Regeling · BWBR0001922

Reglement zwerfstromen

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 5 februari 1925, tot vaststelling van een reglement ter voorkoming van aantasting van metalen voorwerpen in den bodem door zwerfstroomen, afkomstig van de spoorstaven van electrische spoor- en tramwegenReglement zwerfstromenWij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onzen Minister van Waterstaat van 31 December 1924, La. X, afdeeling Spoorwegen;

Gelet op de wet van 1 November 1924 (Staatsblad n°. 498);

Den Raad van State gehoord (advies van 20 Januari 1925, n°. 26);

Gezien het nader rapport van Onzen Minister voornoemd van 2 Februari 1925, n°. 391, afdeeling Spoorwegen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Onze Minister van Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad geplaatst en in afschrift aan den Raad van State medegedeeld zal worden.

's-Gravenhageden 5den Februari 1925WILHELMINA.De Minister van Waterstaat,G. J. VAN SWAAY.den negentienden Februari 1925.De Minister van Justitie,HEEMSKERK.

I

Vast te stellen het volgende:

Ter verzekering van eene deugdelijke electrische verbinding bij draaischijven, beweegbare bruggen en dergelijke werken moeten deze worden overbrugd door één of meer geïsoleerde stroomgeleiders. Deze moeten eene zoodanige doorsnede hebben, dat het spanningsverlies in deze geleidingen bij gemiddelde jaarbelasting niet meer bedraagt dan 5 milli-Volt per Meter, met dien verstande, dat zij geen grooteren weerstand mogen hebben dan de geleiders, genoemd in artikel 2.

Het spanningsverschil tusschen twee willekeurig gekozen punten van de spoorstaven mag bij de gemiddelde jaarbelasting niet meer dan 2 Volt/K.M. bedragen. In bijzondere gevallen kan Onze Minister voornoemd het geoorloofde spanningsverschil verlagen tot 1 Volt/K.M.

Overtreding van enige bepaling van de artikelen 1 tot en met 7 is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet van 1 november 1924 (Stb. 498) houdende wettelijke maatregelen tegen aantasting van metalen voorwerpen in de bodem door zwerfstromen, afkomstig van de spoorstaven van elektrische spoor- en tramwegen;

Met de opsporing van de overtredingen van dit reglement zijn belast de ambtenaren, bedoeld in artikel 10 van de Spoorwegwet.

II

te bepalen, dat de wet van 1 November 1924 (Staatsblad n°. 498) en het onder I bedoelde reglement in werking treden op 1 Juli 1925.