Ministeriële regeling · BWBR0002363
Uitvoeringsbeschikking kansspelbelasting
Gelet op artikel 7 van de Wet op de kansspelbelasting (Stb. 1961, 313), artikel 62 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Stb. 1959, 301) en artikel 1 van de Wet van 24 december 1927 (Stb. 416);
Besluit:
's-Gravenhage30 oktober 1961 De Staatssecretaris van Financiën,Voor deze:De directeur-generaal voor fiscale zaken in algemene dienst, C. P.TukVoor de toepassing van het bij deze regeling bepaalde wordt verstaan onder:
a.wet:b.belasting:kansspelbelasting.
Het tijdstip waarop de belasting, bedoeld in artikel 6 van de wet, in het kalenderjaar is verschuldigd, is:
- a.
de laatste dag van de kalendermaand waarin de prijs ter beschikking is gesteld, indien:
- 1°.
de inhoudingsplichtige meerdere keren per kwartaal binnenlandse kansspelen organiseert waarop artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de wet van toepassing is; en
- 1°.
- b.
de laatste dag van het kalenderkwartaal waarin de prijs ter beschikking is gesteld, indien:
- 1°.
de afgedragen belasting, bedoeld in artikel 6 van de wet, in de aan het kalenderjaar voorafgaande twee kalenderjaren per kwartaal gemiddeld niet meer heeft bedragen dan € 15.000; en
- 2°.
aan de inhoudingsplichtige in de aan het kalenderjaar voorafgaande twee kalenderjaren niet meer dan twee naheffingaanslagen zijn opgelegd ter zake van de belasting, bedoeld in artikel 6 van de wet.
- 1°.
Vervallen
Vervallen
De aanslagbiljetten van de naheffingsaanslagen worden in afwijking van artikel 8 van de Invorderingswet 1990 (Stb. 221) verzonden door de inspecteur.
Deze regeling kan worden aangehaald als: Uitvoeringsbeschikking kansspelbelasting.
Zij treedt in werking op het tijdstip waarop de wet in werking treedt.