Wijzigingen Officiële bron
Beleidsregel van de Inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 augustus 2025, NVWA/2025-010054266, houdende vaststelling van de bemonsteringsplannen voor de productiegebieden en verwatergebieden van levende tweekleppige weekdieren (Beleidsregel bemonsteringsplannen sanitaire monitoring 2025)Beleidsregel bemonsteringsplannen sanitaire monitoring 2025De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 3, eerste lid, van het Warenwetbesluit uitvoering verordening officiële controles en andere officiële activiteiten, artikel 6, eerste lid, van de Warenwetregeling levende tweekleppige weekdieren en artikel 13, onderdeel a, van de Mandaatregeling VWS;

Besluit:

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,namens deze:G.J.C.M.BakkerDe Inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

De bemonsteringsplannen voor de productiegebieden en verwatergebieden van levende tweekleppige weekdieren ter uitvoering van Titel V van uitvoeringsverordening (EU) 2019/627, artikel 18, achtste lid, van verordening (EU) 2017/625, en artikel 6, eerste lid, van de Warenwetregeling levende tweekleppige weekdieren zijn opgenomen in de bijlage.

De Beleidsregel bemonsteringsplannen sanitaire monitoring 2024 van 1 oktober 2024 wordt ingetrokken.

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 augustus 2025.

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel bemonsteringsplannen sanitaire monitoring 2025.

In Titel V van uitvoeringsverordening (EU) 2019/627 is bepaald hoe de bevoegde autoriteit de officiële controles op levende tweekleppige weekdieren uit geclassificeerde productiegebieden moet uitvoeren. In deze bijlage is de wijze van bemonstering uitgewerkt en aangegeven welke maatregelen, op grond de artikelen 52 t/m 59 en de artikelen 61 t/m 63 van uitvoeringsverordening (EU) 2019/627, worden genomen naar aanleiding van de bemonsteringsresultaten van de geclassificeerde productiegebieden.

De bemonsteringsplannen zijn gericht op de sanitaire kwaliteit van levende tweekleppige weekdieren en omvat de monitoring op:

Voor de kweek en visserij van levende tweekleppige weekdieren zijn in de Warenwetregeling levende tweekleppige weekdieren productie- en verwatergebieden aangewezen en geclassificeerd.

In Nederland zijn 18 gebieden aangewezen als productiegebied voor levende tweekleppige weekdieren (figuur 2.1). De productiegebieden zijn verdeeld over zeven gebieden: Noordzee (zie paragraaf 3.4.1), Westelijke Waddenzee (zie paragraaf 3.4.2), Oostelijke Waddenzee (zie paragraaf 3.4.3), Grevelingenmeer (zie paragraaf 3.4.4), Veerse Meer (zie paragraaf 3.4.5), Oosterschelde (zie paragraaf 3.4.6), Westerschelde (zie paragraaf 3.4.8) en Oestergeul (Waterdunen) (zie paragraaf 3.4.9). Binnen de Oosterschelde zijn in drie productiegebieden verschillende delen aangewezen als verwatergebied (zie paragraaf 3.4.7).

Figuur 2.1 Ligging productiegebieden

De Nederlandse productiegebieden zijn aangewezen voor de productie van alle soorten levende tweekleppige weekdieren exclusief pecten. Het productiegebied Westerschelde Oost en Oestergeul (Waterdunen) vormen hierop een uitzondering. Deze gebieden zijn niet aangewezen voor alle soorten tweekleppige weekdieren exclusief pecten, maar voor respectievelijk kokkels (Westerschelde Oost) en oesters (Oestergeul (Waterdunen).

De aanwijzing van de Nederlandse productiegebieden is gebaseerd op de aanwezigheid van visserij en/of cultuur/kweek van levende tweekleppige weekdieren in het desbetreffende gebied.

Voorafgaande aan de aanwijzing van een productiegebied wordt naast monitoring (zie hoofdstuk 5) een sanitair onderzoeksrapport opgesteld1 en na drie jaar (na aanwijzing) volgt een bureauonderzoek. Drie jaar na het bureauonderzoek volgt opnieuw een volledige (her)inventarisatie met een sanitair onderzoeksrapport. Zolang het gebied aangewezen blijft, vindt per productiegebied met steeds tussenliggende perioden van drie jaar een herinventarisatie plaats afgewisseld met een bureauonderzoek.

De aanwijzing van de Nederlandse verwatergebieden2 is gebaseerd op het verwateren van levende tweekleppige weekdieren op natuurlijke gronden en bassins. Deze behoefte komt voort uit de Nederlandse manier van produceren en verwerken van levende tweekleppige weekdieren. Er zijn verwatergebieden voor:

In Nederland zijn delen van het productiegebied Oosterschelde Oost op de Yerseke Bank (YB) en de Speelman(splaten) (SP) en delen van het productiegebied Oosterschelde Noord in het Mastgat (MG) aangewezen als verwatergebied. Daarnaast is er een verwatergebied aangewezen in Oosterschelde Midden, Vondelingenplaat (VP). De gebieden (mosselverwatergebieden en oesterputcomplexen) worden gebruikt om zand, slik of slijm te verwijderen en organoleptische eigenschappen van de levende tweekleppige weekdieren te behouden of te verbeteren.

Het monstername programma is vastgesteld op basis van onderzoek van verzamelde gegevens, met een zodanig aantal monsters en een zodanige geografische spreiding en frequentie van de bemonsteringspunten dat de resultaten zo representatief mogelijk zijn voor het betrokken gebied. Voor de monitoring op fytoplankton worden watermonsters genomen, waarin de (potentieel) toxinevormende algen worden gemeten.

De bepaling van de plaats van de bemonsteringspunten in de productiegebieden voor de bepaling van de microbiologische kwaliteit van levende tweekleppige weekdieren is gebaseerd op:

De bepaling van de monsterpunten voor de bepaling van de aanwezigheid van (potentieel) toxinevormende algen en de aanwezigheid van biotoxinen in levende tweekleppige weekdieren is gebaseerd op:

Het aantal monsterpunten voor (potentieel) toxinevormende algen en biotoxinen is per periode verschillend.

Voor de monsterpunten voor chemische contaminanten wordt zoveel mogelijk aansluiting gevonden bij monsterpunten voor biotoxine.

De frequentie van het microbiologische onderzoek is afhankelijk van de visserijactiviteiten binnen een productiegebied. In relatief rustige perioden en weinig gebruikte productiegebieden vindt maandelijks onderzoek plaats. Bij veel visserijactiviteiten wordt de frequentie verhoogd naar tweewekelijks in bepaalde productiegebieden.

Afhankelijk van het voorkomen van de verschillende soorten levende tweekleppige weekdieren in een productiegebied moet zo veel mogelijk geprobeerd worden levende tweekleppige weekdieren te bemonsteren, die het meest vatbaar zijn voor accumulatie van biotoxinen. In dezelfde frequentie worden fytoplanktonmonsters (water) genomen. Uitzondering hierop zijn de verwatergebieden. Deze gebieden worden niet los bemonsterd op biotoxinen en fytoplankton, maar worden geacht over dezelfde kwaliteit te beschikken als het productiegebied waaruit de partijen afkomstig zijn.

De frequentie van het chemisch contaminanten onderzoek is een keer per jaar voor alle in gebruik zijnde productiegebieden3. Uitzondering hierop zijn de verwatergebieden. Deze gebieden worden niet los bemonsterd op chemische contaminanten, maar worden geacht over dezelfde chemische kwaliteit te beschikken als het productiegebied waaruit de partijen afkomstig zijn. Jaarlijks worden in maart monsters genomen voor de bepaling van chemische contaminanten in de productiegebieden.

Als er (tijdelijk) geen visserijactiviteiten plaatsvinden, vindt er bemonstering met een lage frequentie plaats, afhankelijk van de oorzaak en het soort visserijactiviteiten. Als er in zijn geheel geen visserijactiviteiten of in het vooruitzicht geen visserijactiviteiten meer plaatsvinden in een productiegebied, wordt de status als open productiegebied ingetrokken en zal voor aanwijzing van een status/(her)opening van het productiegebied de procedure, zoals omschreven in hoofdstuk 5 moeten worden gevolgd.

De monsterpunten zijn dusdanig gesitueerd dat de monsterpunten verspreid liggen over de productiegebieden, waarbij zoveel mogelijk rekening gehouden is met potentiële vervuilingsbronnen en het voorhanden zijn van monstermateriaal. Voor alle monsternamepunten geldt dat zoveel mogelijk gebruik gemaakt wordt van de hierna genoemde punten, maar dit is niet altijd mogelijk, bijvoorbeeld wanneer er onvoldoende of geen geschikte levende tweekleppige weekdieren beschikbaar zijn. Het kan dus voorkomen dat andere (naastgelegen) percelen worden gebruikt voor de monstername. In geval er perceelblokken vermeld staan, kan een monster van elk van de genoemde percelen afkomstig zijn.

De Noordzee is ingedeeld in drie productiegebieden; Noordzee Noord, Midden en Zuid (figuur 3.1).

Figuur 3.1 Productiegebieden Noordzee Noord, Noordzee Midden en Noordzee Zuid

Omdat de visserij van levende tweekleppige weekdieren in de Noordzee voornamelijk wilde visserij op ensis (ook wel zwaardschedes of mesheften genaamd) betreft, zijn er geen vaste visgebieden (percelen) aan te wijzen, zoals bij schelpdierkweek aan de orde is. De plaats van de monstername in desbetreffende productiegebieden kan dan ook per monstername verschillen (locaties waar gevist wordt). In de productiegebieden wordt minimaal maandelijks bemonsterd (tabel 3.1) op ensis.

De westelijke Waddenzee is ingedeeld in drie productiegebieden: Westelijke Waddenzee Noord, Midden en Zuid (figuur 3.2).

Figuur 3.2 Productiegebieden Westelijke Waddenzee Noord, Westelijke Waddenzee Midden en Westelijke Waddenzee Zuid

In dit deel van de Waddenzee vindt vooral mosselvisserij en -cultuur plaats, voor de monstername worden daarom voornamelijk mosselen gebruikt. De monsterpunten zijn gesitueerd op percelen, de frequentie is afgestemd op het mosselseizoen. Daarnaast zijn er vergunningen om oesters te rapen. In de periode dat relatief veel oesters worden geraapt vindt daarom extra bemonstering plaats op wilde oesterbanken (tabel 3.2 en 3.3). Indien er redenen zijn om af te wijken van de voorgeschreven monsterpunten kunnen bijv. monsters genomen worden van (zeer) nabij gelegen wilde banken (e.o.).

1 Afwisselend 1 x per maand mosselen (percelen) en 1 x per maand wilde oesterbanken (Zuid en Midden) = elke 2 weken monstername.

De oostelijke Waddenzee is ingedeeld in drie productiegebieden: Oostelijke Waddenzee Friese Wad, Oostelijke Waddenzee Groninger Wad en Oostelijke Waddenzee Eems/Dollard4 (figuur 3.3).

Figuur 3.3 Productiegebieden Oostelijke Waddenzee Friese Wad, Oostelijke Waddenzee Groninger Wad en Oostelijke Waddenzee Eems/Dollard

In het oostelijke deel van de Waddenzee vindt vooral (handmatige) kokkelvisserij plaats, voor de monstername worden voornamelijk kokkels gebruikt. Daarnaast zijn er vergunningen om oesters te rapen. In de periode dat relatief veel oesters worden geraapt vindt extra bemonstering plaats op wilde oesterbanken. Voor oesters en kokkels zijn geen vaste monsternamepunten aan te wijzen. De bemonstering hierop vindt plaats op de locaties waar geraapt wordt, de frequentie is over het algemeen maandelijks (tabel 3.4). Het productiegebied Oostelijke Waddenzee Eems/Dollard is enkel aangewezen als productiegebied, het gebied is niet geclassificeerd en wordt niet bemonsterd. Levende tweekleppige weekdieren uit dit gebied mogen daarom niet in de handel worden gebracht voor menselijke consumptie. Zie hoofdstuk 5 voor het classificeren van een productiegebied.

1 Afwisselend 1 x per maand wilde kokkelbanken en 1 x per maand wilde oesterbanken = elke 2 weken monstername.

Het Grevelingenmeer is één productiegebied (figuur 3.4) en er vindt met name oesterkweek plaats op percelen.

Figuur 3.4 Productiegebied Grevelingenmeer

Het Grevelingenmeer kent geen specifiek stromingspatroon door eb en vloed. Doordat er geen stromingspatroon is, heeft het Grevelingenmeer te maken met gelaagdheid van waterlagen (stratificatie). Voor de bepaling van aanwezigheid van (potentieel) toxinevormende algen worden dan ook monsters genomen aan de oppervlakte en net boven de bodem of wordt gebruik gemaakt van waterkolombemonstering. Er wordt bemonsterd op oesters en de monsterpunten zijn gesitueerd op percelen, de bemonsteringsfrequentie is afgestemd op het oesterseizoen (tabel 3.5). Indien er redenen zijn om af te wijken van de voorgeschreven monsterpunten kunnen bijv. monsters genomen worden van (zeer) nabij gelegen wilde banken (e.o.).

1 1 locatie, 2 monsters (1 x aan oppervlakte en 1 x op bodem)

2 1 x per week wordt bemonsterd voor analyse op alle mariene biotoxinen, inclusief TTX; 1 x per week alleen op TTX (totaal 2 x per week bemonstering).

Het productiegebied Veerse Meer is één productiegebied (figuur 3.5) en er vindt met name mosselhangcultuur plaats.

Figuur 3.5 Productiegebied Veerse Meer

In het gebied is nagenoeg geen stroompatroon aanwezig is, het meer is enigszins gestratificeerd. In het Veerse Meer wordt voornamelijk bemonsterd op mosselen. De monsterpunten zijn gesitueerd op hangcultuur (mosselen) en wilde oesterbanken (oesters), de bemonsteringsfrequentie is afgestemd op het mosselseizoen (tabel 3.6). Indien er redenen zijn om af te wijken van de voorgeschreven monsterpunten kunnen bijv. monsters genomen worden van (zeer) nabij gelegen wilde banken (e.o.).

De Oosterschelde is ingedeeld in vier productiegebieden: Oosterschelde Noord, Oosterschelde Midden, Oosterschelde West en Oosterschelde Oost (figuur 3.6).

Figuur 3.6 Productiegebied Oosterschelde Noord, Oosterschelde Midden, Oosterschelde West en Oosterschelde Oost

De frequentie van de monstername verschilt in het productiegebied Oosterschelde Oost ten opzichte van de overige productiegebieden in de Oosterschelde (West, Midden en Noord) (tabel 3.7 en 3.8). Indien er redenen zijn om af te wijken van de voorgeschreven monsterpunten kunnen bijv. monsters genomen worden van (zeer) nabij gelegen wilde banken (e.o.). In productiegebied Oosterschelde Oost vindt voornamelijk oestervisserij en -cultuur plaats. De periode van deze visserijactiviteiten wijkt af ten opzichte van de mosselvisserij en -cultuur, die voornamelijk in de productiegebieden Oosterschelde Noord, Midden en West plaatsvinden. In Oosterschelde Noord, Midden en West wordt bemonsterd op mosselen, in Oosterschelde Oost op oesters. In Oosterschelde Noord wordt deels bemonsterd op mosselhangcultuur5.

1 Eerste 2 weken

2 1 x per week wordt bemonsterd voor analyse op alle mariene biotoxinen, inclusief TTX; 1 x per week alleen op TTX (totaal 2 x per week bemonstering)

Enkel voor de mossel- en oestersector zijn verwatergebieden (figuur 3.7) aangewezen. Dit komt omdat de Nederlandse mossel- en oestersector vooral gebaseerd zijn op cultuur in plaats van wilde visserij. Andere schelpdiervisserijen zijn gebaseerd op wilde visserij. De doorloop op de verwatergebieden is hoog, omdat het tevens als een tijdelijke opslag wordt gebruikt (nat pakhuis). De verwatergebieden worden daarom niet los bemonsterd op (potentieel) toxinevormende algen en biotoxinen, maar worden geacht over dezelfde status te beschikken als het (Nederlandse) productiegebied waaruit de partijen afkomstig zijn. De levende tweekleppige weekdieren horen daarbij te voldoen aan de normen voor het in de handel brengen voor menselijke consumptie.

Figuur 3.7 Verwatergebieden in Oosterschelde Noord, Oosterschelde Midden en Oosterschelde Oost

In de oesterputten wordt bemonsterd op oesters (over het algemeen crassostrea gigas). Op de mosselverwaterpercelen wordt bemonsterd op mosselen (mytilus edulis) (tabel 3.9). De verwatergebieden die in gebruik zijn worden jaarlijks erkend als verwatergebied. Niet in gebruik zijnde verwatergebieden worden gezien als deel van het productiegebied waarin ze gelegen zijn.

1 Per keer wordt zoveel mogelijk een ander vak van een perceel of put van een putcomplex bemonsterd.

De Westerschelde bestaat uit twee productiegebieden: Westerschelde Oost en Westerschelde West (figuur 3.8).

Figuur 3.8 Productiegebieden Westerschelde West en Westerschelde Oost

Op dit moment wordt Westerschelde Oost niet bemonsterd en is het productiegebied niet geclassificeerd. Westerschelde West wordt slechts in een klein deelgebied (Hoofdplaat) bemonsterd op mosselen en is daarvoor aangewezen. Levende tweekleppige weekdieren uit Westerschelde West en Westerschelde Oost mogen, uitgezonderd mosselen uit deelgebied Hoofdplaat, daarom niet in de handel worden gebracht. Zie hoofdstuk 5 voor het classificeren van een productiegebied.

In het productiegebied Westerschelde West wordt minimaal maandelijks bemonsterd (tabel 3.10) op mosselen.

1 Op dit moment 2 x in deelgebied Hoofdplaat

2 PFAS in deelgebied Hoofdplaat 4x per jaar, tussen 1 maand voor het oogstseizoen en 1 maand na het oogstseizoen

Het productiegebied Oestergeul (Waterdunen) is één productiegebied (figuur 3.9) en er vindt oesterkweek plaats.

Figuur 3.9 Productiegebied Oestergeul (Waterdunen)

In het productiegebied wordt minimaal maandelijks bemonsterd (tabel 3.11) op oesters.

Als blijkt dat niet aan de gezondheidsnormen wordt voldaan of dat er anderszins een risico voor de menselijke gezondheid bestaat, kan de NVWA (voorzorgs)maatregelen nemen of het betrokken gebied sluiten.

Bij overschrijding van de grenswaarden6 voor microbiologie in levende tweekleppige weekdieren, wordt het gebied tijdelijk gedeclasseerd naar een B of C gebied of gesloten, afhankelijk van de hoogte van de overschrijding. Het gebied wordt tijdelijk gedeclasseerd of gesloten, totdat uit de herbemonstering, in de daaropvolgende week blijkt dat weer aan de grenswaarden wordt voldaan. In uitzonderlijke gevallen kan hiervan afgeweken worden en kunnen er bijvoorbeeld voor een deel van het productiegebied maatregelen getroffen worden.

Als bij verificatie de minimale grenswaarde (m) voor microbiologie (230 kve E. coli/100g) in een verwatergebied (een vak van een perceel of een put van een putcomplex) wordt overschreden, wordt het desbetreffende vak of put herbemonsterd (volgens het bemonsteringschema n=5), mits de waarde niet boven de 700 kve E. coli/100g (M) uitkomt. Wanneer uit de herbemonstering blijkt dat niet voldaan wordt aan de grenswaarden (tabel 4.1), wordt het desbetreffende vak of de put tijdelijk gedeclasseerd naar een B of C gebied of het gesloten. Het gebied wordt tijdelijk gedeclasseerd of gesloten, totdat uit de herbemonstering (volgens het bemonsteringschema n=5), in de daaropvolgende week blijkt dat weer aan de grenswaarden wordt voldaan. In uitzonderlijke gevallen kan hiervan afgeweken worden.

Als bij verificatie de maximale grenswaarde (M) voor microbiologie (700 kve E. coli/100g) in een verwatergebied (een vak van een perceel of een put van een putcomplex) wordt overschreden, wordt het desbetreffende vak of de put tijdelijk gedeclasseerd naar een B of C gebied of gesloten. Het gebied wordt tijdelijk gedeclasseerd of gesloten, totdat uit de herbemonstering (volgens het bemonsteringschema n=5) in de daaropvolgende week blijkt dat weer aan de grenswaarden wordt voldaan. In uitzonderlijke gevallen kan hiervan afgeweken worden.

Bij overschrijding van de actiegrens7 voor biotoxinen zal de NVWA voor het desbetreffende productiegebied maatregelen treffen (Fase 1). De maatregelen zullen van kracht blijven, totdat uit de herbemonstering in de daaropvolgende week blijkt dat geen biotoxinen worden aangetroffen boven de actiegrens.

Bij een overschrijding van de maximumwaarden of limietwaarde8 voor biotoxinen, zal het desbetreffende productiegebied worden gesloten (Fase 2). De maatregelen zullen van kracht blijven, totdat uit twee achtereenvolgende resultaten met een interval van tenminste 48 uur blijkt dat weer aan de maximumwaarden wordt voldaan. In beide gevallen vindt een uitbreiding plaats van het aantal monsterpunten in het betreffende productiegebied.

De maatregelen en voorwaarden voor het in de handel brengen van een partij levende tweekleppige weekdieren bij aanwezigheid van biotoxinen zijn gebaseerd op het drie-fasen systeem: Fase 0 (regulier), Fase 1 (biotoxine boven de actiegrens) en Fase 2 (biotoxine boven de maximumwaarde) (tabel 4.2).

Als er geen (potentieel) toxinevormende algen (water) en geen biotoxinen (tweekleppige weekdieren) boven de maximumwaarden wordt waargenomen is Fase 0 van toepassing. Het aantal monsters is zoals regulier gebruikelijk (zie hoofdstuk 3). Er wordt regulier gebruik gemaakt van de Registratiedocumenten voor levende tweekleppige weekdieren, levende stekelhuidigen, levende manteldieren en levende mariene buikpotigen (zie paragraaf 4.5).

In geval er (potentieel) toxinevormende algen worden aangetroffen boven onderstaande drempelwaarden (tabel 4.3) worden het aantal fytoplanktonmonsters uitgebreid (tabel 4.4). Er worden wekelijks fytoplanktonmonsters genomen, zolang de uitslagen boven de drempelwaarde ligt. Er zijn geen extra maatregelen van kracht voor de visserij. Er worden geen extra biotoxinemonsters genomen. In uitzonderlijke gevallen kan hier van afgeweken worden.

1 De norm voor DSP vormende algen is gebaseerd op basis van een publicatie van Marie Kat getiteld ‘Toxic and non-toxic dinoflagellat blooms on the Dutch coast’ [copyright 1989 bij Elsevier Sciences Publishing Co.].

2 Deze normen worden gebruikt als drempelwaarde sinds de implementatie van Richtlijn 91/492.

3 Op basis van bevindingen is door het RIKILT is in 2007 de drempelwaarde voor ASP vormende algen verhoogd van 100.000 cellen/liter naar 500.000 cellen/liter.

1 Fytoplanktonmonsters op verschillende locaties

2 2 locaties, 4 monsters (2 x aan oppervlakte en 2 x op bodem)

Fase 1 is van toepassing als er biotoxine worden waargenomen boven de actiegrens (25% van de maximumwaarde), maar onder de maximumwaarde/limietwaarde (Fase 2). Het aantal biotoxinemonsters wordt uitgebreid (tabel 4.5). Voor TTX (niet Europees gereguleerd) geldt dat de actiegrens ligt op 50% van de limietwaarde9. Indien ook (potentieel) toxinevormende algen worden aangetroffen boven de drempelwaarde (tabel 4.3), worden het aantal fytoplanktonmonsters uitgebreid (tabel 4.4). Bij het voorkomen van biotoxine boven de 50% van de maximumwaarde wordt de voorkeur gegeven aan het bemonsteren van meerdere schelpdiersoorten binnen het productiegebied, mits van toepassing.

1 Mits relevant (productie/noodzaak) kan mosselhangcultuur (MHC) of andere locatie bemonsterd worden.

1 Deze alternatieve (her)bemonstering valt buiten het monitoringsprogramma en wordt bekostigd door het betreffende bedrijf of sector. Er dient gebruik gemaakt te worden van de wettelijk bepaalde methode (erkende methode of een andere internationaal erkende gevalideerde methode) voor de betreffende biotoxine. Er dient een mengmonster per partij genomen te worden, welke representatief is voor de gehele lading. De lading mag niet in de handel worden gebracht voordat de uitslag van de alternatieve (her)bemonstering bekend is en de uitslag aantoont dat geen biotoxinen boven de maximumwaarde aanwezig zijn. Een mengmonster bestaat minimaal uit 5 eenheden op 5 willekeurige plaatsen genomen binnen een partij.

2 Deze maatregel is niet van toepassing wanneer het verwatergebied zich bevindt binnen het gebied met Fase 2 maatregelen. Partijen in verwatergebieden kunnen op dat moment geen gebruik maken van de reguliere gebiedsbemonstering.

Fase 2 is van toepassing als er een hoeveelheid biotoxine in levende tweekleppige weekdieren of delen daarvan boven de maximumwaarde10 of de limietwaarde (Beleidsregel Warenwet TTX in levende tweekleppige weekdieren) wordt vastgesteld. Het aantal biotoxinemonsters wordt uitgebreid (tabel 4.5). Indien ook (potentieel) toxinevormende algen worden aangetroffen boven onderstaande drempelwaarde (tabel 4.3) worden het aantal fytoplanktonmonsters uitgebreid (tabel 4.4). Bij het voorkomen van biotoxine boven de maximumwaarde wordt de voorkeur gegeven aan het bemonsteren van meerdere schelpdiersoorten binnen het productiegebied, mits van toepassing.

Bij overschrijding van de maximumgehalten voor lood, cadmium en kwik, Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK’s), dioxinen en Polychloorbifenylen (PCB’s) en Perfluoralkylstoffen (PFAS)11 treedt de NVWA in overleg met de beheerder van het schelpdierwater, Rijkswaterstaat, onderdeel van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Het gebied waar de overschrijding plaatsvindt wordt (tijdelijk) gesloten.

Voor de visserij op levende tweekleppige weekdieren in de productiegebieden moet gebruik gemaakt worden van registratiedocumenten (‘Registratiedocumenten voor levende tweekleppige weekdieren, levende stekelhuidigen, levende manteldieren en levende mariene buikpotigen’), wanneer de levende tweekleppige weekdieren bestemd zijn voor directe menselijke consumptie. Deze documenten zijn bij de NVWA op te vragen (via schelpdieronderzoek@nvwa.nl), het model is vastgesteld in Verordening (EG) nr. 853/2004, bijlage III, sectie VII, hoofdstuk X.

Het registratiedocument is ook verplicht voor de aanvoer van levende stekelhuidigen, levende manteldieren, mariene buikpotigen als ook voor pectinidae (vallend onder levende tweekleppige weekdieren). Voor deze dieren worden echter geen productiegebieden aangewezen.

Wanneer er tijdelijke maatregelen middels een besluit genomen worden voor een gebied, kunnen in het besluit aanvullende voorwaarden gesteld worden voor het inleveren van Registratiedocumenten voor levende tweekleppige weekdieren, levende stekelhuidigen, levende manteldieren en levende mariene buikpotigen (bestemd voor directe menselijke consumptie), en Registratiedocumenten voor verzaaien van levende tweekleppige weekdieren (niet bestemd voor directe menselijke consumptie/verzaaien van op te groeien levende tweekleppige weekdieren) (ook wel Verzaaidocumenten).

Ingeval er (tijdelijk) geen resultaten beschikbaar zijn voor een productiegebied wordt geprobeerd het gebied te (her)bemonsteren. Indien dit niet mogelijk is binnen 1 jaar is het noodzakelijk het gebied te zien als nieuw productiegebied en moet het voldoen aan meerdere voorwaarden voordat het gebied weer geopend kan worden. In voorkomende gevallen kan hiervan afgeweken worden, bijvoorbeeld als er reeds jarenlang in het gebied is gemonitord en er geen aanwijzingen zijn dat de omstandigheden veranderd zijn.

Indien geen monsters kunnen worden genomen, zoals bijvoorbeeld (weers)omstandigheden en/of het ontbreken van visserijactiviteiten, dan wordt het gebied na maximaal twee maanden (tijdelijk) gesloten voor visserij op levende tweekleppige weekdieren.

Is een gebied voor langere tijd gesloten (meer dan een jaar) dan moet bij het opnieuw opstarten van visserij activiteiten een productiegebied opnieuw worden geclassificeerd (zie paragraaf 5.2). De classificatie van het gebied in de Warenwetregeling levende tweekleppige weekdieren komt bij een langere tijd van sluiting (meer dan een jaar) te vervallen.

Indien het gebied binnen een jaar wordt heropend kan volstaan worden met een normale bemonstering, zolang er geen aanwijzingen zijn voor afwijkende waarden. Tevens moet uit de resultaten van meerdere jaren blijken dat in de periode dat het bemonsteren en de visserij wordt hervat er een laag risico is op E. coli, (potentieel) toxinevormende algen en biotoxinen.

Indien in een gebied voor langere tijd (meer dan één jaar) geen bemonstering plaatsvindt en het wenselijk is om in een gebied weer levende tweekleppige weekdieren te vissen/kweken, is het noodzakelijk het productiegebied opnieuw te classificeren en besmettingsbronnen te inventariseren door een sanitair onderzoeksrapport op te stellen12. Hierbij wordt rekening gehouden met:

Om een goed beeld te krijgen van het (nieuwe) productiegebied wordt gekeken naar:

Voor de classificering moeten minimaal 12 bacteriologische monsters genomen worden voor elk monsternamepunt in het (toekomstige) productiegebied, over een minimale periode van een jaar. Tussen de monsternames moet minimaal een week zitten en maximaal drie maanden.

Daarnaast moet er minimaal data beschikbaar zijn over de aanwezigheid van (potentieel) toxinevormende algen, biotoxinen en chemische contaminanten of uit onderzoek blijken dat de risico’s hierop minimaal zijn. Na afronding van het sanitaire onderzoeksrapport en de beschikbare monitoringsresultaten kan een classificatie worden bepaald en het gebied worden aangewezen als productiegebied, waarna het wordt opgenomen in bijlage I bij artikel 2 van de Warenwetregeling levende tweekleppige weekdieren.

Bij een productiegebied dat korter dan drie jaar is geclassificeerd wordt geadviseerd minimaal maandelijks te bemonsteren. Ook bij een productiegebied dat langer dan drie jaar is geclassificeerd wordt geadviseerd minimaal maandelijks te bemonsteren, hiervan kan afgeweken worden in uitzonderlijke situaties.

Bij het evalueren van een bestaand productiegebied, worden de resultaten van de laatste drie jaar (mits beschikbaar) meegenomen. Mochten er significante veranderingen hebben plaatsgevonden vanuit besmettingsbronnen, dan worden enkel de resultaten meegenomen na de verandering. Vanuit deze resultaten wordt jaarlijks de classificatie van elk productiegebied vastgesteld.