Regeling · BWBR0002494

Besluit bedrijfsspaarregelingen

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 24 juni 1965, houdende voorzieningen met betrekking tot premiespaarregelingen en winstdelingsspaarregelingen 1965 (Besluit premiespaarregelingen en winstdelingsspaarregelingen 1965)Besluit bedrijfsspaarregelingenWij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 13 mei 1965, nr. B5/6993, Directie Wetgeving Directe Belastingen, en van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 13 mei 1965, Directie voor Sociale Voorzieningen en Arbeidsverhoudingen, Hoofdafdeling S.V., afd. W.V., nr. 56949;

Gelet op de artikelen 11 en 34a van de Wet op de loonbelasting 1964 (Stb. 521) en artikel 6 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (Stb. 1953, 577);

De Raad van State gehoord (advies van 9 juni 1965, nr. 22);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën, van 18 juni 1965, nr. 135/8608, Directie Wetgeving Directe Belastingen, en van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 18 juni 1965, Directie voor Sociale Voorzieningen en Arbeidsverhoudingen, Hoofdafd. S.V., Afd. W.V., nr. 58653;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Onze Ministers van Financiën en van Sociale Zaken en Volksgezondheid zijn, ieder voor zoveel hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Soestdijk24 juni 1965JULIANA.De Staatssecretaris van Financiën,W. HOEFNAGELS.De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,G. M. J. VELDKAMP.de eerste juli 1965.De Minister van Justitie,SAMKALDEN.

Ter zake van ingehouden spaargelden mag een spaarpremie worden toegekend:

Met betrekking tot ten laste van de spaarrekening gekochte effecten mag:

Met betrekking tot de in artikel 7 bedoelde effecten, andere dan spaareffecten in de zin van de Beschikking bijzondere beleggingsinstellingen (Stcrt. 1971, 249), moet:

Ter zake van ingehouden spaargelden die ten laste van de spaarrekening worden besteed ter verwerving van onroerende zaken door de werknemer of zijn echtgenoot mag bij de besteding een spaarpremie worden toegekend van ten hoogste 50% of, indien de spaarpremie geheel mede besteed wordt ter verwerving van onroerende zaken, van ten hoogste 200%.

Voor de toepassing van artikel 11 worden als besteed ter verwerving van onroerende zaken mede aangemerkt:

Ter zake van ingehouden spaargelden die ten laste van de spaarrekening zijn besteed ter voldoening van ingevolge een overeenkomst van levensverzekering verschuldigde premies, mag bij de besteding een spaarpremie worden toegekend van ten hoogste 50%, indien de polis onbezwaard deel uitmaakt van het vermogen van de werknemer of van dat van zijn echtgenoot.

Voor de toepassing van artikel 13 worden als ingevolge een overeenkomst van levensverzekering verschuldigde premies mede aangemerkt regelmatige inleggingen bij een instelling als is bedoeld in artikel 3, tweede lid, waartoe de werknemer of zijn echtgenoot zich ingevolge een overeenkomst tot sparen met levensverzekering heeft verplicht, indien

Ter zake van ingehouden spaargelden die van de spaarrekening zijn opgenomen in een tijdvak dat aanvangt één jaar vóór en eindigt drie maanden na het sluiten van het huwelijk van de werknemer, mag na het sluiten van het huwelijk een spaarpremie worden toegekend van ten hoogste 50%.

Het tegoed op de spaarrekening mag uitsluitend bestaan uit:

Het verloop van het tegoed op de spaarrekening moet voor iedere werknemer per kalenderjaar waarin hij overeenkomstig de regeling heeft gespaard, afzonderlijk worden geadministreerd voor zoveel betreft:

Een winstdelingsspaarregeling als is bedoeld in artikel 11, vierde en zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 6, vierde en zesde lid van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, moet schriftelijk zijn vastgelegd en mede voldoen aan het gestelde in de artikelen 21 tot en met 28 van dit besluit.

Spaarwinstaandelen moeten gedurende ten minste 7 kalenderjaren geblokkeerd worden, hetzij op de spaarrekening, hetzij in ten laste van de spaarrekening gekochte effecten.

In afwijking van artikel 23 mag over spaarwinstaandelen worden beschikt:

Met betrekking tot de in artikel 25, letter a, genoemde onroerende zaken en overeenkomst van levensverzekering vinden artikel 12, onderscheidenlijk artikel 14 en artikel 15 overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat een overeenkomst van levensverzekering moet voorzien in een looptijd van ten minste 7 kalenderjaren.

Als premiespaarregeling worden hierbij aangewezen:

Tot 1 januari 1974 worden hierbij als premiespaarregeling aangewezen de door een provincie, gemeente, waterschap, veenschap of veenpolder dan wel door een ingevolge de Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld orgaan getroffen regelingen, die vóór 1 juli 1968 als premiespaarregeling waren aangewezen.

Onze Ministers van Financiën en van Sociale Zaken en Volksgezondheid zijn bevoegd in aanvulling op en zonodig in afwijking van dit besluit regelen te geven ten aanzien van aan een spaarregeling deelnemende werknemers, die overgaan in de dienst van een andere werkgever, en aldaar eveneens aan een spaarregeling deelnemen.

Een spaarloonregeling als is bedoeld in artikel 34a, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 6, zevende lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering moet schriftelijk zijn vastgelegd en mede voldoen aan het gestelde in de artikelen 33 tot en met 36 van dit besluit.

Het spaarloon moet ter beschikking van de werknemer komen tot een ingevolge de regeling te bepalen bedrag en op een ingevolge de regeling te bepalen tijdstip, maar niet eerder dan nadat het oudste op dat tijdstip nog aanwezige gedeelte van het overeenkomstig de regeling gespaarde spaarloon ten minste 7 kalenderjaren is aangehouden. Bij het ter beschikking komen van een gedeelte van het spaarloon wordt het oudste aanwezige spaarloon geacht het eerste ter beschikking te zijn gekomen.

Loon gespaard overeenkomstig een spaarloonregeling in een vroegere dienstbetrekking, waarvoor de in die regeling gestelde spaartermijn nog niet is vervuld, mag worden aangemerkt als loon gespaard overeenkomstig een spaarloonregeling in de tegenwoordige dienstbetrekking in de jaren waarin het is gespaard, mits:

Als spaarregeling of spaarloonregeling zijn uitgesloten regelingen, waaraan de deelneming uitsluitend of nagenoeg uitsluitend is opengesteld voor of waarvan op grond van hun inhoud moet worden verwacht dat daarvan uitsluitend of nagenoeg uitsluitend zal worden gebruik gemaakt door werknemers, wier jaarloon meer bedraagt dan het in artikel 64, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Stb. 519) vermelde bedrag aan belastbaar inkomen, tenzij de werkgever uitsluitend of nagenoeg uitsluitend zodanige werknemers in dienst heeft en de deelneming voor al zijn werknemers is opengesteld.

Onze Ministers van Financiën en van Sociale Zaken en Volksgezondheid zijn bevoegd een regeling als premiespaarregeling, winstdelingsspaarregeling of spaarloonregeling uit te sluiten:

Dit besluit verstaat, voor zoveel de belastingheffing betreft, onder werkgever, de inhoudingsplichtige.

Onze Ministers van Financiën en van Sociale Zaken en Volksgezondheid zijn bevoegd voor de duur van ten hoogste vijf jaar als premiespaarregeling of winstdelingsspaarregeling aan te wijzen op 1 januari 1962 bestaande regelingen, mits deze naar hun oordeel slechts afwijkingen van de artikelen 2 tot en met 19, onderscheidenlijk 21 tot en met 28, vertonen, die tijdelijk bij wijze van overgang kunnen worden aanvaard. Zij verbinden aan deze aanwijzing de verplichting de regeling binnen een door hen te stellen termijn en in door hen aan te geven mate aan te passen aan de artikelen 2 tot en met 19, onderscheidenlijk 21 tot en met 28.

Regelingen, die krachtens het Besluit van 22 december 1961 (Stb. 460) door Onze Ministers van Financiën en van Sociale Zaken en Volksgezondheid als premiespaarregeling of winstdelingsspaarregeling zijn aangewezen, worden aangemerkt als door hen te zijn aangewezen krachtens dit besluit.

In afwijking van artikel 26 behoeft een overeenkomst van levensverzekering die is afgesloten vóór 1 januari 1973 slechts te voorzien in een looptijd van ten minste 5 jaren.