U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-08-2006.

Wet · BWBR0001969

Warenwet

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 28 december 1935, houdende voorschriften betreffende de hoedanigheid en aanduiding van waren WarenwetWij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is in verband met de huidige omstandigheden gewijzigde wettelijke voorschriften vast te stellen ter bevordering van de goede hoedanigheid van waren, en regelen vast te stellen betreffende de aanduiding van waren;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te ’s-Gravenhageden 28sten December 1935. WILHELMINA. De Minister van Staat, Minister van Koloniën, H. Colijn.De Minister van Buitenlandsche Zaken, De Graeff.De Minister van Justitie, Van Schaik.De Minister van Binnenlandsche Zaken, J. A. de Wilde.De Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, J. R. Slotemaker de Bruïne.De Minister van Financiën, Oud.De Minister van Staat, Minister van Defensie a. i., H. Colijn.De Minister van Waterstaat, Van Lidth de Jeude.De Minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, H. Gelissen.De Minister van Landbouw en Visscherij, L. N. Deckers.De Minister van Sociale Zaken, M. Slingenberg. een en dertigsten December 1935. De Minister van Justitie, Van Schaik.

Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.

Onze Minister van Defensie kan gebieden aanwijzen, waarin deze wet niet van toepassing is op voor militair gebruik bestemde waren.

Met betrekking tot waren kunnen ter uitvoering van de artikelen 1a en 4 tot en met 9, regels worden gesteld:

Voor de doeleinden, omschreven in artikel 4, eerste lid, onder a en b, en tweede lid, kan eveneens bij algemene maatregel van bestuur worden verboden:

Voor de doeleinden, omschreven in artikel 4, kan bij algemene maatregel van bestuur worden verboden technische voortbrengselen, behorende tot een bij de maatregel aangewezen categorie, te verhandelen of te gebruiken, indien ten aanzien van die technische voortbrengselen bij of krachtens die maatregel voorgeschreven keurings- of beoordelingsprocedures niet in acht zijn genomen.

Onze Minister ziet toe op de rechtmatige en doeltreffende uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet door een krachtens artikel 7a aangewezen instelling.

Voor de doeleinden, omschreven in artikel 4, eerste lid, onder a en b, en in artikel 8, aanhef, kan bij algemene maatregel van bestuur worden verboden waren behorende tot een bij de maatregel aangewezen categorie:

De krachtens de artikelen 1a en 4 tot en met 9 ten aanzien van waren, behorende tot een bij de maatregel aangewezen categorie, gestelde eisen of voorschriften kunnen betrekking hebben op een bij die maatregel omschreven groep van waren.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden voorgeschreven dat de eigenaar of houder van bij de maatregel aangewezen technische voortbrengselen, verplicht is aangifte te doen van elke aanleg, opbouw of plaatsing van die technische voortbrengselen bij Onze Minister dan wel bij een door Onze Minister aangewezen instelling, met inachtneming van de bij die algemene maatregel van bestuur bepaalde termijnen.

Bij algemene maatregel van bestuur kan een daartoe omschreven methode van onderzoek worden aangewezen, die bij uitsluiting beslissend is voor de vaststelling of met betrekking tot een waar, behorende tot een bij de maatregel aangewezen categorie, al dan niet is voldaan aan bij of krachtens deze wet gestelde regels, bij de maatregel aangegeven.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorts regels worden gesteld ter uitvoering van een met betrekking tot waren tot stand gekomen bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen dat betreft:

Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 1a of de artikelen 4 tot en met 13a kan worden bepaald dat Onze Minister, met betrekking tot onderwerpen die in de maatregel zijn geregeld, nadere regels kan dan wel moet stellen. Bij de maatregel kan worden bepaald dat het stellen van zodanige regels geschiedt in overeenstemming met een of meer van Onze daarbij aangewezen andere Ministers, dan wel door Onze daarbij aangewezen Ministers gezamenlijk.

Onverminderd het bij of krachtens de voorgaande artikelen bepaalde is het verboden:

Voor de toepassing van de artikelen 21, 21a, 21b, 32a, 32e, 32f, 32g of 32j kan bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van bij die maatregel aan te wijzen waren, niet zijnde eet- of drinkwaren, voor zover die in de particuliere sfeer kunnen worden gebruikt, een andere minister dan Onze Minister of ander bestuursorgaan worden aangewezen.

In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd.

Vervallen

De in artikel 25 bedoelde ambtenaren zijn, behoudens tegenover hen aan wier gezag zij uit kracht van hun ambt zijn onderworpen, verplicht tot geheimhouding van de namen der personen door wie een klacht is ingediend of aangifte is gedaan van een overtreding van het bij of krachtens deze wet bepaalde, behoudens wanneer deze personen schriftelijk hebben verklaard tegen de mededeling van hun namen geen bedenkingen te hebben.

De in artikel 25 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner, voor zover deze bevoegdheid strekt tot het zich begeven naar en het betreden van in de woning aanwezige bedrijfsruimten.

De in artikel 25 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd een technisch voortbrengsel te verzegelen, indien naar hun oordeel het gebruik daarvan gevaar oplevert of indien de op grond van artikel 7 voorgeschreven keurings- of beoordelingsprocedures niet in acht zijn genomen. De verzegeling wordt opgeheven zodra de reden, waartoe de verzegeling aanleiding gaf, is opgeheven of ongegrond is gebleken.

Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht gestelde verplichting.

De ingevolge artikel 25 aangewezen ambtenaren zijn bevoegd ten dienste van het onderzoek een ieder staande te houden en te vorderen, dat hij zijn naam, voornamen, geboortedatum, geboortejaar, geboorteplaats en adres opgeeft.

Degene jegens wie een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem wegens een overtreding een boete zal worden opgelegd, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

De werking van een beschikking als bedoeld in artikel 32g wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van dit artikel en vervolgens telkens na vier jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de rechtmatigheid en de doeltreffendheid van het functioneren van de krachtens artikel 7a aangewezen instellingen.

Wij stellen vast op welk tijdstip deze wet in werking treedt. Op dat tijdstip vervalt de Warenwet (Stb. 1919, 581), zoals die wet is gewijzigd bij de wet van 29 juni 1925 (Stb. 308).

Deze wet kan worden aangehaald als: Warenwet.