Regeling · BWBR0050941

Besluit bemanning zeeschepen

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 13 maart 2025, houdende bepalingen over het bemannen van zeeschepen (Besluit bemanning zeeschepen)Besluit bemanning zeeschepenWij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 11 juni 2024, nr. IenW/BSK-2024/153686, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen, het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981, 144) en de bij dat verdrag behorende bindende bijlagen, het op 7 juli 1995 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag betreffende de normen inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van personeel van vissersschepen van de Internationale Maritieme Organisatie (Trb. 2013, 218), het op 23 februari 2006 in Genève tot stand gekomen Maritiem Arbeidsverdrag, 2006 (Trb. 2007, 93) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen en aanhangselen, het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen, Richtlijn (EU)2022/993 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2022 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden (PbEU 2022, L 169), Richtlijn 2009/13/EG van de Raad van 16 februari 2009 tot tenuitvoerlegging van de overeenkomst tussen de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) inzake het verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006 en tot wijziging van Richtlijn 1999/63/EG (PbEG 2009, L 124) en Richtlijn (EU) 2017/ 159 van de Raad van 19 december 2016 tot uitvoering van de op 21 mei 2012 door het Algemeen Comité van de landbouwcoöperaties van de Europese Unie (COGECA), de Europese Federatie van vervoerswerknemers (EFT) en de Vereniging van de nationale organisaties van visserijondernemingen in de Europese Unie (Europêche) gesloten Overeenkomst betreffende de uitvoering van het Verdrag betreffende werk in de visserijsector van de Internationale Arbeidsorganisatie uit 2007 (PbEU 2016, L 25);

Gelet op de artikelen 3, derde lid, 19, zesde lid, 20, derde en vierde lid, 21, derde lid, 23, derde lid, 24, tweede lid, 25, tweede lid, 26, eerste lid, 27, tweede lid, 28, 30, derde lid, 31, vierde lid, 32, zesde lid, 37, tweede lid, 38, derde lid, 42, tweede lid, 46, tweede lid, 48, tweede lid, 55, achtstelid, 57, tweede lid, en 84 van de Wet bemanning zeeschepen;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 augustus 2024, nr. W17.24.00137/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 10 maart 2025, nr. IenW/BSK-2025/23093, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage13 maart 2025Willem-AlexanderDe Minister van Infrastructuur en Waterstaat,B.Madlenerde elfde april 2025De Minister van Justitie en Veiligheid,D.M. vanWeel

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Aan een ontheffing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet worden beperkingen of voorwaarden verbonden die ten minste zien op:

Deze paragraaf is niet van toepassing op vissersvaartuigen.

Indien voor een zeeschip meer dan een bemanningssamenstelling geldt, worden alle bemanningssamenstellingen duidelijk onderscheiden in het bemanningscertificaat opgenomen.

Indien voor een zeeschip meer dan een bemanningssamenstelling geldt, tekent de kapitein in het scheepsdagboek aan:

Onze Minister trekt het bemanningscertificaat in, indien is gebleken dat

Bij ministeriële regeling kan, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en vissers, aanvulling van het aantal bemanningsleden worden voorgeschreven indien de inrichting, de uitrusting, de scheepslengte, het brutotonnage, het voortstuwingsvermogen, de wijze van voortstuwing of de bestemming van het vissersvaartuig daartoe aanleiding geven.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat andere gegevens op de bemanningslijst worden vermeld naast de gegevens, genoemd in de bij het bij het FAL-verdrag ingevoerde standaardverklaring.

De scheepsbeheerder bewaart een bemanningslijst, gedurende drie jaar na de vervangingsdatum of geldigheidsdatum.

Op een zeeschip, niet zijnde een vissersvaartuig, dat een internationale reis van meer dan 3 dagen maakt met 100 of meer opvarenden, is een arts aanwezig.

De scheepsbeheerder van een vissersvaartuig draagt er zorg voor dat de schipper en dekofficieren van een vissersvaartuig van 24 meter of meer waarvoor een bemanningscertificaat is afgegeven voor onbeperkt vaargebied vissersvaartuigen, beschikken over toereikende kennis van de Engelse taal, waardoor zij in staat zijn:

Bij ministeriële regeling worden beroepseisen als bedoeld in de artikelen 23, eerste en tweede lid, 24, eerste lid, en 25, eerste lid, van de wet vastgesteld voor de verkrijging van een vaarbevoegdheidsbewijs.

Onze Minister aanvaardt:

Een wachtstuurman van een zeeschip is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/1, tweede lid, en voorschrift II/3, eerste lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Een kapitein of eerste stuurman van een zeeschip is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/2, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Een kapitein of eerste stuurman van een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 3.000 GT is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/2, vierde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Een wachtstuurman van een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500 GT is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/3, eerste lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Een kapitein van een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500 GT is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/3, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Een wachtlopend gezel dek die deel uitmaakt van de brugwacht van een zeeschip met een brutotonnage van 500 GT of meer, is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/4, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Een gekwalificeerd gezel dek die deel uitmaakt van de dekdienst van een zeeschip met een brutotonnage van 500 GT of meer, is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/5, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Een wachtwerktuigkundige van een zeeschip is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift III/1, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Een hoofdwerktuigkundige of tweede werktuigkundige van een zeeschip is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift III/2, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Een hoofdwerktuigkundige of tweede werktuigkundige van een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie tot 3.000 kW voortstuwingsvermogen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift III/3, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Een hoofdwerktuigkundige, tweede werktuigkundige of eerste maritiem officier aan boord van een zeeschip voorzien van een stoomvoortstuwingsinstallatie is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs stoomvoortstuwing dat ten minste voldoet aan tabel A-III/1, onderdeel 2, van de STCW-code.

Een hoofdwerktuigkundige, tweede werktuigkundige of eerste maritiem officier van een zeeschip voorzien van een gasturbinevoortstuwingsinstallatie is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs gasturbinevoortstuwing dat ten minste voldoet aan tabel A-III/1, onderdeel 3, van de STCW-code.

Een wachtlopend gezel machinekamer die deel uitmaakt van de machinekamerwacht of is aangewezen om dienst te doen in een tijdelijk onbemande machinekamer van een zeeschip is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift III/4, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Een gekwalificeerd gezel machinekamer in een bemande machinekamer of in een tijdelijk onbemande machinekamer van een zeeschip is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift III/5, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Een officier elektrotechniek van een zeeschip is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift III/6, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Een gezel elektrotechniek van een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van 750 kW voortstuwingsvermogen of meer is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift III/7, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Een vaarbevoegdheidsbewijs maritiem officier of eerste maritiem officier dat is afgegeven op grond van voorschrift VII/1 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993 is gelijkwaardig aan een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie van wachtstuurman, eerste stuurman, kapitein, wachtwerktuigkundige, tweede werktuigkundige of hoofdwerktuigkundige, voor zover dat vaarbevoegdheidsbewijs voldoet aan de eisen voor de desbetreffende, functie, bedoeld in bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Een vaarbevoegdheidsbewijs wachtlopend gezel dek en machinekamer dat is afgegeven op grond van voorschrift VII/1 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993 is gelijkwaardig aan een vaarbevoegdheidsbewijs voor een wachtlopend gezel dek of een wachtlopend gezel machinekamer, voor zover dat vaarbevoegdheidsbewijs voldoet aan de eisen voor de desbetreffende, functie, bedoeld in bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Een vaarbevoegdheidsbewijs gekwalificeerd gezel dek en machinekamer dat is afgegeven op grond van voorschrift VII/1 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993 is gelijkwaardig aan een vaarbevoegdheidsbewijs voor een gekwalificeerd gezel dek of een gekwalificeerd gezel machinekamer, voor zover dat vaarbevoegdheidsbewijs voldoet aan de eisen voor de desbetreffende, functie, bedoeld in bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Bij ministeriële regeling worden voor elk vaarbevoegdheidsbewijs, genoemd in deze paragraaf, kennisbewijzen, bekwaamheidsbewijzen, diensttijdvereisten en bijzondere of aanvullende beroepseisen vastgesteld waarmee voldaan wordt aan de voor die functie gestelde minimumeisen en die recht geven op een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs voor de betreffende functie.

Bij ministeriële regeling worden voor elke bijzondere beroepseis genoemd in deze paragraaf bekwaamheidsbewijzen, schriftelijke bewijzen of diensttijdvereisten vastgesteld waarmee voldaan wordt aan de voor die bijzondere beroepseis gestelde minimumeisen en die recht geven op een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs voor die bijzondere beroepseis.

Deze paragraaf bevat de minimumeisen die recht geven op een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs voor een functie van een vissersvaartuig, als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel b, van de wet.

Een stuurman zeevisvaart van een vissersvaartuig met een scheepslengte van 24 meter of meer die vaart in onbeperkte wateren vissersvaartuigen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/2 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.

Een schipper en een plaatsvervangend schipper van een vissersvaartuig met een scheepslengte van 24 meter of meer die vaart in onbeperkte wateren vissersvaartuigen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/1 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.

Een stuurman zeevisvaart van een vissersvaartuig met een scheepslengte van 24 meter of meer die vaart in beperkte wateren vissersvaartuigen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/4 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.

Een schipper en een plaatsvervangend schipper van een vissersvaartuig met een scheepslengte van 24 meter of meer die vaart in beperkte wateren vissersvaartuigen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/3 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.

Een stuurman zeevisvaart van een vissersvaartuig met een scheepslengte van minder dan 24 meter die vaart in onbeperkte wateren vissersvaartuigen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/2 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.

Een schipper en een plaatsvervangend schipper van een vissersvaartuig met een scheepslengte van minder dan 24 meter die vaart in onbeperkte wateren vissersvaartuigen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/1 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.

Een stuurman zeevisvaart van een vissersvaartuig met een scheepslengte van minder dan 24 meter die vaart in beperkte wateren vissersvaartuigen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/4 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.

Een schipper en een plaatsvervangend schipper van een vissersvaartuig met een scheepslengte van minder dan 24 meter die vaart in beperkte wateren vissersvaartuigen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/3 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.

Een wachtlopend gezel zeevisvaart die deel uitmaakt van de brugwacht van een vissersvaartuig is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/4, tweede lid, van de bijlage bij het STCW-verdrag.

Een hoofdwerktuigkundige zeevisvaart of tweede werktuigkundige zeevisvaart van een vissersvaartuig met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van 3.000 kW voortstuwingsvermogen of meer is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/5 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.

Een hoofdwerktuigkundige zeevisvaart of tweede werktuigkundige zeevisvaart van een vissersvaartuig met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van meer dan 750 kW en minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/5 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.

Een stuurman-werktuigkundige zeevisvaart is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs stuurman-werktuigkundige zeevisvaart dat ten minste voldoet aan de eisen voor een functie van schipper of stuurman zeevisvaart en een functie als hoofdwerktuigkundige zeevisvaart of tweede werktuigkundige zeevisvaart.

Bij ministeriële regeling worden voor elke functie, genoemd in deze paragraaf, kennisbewijzen, bekwaamheidsbewijzen, diensttijdvereisten en aanvullende beroepseisen vastgesteld waarmee voldaan wordt aan de voor die functie in paragraaf 3.4 gestelde minimumeisen en die recht geven op een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs voor die functie.

Bij ministeriële regeling worden voor elke beroepseis genoemd in deze paragraaf bekwaamheidsbewijzen, schriftelijke bewijzen of diensttijdvereisten vastgesteld waarmee voldaan wordt aan de voor die beroepseis gestelde minimumeisen en die recht geven op een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs voor de betreffende aanvullende beroepseis.

Bij ministeriële regeling wordt het model van de geneeskundige verklaring zeevaart vastgesteld.

De keuringsarts die het onderzoek uitvoert, neemt de in artikel 3.6.3, eerste lid, bedoelde medische eisen, de in artikel 3.6.3, tweede lid, bedoelde procedures en andere voorschriften, en voor zover van toepassing, de artikelen 3.6.4 en 3.6.5 in acht.

Onze Minister trekt een aanwijzing of erkenning in indien de keuringsarts of medisch scheidsrechter:

Een verzoek of een klacht wordt schriftelijk of als geautomatiseerd bestand en met redenen omkleed ingediend bij de voorzitter van het tuchtcollege. Een klacht van een belanghebbende vermeldt de naam, het adres en de woonplaats van de klager. Een verzoek en een klacht bevatten voorts ten minste de volgende gegevens:

Een verklaring als bedoeld in artikel 123, eerste lid, van het Besluit zeevarenden die door de scheepsbeheerder is opgesteld voor de inwerkingtreding van de Wet bemanning zeeschepen, geldt als een verklaring als bedoeld in artikel 2.4.7, eerste lid.

In deze paragraaf wordt onder «besluit van 31 januari 2019» verstaan: Besluit van 31 januari 2019 tot wijziging van het Besluit zeevarenden handelsvaart en zeilvaart in verband met een modernisering van de bemanningsvoorschriften voor de zeevisvaart, met inbegrip van de uitvoering van verdragsbepalingen vanwege de ratificatie van het STCW F-verdrag (Stb. 2019, 44).

Een op grond van artikel 125ff van het Besluit van 31 januari 2019 met een certificaat basisveiligheid voor vissers als bedoeld in artikel 40a van dat besluit gelijkgesteld certificaat geldt als een bekwaamheidsbewijs basisveiligheid voor vissers als bedoeld in artikel 3.5.2, eerste lid.

Een op grond van artikel 125gg van het Besluit van 31 januari 2019 met het in de artikelen 40, tweede lid, en 117a, eerste en tweede lid, van dat besluit genoemde certificaat reddingmiddel gelijkgesteld certificaat geldt, voor zover het een visser betreft, als een bekwaamheidsbewijs reddingmiddelen als bedoeld in artikel 3.4.2.

Een op grond van artikel 125ii van het Besluit van 31 januari 2019 met een bekwaamheidsbewijs scheepskok als bedoeld in artikel 120, tweede lid, van dat besluit gelijkgesteld diploma geldt, voor zover het een visser betreft, als een bekwaamheidsbewijs scheepskok als bedoeld in artikel 2.4.4, tweede lid.

Het Besluit zeevarenden en het Schepelingenbesluit worden ingetrokken.

Wijzigt het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Wijzigt het Arbeidstijdenbesluit vervoer.

Wijzigt het Besluit opleidingen en bevoegdheden nautische beroepsbeoefenaren.

Wijzigt het Besluit markttoezicht registerloodsen.

Wijzigt het Besluit register onderwijsdeelnemers.

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet bemanning zeeschepen inwerking treedt.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bemanning zeeschepen.