U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-09-2008.
Wijzigingen Officiële bron
Wet van 24 december 1958, houdende uitvoering van het op 1 maart 1954 te 's-Gravenhage ondertekende verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvorderingUitvoeringswet Rechtsvorderingsverdrag 1954Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voorzieningen te treffen tot uitvoering van het op 1 maart 1954 te ’s-Gravenhage ondertekende verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk24 december 1958JULIANA.De Minister van Justitie a.i.,STRUYCKEN.De Minister van Buitenlandse Zaken,J. LUNS.de zestiende januari 1959.De Minister van Justitie a.i.,STRUYCKEN.

Als de autoriteit, die, overeenkomstig de voorschriften van het verdrag zorg draagt voor de mededeling van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken, afkomstig uit een der Staten, waar het verdrag van kracht is, wordt aangewezen de officier van justitie bij de arrondissements-rechtbank binnen welker rechtsgebied de mededeling verlangd wordt.

Oordeelt de officier van justitie, dat artikel 4 van het verdrag toepasselijk is, dan zendt hij de stukken onder opgaaf van redenen aan Onze Minister van Justitie, die, zo nodig na overleg met Onze Minister van Buitenlandse Zaken, beslist.

Vervallen

Oordeelt de kantonrechter van de rechtbank, aan wie overeenkomstig de voorschriften van het verdrag de rogatoire commissie is toegezonden, dat de uitvoering niet door hem, doch door een kantonrechter van een andere rechtbank behoort te geschieden, dan zendt hij de commissie aan deze onder opgaaf van redenen. Bij geschil worden de stukken door de kantonrechter van de meest gerede rechtbank toegezonden aan Onze Minister van Justitie, die beslist.

Onze Minister van Justitie kan een andere rechterlijke autoriteit dan de kantonrechter tot uitvoering der rogatoire commissie aanwijzen, in geval dit uitdrukkelijk door de bevoegde autoriteit van de Staat, uit welke de commissie afkomstig is, wordt verlangd.

Wordt ingevolge artikel 7 of artikel 8 dezer wet de rogatoire commissie overgedragen of tot uitvoering daarvan een andere autoriteit aangewezen dan die, aan welke de toezending der commissie aanvankelijk geschiedde, dan wordt aan laatstgenoemde zo spoedig mogelijk van de overdracht of aanwijzing bericht gezonden door de autoriteit, aan welke de commissie is overgedragen of die tot uitvoering daarvan is aangewezen.

Oordeelt de kantonrechter, door wie de uitvoering der rogatoire commissie zou behoren te geschieden, dat artikel 11, derde lid, sub 3°, van het verdrag toepasselijk is, dan zendt hij de commissie onder opgaaf van redenen aan Onze Minister van Justitie, die, zo nodig na overleg met Onze Minister van Buitenlandse Zaken, beslist.

Van de rechterlijke handelingen, ter uitvoering van de rogatoire commissie verricht, wordt proces-verbaal opgemaakt.

Alle kosten, op de uitvoering van rogatoire commissiën vallende, komen ten laste van de Staat; hiervan zijn echter uitgezonderd:

De kosten, die door de betrokken vreemde Staat worden in rekening gebracht, vormen een deel der proceskosten, waaromtrent overeenkomstig artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering door de rechter uitspraak wordt gedaan.

De rechter stelt bij zijn vonnis de dag vast, waarop de zaak weder ter rolle zal worden opgeroepen.

De processen-verbaal van de uitvoering der rogatoire commissiën hebben gelijke kracht als die van de Nederlandse rechter.

De uitvoerbaarverklaring van uitspraken overeenkomstig de voorschriften van het verdrag geschiedt in Nederland door de arrondissements-rechtbank van de woonplaats van degene, tegen wie de uitspraak is gewezen, of, zo van een woonplaats in Nederland niet blijkt, door de arrondissements-rechtbank, door Onze Minister van Justitie aan te wijzen.

Voor verzoekschriften tot uitvoerbaarverklaring van uitspraken overeenkomstig de voorschriften van het verdrag, alsmede voor verzoekschriften, ingevolge het voorgaande artikel tot de Hoge Raad te richten, wordt de medewerking van een advocaat niet vereist.

Alle noodzakelijke kosten, ter zake van de uitvoerbaarverklaring van uitspraken overeenkomstig de voorschriften van het verdrag te maken, komen ten laste van de Staat.

Als de autoriteit in Nederland bevoegd om het bewijs van onvermogen af te geven of de verklaring van onvermogen voor zich te doen afleggen, als bedoeld in artikel 21 van het verdrag, met het oog op toelating tot het voorrecht van kosteloze rechtsbijstand in een van de Staten, waar het verdrag van kracht is, wordt aangewezen de burgemeester van de gewone verblijfplaats van de betrokkene of, bij gebreke daarvan, van zijn werkelijk verblijf.

In deze wet wordt onder "het verdrag" verstaan het op 1 maart 1954 te ’s-Gravenhage ondertekende verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering (Trb. 1954, nr. 40).

Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen datum.