Ministeriële regeling · BWBR0052305

Tijdelijke subsidieregeling Maritiem Masterplan 2026

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 9 februari 2026, nr. IENW/BSK-2026/15968, houdende tijdelijke regels ter stimulering van demonstraties binnen het Maritiem Masterplan 2026 (Tijdelijke subsidieregeling Maritiem Masterplan 2026) [KetenID WGK 028498]Tijdelijke subsidieregeling Maritiem Masterplan 2026De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op artikel 3, eerste lid, onderdeel e, van de Kaderwet subsidies I en M en de artikelen 4, 6, zesde lid, 8, eerste en tweede lid, 9, 10, tweede lid, 13, 15, vierde en vijfde lid, 22, tweede lid, 23, derde en vijfde lid en 26, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M;

BESLUIT:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,R.Tieman

In deze regeling wordt verstaan onder:

Deze regeling heeft als doel het stimuleren van onderzoek naar en demonstraties van duurzame energielijnen teneinde de maritieme sector te verduurzamen en te versterken.

De aanvraag voor subsidieverlening kan worden ingediend van 19 mei 2026, 9.00 uur tot en met 3 november 2026, 17.00 uur.

Onverminderd de artikelen 11 en 12 van het Kaderbesluit wordt een subsidieaanvraag afgewezen indien:

Voor zover de subsidie wordt verleend ten laste van de nog niet door de Staten-Generaal aangenomen rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat, wordt in de beschikking tot verlening van een subsidie vermeld dat de verlening plaatsvindt onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld in de Wet tot vaststelling van de rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat.

De subsidie voor de subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 3, bevat voor zover een O&D-project betrekking heeft op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderneming staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

De minister publiceert uiterlijk op 1 februari 2031 een tussentijds verslag en uiterlijk op 31 december 2033 een eindverslag over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 februari 2031, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn aangevraagd.

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling Maritiem Masterplan 2026.

Het ontwikkelen en toepassen van nieuwe technologieën is nodig om ervoor te zorgen dat schepen op korte termijn hun broeikasgas uitstoot significant reduceren en uiteindelijk klimaatneutraal kunnen gaan varen. De technische uitdagingen om de duurzaamheidsdoelen te halen zijn groot. Daarnaast maakt de diversiteit aan schepen, vaarroutes, en verschillende werkzaamheden die met de schepen worden uitgevoerd dat er geen sprake is van één oplossing voor de gewenste duurzaamheidstransitie. Daarom wordt er binnen de kaders van het Maritiem Masterplan gekeken naar vijf energielijnen: waterstof, methanol en Carbon Capture gekoppeld aan een methanol of LNG aandrijflijn, zowel voor nieuw te bouwen schepen als voor verbouw en hergebruik van bestaande schepen (retrofit). Ammoniak en bio-ethanol zijn een uitbreiding ten opzichte van de Tijdelijke subsidieregeling Maritiem Masterplan en komt de wens vanuit de sector tegemoet.

Het doel van het Maritiem Masterplan is om binnen een cyclische Nederlandse maritieme innovatieketen betrouwbare, concurrerende en modulaire klimaatneutrale schepen te ontwikkelen, te bouwen en te gebruiken. Binnen het Maritiem Masterplan ligt de focus op onderzoek en demonstratie. Het is de bedoeling de komende jaren circa 30 schepen te bouwen dan wel te retrofitten waarmee wordt gedemonstreerd dat er een verduurzamingsslag te maken valt, met klimaatneutrale schepen als uiteindelijk doel. De demonstratieschepen in de vijf energielijnen worden ondersteund door de digitale samenwerking (de programmalijn Digitaal Samenwerken – Joint Maritime Digital Platform, DS-JMDP) en een Human Capital programmalijn.

Waterstof lijkt een van de belangrijke bouwstenen in een hernieuwbare energie-infrastructuur, omdat het middels elektrolyse relatief eenvoudig geproduceerd kan worden uit hernieuwbare elektriciteit en water. Het is een essentiële pijler voor een schoon en duurzaam energiesysteem. Hernieuwbare waterstof lijkt een kansrijke brandstof om zo laag mogelijke broeikasgasemissies in de keten te realiseren, met name voor maritieme toepassingen met een beperkte energiebehoefte en een relatief korte operatieduur. Waterstof als alternatieve brandstof voor schepen is vooral relevant voor kust- en binnenvaart en complexe werkschepen.

Waterstof kan worden omgezet naar voortstuwingsenergie op een schip door middel van een verbrandingsmotor die waterstof als brandstof gebruikt, maar het kan ook middels een brandstofcel die waterstof direct omzet in elektrische energie. Deze laatste variant heeft onder andere als voordeel dat er sprake is van een hogere efficiëntie.

Waterstof kan op verschillende manieren worden opgeslagen. De energielijn waterstof is open voor de verschillende beschikbare opslagvormen van waterstof, waaronder gecomprimeerd (gasvormig), cryogeen (vloeibaar), gebonden aan een vaste stof (bijvoorbeeld natriumboorhydride) of een vloeistof (LOHC).

Ammoniak als waterstofdrager:

Indien ammoniak als waterstofdrager wordt ingezet dient de bunkering ervan in de zeehaven en zo ver mogelijk van bewoond gebied plaats te vinden. Vanwege de veiligheidsrisico’s voor de omgeving in de binnenvaart, heeft het gebruik van ammoniak als waterstofdrager slechts betrekking op projecten voor de zeevaart. Bij gecombineerde vormen van aandrijving wordt uitsluitend de primaire aandrijving op waterstof gesubsidieerd. Daarnaast moet de aanvrager aantonen dat het project past binnen de kaders gesteld in de kabinetsvisie op waterstofdragers1.

Doelstellingen energielijn waterstof:

Methanol is als brandstof vooral geschikt voor schepen met een lange operatieduur en bijhorende actieradius. Het is een efficiënt en duurzaam te produceren vloeibare hernieuwbare brandstof. De energiedichtheid per liter is relatief hoog in vergelijking met andere alternatieve brandstoffen: ongeveer de helft van dieselolie en bijna het zesvoudige van waterstof. Bovendien zijn de bunkerprocedures nagenoeg gelijk aan het bunkeren van dieselolie.

Hoewel de eerste motoren al omgebouwd zijn voor operatie op methanol, en methanol brandstofcelsystemen worden ontwikkeld, is deze technologie en de markt voor methanol toepassing nog sterk in ontwikkeling.

Een belangrijke focus van de energielijn methanol is om verbrandingsmotoren en brandstofcelsystemen verder te ontwikkelen voor alle vereiste vermogens en deze op een veilige manier te gaan gebruiken in het energiesysteem, en om de operatie van complexe energiesystemen op methanol te demonstreren in een operationele omgeving.

Een veilig en betrouwbaar ontwerp van de methanol aandrijflijn is essentieel voor sector acceptatie. Het is tevens belangrijk om de betrouwbaarheid en concurrerende exploitatie van schepen op methanol tijdens de operatie van de demonstratieschepen aan te tonen.

Voor een succesvolle uitrol van een methanol demonstratieproject zal de ontwikkeling van de supply chain zoals het vervoer van methanol over land en de vergunningen voor bunkeren meegenomen moeten worden in het projectplan. Om de sector inzage te geven in de uitstoot van het methanol energiesysteem wordt het meten en rapporteren over broeikasgassen, waaronder koolstofdioxide (CO2), stikstofoxides (NOx), onverbrande koolwaterstoffen (UHC) en fijnstof (PM), meegenomen in het projectplan.

Doelstellingen energielijn methanol:

Deze energielijn is gericht op het ontwikkelen van technologieën en strategieën om de eigen CO2 uitstoot van methanol en LNG-aangedreven schepen significant te verminderen. Carbon Capture houdt in dat CO2-emissies worden opgevangen voordat ze in de atmosfeer worden uitgestoten. De technologie van veilige opslag aan boord is naast de afvang een belangrijk aandachtspunt. Door een combinatie van deze technologieën en strategieën kan de toepassing van methanol en LNG nagenoeg vrij van broeikasgasemissies worden. De huidige stand van de Carbon Capture technologie realiseert 70% CO2 afvang. In deze regeling is 70% afvang dan ook het uitgangspunt voor verdere uitstootreductie.

Doelstellingen energielijn onboard Carbon Capture and Storage:

Het gebruik van ammoniak is in de zeevaart in opkomst als duurzaam alternatief (indien het uit hernieuwbare bronnen wordt geproduceerd) voor de energietransitie. Het gebruik ervan krijgt steeds meer momentum en ammoniak wordt breder toegepast.

Een belangrijke eigenschap van ammoniak is dat de verbranding geen directe CO2-uitstoot genereert. Wel vragen de mogelijke emissies van NOx en lachgas (N2O) bijzondere aandacht, net als de toxiciteit van de brandstof zelf. Hierdoor ligt de nadruk op veilige omgang met ammoniak en het verder ontwikkelen van motor- en brandstofcelsystemen die deze emissies minimaliseren en gecontroleerd kunnen inzetten in het maritieme energiesysteem.

De energielijn Ammoniak richt zich op het ontwikkelen en demonstreren van betrouwbare en veilige verbrandingsmotoren en brandstofcelsystemen voor alle vereiste vermogens, zodat de sector ervaring opdoet met deze technologie. Omdat ammoniak een toxische en potentieel risicovolle stof is, moet het ontwerp van de aandrijflijn – inclusief bunkers, leidingen, ventilatie, detectiesystemen en noodvoorzieningen – aantoonbaar veilig zijn voor zowel de fysieke omgeving als voor het aquatisch milieu. Vanwege de veiligheidsrisico’s voor de omgeving in de binnenvaart, heeft deze energielijn slechts betrekking op projecten die zien op het gebruik van ammoniak als bunkerbrandstof voor de zeevaart. Bij de aanvraag wordt een risicoanalyse gericht op veilige toepassing bijgevoegd. Daarnaast moet de aanvrager aantonen dat het project past binnen de kaders gesteld in de kabinetsvisie op waterstofdragers2. Bij gecombineerde vormen van aandrijving wordt uitsluitend de primaire aandrijving op ammoniak gesubsidieerd.

Doelstellingen ammoniak programmalijn:

Bio-ethanol is vooral geschikt voor schepen met een korte tot middellange operatieduur. Het is een vloeibare, duurzaam te produceren brandstof uit biogene grondstoffen. De energiedichtheid per liter is lager dan die van diesel maar hoger dan die van methanol en waterstof. Bio-ethanol is goed mengbaar met water, biologisch afbreekbaar en kan worden geproduceerd uit uiteenlopende biomassastromen.

Omdat bio-ethanol van de eerste generatie de voedselketen beïnvloedt, valt dit niet binnen deze energielijn. De tweede generatie (en hoger), geproduceerd uit niet-voedselrijke biomassa zoals houtafval en stro, geldt als duurzame oplossing en valt wel binnen deze energielijn. Daarnaast moet de gebruikte brandstof voldoen aan de eisen zoals gesteld in de RED III3 en FuelEU Maritime4.

Ethanol kan eenvoudig worden opgeslagen en gebunkerd met grotendeels de bestaande infrastructuur, vergelijkbaar met methanol of conventionele brandstoffen. Hoewel ethanolmotoren in andere sectoren al bestaan, is verdere ontwikkeling en demonstratie in de maritieme omgeving noodzakelijk. Zowel aanpassingen aan verbrandingsmotoren als de toepassing van ethanol-brandstofcellen vragen aandacht om te voldoen aan maritieme eisen voor vermogen, veiligheid en betrouwbaarheid.

De energielijn richt zich op het ontwikkelen, testen en demonstreren van ethanol-energiesystemen voor alle relevante vermogensklassen. Voor sectoracceptatie is een veilig en betrouwbaar ontwerp cruciaal, met voorzieningen voor opslag, leidingen, ventilatie en veiligheidssystemen. Demonstraties moeten aantonen dat concurrerende exploitatie mogelijk is, met duidelijke emissiereducties (CO2, NOx, PM en UHC).

Tot slot vormt de supply chain – van duurzame productie en transport tot bunkeren – een integraal onderdeel van de energielijn, inclusief vergunningverlening, logistiek, certificering van herkomst en borging van duurzaamheidscriteria.

Doelstellingen bio-Ethanol programmalijn:

Voor de succesvolle ontwikkeling en opschaling van nieuwe energielijnen is het cruciaal dat samenwerkingsverbanden actief kennis en inzichten delen over prestaties, gebruik en geleerde lessen in de verschillende levensfasen van een schip (ontwerp, bouw en operatie). Alleen dan kunnen andere projecten – binnen en buiten het samenwerkingsverband – profiteren van de opgedane ervaringen, en ontstaat de gewenste versnelling in de doorontwikkeling van deze technologieën.

Daarom is een goede aansluiting op de programmalijn Digitaal Samenwerken – JMDP van strategisch belang. Digitaal Samenwerken – Joint Maritime Digital Platform (DS-JMDP) is een faciliterend digitaal samenwerkingsplatform, ingericht om het cyclische innovatieproces, het modulair ontwikkelen, bouwen en het efficiënte operationeel gebruik te ondersteunen. DS-JMDP is geen centrale databank, maar faciliteert digitaal samenwerken door, waar gewenst en nodig, het organiseren van beveiligde toegang en gebruik van elkaars data en modellen zodat deze effectief tussen organisaties kunnen worden uitgewisseld en toegepast.

Het DS-JMDP levert hiervoor drie centrale bouwstenen:

Beoordeling op aansluiting bij DS-JMDP

O&D-projecten worden mede beoordeeld op de mate waarin zij bijdragen aan het DS-JMDP. Samenwerkingsverbanden kunnen hiervoor kiezen uit een set DS-JMDP-pakketten, elk met een bijbehorend puntenaantal. In totaal zijn voor het onderdeel DS-JMDP maximaal 10 punten te behalen. Een project moet minimaal 5 punten behalen om voor subsidie in aanmerking te komen. Pakket 1 en pakket 2 kunnen daarom meerdere keren worden gekozen.

Keuzepakket 1 Nieuwe use case: toelichting

Het resultaat van dit pakket bestaat uit:

Het samenwerkingsverband levert in dit pakket de kennis, praktijkervaring en voorbeelden aan die essentieel zijn om tot gedeelde inzichten en sectorafspraken te komen. De O&D-projecten functioneren daarbij tevens als fieldlabs waarin de bouwblokken van DS-JMDP waar mogelijk worden getest, toegepast en doorontwikkeld.

Beschrijving van de use case

Een O&D project scoort punten door in de aanvraag concreet de use case te omschrijven. Wanneer gevalideerde modellen via het DS-JMDP breder gedeeld worden dan slechts met de deelnemers aan het samenwerkingsverband wordt een extra punt toegekend. De beschrijving van de use case bevat de volgende onderdelen:

Introductie

Het Maritiem Masterplan richt zich op de ontwikkeling, bouw en het gebruik van klimaatneutrale schepen die op waterstof, methanol of met toepassing van carbon capture gaan varen. Daarmee start het plan de energietransitie van de maritieme sector in Nederland, geeft het een impuls aan de Nederlandse economie en investeert het in de maritieme autonomie van Nederland en Europa. Uitvoering van het Maritiem Masterplan levert potentieel een extra toegevoegde waarde van 33–40 miljard euro op tot 2050. Dit potentieel kan echter alleen benut worden als de maritieme beroepsbevolking, studenten en zij-instromers (carrière switchers en zogenoemd onbenut arbeidspotentieel) vanaf het begin worden meegenomen in deze transitie. De maritieme energietransitie is namelijk niet alleen een technologische transitie, maar vooral ook een maatschappelijke transitie en dient als zodanig benaderd te worden. Om mensen optimaal in deze transitie mee te nemen wordt de Learning Community Maritiem Masterplan opgericht.

Learning Community Maritiem Masterplan

De Learning Community Maritiem Masterplan is een actief platform voor publieke en private partijen waar kennis wordt uitgewisseld, ervaringen worden gedeeld en waar gezamenlijk wordt geleerd en geïnnoveerd. De fysieke omgeving (fieldlabs) van de Learning Community wordt gevormd door de O&D-projecten.

Deze fieldlabs brengen (zowel virtueel als fysiek) diverse belanghebbenden samen: van maritieme professionals tot onderzoekers, lectoren, practoren, docenten, en studenten. De Learning Community biedt hiermee een relevante praktijkomgeving waarin iedereen – zowel studenten als werkenden – van elkaar kan leren, waar ruimte is voor zowel theoretische kennis als praktische ervaringen. Het doel is niet alleen het snelle verspreiden van kennis en informatie, maar ook het bevorderen van samenwerking en het stimuleren van nieuwe ideeën.

Binnen het Maritiem Masterplan vormt de Learning Community een essentiële brug tussen bestaande kennis en de innovaties die nodig zijn voor het bouwen van en varen met klimaatneutrale schepen. In deze community staan samenwerking, co-creatie en leren in de praktijk centraal. Werken, leren en innoveren gaan er hand in hand. Door actief deel te nemen, bereiden mensen zich optimaal voor op de maritieme arbeidsmarkt van de toekomst.

Aansluiting human capital op O&D-projecten

Om deze visie op human capital te kunnen realiseren moet er een duidelijke aansluiting worden gewaarborgd tussen de O&D-projecten en de human capital agenda. Hiervoor is het belangrijk dat de O&D-projecten bereid zijn om kennis te delen met het maritiem onderwijs- en bijscholingslandschap. Tegelijkertijd levert dit de samenwerkingsverbanden een directe toegang tot het talent van de toekomst en nieuwe kennis uit het praktijkgericht onderzoek. Dit kan op verschillende manieren vormgegeven worden. Omdat realisatie van de learning community belangrijk is voor zowel het onderwijs als het bedrijfsleven, worden de O&D-projectvoorstellen niet alleen op technologische en strategische factoren geëvalueerd, maar ook op hun aansluiting op de human capital agenda. Hiertoe kunnen de aanvragers verschillende ‘human capital pakketten’ toevoegen aan hun projecten. Elk pakket levert een bepaald aantal punten op waarvan het totaal wordt meegewogen in de rangschikking van de O&D-projecten.

Human capital pakketten

Aanvragers kunnen één of meerdere pakketten kiezen uit onderstaand overzicht, elk met een bijbehorend puntenaantal. Een O&D-project moet minimaal 5 punten behalen om voor subsidie in aanmerking te komen. De punten van de verschillende geselecteerde pakketten worden bij elkaar opgeteld. De minister kent maximaal 10 punten toe aan het project in de rangschikking.