rechercheur N6, dit is een kwalificatie binnen het beroepsprofiel Rechercheur. Door middel van de algemene en brede gemeenschappelijke kerntaken krijgt de Rechercheur N6 de juiste vorming om breed generiek/executief inzetbaar te zijn. Bovendien krijgt hij door middel van de specifieke kerntaken de benodigde vorming om inzetbaar te zijn voor zijn dagelijkse werkzaamheden binnen de opsporing.

De kwalificatie Rechercheur N6 is gebaseerd op het beroepsprofiel Rechercheur en heeft een link naar diverse functies in het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP).

De Rechercheur N6 werkt hoofdzakelijk in de opsporing. Hij is zich ervan bewust dat de opsporing in de toekomst te maken krijgt met nieuwe, veranderende veiligheidsproblematieken. De opsporing van de toekomst wordt namelijk beïnvloed door maatschappelijke, technologische en vakinhoudelijke ontwikkelingen, ontwikkelingen op het gebied van informatisering, globalisering en internationalisering en ontwikkelingen met betrekking tot nieuwe methodieken en technieken.

Het takenpakket van de rechercheur bestaat voornamelijk uit het voorbereiden en uitvoeren van opsporingsonderzoeken, daarvoor is zijn (informatie)positie van essentieel belang. Deze taken brengen verplichtingen met zich mee en vragen een professionele beroepshouding. De Rechercheur N6 is zich bewust van de positie die hij heeft in de samenleving en specifiek in de keten van voorkomen, opsporen en vervolgen. Hij is communicatief vaardig en zorgt daarmee voor een effectieve, geïntegreerde en integrale samenwerking om veiligheidsproblemen in de samenleving aan te kunnen pakken. De Rechercheur N6 is zich bewust van zowel zijn eigen talenten, kwaliteiten en ‘ontwikkelpunten als die van anderen en weet deze in te zetten. Hij werkt in gelijkwaardigheid samen met specialistische collega’s, waardoor ieders kennis en expertise optimaal worden benut. Gevoel voor de situatie en oog voor de persoon zijn daarbij van belang.

De Rechercheur N6 is fysiek, mentaal en moreel weerbaar en wendbaar. Hij heeft een open, nieuwsgierige en onderzoekende houding. Hij is informatiesensitief en beschikt over een uitstekend analytisch en kritisch vermogen om verbanden te kunnen leggen tussen diverse informatiebronnen om tot waarheidsvinding te komen. De Rechercheur N6 werkt systematisch en methodisch en in de meeste gevallen volgens protocollen, procedures of vaste werkwijzen. Hij pakt de professionele ruimte om hier op creatieve en/of innovatieve maar vooral betekenisvolle wijze vanaf te wijken binnen de kaders van de wet.

De Rechercheur N6 werkt vanuit een leergierige houding aan het op peil houden en doorontwikkelen van zijn vakmanschap. Hij staat open om feedback te ontvangen en voorziet anderen van feedback. Hij is in staat zowel zijn eigen handelen als dat van zijn collega’s vanuit kritisch oogpunt te evalueren en daarop te reflecteren, met als doel de kwaliteit van het politiewerk, de politieorganisatie, de dienstverlening, het team en zijn rol daarbinnen te bevorderen.

In onderstaande afbeelding is de nieuwe Kwalificatiestructuur Politieonderwijs gevisualiseerd.

Instroomeisen en startvereisten

De kwalificatie is ontwikkeld voor iedereen die voldoet aan de in wet- en regelgeving vastgestelde aanstellingseisen en is aangesteld bij de Nederlandse politie.

Beroepsvereisten

Bij beroepsvereisten is bij wet vastgesteld dat er voorwaarden zijn waaraan moet worden voldaan om een bepaald beroep of bepaalde beroepshandelingen uit te mogen oefenen. In het geval van de politie hebben deze in algemene zin betrekking op het juridische kader gerelateerd aan de aanstelling als ambtenaar ter uitvoering van de politietaak. Meer specifiek hebben wettelijke beroepsvereisten betrekking op bijvoorbeeld het gebruik van geweldsmiddelen en het op de openbare weg rijden in een politievoertuig met optische en geluidssignalen. Wettelijke beroepsvereisten zijn vastgelegd in een nationale of internationale wet of verdrag.

Onderdeel van deze kwalificatie zijn de beroepsvereisten op het gebied van:

De bijhorende kwalificatievereisten zijn opgenomen in bijlagen 2 tot en met 5.

Beroepsprofiel

Deze kwalificatie is gebaseerd op het beroepsprofiel Rechercheur.

Doelmatigheid

In het LFNP zijn functiebeschrijvingen geformuleerd in termen van vakbekwaamheid. De kwalificatie rechercheur correspondeert met de functie van senior GGP/GGP/Tactische Opsporing (startbekwaam, breed inzetbaar). Met deze kwalificatie is tevens de basis gelegd voor de functie van Operationeel Expert GGP/GGP/Tactische Opsporing en de functies in de kolom van Operationeel Specialist.

Navolgbaarheid

Deze kwalificatie is gebaseerd op het beroepsprofiel Rechercheur. Daarnaast is gebruik gemaakt van schriftelijke bronnen: onderliggende documentatie van de beroepsprofielen, diverse rapporten over trends en ontwikkelingen binnen en rond de politie, rapporten van de Politieonderwijsraad, informatie over ontwikkelingen in regulier onderwijs, politiedocumenten met informatie over werkprocessen, enzovoort. Daarnaast zijn veel direct en indirect betrokkenen bevraagd in werksessies, klankbordsessies, bijeenkomsten voor collegiale consultatie en individuele gesprekken.

De werksessies waren gericht op het ophalen en uitwisselen van informatie uit het werkveld. In de werksessies waren vertegenwoordigers aanwezig vanuit het werkveld en vanuit de Politieacademie. Er heeft zorgvuldige afstemming plaatsgevonden over de samenstelling van de groepen.

In de klankbordsessies zijn de vier dossiers op niveau 6 in gezamenlijkheid besproken. Deze sessies waren gericht op het toetsen van de uitwerking van de informatie uit de werksessies. In de klankbordgroep zaten vertegenwoordigers van openbaar bestuur, openbaar ministerie, het regulier onderwijs, de Politieonderwijsraad, de politievakbonden, Directie Operatiën, Directie HRM, ministerie J&V en Politieacademie. De bijeenkomsten voor collegiale consultatie waren gericht op het controleren van de uitwerkingen op toekomstgerichtheid. De individuele gesprekken waren zeer divers van aard.

Samenhang/doorstroommogelijkheden

Op dit moment loopt de uitwerking van de beroepsprofielen richting kwalificatie nog. De samenhang en de doorstroommogelijkheden zijn dus nog niet volledig te beschrijven. De samenhang tussen de vier kwalificaties op niveau 6 is groot. In het format wordt hiermee rekening gehouden door te werken met een algemene basis die voor elke kwalificatie gelijk is. Daarna volgen de brede gemeenschappelijke kerntaken, die van toepassing zijn op meerdere verwante kwalificaties op hetzelfde niveau. Tenslotte worden de profiel specifieke kerntaken weergegeven. Hiermee wordt de overlap zichtbaar. Horizontale doorstroom tussen deze beroepen is mogelijk, evenals doorstroom naar een hoger kwalificatieniveau binnen het beroep. Daarnaast is doorstroom naar vakspecialistisch politieonderwijs mogelijk.

Niveau

Uitgangspunt voor het formuleren van de kwalificatie is niveau 6. Het niveau wordt door de formulering van de kerntaken, bouwstenen en bijbehorende leeruitkomsten op de volgende manier geborgd:

Dit wil niet zeggen dat álle leeruitkomsten op niveau 6 zijn beschreven. De kerntaken en bouwstenen zijn beschreven op niveau 6. Het kan zijn dat een aantal leeruitkomsten op een niveau hoger of lager zijn geformuleerd op basis van de verkregen input. Vanuit de best-fit methode zijn alle leeruitkomsten bekeken en is vervolgens bepaald welk niveau het best bij het geheel van de kwalificatie past. Voor deze kwalificatie is dat niveau 6.

Toekomstige ontwikkelingen

Kwalificaties zijn in samenhang per niveau ontwikkeld. Kwalificaties zijn in een zekere mate van abstractie geformuleerd om hiermee zowel richting als ruimte te bieden en toekomstbestendig te zijn. Toekomstige ontwikkelingen kunnen te allen tijde impact hebben op kwalificaties, maar in de gekozen formulering is steeds kritisch gekeken naar mogelijkheden om deze ontwikkelingen ook te kunnen omvatten. Verder zijn er in de komende jaren binnen de politie ontwikkelingen te verwachten op het gebied van het gewenste opleidingsniveau van de medewerkers. Deze ontwikkelingen kunnen ook impact hebben op de kwalificaties op niveau 6.

Wettelijke kaders

Deze kwalificatie voldoet aan de in de Politiewet gestelde eisen aan politieonderwijs.

De politiemedewerker is fysiek en motorisch weerbaar. De politiemedewerker heeft inzicht in zijn politiespecifieke conditie en fysieke vaardigheden die nodig zijn om het vak professioneel uit te voeren.

Kwalificatievereisten

De politiemedewerker legt een uitgezet circuit af binnen een gestelde tijd. Het circuit bestaat uit onderdelen waarbij uithoudingsvermogen, snelheid-versnelling (stuwkracht), duw-, trek-, en tilkracht moeten worden aangetoond.

De eisen waaraan moet worden voldaan zijn gerelateerd aan de leeftijd en het geslacht van de kandidaat en zijn vastgelegd in de Regeling Fysieke vaardigheidstoets politie.

Bronnen

De bestuurder van een politieauto controleert het voertuig, beheerst het voertuig tijdens het rijden en neemt op een veilige manier deel aan het verkeer. De bestuurder kan waarnemen, anticiperen en naar de bestemming rijden, al dan niet met spoed, en zet tijdens gebruik van de politieauto de optische- en geluidssignalen en de ontheffing juist in. Kenmerken van het werk zijn onder andere het optreden van surveillance tot incident, de kans op fysiek gevaar voor anderen en zelf, en er kan sprake zijn van een verstoring van het ‘normale’ verkeer.

Kwalificatievereisten

De politiemedewerker:

Bronnen

De politiemedewerker kent de juridische kaders van het optreden als ambtenaar aangesteld voor de uitoefening van de politietaak, en beheerst voor dit optreden met betrekking tot de geweldsmiddelen de vaardigheden (aanhouding en zelfverdediging en schieten).

De politiemedewerker onderhoudt en controleert de uitrusting, beheerst het gebruik van communicatietechnieken, hanteert de aanhoudings- en zelfverdedigingshoudingen en past het gebruik van geweldsmiddelen juist toe. De politiemedewerker kan waarnemen, anticiperen en per situatie proportioneel handelen. De politiemedewerker kan reflecteren op zijn en andermans handelen om hiervan te leren. Kenmerken van het werk zijn onder andere het optreden van surveillance tot incident tot crisis met de kans op fysiek gevaar voor anderen en zelf.

Kwalificatievereisten

De politiemedewerker:

Overall

Geweldsbeheersing

AZV

Schieten

Bronnen

De politiemedewerker is beschikbaar voor hulpverleningsvragen, handelt hulpverleningsvragen zelfstandig af, stabiliseert de situatie van slachtoffers en draagt zorg voor overdracht. De politiemedewerker kent de juridische kaders van het optreden als ambtenaar aangesteld voor de uitoefening van de politietaak voor hen die dat behoeven waar geen andere hulp voor handen is, werkt veilig, verleent hulp conform ABCDE-methode en beheerst voor het optreden als hulpverlener de (levensreddende dan wel stabiliserende) handelingen conform protocollen EHDP.

De politiemedewerker onderhoudt en controleert de hulpmiddelen, beheerst het gebruik van AED, hanteert de eerste hulphandeling en past deze juist toe. De politiemedewerker kan waarnemen, anticiperen en per situatie levensreddend handelen. De politiemedewerker kan reflecteren op zijn en andermans handelen om hiervan te leren. Kenmerken van het werk zijn onder andere het optreden met de kans op fysiek gevaar voor anderen en zelf.

Kwalificatievereisten

De politiemedewerker:

Overall

(Levensreddende) Hulpverlening

Bronnen

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijhorende gedragsindicatoren. Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer en zijn voor het werkveld een logische en herkenbare combinatie van leeruitkomsten, passend bij een functie, rol of expertise uit het werkveld.

Leeruitkomsten beschrijven wat een student geacht wordt te weten, te begrijpen en te kunnen toepassen na afronding van een leerperiode of de opleiding in zijn geheel (NVAO, 2015). Om dit inzichtelijk te maken, is dit weergegeven in werkprocessen en bijbehorende competenties en gedragsindicatoren.

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat.

De kerntaken, werkprocessen en gedragsindicatoren voor de Rijopleiding van de ondersteuningsgroep (OG) worden in de tabellen hieronder weergegeven.

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

Kerntaak

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. In het geval van de Rijvaardigheid Dienst Infrastructuur is er 1 kerntaak: Het vlot en veilig besturen van een politievoertuig conform de specifieke rijtaken van de Dienst Infrastructuur.

Werkproces

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De kerntaak van de Rijvaardigheid Dienst Infrastructuur kent 4 werkprocessen:

Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren benoemd. Deze gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe operationele medewerkers bij de diensten en afdelingen Infrastructuur en medewerkers van de teams verkeershandhaving van de eenheden, binnen de verkeerstaak worden opgeleid. Daarmee zijn het die eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat de genoemde operationele medewerkers binnen de verkeerstaak uitvoeren.

De bij de genoemde werkprocessen behorende gedragsindicatoren worden puntsgewijs opgesomd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn ook het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR.

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijhorende gedragsindicatoren. Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer en zijn voor het werkveld een logische en herkenbare combinatie van leeruitkomsten, passend bij een functie, rol of expertise uit het werkveld.

Leeruitkomsten beschrijven wat een student geacht wordt te weten, te begrijpen en te kunnen toepassen na afronding van een leerperiode of de opleiding in zijn geheel (NVAO, 2015). Om dit inzichtelijk te maken, is dit weergegeven in werkprocessen en bijbehorende competenties en gedragsindicatoren.

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat.

De kerntaken, werkprocessen en gedragsindicatoren voor de Politieonderhandelaar worden in de tabellen hieronder weergegeven.

De politiële verkeersspecialist is in staat om zelfstandig een onderzoek uit te voeren om te komen tot een realistisch en deskundig verkeersadvies. In het werk heeft men te maken met specialistische wet- en regelgeving, tegenstrijdige belangen en objectieve en subjectieve veiligheid.

Resultaat

De technisch rechercheur voert zelfstandig het werkproces van een slachtofferidentificatie uit en is competent inzake de uitvoering van identificatieonderzoeken. Het werk kenmerkt zich door confrontatie met menselijk leed, werken aan lijken, werken onder slechte/extreme omstandigheden en langdurige en zware lichamelijke inspanning. De rechercheur past standaardmethoden in afwisselende situaties toe, werkt intensief samen met anderen en is in het werk afhankelijk van medewerkers uit andere R.I.T sectoren. Het werk brengt gezondheids- en veiligheidsrisico’s met zich mee.

Resultaat

PM-katern, waarin zijn vastgelegd:

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijbehorende gedragsindicatoren.

Kerntaak

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. In het geval van de specialist onderwijs geweldsbeheersing zijn er 4 kerntaken: inspelen op leerbehoefte, uitvoering van leeractiviteiten, afnemen van toetsen en bekwame op professioneel gebied.

Werkproces

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. Elke kerntaak voor specialist onderwijs geweldsbeheersing kent 3 of 4 werkprocessen, welke hieronder overzichtelijk staan weergegeven:

Voor ieder werkproces zijn competenties en gedragsindicatoren benoemd. Een competentie is een bekwaamheid dat kennis, inzicht, attitude en vaardigheidsaspecten omvat om in concrete taak- of arbeidssituaties doelen te bereiken. Gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe de specialist onderwijs geweldsbeheersing wordt opgeleid. Daarmee zijn het die eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat de specialist onderwijs geweldsbeheersing uitvoert. Gedragsindicatoren die voor deze doelgroep gelden, worden per werkproces puntsgewijs opgesomd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn weergegeven in de vorm van leeruitkomsten. Leeruitkomsten beschrijven wat een student geacht wordt te weten, te begrijpen en te kunnen toepassen na afronding van een leerperiode. Deze omschrijvingen zijn ook op het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR.

1 Indien de doelgroepanalyse reeds is uitgevoerd en/of het lesvoorbereidingsformulier al beschikbaar dan wordt de voorbereiding uitgevoerd op basis van de beschikbare informatie.

1 Alleen van toepassing voor lerenden die in dienst zijn bij de PA of OBT, voor DJI en Douane geldt dat zij de taak, rol en bevoegdheden voor relevante teams in hun werkpraktijk moeten leren kennen.

Overzicht van de bouwstenen

Toelichting op voorgaande afbeelding:

Bouwsteen docent als ontwerper

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Het specialisme Wapens, munitie en explosieven (WME) biedt tal van onderzoeksmogelijkheden en de resultaten van deze onderzoeken dragen bij aan de opsporing en vervolging van vaak ernstige strafbare feiten. Jaarlijks worden vele duizenden illegale vuurwapens (en munitie) door de politie afgehandeld. De politie neemt deze vuurwapens in beslag, onderzoekt deze en vernietigt ze uiteindelijk. De wapens die binnen FO worden onderzocht zijn initieel sporendragers en moeten dus worden onderzocht op de aanwezigheid van sporen. Allereerst zijn er de vuurwapens, opgedeeld in illegale (strafrechtelijke) en legale (bestuurlijke) wapens en munitie. Verder buigt de FO expertise WME zich waar nodig over het technisch onderzoek op sporen van overige wapens en explosieven. De specialist WME moet zelfstandig onderzoeken kunnen uitvoeren naar de werking van vuurwapens en munitie, het interpreteren van de sporen, het tactisch en technisch adviseren in vuurwapenonderzoeken en het initiëren van vuurwapenintelligence.

Examenvereisten module 1: Juridische aspecten van de digitale opsporing:

De student beschikt over kennis en inzicht van juridisch-tactische aspecten van de digitale opsporing.

De student:

De examenvereisten van de overige modules zijn reeds eerder vastgesteld. Dit betreft:

De financieel specialist is na het volgen van de kwalificatie Specifieke inzet – financieel in staat om:

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijhorende gedragsindicatoren.

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. De TEV heeft één belangrijke kerntaak, namelijk het leidinggeven bij een CBRN-E veiligheidsonderzoek.

Bij de kerntaken zijn diverse werkprocessen benoemd. Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De volgende werkprocessen kunnen voor een TEV onderscheiden worden bij de kerntaak:

Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren uitgewerkt. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat de TEV op het niveau van startbekwaamheid uit moet kunnen voeren en om het bijbehorende certificaat te kunnen ontvangen. Per werkproces zijn de relevante competenties verweven in de gedragsindicatoren. Om de kerntaak en werkprocessen adequaat uit te kunnen voeren, dient de TEV te beschikken over de volgende competenties: besluitvaardigheid, flexibel handelen, individugericht leidinggeven, maatschappelijke oriëntatie, mondelinge uitdrukkingsvaardigheid, oordeelsvorming, politiek-bestuurlijke sensitiviteit, probleemanalyse, samenwerken, stressbestendigheid en zelfreflectie.

De competenties zijn dus verweven in de beschreven gedragsindicatoren per werkproces en vormen daarmee een onlosmakelijk onderdeel van onderwijs en examinering.

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Intelligence neemt inmiddels een nadrukkelijke positie in binnen Politie Nederland en de ondersteunende diensten. Dat vraagt wat van de analist van nu en van de toekomst. Van deze nieuwe intell-medewerker wordt meer verwacht; het duiden van informatie en advies, draagvlak en kennis, pro activiteit en een brede oriëntatie. Het doel van de kwalificatie SWISNA is om de student startbekwaam te maken voor de rol van zaaksanalist/tactisch analist. De student zal kennis, vaardigheden en houdingsaspecten verwerven die nodig zijn om op basis van data van een bepaalde omvang en complexiteit, beschrijvende, verklarende en voorspellende analyses te kunnen produceren waarmee richting kan worden gegeven aan de gehele besluitvorming.

Aan het eind van de kwalificatie SWISNA is de zaaksanalist tot het volgende in staat (kritische beroepssituaties):

1 Voert een sociale netwerkanalyse uit op criminele- en terroristische samenwerkingsverbanden en interpreteert de uitkomsten. Legt daarbij de koppeling tussen sociale netwerkanalyse en sociaalwetenschappelijke literatuur

2 Vertaalt de resultaten van een sociale netwerkanalyse naar de praktijk (opsporing of intelligence) en geeft wetenschappelijk onderbouwde onderzoeksrichtingen voor het opsporingsonderzoek (bijv. inzetten op facilitators in het onderzoek).

3 Schrijft een logisch opgebouwd en voor de doelgroep leesbaar onderzoeksrapport.

4 Is in staat feedback te ontvangen en waar nodig de resultaten van de uitgevoerde analyse bij te stellen.

5 Kan de netwerkanalyse in een zowel maatschappelijke (bijvoorbeeld internationale drugsproblematiek) als opsporingscontext (bijvoorbeeld facilitators als onderdeel van een crime script cocaïnehandel) plaatsen.

KSP modaliteit 2

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Deze robuuste kwalificatie omvat de volgende specifieke kwalificaties:

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijbehorende gedragsindicatoren.

Kerntaak

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. In het geval van de toetser RTGP is er één kerntaak: Afnemen van RTGP-toetsen op gebied van geweldsbeheersing. (toets geweldsbeheersing (GB), de toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden (AZV), de toets schietvaardigheid (SV), de toets schietvaardigheid SSW of de toetsen specialistische geweldsvaardigheden).

Werkproces

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De kerntaak ‘Afnemen van RTGP-toetsen op het gebied van geweldsbeheersing kent drie werkprocessen.

Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren benoemd. Deze gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe de toetser RTGP wordt opgeleid. Daarmee zijn het die eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat de toetser RTGP uitvoert. Gedragsindicatoren die voor deze doelgroep gelden, worden per werkproces puntsgewijs opgesomd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn ook het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR.

De politiële verkeersspecialist treedt tijdens controles op als toezichthouder op beroepsgoederenvervoer en voert de controles aan beroepsgoederenvervoer uit. Hij moet beschikken over kennis van milieuaspecten van goederenvervoer, arbeidstijdenwetgeving en over specialistisch verkeersinzicht ter ondersteuning van de BPZ. De politiële verkeersspecialist controleert op technische staat, documenten en de ladingzekering en hij treedt niet in andermans verantwoordelijkheden. Het werk brengt gezondheidsrisico’s met zich mee.

Resultaat

De politiële verkeersspecialist treedt tijdens controles op als toezichthouder op beroepspersonenvervoer en voert de controles aan beroepspersonenvervoer uit. Hij moet beschikken over kennis van taxiwetgeving, arbeidstijdenwetgeving en over specialistisch verkeersinzicht ter ondersteuning van de BPZ. De politiële verkeersspecialist controleert op technische staat en documenten. Het werk betreft zowel openbaar als besloten personenvervoer en zowel preventief als repressief optreden. Het werk brengt gezondheidsrisico’s met zich mee.

Resultaat

KSP modaliteit 2

Kwalificatievereisten

Aan het einde van de module is de student in staat:

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

Bij het ontwikkelen van de kwalificatievereisten Urgent Veiligheidsverhoor is gekeken naar de kerntaken van een UV’er. Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsbeoefenaar weer. Bij elke kerntaak behoren een aantal bouwstenen en vakkennis specifiek voor UV.

De beschreven kerntaken, bouwstenen en vakkennis zijn nader uitgewerkt in eindtermen. Deze staan in de studiegids en het opleidingsdossier Training Urgent Veiligheidsverhoor (TUV).

Inzetcriteria UV

Een UV wordt uitgevoerd als:

Bouwstenen:

Vakkennis:

Bouwstenen:

Vakkennis:

Bouwstenen:

Vakkennis:

Bouwstenen:

Vakkennis:

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

De kwalificatievereisten VKL-TGO bestaan uit één kerntaak welke is opgebouwd uit vijf bouwstenen die samen de hoofdactiviteiten van de teamleider én coördinatoren in een VKL-TGO weerspiegelen. Elke bouwsteen beschrijft een op zichzelf staand resultaat. Het goed uitvoeren van deze kerntaak vereist echter dat de student in staat is de bouwstenen integraal toe te passen vanuit zijn eigen expertise in samenwerking met de gehele VKL.

De kerntaak en de vijf bouwstenen vormen tezamen de kwalificatievereisten op het niveau van verantwoording aan de minister via de POR. De kwalificatievereisten zijn beschreven in paragraaf 1 en 2.

In paragraaf 3 en 4 is verder geconcretiseerd hoe deze kwalificatievereisten tot uiting komen in gedrag en verantwoordelijkheden binnen een VKL.

De kerntaak van een VKL-TGO lid is:

Binnen het Team Grootschalige Opsporing (TGO), in samenwerking met de gehele Vaste Kern Leidinggevenden (VKL), vanuit je operationele expertise, significant bijdragen aan de ontwikkeling van een effectieve strategie, passend binnen de actuele situatie van het opsporingsonderzoek.

De kern van de kwalificatie betreft de vaardigheid te kunnen schakelen tussen samenwerking en operationeel leiderschap. We noemen dit ‘samenwerkend leiderschap’.

De individuele bijdragen van alle VKL leden aan de sociale veiligheid, gelijkwaardigheid en inclusieve werkcultuur binnen het team zijn van invloed op de kwaliteit van de samenwerking.

Elk lid van de VKL heeft zijn eigen rol, taken en verantwoordelijkheden binnen de VKL en is zich bewust van de taken, verantwoordelijkheden en belangen die de verschillende gezagslijnen hebben. Hierbij zal hij in de opsporing met name oog hebben voor de gezagslijn, zoals die vanuit het Openbaar Ministerie geldt.

Elk lid van de VKL heeft zijn eigen rol, taken en verantwoordelijkheden binnen de VKL en ook in de samenwerking met bijvoorbeeld het Openbaar Ministerie (OM) en andere betrokken partijen. Hij coördineert de uitvoering van zijn eigen operationele proces en stemt dit af met de overige leden van de VKL. Hij is zich bewust van de rollen en taken van de andere leden, én de gezamenlijke opgave binnen het team. Hij erkent het belang van het voeren van een gelijkwaardige dialoog om de kwaliteiten van alle teamleden maximaal te kunnen benutten. Afhankelijk van de gezamenlijke opgave kán het operationeel leiderschap van het TGO wisselend belegd worden bij experts en specialisten.

Het succesvol voltooien van de gezamenlijke operationele opdracht is afhankelijk van de kwaliteit van de samenwerking binnen de VKL.

De expert/specialist...

In een VKL-TGO werken medewerkers met verschillende expertises integraal samen aan een gezamenlijke operationele opdracht. Elk VKL lid heeft zijn eigen rol, taken en verantwoordelijkheden.

Hierbij is tegenspraak een belangrijk onderdeel om tot een goede inhoudelijke discussie te kunnen komen.

In een VKL kúnnen onderstaande rollen vertegenwoordigd zijn. De samenstelling van een VKL is wisselend, afhankelijk van de gezamenlijke operationele opdracht en de manier van werken die binnen de eenheid gehanteerd wordt.

Rollen VKL

Deze kwalificatie richt zich op de rollen: teamleider en coördinator (vanuit diverse expertises).

NB: De overige rollen (hierboven in grijs vermeld) zijn meegenomen omdat de teamleider en coördinator op hoofdlijnen moet weten wat de taken en verantwoordelijkheden van deze rollen binnen een VKL zijn.

De kerntaak en de vijf bouwstenen beschrijven tezamen de hoofdactiviteiten (kwalificatievereisten) die een startbekwaam teamleider of coördinator integraal kan toepassen in samenwerking met álle rollen vertegenwoordigd in de VKL.

Hieronder zijn de bouwstenen verder geconcretiseerd in leeruitkomsten.

Deze leeruitkomsten definiëren het meetbare resultaat van leerervaringen passend bij het niveau van startbekwaamheid voor de uitvoering van elke bouwsteen. De leeruitkomsten beschrijven dus meer concreet het geen waar een VKL-TGO lid voor opgeleid wordt, het gedrag dat binnen een VKL van hen verwacht mag worden.

De mate van verantwoordelijkheid is voor alle rollen, per leeruitkomst aangegeven met een letter.

R = Responsible = in samenwerking verantwoordelijk voor de uitvoering

A = Accountable = eindverantwoordelijk

C = Consulted = wordt geraadpleegd, is ondersteunend aan de uitvoering

I = Informed = wordt geïnformeerd over de uitvoering en resultaten

Per rol kunnen meerdere letters per leeruitkomst ingevuld zijn. Dit is afhankelijk van de gezamenlijke operationele opdracht en de manier van werken die binnen de eenheid gehanteerd wordt.

Voor de rollen recherchekundig secretaris, tactisch analist, of dossiervormer is bij sommige leeruitkomsten géén letter ingevuld. Deze leeruitkomsten zijn niet van toepassing op deze rollen.

De leeruitkomsten moeten gelezen worden vanuit de context van de rol waarvoor de student ingezet wordt. Gezien dat de kern van de kwalificatie draait om samenwerking is het voor elke rol binnen de VKL relevant om globaal te weten wat de effectieve interventiemogelijkheden van de andere rollen binnen de VKL zijn. Een leeruitkomst heeft hiermee zowel betrekking op de individuele taken en verantwoordelijkheden van de eigen rol, áls de wijze waarop de student zich vanuit is deze rol tot andere dient te verhouden in de uitvoering van de gezamenlijke operationele opdracht. Zo is het voor de teamleider van belang dat hij de verantwoordelijkheden, taken en belangen van verschillende gezagslijnen kent en met name de verschillende disciplines in zijn team weet te verbinden aan een collectieve strategie.

In de examinering is er specifiek aandacht voor de rol van de teamleider. De vastgestelde beoordelingspunten zijn echter voor alle rollen van toepassing in de beoordeling. De examinering vindt plaats vanuit de rol die ingevuld wordt in de VKL TGO (simulatie).

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid en om het bijhorende certificaat te ontvangen.

Kerntaken

Bij het ontwikkelen van de kwalificatievereisten van Vastlegging Verdiepend zijn de volgende kerntaken gehanteerd:

De genoemde kerntaken zijn de kernonderdelen voor de uitvoering van de gehele complexe taak: ‘het opstellen en opleveren van het procesdossier’. Om de gehele taak uit te voeren is specifieke kennis nodig en zijn tevens verschillende vaardigheden nodig.

De kerntaken komen overeen met de fases waarin een opsporingsonderzoek zich kan bevinden en waarop de kerntaken in het BPO gebaseerd zijn. In de kwalificatievereisten van het BPO, uitstroomprofiel VVC staat dat de politieagent in de opsporing in staat kan worden geacht om zelfstandig een niet-complex opsporingsonderzoek voor te bereiden, uit te voeren en af te sluiten (Politieacademie, 2021b). De kwalificatie Vastlegging Verdiepend sluit daarop aan door in te spelen op meer complexe opsporingsonderzoeken.

Kwalificatievereisten

Het dossier voorbereiden

Proces-verbaal samenstellen

Ontvangen van informatiebronnen

Lezen en controleren van informatiebronnen

Interpreteren van tactische aanwijzingen

Het dossier opbouwen

Informatiebronnen samenvatten

Opbouwen en inhoud geven aan het dossier

Analyseren, structureren en controleren

Het dossier afronden

Dossier opleveren

Professioneel handelen

Communiceren, samenwerken en netwerken

Integer, objectief, ethisch en transparant handelen

Coachen, evalueren en adviseren

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijbehorende gedragsindicatoren.

Kerntaak

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. In het geval van de Verbindingsspecialist ME is er één kerntaak: het verzorgen van verbindingen tijdens een praktijkinzet van de Mobiele Eenheid.

Werkproces

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De kerntaak van de Verbindingsspecialist ME kent drie werkprocessen.

Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren benoemd. Deze gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe de Verbindingsspecialist ME wordt opgeleid. Daarmee zijn het die eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat de Verbindingsspecialist ME uitvoert. Gedragsindicatoren die voor deze doelgroep gelden, worden per werkproces puntsgewijs opgesomd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn ook het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR.

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

Voorbereiden en uitvoeren van een verdachtenverhoor in een kinderpornozaak.

KSP modaliteit 2

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

Bij het ontwikkelen van de kwalificatievereisten Verhoor Complex is gekeken naar de kwalificatievereisten van Professioneel Verhoor. Deze zijn geactualiseerd. De kerntaken en bouwstenen vereisen vakkennis.

De beschreven kerntaken, bouwstenen en vakkennis zijn nader uitgewerkt in eindtermen. Deze staan in het Opleidingsdossier Verhoor Complex.

Kerntaken, bouwstenen en vakkennis

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. Bij elke kerntaak behoren een aantal bouwstenen en vakkennisspecifiek voor verhoor.

In het geval van de professioneel verhoorder betreft het onderstaande kerntaken:

Kerntaak 1: Verkrijgen en verder ontwikkelen van verhoorprofessie

Kerntaak 2: Rechtmatig en legitiem handelen in en rondom verhoor

Kerntaak 3: Voorbereiden van een verhoor

Kerntaak 4: Uitvoeren van een verhoor

Kerntaak 5: Afronden en vastleggen van een verhoor

Bouwstenen:

Bevordert zijn professionele ontwikkeling op het vakgebied van verhoor en stimuleert anderen.

Is zich bewust van zijn professionele (beroeps)identiteit, handelt daarnaar en vervult een voorbeeldfunctie voor anderen.

Draagt bij aan kwaliteitsverbetering van het verhoor in zijn eenheid, bijvoorbeeld door het uitdragen van vakkennis.

Reflecteert op eigen handelen en evalueert met collega’s en partners bijvoorbeeld door het bespreken van casuïstiek, door vragen te stellen, gevraagd en ongevraagd feedback te geven en te ontvangen op vakmatig handelen en zich kwetsbaar op te stellen.

Vakkennis:

Methodiek van intervisie;

Leervermogen: o.a. kennis van reflectiemodellen, reflectievermogen;

Vakmatig coachen;

Professioneel en divers vakmanschap;

Organisatie van de politie en samenwerking binnen de politieorganisatie.

Bouwstenen:

Kent de juridische kaders rondom verhoor, kan dit toetsen en toepassen.

Past deze kader ethisch verantwoord toe.

Is in zijn werkzaamheden als verhoorder navolgbaar, transparant en controleerbaar.

Vakkennis:

Ethiek en integriteit m.b.t. verhoor;

Relevante (internationale) wet- en regelgeving en richtlijnen rondom verhoor;

Strafrecht en strafvordering, inclusief toekomstige regelgeving (Modernisering Strafvordering);

Bevoegdheden van interne en externe partners (o.a. gespecialiseerde verhoorders, tolk, advocaat, recherchepsychologen).

Bouwstenen:

Werkt (mee) aan hypothese- en scenariovorming en kan deze vertalen naar het verhoor.

Is in staat informatie uit het opsporingsonderzoek op waarde (betrouwbaarheid) te beoordelen en nader te onderzoeken in verhoor.

Verkrijgt, verwerkt en combineert informatie uit het opsporingsonderzoek en komt op methodische wijze tot een plan van aanpak voor verhoor.

Maakt gebruik van intelligence, netwerken en het eigen tactisch vermogen bij de voorbereiding van verhoor.

Kent zijn grenzen van zijn deskundigheid, kan doorverwijzen naar collega’s of specialisten, afwegen wanneer anderen moeten worden ingeschakeld.

Vakkennis:

Scenariodenken;

Kennis van plan van aanpak voor verhoor, verhoorplan en verhoormethoden;

Bewijsmatrixdenken;

Kennis voorbereiden verhoor (checklist).

Bouwstenen:

Is in staat een verhoor op de juiste manier uit te voeren conform een bepaalde verhoormethodiek.

Kan samenwerken met een medeverhoorder, tolk, advocaat en recherchepsycholoog tijdens het verhoor.

Is zich bewust van risicovolle verhoortechnieken en het ontstaan van valse bekentenissen.

Heeft tijdens de uitvoering oog voor diversiteit en menselijke kwetsbaarheid en kan hierop afstemmen.

Past gespreks- en verhoortechnieken toe die aansluiten bij een specifieke doelgroep of persoon.

Hanteert een professionele en neutrale houding in verhoor (kan zijn oordeel uitstellen, meervoudig kijken en zich neutraal opstellen).

Werkt aan waarheidsvinding; verzamelt, analyseert en verbindt informatie uit onderzoeksresultaten, verhoren met verdachten of getuigen of gesprekken met betrokkenen.

Vakkennis:

Kennis van verhoormethoden;

Communicatie: gespreksvaardigheden, conversatiestijlen, verhoortechnieken;

Kennis risicovolle verhoortechnieken en ontstaan van valse bekentenissen;

Psychologie van het gedrag (met name kennis over kwetsbaarheid en afwijkend gedrag);

Kennis en inzicht in verschillende leefstijlen en culturen binnen de samenleving (divers vakmanschap, diversiteit en inclusie);

Kennis bevoegdheden en werkwijze tolk, advocaat, recherchepsycholoog;

Professioneel en divers vakmanschap;

Waarheidsvinding.

Bouwstenen:

Monitort, verbindt en verwerkt de resultaten uit het verhoor.

Levert vanuit het verhoor een bijdrage aan het opsporingsonderzoek in complexe zaken.

Is in staat informatie uit het verhoor op waarde (betrouwbaarheid) te beoordelen.

Reflecteert op zijn eigen handelen, verantwoordt zich over zijn eigen werk, en waar van toepassing over het werk van zijn collega’s.

Kan een proces-verbaal verhoor opstellen conform wettelijke eisen.

Vakkennis:

Vastlegging (vereisten proces-verbaal verhoor);

Evaluatie van verhoor;

Betrouwbaarheid van verklaringen.

Complexiteit

In de eenheden worden de taken binnen het werkproces Opsporen, waaronder het verhoren van slachtoffers, getuigen en verdachten, uitgevoerd door basisteams, opsporing (recherche) en thematische/specialistische recherche.

De moeilijkheidsgraad van het verhoor heeft betrekking op:

De juridische complexiteit m.b.t. daderschap en/of het ontbreken van tactische aanwijzingen vereisen van de verhoorder aanvullende competenties. Vaak is de mate van daderschap en schuld moeilijk vast te stellen. De kwaliteit van de informatievergaring ten behoeve van de bewijslast is afhankelijk van de kwaliteit van de verhoorder. Bovenstaande elementen vragen dus om een verhoorder die de toepassing van (een combinatie van) meerdere verhoormethoden beheerst en een gestructureerde werkwijze hanteert.

Wanneer er sprake is van specifieke materie (bijvoorbeeld financieel, economisch, milieu, digitaal, diepzeeduiken, enzovoort), is specifieke kennis benodigd. Wanneer de verhoorder hier niet over beschikt, zal inzet van een deskundige nodig zijn om het verhoor goed te kunnen voorbereiden en uit te voeren.

De te verhoren persoon kan een verhoor complex maken wanneer er sprake is van een:

□ slachtoffer, getuige of verdachte die kwetsbaar is door leeftijd of ziekte;

□ verdachte die het feit heeft gepleegd met een cultureel of ideologisch motief;

□ verdachte die zich gezagsondermijnend gedraagt.

De verhoorspecialist (zedenrechercheur) wordt ingeschakeld bij het verhoor van kinderen in de leeftijd van 4 tot 12 jaar, of personen met een verstandelijke beperking of een cognitieve functiestoornis.

Het werk heeft een hoog afbreukrisico, en het kan privacy- en publiciteitsgevoelige zaken betreffen.

De verhoorspecialist kan in het werk geconfronteerd worden met de eigen emoties, normen en waarden.

Hij heeft te maken met getuigen van verschillende ontwikkelingsniveaus en er is een verhoogde kans op het beïnvloeden van de getuige. De rol die vervult wordt is een combinatie van coach en regisseur.

Resultaat

(o.a. t.a.v. handelingen. omstandigheden, beleving getuige en voorgesprekken)

De recherchemedewerker is in staat om kwetsbare verdachten te verhoren. De recherchemedewerker krijgt onder andere te maken met complexiteit en diversiteit van de persoon van de kwetsbare verdachte, privacy- en publiciteitsgevoelige zaken, juridische complicaties, het spanningsveld tussen waarheidsvinding en ethiek. Daarnaast heeft het werk een hoog afbreukrisico en wordt men geconfronteerd met de eigen emoties, vooroordelen, seksualiteit, waarden en normen en maatschappelijke- en collegiale opvattingen.

Resultaat

Bereidt het verhoor met de kwetsbare verdachte voor17

Voert het verhoor met de kwetsbare verdachte uit

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijhorende gedragsindicatoren. Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer en zijn voor het werkveld een logische en herkenbare combinatie van leeruitkomsten, passend bij een functie, rol of expertise uit het werkveld.

Leeruitkomsten beschrijven wat een student geacht wordt te weten, te begrijpen en te kunnen toepassen na afronding van een leerperiode of de opleiding in zijn geheel (NVAO, 2015). Om dit inzichtelijk te maken, is dit weergegeven in werkprocessen en bijbehorende competenties en gedragsindicatoren.

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat.

De kerntaken, werkprocessen en gedragsindicatoren voor het Verkeerstechnisch Begeleiden met een motor worden in de tabellen hieronder weergegeven.

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid voor Vervolg Plaats Delict Onderzoek en om het bijhorende certificaat te ontvangen.

Deze kwalificatievereisten beperken zich tot de startbekwame forensisch plaats delict onderzoeker die zelfstandig en in teamverband onderzoek verricht op een maatwerk(+) PD. Een maatwerk(+) PD betreft een complexe, omvangrijke of uitzonderlijke onderzoekssituatie met een hoge juridische, technische of maatschappelijke impact (niet zijnde een Team Grootschalige Optreden (TGO) of een extreme calamiteit). Maatwerk(+) PD zijn vaak grootschaliger, onoverzichtelijker of meer verstoord dan een standaard PD, en kunnen zich uitstrekken over meerdere locaties of fases. Het sporenbeeld is vaak onvolledig, tegenstrijdig, ongebruikelijk of beschadigd, en vraagt om interpretatie en scenariogericht onderzoek op hoger niveau. De omstandigheden zijn vaak belastend of risicovol, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, veel publiek, mediabelangstelling of fysieke dreiging. Dit vereist dat de student proactief en zelfstandig handelt om veiligheid voor mens, omgeving en bewijs te waarborgen. Standaardprocedures zijn ontoereikend; maatwerk is vereist, gebaseerd op analyse en afweging.

Als forensisch PD onderzoeker pas je de fundamentele aspecten van forensisch PD onderzoek nauwkeurig en consistent toe, bestaande uit de professionele kwaliteitsstandaarden en principes van forensische wetenschap en onderzoek, je kan hier waar nodig mondeling en schriftelijk onderbouwd vanaf wijken. Dit doe je binnen de juridische kaders.

Je beveiligt de PD volgens landelijke richtlijnen en stelt een risico-inventarisatie op. Je kan op professionele wijze communiceren met betrokkenen. Je verzamelt en beoordeelt informatie die je vóór, tijdens en na je onderzoek verkrijgt, objectief en kritisch en hierbij werk je datagedreven. Om risico’s voor de omgeving, personen en het bewijs te beperken tref je vóór, tijdens en na het onderzoek veiligheidsmaatregelen. Je formuleert en overweegt meerdere scenario’s op basis van je waarnemingen, waarbij je verbanden legt tussen bewijsmateriaal, tijdlijnen en omgevingsfactoren. Je stelt een strategie en vereisten op, met fasering en afbakening van onderzoeksvragen, om het PD onderzoek uit te voeren. Je onderbouwt gemaakte keuzes in je strategie, met oog voor alternatieve scenario’s en validiteit. Je verzamelt biologisch, biometrisch, fysisch, digitaal, chemisch en forensisch-medisch bewijsmateriaal. Je demonstreert geavanceerde technieken en methoden voor detecteren, identificeren, verzamelen, verpakken en documenteren van bewijsmateriaal waarbij je de integriteit van het onderzoek waarborgt. Je duidt, analyseert, evalueert en verantwoordt onderzoeksbevindingen in relatie tot scenario’s, op basis van logische redenering. Je dient onderzoeksaanvragen in voor vervolgonderzoeken.

Je documenteert de verrichte handelingen en bevindingen methodisch en herleidbaar volgens de geldende richtlijnen in een dossier, zowel visueel als schriftelijk. Je stelt een proces verbaal op en levert deze conform landelijke richtlijnen aan en kan hierover verantwoording afleggen en feedback vragen.

Je werkt effectief samen met ketenpartners. Je kan de juiste ketenpartner inschakelen binnen het onderzoek waarin je werkzaam bent. Je analyseert bevindingen van de betrokken ketenpartners, duidt deze in het licht van je onderzoek en je zet vervolgacties uit.

Je reflecteert kritisch op eigen gedrag, handelen en gemaakte keuzes tijdens je werk. Je kunt feedback vragen, ontvangen en geven. Je kan mentaal weerbaar optreden in een gegeven werksituatie. Je kan tekenen van verminderde (mentale) weerbaarheid, bij jezelf en collega’s, tijdig onderkennen en daar op de juiste wijze aandacht aan schenken. Je handelt met inachtneming van de kernwaarden van je eigen organisatie.

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Intelligence neemt inmiddels een nadrukkelijke positie in binnen Politie Nederland en de ondersteunende diensten. Dat vraagt wat van de analist van nu en van de toekomst. Van deze nieuwe intell-medewerker wordt meer verwacht; het duiden van informatie en advies, draagvlak en kennis, pro activiteit en een brede oriëntatie. Het doel van de kerntaak VTS is om de student startbekwaam te maken voor de rol van zaaksanalist/tactisch analist. De student zal kennis, vaardigheden en houdingsaspecten verwerven die nodig zijn om op basis van data van een bepaalde omvang en complexiteit, beschrijvende, verklarende en voorspellende analyses te kunnen produceren waarmee richting kan worden gegeven aan de gehele besluitvorming.

De VTS leidt op tot (tactisch) analist. Voor analysewerkzaamheden binnen een Team Grootschalige Opsporing wordt de tactisch analist aangesteld binnen een Vaste Kern Leidinggevenden (als adviseur voor onder meer kritische reflectie).

In de opleiding VTS is de zaaksanalist tot het volgende in staat (kritische beroepssituaties):

Vakvaardigheden

1 Stelt, binnen een TGO (team grootschalig optreden), op methodologisch verantwoorde wijze

hypothesen en scenario’s op en toetst deze. Maakt bij het opstellen gebruik van creatieve en

brainstormtechnieken.

2 Adviseert over eventuele inzet van externe deskundigen binnen de keten.

Praktijkrepertoire

3 Improviseert en doorbreekt bestaande denkkaders.

4 Heeft een open houding en neemt ideeën van teamleden serieus.

5 Voorkomt een tunnelvisie.

6 Staat open voor kritiek.

7 Draagt bij aan de professionalisering van de organisatie.

Expertise

8 Schrijft een reactief of proactief praktijkadvies met betrekking tot de gevormde en getoetste

scenario’s en geeft aanbevelingen voor de te kiezen recherchestrategie.

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijhorende gedragsindicatoren. Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer en zijn voor het werkveld een logische en herkenbare combinatie van leeruitkomsten, passend bij een functie, rol of expertise uit het werkveld.

Leeruitkomsten beschrijven wat een student geacht wordt te weten, te begrijpen en te kunnen toepassen na afronding van een leerperiode of de opleiding in zijn geheel (NVAO, 2015). Om dit inzichtelijk te maken, is dit weergegeven in werkprocessen en bijbehorende competenties en gedragsindicatoren.

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat.

De kerntaken, werkprocessen en gedragsindicatoren voor de VRM worden in de tabellen hieronder weergegeven.

Kwalificatievereisten geven aan wat de medewerker moet beheersen en kunnen aantonen om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijbehorende gedragsindicatoren.

Kerntaak

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. In het geval van de Voortgezette Rijvaardigheid Auto is er één kerntaak: Het vlot, veilig en verantwoord besturen van een politievoertuig conform de voortgezette rijtaak.

Werkproces

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De kerntaak van de Voortgezette Rijvaardigheid Auto kent vijf werkprocessen.

Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren benoemd. Deze gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe de politiemedewerker binnen de voortgezette rijtaak wordt opgeleid. Daarmee zijn het die eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat de politiemedewerker uitvoert. Gedragsindicatoren die voor deze doelgroep gelden, worden per werkproces puntsgewijs opgesomd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn ook het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR.

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijbehorende gedragsindicatoren.

Kerntaak

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. In het geval van het Teamlid Werken op Hoogte is er één kerntaak: Uitvoeren van basiswerkzaamheden op hoogte.

Werkproces

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De kerntaak van het Teamlid Werken op Hoogte kent drie werkprocessen.

Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren benoemd. Deze gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe het Teamlid Werken op Hoogte wordt opgeleid. Daarmee zijn het die eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat het Teamlid Werken op Hoogte uitvoert. Gedragsindicatoren die voor deze doelgroep gelden, worden per werkproces puntsgewijs opgesomd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn ook het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR.

Deze kwalificatie heeft negen uitstroomprofielen, welke gebaseerd zijn op de verschillende doelgroepen, namelijk die van Algemeen (ALG)1, Technische Eenheid (TE), Onderhandelen (OH), Hondengeleider (HG), Hondengeleiders Koninklijke Luchtmacht (HG KLU), Aanhouding- en Ondersteuningsteam (AOT), Team Heimelijke Opsporing (THO), Expert Precisie Schutters (EPS) en Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdiensten (FIOD).

Hieronder staan de gedragsindicatoren behorende bij deze negen uitstroomprofielen weergegeven. Werkproces 1, werkproces 3 en het veilig en professioneel handelen zijn voor alle uitstroomprofielen van toepassing. Binnen werkproces 2 staat aangegeven welke gedragsindicator bij welk uitstroomprofiel behoort.

Let op: Op dit niveau lijkt het soms dat uitstroomprofielen exact hetzelfde zijn, maar is de daadwerkelijke invulling van de abstract beschreven gedragsindicatoren verschillend. Dit verschil is terug te zien in de beoordelingscriteria in de examendocumenten van de opleidingen behorende bij de uitstroomprofielen.

1 Niet geldig voor ALG

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

De wijkagent werkt als verbindende vertegenwoordiger van de politie vanuit een eigenstandige verantwoordelijkheid als betrouwbare en vakkundige partner in een complexe en contextrijke omgeving (wijk, wereld en web) (mee) aan het oplossen van veiligheidsvraagstukken. De wijkagent bouwt en onderhoudt netwerken. De wijkagent werkt in een samenspel met belanghebbenden (bestuur, maatschappelijke instanties, bedrijven, burgers en partners in veiligheid) en werkt op basis van een methodisch verantwoorde werkwijze. De wijkagent is bereid adequaat en systematisch te reflecteren op het eigen handelen.

De wijkagent is in staat om aan de hand van inzichten en methodieken concrete, complexe vraagstukken die leven in zijn wijk, al dan niet samen met anderen, binnen en buiten de politieorganisatie, adequaat:

De wijkagent:

De wijkagent:

De wijkagent:

De wijkagent:

In 2019 heeft de korpsleiding van de politie zes nieuwe beroepsprofielen vastgesteld. In deze beroepsprofielen beschrijft de politie via de zes politieberoepen welke medewerkers er nodig zijn om het werk uit te kunnen voeren. Het gaat dan over vakbekwame medewerkers. De Politieacademie gebruikt de beroepsprofielen om te kijken welke kwalificaties nodig zijn om politiemensen op te leiden die zijn toegerust op het werk dat ze gaan doen. Het gaat dan om het niveau van startbekwaamheid, omdat iemand naast een goede opleiding ook werkervaring nodig heeft om vakbekwaam te worden.

De Politieacademie levert nieuwe collega’s af die hebben aangetoond dat zij over de noodzakelijke kennis en vaardigheden en over de juiste beroepshouding beschikken om in de praktijk aan de slag te gaan bij de politie. De aangetoonde startbekwaamheid geeft recht op een politiediploma.

Om helder vast te leggen wat wordt verstaan onder de startbekwaamheid, zijn er kwalificaties. In een kwalificatiedossier wordt de vereiste kennis, houding en vaardigheden beschreven op het niveau van startbekwaamheid. Elke kwalificatie binnen een kwalificatiedossier beschrijft de eisen waaraan iemand moet voldoen om zijn diploma te behalen.

Deze kwalificatie hoort bij het beroepsprofiel Wijkagent. Voor dit beroep zijn er meerdere kwalificatieniveaus.

Met het aanbieden van een kwalificatie leggen belanghebbende partijen in het politieonderwijs verantwoording af aan de Minister van Justitie en Veiligheid over de kwalificatie van politiemedewerkers. Dit is de verantwoordingsfunctie van de kwalificatie. Daarnaast worden kwalificaties gebruikt om richting te geven aan onderwijsontwikkeling en examinering.

De Politieacademie ontwikkelt kwalificaties in samenwerking met het werkveld en stakeholders. En legt deze voor aan de commissie Kwalificatiestructuur Politieonderwijs (KSP) van de Politieonderwijsraad (hierna: de Raad). Na advies van deze commissie en de Raad stelt de Minister van J&V de kwalificatie vast als deze voldoet aan alle eisen.

In dit document wordt allereerst algemene informatie over de context van het beroep gegeven. Daarna wordt een overzicht weergegeven van de kwalificatiestructuur Politieonderwijs. Vervolgens wordt deze kwalificatie beschreven, in de vorm van kerntaken uitgewerkt in onderliggende bouwstenen, instroomvereisten en beroepsvereisten. Dit begint met een algemene basis, die voor elke kwalificatie gelijk is. Daarna volgt de brede gemeenschappelijke basis, die van toepassing is op meerdere verwante kwalificaties op hetzelfde niveau. Aan de Wijkagent (niveau 6) verwante kwalificaties zijn de Rechercheur (niveau 6), de Politieagent (niveau 6) en de Politieleider (niveau 6). Zij delen gemeenschappelijke kerntaken die maken dat politiefunctionarissen met deze kwalificaties generiek inzetbaar zijn. In de algemene basis en de brede gemeenschappelijke basis wordt daarom gesproken over de Politiefunctionaris, soms aangevuld met specifieke onderdelen voor – in dit geval – Wijkagent. Als derde onderdeel zijn de specifieke kerntaken voor deze kwalificatie beschreven. Dit zijn de taken voor de Wijkagent (niveau 6). Tot slot is er een bijlage opgenomen, waarin de totstandkoming van deze kwalificatie verantwoord wordt, aan de hand van de criteria die gehanteerd worden door de KSP en de Raad.

Omwille van de leesbaarheid is steeds ‘hij’ gebruikt in de tekst. Waar ‘hij’ staat kan uiteraard ook ‘zij’, ‘hen’ of ‘die’ worden gelezen. Om verder bij te dragen aan de leesbaarheid van deze kwalificatie worden de belangrijkste begrippen vooraf uiteengezet.

Om herhaling in de uitwerking van de bouwstenen te voorkomen, zijn de vaardigheden zoveel mogelijk opgenomen in de leeruitkomsten. Daarom is er alleen een Body of Knowledge (BOK) vormgegeven, gevuld met kennisaspecten. Kerntaken en bouwstenen worden als op zichzelf staande leerheden benaderd. Om die reden is er bij het lezen van deze kwalificatie kans op herhaling.

De BOK is opgebouwd aan de hand van zogenaamde kernthema’s, passend bij het niveau van de kwalificatie. Kennis op niveau 6 wordt in het NLQF als volgt geduid:

1 Meer informatie over specifieke inzetbaarheid is te vinden in het Staatsblad 2018-204.

De Politiewet omschrijft de taak van de politie als volgt:

De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

De politie is ‘waakzaam en dienstbaar’ aan de waarden van de rechtsstaat. Deze missie vervult de politie door, afhankelijk van de situatie, gevraagd en ongevraagd te beschermen, te begrenzen of te bekrachtigen. Bij het beschermen van mensen gaat het om hun leven, vrijheid en bezittingen. Begrenzen betreft het beperken en beëindigen van ongeoorloofd, al dan niet gewelddadig gedrag. Bekrachtigen heeft te maken met de ondersteuning van gewenst gedrag en het creëren van structurele samenwerkingsverbanden die de veiligheid bevorderen. De politie is zich bewust van zijn taak en positie in de Nederlandse democratie en van zijn dienende rol in de maatschappij. De politie dient dit op een rechtvaardige manier te doen, in de ogen van een enorm divers publiek.

De politieorganisatie kent drie nauw samenwerkende niveaus: lokaal, regionaal en nationaal. Op al deze niveaus spelen ook de internationale en digitale context een rol, want de ontwikkeling van criminaliteit staat steeds meer onder invloed van digitalisering, mondialisering, internationalisering en netwerkvorming. Het werkveld van de politie is heel breed, van meldkamer tot high-tech crime en van tactisch rechercheur tot specialist interventie.

De politie wil haar missie bereiken door:

De vier kernwaarden van de politie vormen de basis voor iedereen die er werkt, namelijk integer, betrouwbaar, moedig en verbindend.

De politie in Nederland kent haar positie in een dynamische samenleving en beweegt zich in een snel veranderende omgeving, waarin nieuwe veiligheids- en leefbaarheidsvraagstukken zich in rap tempo aandienen. Dit vraagt om een flexibele organisatie die weet wat zij wil, die vooruit kijkt en die met haar partners koers bepaalt en vasthoudt en weet wat zij kan: ‘de politie van overmorgen’. De politie van overmorgen:

Deze kwalificatie betreft de wijkagent (niveau 6) die inzetbaar is als executief politiemedewerker. De wijkagent is werkzaam op een basisteam. Hij beweegt zich niet alleen in de publieke ruimte van wijk, web en wereld, maar ook in de private ruimte van wonen en werk. Zijn taken zijn breed verankerd in de lokale samenleving, treedt daarbinnen op als regisseur, maar is zonder meer politioneel. De wijkagent is fysiek, mentaal en moreel weerbaar en beschikt over alle politiebevoegdheden. De wijkagent treedt op als duidelijke vertegenwoordiger van de politie en vervult een regiefunctie, binnen het eigen werkgebied, maar ook in de eigen organisatie. Hij is het knooppunt voor de informatie-gestuurde politieaanpak en bij uitstek een verbindende politiefunctionaris. De wijkagent schakelt continu tussen interne en externe invalshoeken, benaderingen, uitvoerders en rechtsgebieden, tussen ‘street wise’ en ‘science wise’. Zijn werk heeft betrekking op een gebied, dat kan variëren tussen een complexe wijk of meerdere wijken/breed gebied samen, en/of vraagstukken met betrekking tot een specialistisch thema. Hij concentreert zich voornamelijk op de ondersteuning van gewenst gedrag in de samenleving en het creëren van structurele samenwerkingsverbanden die de veiligheid (of het thema) bevorderen. Dit doet hij door buiten de organisatie de verbinding te leggen tussen de politie en bedrijven, maatschappelijke instanties, burgers en partners in het veiligheidsnetwerk en zogenoemde bondgenoten. Hij verzamelt informatie en hij ontwerpt en realiseert in samenwerking met zijn netwerken duurzame oplossingen voor veiligheidsvraagstukken. Daarvoor moet hij zijn doelgroepen kennen, zelf zichtbaar zijn, relaties aangaan en goed verankerd zijn. Daarbinnen moet hij zich (bestuurlijk en strategisch) kunnen bewegen. Binnen de organisatie zorgt hij voor uitwisseling en verbinding van kennis op diverse werkterreinen te organiseren (basisteam, opsporing, intelligence, ondersteuners, specialisten, samenwerking tussen basisteams). Daarnaast is de wijkagent voldoende digitaal vaardig om de eigen functie uit te oefenen in de gedigitaliseerde samenleving.

De belangrijkste werkzaamheden van de Wijkagent (niveau 6) zijn:

De kwalificatie Wijkagent (niveau 6) is gebaseerd op het beroepsprofiel Wijkagent en heeft een link naar diverse functies in het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP).

De wijkagent heeft de opgave om (via relevante netwerken) samen te werken aan veiligheids- en leefbaarheidsvraagstukken en het stimuleren van gewenst gedrag in de samenleving. De Wijkagent (niveau 6) moet balanceren tussen nabijheid en betrokkenheid in de praktijk en toch ook een zekere mate van afstandelijkheid. Hij is in staat écht verbinding te maken, zowel binnen de eigen organisatie als daarbuiten, (multidisciplinair) samen te werken en (langdurige) coalities aan te gaan. Maar ook het feit dat hij zich in uniform in de publieke ruimte begeeft brengt verwachtingen en verplichtingen met zich mee. Hij is zich bewust van en werkt actief aan de (informatie)positie die hij heeft in de samenleving, meer specifiek in het veiligheids- en leefbaarheidsdomein en binnen de politieorganisatie.

De Wijkagent is fysiek, mentaal en moreel weerbaar en wendbaar. Hij kent de begrenzing van zijn bevoegdheden en handelt daarnaar, maar heeft daarnaast ook een open, nieuwsgierige en onderzoekende houding. Hij is informatie-sensitief en beschikt over een uitstekend analytisch en kritisch vermogen, om vanuit meervoudig perspectief, verbanden te kunnen leggen tussen diverse informatiebronnen en te komen tot betekenisvolle aanpakken en/of scenario’s.

De Wijkagent is zich bewust van zowel zijn eigen talenten, kwaliteiten en ‘ontwikkelpunten’ als die van anderen en weet deze in te zetten. Hij werkt in gelijkwaardigheid en vanuit wederkerigheid samen met (specialistische) collega’s, partners, bondgenoten, sleutelfiguren, instanties voor zorg, onderwijs en burgers, waardoor hun beschikbare expertise en mogelijkheden slim en proactief kunnen worden benut. Gevoel voor de situatie en oog voor de persoon zijn daarbij van belang. Hij is in staat creatief en effectief in te spelen op de belangen van burgers en partners in het veiligheids- en leefbaarheidsdomein en is bijzonder communicatief vaardig. Hij werkt systematisch en methodisch en pakt de professionele ruimte om op creatieve, maar vooral betekenisvolle wijze te handelen binnen de kaders van de wet en werkwijzen te innoveren. De wijkagent voorziet anderen van feedback en staat open om feedback te ontvangen. Hij is in staat zowel zijn eigen handelen als dat van zijn collega’s vanuit kritisch oogpunt te evalueren en daarop te reflecteren, met als doel de kwaliteit van het politiewerk, de politieorganisatie, de dienstverlening, het team en zijn rol daarbinnen te bevorderen.

In onderstaande afbeelding is de nieuwe Kwalificatiestructuur Politieonderwijs gevisualiseerd.

Instroomeisen en startvereisten

De kwalificatie is ontwikkeld voor iedereen die voldoet aan de in wet- en regelgeving vastgestelde aanstellingseisen en is aangesteld bij de Nederlandse politie.

Beroepsvereisten

Bij beroepsvereisten is bij wet vastgesteld dat er voorwaarden zijn waaraan moet worden voldaan om een bepaald beroep of bepaalde beroepshandelingen uit te mogen oefenen. In het geval van de politie hebben deze in algemene zin betrekking op het juridische kader gerelateerd aan de aanstelling als ambtenaar ter uitvoering van de politietaak. Meer specifiek hebben wettelijke beroepsvereisten betrekking op bijvoorbeeld het gebruik van geweldsmiddelen en het op de openbare weg rijden in een politievoertuig met optische en geluidssignalen. Wettelijke beroepsvereisten zijn vastgelegd in een nationale of internationale wet of verdrag.

Onderdeel van deze kwalificatie zijn de beroepsvereisten op het gebied van:

De bijhorende kwalificatievereisten zijn opgenomen in bijlagen 2 tot en met 5.

Beroepsprofiel

Deze kwalificatie is gebaseerd op het beroepsprofiel Wijkagent.

Doelmatigheid

In het LFNP zijn functiebeschrijvingen geformuleerd in termen van vakbekwaamheid. De kwalificatie wijkagent correspondeert met de functie van senior GGP/GGP/Tactische Opsporing (startbekwaam, breed inzetbaar). Met deze kwalificatie is tevens de basis gelegd voor de functie van Operationeel Expert GGP/GGP/Tactische Opsporing en de functies in de kolom van Operationeel Specialist.

Navolgbaarheid

Deze kwalificatie is gebaseerd op het beroepsprofiel Wijkagent. Daarnaast is gebruik gemaakt van schriftelijke bronnen: onderliggende documentatie van de beroepsprofielen, diverse rapporten over trends en ontwikkelingen binnen en rond de politie, rapporten van de Politieonderwijsraad, informatie over ontwikkelingen in regulier onderwijs, politiedocumenten met informatie over werkprocessen, enzovoort. Daarnaast zijn veel direct en indirect betrokkenen bevraagd in werksessies, klankbordsessies, bijeenkomsten voor collegiale consultatie en individuele gesprekken.

De werksessies waren gericht op het ophalen en uitwisselen van informatie uit het werkveld. In de werksessies waren vertegenwoordigers aanwezig vanuit het werkveld en vanuit de Politieacademie. Er heeft zorgvuldige afstemming plaatsgevonden over de samenstelling van de groepen.

In de klankbordsessies zijn de vier dossiers op niveau 6 in gezamenlijkheid besproken. Deze sessies waren gericht op het toetsen van de uitwerking van de informatie uit de werksessies. In de klankbordgroep zaten vertegenwoordigers van openbaar bestuur, openbaar ministerie, het regulier onderwijs, de Politieonderwijsraad, de politievakbonden, Directie Operatiën, Directie HRM, ministerie J&V en Politieacademie. De bijeenkomsten voor collegiale consultatie waren gericht op het controleren van de uitwerkingen op toekomstgerichtheid. De individuele gesprekken waren zeer divers van aard.

Samenhang/doorstroommogelijkheden

Op dit moment loopt de uitwerking van de beroepsprofielen richting kwalificatie nog. De samenhang en de doorstroommogelijkheden zijn dus nog niet volledig te beschrijven. De samenhang tussen de vier kwalificaties op niveau 6 is groot. In het format wordt hiermee rekening gehouden door te werken met een algemene basis die voor elke kwalificatie gelijk is. Daarna volgen de brede gemeenschappelijke kerntaken, die van toepassing zijn op meerdere verwante kwalificaties op hetzelfde niveau. Tenslotte worden de profiel specifieke kerntaken weergegeven. Hiermee wordt de overlap zichtbaar. Horizontale doorstroom tussen deze beroepen is mogelijk, evenals doorstroom naar een hoger kwalificatieniveau binnen het beroep. Daarnaast is doorstroom naar vakspecialistisch politieonderwijs mogelijk.

Niveau

Uitgangspunt voor het formuleren van de kwalificatie is niveau 6. Het niveau wordt door de formulering van de kerntaken, bouwstenen en bijbehorende leeruitkomsten op de volgende manier geborgd:

Dit wil niet zeggen dat álle leeruitkomsten op niveau 6 zijn beschreven. De kerntaken en bouwstenen zijn beschreven op niveau 6. Het kan zijn dat een aantal leeruitkomsten op een niveau hoger of lager zijn geformuleerd op basis van de verkregen input. Vanuit de best-fit methode zijn alle leeruitkomsten bekeken en is vervolgens bepaald welk niveau het best bij het geheel van de kwalificatie past. Voor deze kwalificatie is dat niveau 6.

Toekomstige ontwikkelingen

Kwalificaties zijn in samenhang per niveau ontwikkeld. Kwalificaties zijn in een zekere mate van abstractie geformuleerd om hiermee zowel richting als ruimte te bieden en toekomstbestendig te zijn. Toekomstige ontwikkelingen kunnen te allen tijde impact hebben op kwalificaties, maar in de gekozen formulering is steeds kritisch gekeken naar mogelijkheden om deze ontwikkelingen ook te kunnen omvatten. Verder zijn er in de komende jaren binnen de politie ontwikkelingen te verwachten op het gebied van het gewenste opleidingsniveau van de medewerkers. Deze ontwikkelingen kunnen ook impact hebben op de kwalificaties op niveau 6.

Wettelijke kaders

Deze kwalificatie voldoet aan de in de Politiewet gestelde eisen aan politieonderwijs.

De politiemedewerker is fysiek en motorisch weerbaar. De politiemedewerker heeft inzicht in zijn politiespecifieke conditie en fysieke vaardigheden die nodig zijn om het vak professioneel uit te voeren.

Kwalificatievereisten

De politiemedewerker legt een uitgezet circuit af binnen een gestelde tijd. Het circuit bestaat uit onderdelen waarbij uithoudingsvermogen, snelheid-versnelling (stuwkracht), duw-, trek-, en tilkracht moeten worden aangetoond.

De eisen waaraan moet worden voldaan zijn gerelateerd aan de leeftijd en het geslacht van de kandidaat en zijn vastgelegd in de Regeling Fysieke vaardigheidstoets politie.

Bronnen

De bestuurder van een politieauto controleert het voertuig, beheerst het voertuig tijdens het rijden en neemt op een veilige manier deel aan het verkeer. De bestuurder kan waarnemen, anticiperen en naar de bestemming rijden, al dan niet met spoed, en zet tijdens gebruik van de politieauto de optische- en geluidssignalen en de ontheffing juist in. Kenmerken van het werk zijn onder andere het optreden van surveillance tot incident, de kans op fysiek gevaar voor anderen en zelf, en er kan sprake zijn van een verstoring van het ‘normale’ verkeer.

Kwalificatievereisten

De politiemedewerker:

Bronnen

De politiemedewerker kent de juridische kaders van het optreden als ambtenaar aangesteld voor de uitoefening van de politietaak, en beheerst voor dit optreden met betrekking tot de geweldsmiddelen de vaardigheden (aanhouding en zelfverdediging en schieten).

De politiemedewerker onderhoudt en controleert de uitrusting, beheerst het gebruik van communicatietechnieken, hanteert de aanhoudings- en zelfverdedigingshoudingen en past het gebruik van geweldsmiddelen juist toe. De politiemedewerker kan waarnemen, anticiperen en per situatie proportioneel handelen. De politiemedewerker kan reflecteren op zijn en andermans handelen om hiervan te leren. Kenmerken van het werk zijn onder andere het optreden van surveillance tot incident tot crisis met de kans op fysiek gevaar voor anderen en zelf.

Kwalificatievereisten

De politiemedewerker:

Overall

Geweldsbeheersing

AZV

Schieten

Bronnen

De politiemedewerker is beschikbaar voor hulpverleningsvragen, handelt hulpverleningsvragen zelfstandig af, stabiliseert de situatie van slachtoffers en draagt zorg voor overdracht. De politiemedewerker kent de juridische kaders van het optreden als ambtenaar aangesteld voor de uitoefening van de politietaak voor hen die dat behoeven waar geen andere hulp voor handen is, werkt veilig, verleent hulp conform ABCDE-methode en beheerst voor het optreden als hulpverlener de (levensreddende dan wel stabiliserende) handelingen conform protocollen EHDP.

De politiemedewerker onderhoudt en controleert de hulpmiddelen, beheerst het gebruik van AED, hanteert de eerste hulphandeling en past deze juist toe. De politiemedewerker kan waarnemen, anticiperen en per situatie levensreddend handelen. De politiemedewerker kan reflecteren op zijn en andermans handelen om hiervan te leren. Kenmerken van het werk zijn onder andere het optreden met de kans op fysiek gevaar voor anderen en zelf.

Kwalificatievereisten

De politiemedewerker:

Overall

(Levensreddende) Hulpverlening

Bronnen

Lijst opleiding(en) ter verkrijging van certificaat

Aanrijdingselecteur

Adviseur Bewaken en Beveiligen

Afname celmateriaal DNA-onderzoek

Algemeen commandant

Analyse Verkeersregelinstallaties VOA

AVIM aangewezen ambtenaar

AVIM hulpofficier van justitie

Basis afdeling Vreemdelingen Identificatie en Mensenhandel

Basis Brand

Basis bloedspoorpatroon registratie en analyse

Basis intelligence

Basis motorsurveillant

Basis PD onderzoek Forensische Opsporing

Basis Rijvaardigheid Auto: Rijopleiding Initieel Arrestantentaken

Basis Rijvaardigheid Auto: Rijopleiding Initieel Beveiliging

Basis Rijvaardigheid Auto: Rijopleiding Initieel Onopvallend

Basis Rijvaardigheid Auto: Rijopleiding Initieel Opvallend

Basis Ruiter Bereden Politie

Bedienaar Meetmiddel: Ademanalyseapparaat

Bedienaar Meetmiddel: Bromfietsrollentestbank

Bedienaar Meetmiddel: Geluidsniveaumeter

Bedienaar Meetmiddel: Lasersnelheidsmeter

Bedienaar Meetmiddel: Lichtdoorlatendheidsmeter

Bedienaar Meetmiddel: Wiellastmeters

Bedienaar Meetmiddel: Radarsnelheidsmeter

Bedienaar Radar

Bewakingseenheid

Bloodstain pattern analysis advanced

Brand Advanced

Chauffeur binnen een ME inzet: AE

Chauffeur binnen een ME inzet: ME

Chauffeur waterwerper

Controleren van voertuigen

Coördinatie Plaats Delict Unit

Dactyloscopie en Vastlegging

Dactyloscopie 2-ster

Dactyloscopisch onderzoeker 3-ster

DNA vooronderzoek eenvoudig

DNA vooronderzoek complex

Dossiervorming verdieping

Dreigingsinschatting

Familieagent

Familierechercheur

Financieel-administratieve waarheidsvinding

FinEc Schakelonderwijs

Forensic Network Exploration

Forensic Scripting

Forensisch Coördinator

Forensisch onderzoek in besturingssystemen: Linux Forensics

Forensisch onderzoek in besturingssystemen: Mac Forensics

Forensisch onderzoek in besturingssystemen: Windows Forensics

Forensische Analyse Verkeer – Rekenmodellen 2

Forensische Analyse Verkeer – Toegepaste Dynamica

Forensisch onderzoek schietincidenten

Forensisch onderzoek zeden

Forensische opsporing – Identificeren – Individualiseren van schoen- en bandsporen

Forensische opsporing – Identificeren – Individualiseren van werktuigsporen

Forensische opsporing: Opsporen, Bergen en Identificeren (OBI)

Forensische opsporing: Overlijdensonderzoek

Fotoconfrontatie Organiseren Coördineren Uitvoeren en Schrijven (FOCUS)

Gebruik van traangas in ME-verband

Gebruiken van computersimulatie bij verkeersongevalsanalyse

Generalist Operationeel Centrum

Kerntaak Opsporing

Groepscommandant CCB-domein: AE groep

Groepscommandant CCB-domein: bewakingseenheid groep

Groepscommandant CCB-domein: groep beredenen

Groepscommandant CCB-domein: ME groep

Groepscommandant CCB-domein: verkenningseenheid

Hacking Investigation

Handelen in zaken omtrent kinderpornografie en kindersekstoerisme

Handelen in zedenzaken

HAVANK

Herkennen en beschrijven van (vuur)wapens en munitie (HBWM)

Hoofd Taakorganisatie

Hondengeleider

Hulpofficier van Justitie

Identificeren-individualiseren van schoen- en bandsporen

Identificeren-individualiseren van werktuigsporen

Informatiecoördinatie

Integraal opsporen in meeromvattende zaken – IVOO

Intelligence Zaaksanalyse

Internet en Opsporing (Specialist)

Leergang operationele sturing

Leidinggeven aan een AE-sectie

Leidinggeven aan een groep hondengeleiders ME

Leidinggeven aan een ME-sectie

Leidinggeven aan een peloton ME

Lid Aanhoudingseenheid

Lid Ondersteuningsgroep

Live data forensics

Medewerker real-time intelligence center

Meewerken aan een Financieel Rechercheonderzoek

Metingen in een mobiel telecomnetwerk

Milieuagent

Motorrijder AOT

Motorrijder DKDB

Officier van Dienst Intelligence

Officier van Dienst Operationeel Centrum

Officier van Dienst Politie

Onderzoek explosies en explosieven

Onopvallend en veilig motorrijden OT – Rijdeel

Opsporing en Handhaving in het kader van dieren

Opsporing Mensenhandel en Migratiecriminaliteit

Opstellen van vermogensvergelijking, kasopstelling en financieel verslag

Optreden als beredene ME

Optreden als hondengeleider

Optreden als ME-lid

Optreden bij CBRN-explosieven veiligheid

Optreden lid Verkenningseenheid

Optreden op en nabij water: Groepslid

Optreden op en nabij water: leidinggeven aan een groep

Optreden op en nabij water: leidinggeven aan een sectie

Pantser rijden voortgezet

PD onderzoek verkeer

Pedagogisch Didactische Aantekening – Vaardigheidsdocenten

Politierijinstructeur A

Politierijinstructeur B

Politierijinstructeur C

Politierijinstructeur D

Rijvaardigheid Politie onderhandelaar

Rijvaardigheid Snel Interventie Voertuig

Rijvaardigheid voor de ondersteuningsgroep (OG)

Signaleren en adviseren binnen verkeersinfrastructuur

Specialist Onderwijs geweldsbeheersing RTGP

Specialist wapens, munitie en explosieven (WME)

Specialistische rijopleiding dienst infra opvallend (SRI)Specifieke inzet – digitaal

Teamleider bij CBRN-explosieven veiligheid (TEV)

Toepassen van sociale wetenschappen in sociale netwerkanalyse

Toetser AZV – doelgroep AOT

Toetser AZV – doelgroep DKDB

Toetser AZV – basis RTGP

Toetser schietvaardigheid pistool RTGP

Toetser vuurwapen DKDB

Toetser schietvaardigheid Doelgroep DKDB

Toetser schietvaardigheid Pistool Doelgroep DKDB

Toetser schietvaardigheid stroomstootwapen

Toetser schietvaardigheid doelgroep AOT

Toetser traangas

Toezicht houden op beroepsgoederenvervoer

Toezicht houden op beroepspersonenvervoer

Uitvoeren Drugstesten

Urgent veiligheidsverhoor

Vaste kern leidinggevenden-TGO

Vastlegging Verdiepend

Verbindingsspecialist ME

Verdachten verhoor in kinderporno zaken

Verhoor complex (VHC)

Verhoren van kwetsbare getuigen in zedenzaken

Verhoren van kwetsbare verdachten

Verkeerstechnisch begeleiden (VTB)

Vervolg PD-onderzoek Forensische Opsporing Generiek

Vormen en toetsen van scenario's

Video Registratie Onopvallend Surveilleren

Voortgezette rijvaardigheid auto (onopvallend)

Voortgezette rijvaardigheid auto (opvallend)

Voortgezette rijvaardigheid motor (VRM)

Werken op hoogte basis: algemeen

Werken op hoogte basis: hondengeleider

Werken op hoogte basis: onderhandelaar

Werken op hoogte basis: technische eenheid

WOH Hoogtespecialist operationele ondersteuning: technische eenheid Wijkagent

Overige opleidingen

Aanpak Cocaïne en Heroïne

Aanpak Drugscriminaliteit Basis

Aanpak Synthetische Drugs

Aanslaginschatting (CTER)

Adviseren SGBO

Analyseren/Interpreteren, Sturen/Adviseren en Positioneren

Applicatie analyse computersimulatie

Autotechniek A

AVIM Permanente vakontwikkeling hovj / aa

Basis Digitaal Vaardig Opsporen

Basis EVOA

Basis Training Leidinggevenden AVIM

Basisopleiding Korpscheftaken I&S

Basisopleiding Milieu Intelligence

Basisopleiding mobiele telefonie binnen de opsporingspraktijk

Beoordelen van de Bewijswaarde van (Im)Materiële Sporen

Bijscholing CCB-OBT_vuur

Categoriseren en beschrijven van wapens

Challenge Specialist

Commandant Nationale Staf Grootschalig en Bijzonder optreden (NSGBO)

Communiceren met kwetsbare personen in de opsporing

Controletechniek voor de opsporingsambtenaar

CTER en georganiseerde criminaliteit

Cybercrime

Datageletterdheid

Datageletterdheid train de trainer

De-escalerend communiceren

Desinformatie in het CTER-domein

Dieren binnen I&S

Digitaal Coördinator

Digitaal Onderzoek Juridisch Onderlegd

Eenmalige terugkomdag Urgent Veiligheidsverhoor

Eergerelateerd Geweld

Effectief handhaven in het verkeer

Evalueren SGBO

Evenementenadviseur

Executive Master of Tactical Policing

Financial Crime Scripting

Forensisch Digitaal Onderzoek

Forensisch Digitaal Opsporen Senior Tactisch

Forensisch veiligstellen van vuurwapens door aangewezen ambtenaren

Frontoffice Seksuele Misdrijven

Fundament Zorg en Veiligheid

Fundamenten Forensisch Onderzoek en Analyse

Gedelegeerde bij examens Verkeersregelaar

Generalist Operationeel Centrum LX

Handelen in zaken omtrent kinderpornografie en kindersekstoerisme, basis

Herkennen van en communiceren met verstandelijk beperkte personen

Hoofdofficier van Dienst

Huiselijk Geweld, Kindermishandeling en stalking

Huisverbod HOvJ

Informatiemanager Politie

Instructeur verkeersbrigadier

Intelcellen CTER – Basis

Intelcellen CTER – Verdieping

Internationale Rechtshulp

Internet en Opsporing (Specialist)

Jaarlijkse terugkomdag urgent veiligheidsverhoor

Jeugd

Juridische aspecten & dossiervorming FoCo

Kerninstructeur Operationele Meetmiddelen Verkeer 1

Kerninstructeur Operationele Meetmiddelen Verkeer 2

Kerninstructeur Operationele Meetmiddelen Verkeer 3

Korpscheftaken Toezichthouder GGP

Landschap van crisisbeheersing

Lawfull Decryption

Live Data Forensics

Malware Investigation

Master of Crisis and Public Order management

Master Criminal Investigation

Master of Science in Policing

Medewerker Privacydesk

Milieucriminaliteit basis

Milieucriminaliteit integrale toepassing

Milieucriminaliteit juridische verdieping

Mobile Forensics

Module Tactisch Juridisch Zeden

Multidisciplinaire aanpak in het CTER-domein

NEN 3140 veiligheidsinstructie en praktijktraining Digitale Expertise

NEN 9140

Netwerk Techniek

Officier van Dienst Recherche (OvD-R)

Onbegrepen / Verward Gedrag

Ondersteunende Taakaccenthouder Stroomstootwapen

Operationeel Leidinggeven CCB

Operationele sturing

Opleiding Netwerk Divers Vakmanschap

Opleiding Privacyfunctionaris

Oriëntatie AVIM

OSINT Expert

OSINT in het CTER-domein

OSINT Professional

Politiebiker

Politieboa

Poortwachters WPG

Proceshoofd Nationale Staf Grootschalig en Bijzonder optreden (NSGBO)

Professioneel wielerronden begeleiden

Professionele groei

Rechercheren in administraties

Rechercheren in wapens

Rechtbanktraining – 1 dag

Rechtbanktraining basis

Rijopleiding Terreinauto

Specialisatie Ongewenste Buitenlandse Inmenging

Spottersopleiding

Spottersopleiding voor de Basispolitiezorg

Strafrechtelijk afpakken

Taakaccenthouder aanpak hennepteelt en ontneming

Terugkomdag Urgent Veiligheidsverhoor

Toekomstgerichte Scenario Analyse

Training Bevoegd functionaris / Informatiecoördinatie WPG

Training Mentale Weerbaarheid Basis

Training Witwassen

Traject Operationeel Politieleiderschap

Undergroundbanking

Urban obstacle training – Team Surveillance Honden

Vastlegging Basis

Vaststellen en beoordelen van de bewijswaarde van digitale sporen

Veiligstellen Data Mobiele Telefonie

Verdieping Digitaal Vaardig Opsporen

Verhoor Basis

Vermiste Personen Basis

Vervolgopleiding Korpscheftaken I&S

Visualisatie van geografische informatie

Voorbereiden en Optreden bij Risicobeheersing

Vooropleiding Algemeen Commandant SGBO

Vooropleiding Hoofd Taakorganisatie SGBO

Vuurwerk

Workshop herkenning voertuigcriminaliteit

Workshop Opsporend Surveilleren

Zelfstudie Aanpak Financieel Economische Criminaliteit

Zicht op bewaken, beveiligen en beschermen

Zicht op CTER

Zicht op Mensenhandel

Zicht op Ongewenste Buitenlandse Inmenging

Zicht op Seksuele Misdrijven

Zicht op wet BOB (juridische bijscholingsdag)