U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2002.

Regeling · BWBR0002123

Stoombesluit

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 22 december 1953, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de artikelen 2, 3, 4, 6, 11 lid 3 en 21 van de StoomwetStoombesluitWij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken van 17 November 1953, no. 1826, Afdeling Arbeidsverhoudingen;

Gelet op de Stoomwet;

De Raad van State gehoord (advies van 8 December 1953, no. 44);

Gezien het nader rapport van voornoemde Staatssecretaris van 15 December 1953, no. 1961, Afdeling Arbeidsverhoudingen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Soestdijk22 December 1953JULIANA.De Staatssecretaris van Sociale Zaken,A. A. VAN RHIJN.de vier en twintigste December 1953.De Minister van Justitie,L. A. DONKER.

Voor de uitoefening van het bij de Stoomwet voorgeschreven toezicht verdeelt Onze Minister het land in districten.

Keuringswerkzaamheden die met betrekking tot een stoomtoestel of damptoestel buiten Nederland in een Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap of in een andere Staat, die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte zijn verricht door een aldaar gevestigde instantie, worden gelijkgesteld met dienovereenkomstige aan een gelijksoortig stoomtoestel of damptoestel door de Dienst verrichte keuringswerkzaamheden in de gevallen waarin met betrekking tot eerstbedoelde keuringswerkzaamheden inachtneming heeft plaatsgevonden van artikel 22 en bijlage IV van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 over de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake gemeenschappelijke bepalingen betreffende toestellen onder druk en keuringsmethoden voor deze toestellen (Pb. E.G. van 27 september 1976, nr. L 262/153).

Wanneer een bewijs van een vergunning, verleend vóór 15 Maart 1915, dan wel een contrôleboek is beschadigd of verloren gegaan, is de gebruiker van het desbetreffende stoomtoestel of damptoestel verplicht hiervan onverwijld kennis te geven aan het Districtshoofd. Tevens is overlegging vereist van een constructietekening in tweevoud van het toestel.

Door het Districtshoofd kan een voorlopig vergunningsbewijs worden uitgereikt, wanneer:

Een ketel moet zijn voorzien van een manometer en, indien het Districtshoofd dit nodig oordeelt, van een of meerdere thermometers.

Ketels moeten op de plaatsen waar het Districtshoofd dit nodig acht van een spui-inrichting zijn voorzien.

Ketels, waarvan het verhitte gedeelte geheel bestaat uit pijpen, waarin de vloeistof uitsluitend van een voedingtoestel uit toestroomt en gedurende de doorstroming verdampt, moeten zijn voorzien van:

De uitrusting van de ketel moet zodanig zijn, dat - wanneer het voedingtoestel tot stilstand komt - onmiddellijk een tweede voedingtoestel wordt ingeschakeld of de ketel niet verder kan worden verhit.

Ketels, welke worden verhit door electrische stroom door de vloeistof te voeren, moeten zijn voorzien van:

Een vat moet op de ruimte, waarin damp of gas wordt verhit, zijn voorzien van:

Indien een stoomtoestel of damptoestel zich buiten het Rijk zal bevinden op het tijdstip waarop dit volgens een kennisgeving, als bedoeld in artikel 63, lid 1 en 2, aan een keuring moet worden onderworpen, is de gebruiker verplicht, dit onverwijld aan het Districtshoofd mede te delen. Bevindt het stoomtoestel of damptoestel zich bij ontvangst van genoemde kennisgeving reeds buiten het Rijk, dan is hij tevens verplicht, zodra het hier te lande is teruggekeerd, daarvan aan het Districtshoofd mededeling te doen.

Indien het Districtshoofd na een onderzoek van een stoomtoestel of damptoestel van oordeel is, dat om de bijzondere inrichting of bestemming van het toestel, of dat om andere gegronde redenen gehele, gedeeltelijke of voorwaardelijke ontheffing van een of meer van de in dit besluit, krachtens artikel 2 van de Stoomwet, vastgestelde bepalingen wenselijk is, kan deze door of namens Onze Minister worden verleend.

Dit besluit kan worden aangehaald onder de titel "Stoombesluit" en treedt in werking met ingang van dezelfde datum als die van het in werking treden van de Stoomwet (Stb. 1953, No. 179).

Bij het in werking treden van dit besluit wordt ingetrokken Ons besluit van 17 September 1949 (Stb. J 431), laatstelijk gewijzigd bij Ons besluit van 11 September 1951 (Stb. 418).