Ministeriële regeling · BWBR0002268

Aanvulling richtlijnen ingevolge artikel 50 Vleeskeuringswet

Wijzigingen Officiële bron
Aanvulling richtlijnen ingevolge artikel 50 VleeskeuringswetAanvulling richtlijnen ingevolge artikel 50 VleeskeuringswetDe Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,

Gelet op artikel 50, eerste lid, onder c, van de Vleeskeuringswet,

Besluit:

's-Gravenhage 22 januari 1958De minister voornoemd,Voor deze:De directeur-generaal van de volksgezondheid, P.Muntendam

Als inrichtingen, bedoeld in artikel 50, eerste lid, onder c, van de Vleeskeuringswet, worden aangewezen:

De praktijkruimten, bedoeld in artikel 1, onder f, dienen aan de volgende eisen te voldoen:

De eigenaar of houder van een doodgeboren, gestorven of gedood slachtdier, die dit voor onderzoek vervoert of doet vervoeren naar een der in artikel 1 genoemde inrichtingen, is gehouden dit zonder voorafgaande onthuiding op deugdelijke wijze te voorzien van een stevige label, waarop duidelijk leesbaar zijn vermeld zijn naam en adres, de naam van de gemeente, waar het dier doodgeboren, gestorven of gedood is, alsmede de naam van de inrichting, waar het onderzoek zal plaatsvinden; vervolgens dient hij maatregelen te nemen, dat verspreiding van smetstof tijdens het vervoer wordt voorkomen.

Het hoofd of de bestuurder van een inrichting, als bedoeld in artikel 1, houdt van de ontvangst van doodgeboren, gestorven of gedode slachtdieren aantekening in een register, onder vermelding van datum van ontvangst, diersoort, naam en adres van de afzender en naam van de in artikel 2 bedoelde gemeente, alsmede van de diagnose, indien deze kon worden gesteld.

Het hoofd of de bestuurder, als in het eerste lid bedoeld, kan deze overtuiging bij gestorven of in nood gedode slachtdieren ten aanzien van miltvuur slechts krijgen nadat microscopisch bloedonderzoek, da in twijfelachtige gevallen langs bacteriologische of serologische weg moet worden aangevuld, heeft plaatsgevonden.

Alvorens verdere handelingen worden verricht aan de aangeboden gestorven of in nood gedode slachtdieren dient het in dit lid bedoelde onderzoek bij daarvoor in aanmerking komende slachtdieren te geschieden.

Het hoofd of de bestuurder van een inrichting, als bedoeld in artikel 1, houdt van alle aldaar gestorven of gedode slachtdieren, waarvan het vlees niet voor menselijk gebruik werd bestemd, aantekening in het in artikel 3 bedoelde register.

Het hoofd of de bestuurder van een inrichting, als bedoeld in artikel 1, draagt zorg, dat het vlees van de in de artikelen 2 en 5 bedoelde slachtdieren na beëindiging van het onderzoek en voor zover daaraan in de inrichting niet een nuttige bestemming wordt gegeven, ter beschikking wordt gesteld van de destructor, in welks werkingsgebied de inrichting is gelegen.

Het hoofd of de bestuurder van een inrichting, als bedoeld in artikel 1, is gehouden zodanige maatregelen te treffen, dat het in artikel 6 bedoelde vlees in afgesloten confiscaatemmers wordt bewaard.

Het hoofd of de bestuurder van een inrichting, als bedoeld in artikel 1, geeft vóór de tiende van elke maand kennis van de in de voorafgaande maand in het in artikel 3 bedoelde register vermelde slachtdieren aan het hoofd van de keuringsdienst van slachtdieren en van vlees van de gemeente, waar de dieren doodgeboren, gestorven of gedood zijn, onder vermelding van de in het register voorkomende gegevens, en zendt hiervan een afschrift aan de veterinaire inspecteur van de Keuringsdienst van Waren, uit wiens ambtsgebied het ingezonden materiaal afkomstig is.

Het hoofd of de bestuurder van een inrichting, als bedoeld in artikel 1, is gehouden de in artikel 8 genoemde inspecteur inzage te verlenen van het in artikel 3 bedoelde register en verder alle inlichtingen te verschaffen, welke deze voor het toezicht op de naleving van de hiervoor genoemde voorschriften nodig oordeelt.

Deze beschikking treedt in werking op 16 februari 1958.