Wet · BWBR0001918

Wet opsporing delfstoffen 1924

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 20 juni 1924, betreffende opsporing van delfstoffenWet opsporing delfstoffen 1924Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is het vindersrecht van den Staat op de ingevolge de wet van 6 October 1908 (Staatsblad n°. 312) opgespoorde delfstoffen vast te leggen, alsmede, in verband met het aantoonen van aardolie, voor een bepaald gebied de vrijheid van het opsporen van delfstoffen op te heffen;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize het Looden 20sten Juni 1924WILHELMINA.De Minister van Waterstaat,G. J. VAN SWAAY.den zevenden Juli 1924.De Minister van Justitie,HEEMSKERK.

De aantooning van steenkool- of zoutafzettingen, na het in werking treden van deze wet, geeft geen recht op eenige schadevergoeding (indemnité) als bedoeld in de artikelen 16, tweede lid, en 46 der wet van 21 April 1810 (Bulletin des Lois no. 285) concernant les mines, les minières et les carrières, in de terreinen, begrensd als volgt:

Het is verboden, tenzij daartoe vergunning van Onzen Minister van Waterstaat is verkregen, delfstoffen op te sporen in het terrein, omschreven in artikel I onder B.