Ministeriële regeling · BWBR0002517

Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965

Wijzigingen Officiële bron
Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965De Staatssecretaris van Financiën,

Gelet op de artikelen 9 en 10 van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Stb. 621) en artikel 62 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Stb. 1959, 301),

Besluit:

's-Gravenhage28 december 1965 De Staatssecretaris van Financiën, Voor deze:De directeur-generaal voor fiscale zaken in algemene dienst, C. P.Tuk

De in artikel 4, elfde lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 bedoelde opgaaf bevat:

Voor de toepassing van artikel 4, derde lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet op de dividendbelasting 1965 wordt, tenzij de inspecteur het tegendeel aannemelijk maakt, de opbrengstgerechtigde geacht het belang, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, van die wet, niet te hebben met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan en wordt geacht sprake te zijn van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen indien:

Het in artikel 4a, negende lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 bedoelde overzicht bevat:

Op grond van artikel 4e van de Wet op de dividendbelasting 1965 kan inhouding van dividendbelasting achterwege blijven, voor zover de opbrengstgerechtigde voor het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking wordt gesteld jegens de inhoudingsplichtige schriftelijk verklaart dat hij met betrekking tot dat dividend een verzoek zal doen om toepassing van artikel 4.12a van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Op grond van artikel 4f van de Wet op de dividendbelasting 1965 kan inhouding van dividendbelasting achterwege blijven, voor zover de opbrengstgerechtigde voor het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking wordt gesteld jegens de inhoudingsplichtige schriftelijk verklaart dat met betrekking tot dat dividend sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 25, elfde lid, van de Invorderingswet 1990.

De in artikel 9, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 bedoelde dividendnota houdt in:

Voor de toepassing van de artikelen 4a, tweede lid, 10, derde lid, en 10a, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 wordt als in dat lid bedoelde staat aangewezen: elke staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, waarmee Nederland in lijn met de internationale standaard op het gebied van informatie-uitwisseling gegevens kan uitwisselen.

Als internationale organisaties als bedoeld in de artikelen 4a, achtste lid, en 10, zesde lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 worden aangewezen:

Voor de toepassing van artikel 10a van de Wet op de dividendbelasting 1965:

Vervallen

De woonlandfactor, bedoeld in artikel 1bis, onderdeel g, wordt voor andere lidstaten van de Europese Unie, andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland bepaald aan de hand van de volgende tabel:

Voor andere staten wordt de woonlandfactor bepaald aan de hand van de tabel die is opgenomen in de Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012.

Vervallen

Vervallen