Op de voordracht van Onze minister-president, minister van algemene zaken van 9 januari 1967, nr. 170946 mede namens Onze minister van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk en Onze minister van onderwijs en wetenschappen;
Gezien Ons besluit van 14 april 1965 (Stb. 1965, 146);
Gelet op artikel 86 van de Grondwet;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Onze ministers van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk en van onderwijs en wetenschappen zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst, waarvan mededeling zal worden gedaan in de Nederlandse Staatscourant en waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onze ministers, aan de Algemene Rekenkamer en aan de Kamers der Staten-Generaal.
Soestdijk 12 januari 1967.JULIANA.De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,J. ZIJLSTRA.De Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk,M. KLOMPÉ.De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,I. A. DIEPENHORST.de drieëntwintigste februari 1967.De Minister van Justitie,STRUYCKEN.De zorg voor de aangelegenheden betreffende:
- a.
de Koninklijke Bibliotheek;
- b.
de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis;
- c.
het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie;
- d.
de Rijkscommissie van advies inzake het Bibliotheekwezen, en
- e.
de subsidiëring van het Nederlands Comité voor Geschiedkundige Wetenschappen,
thans behorende tot de taak van het Departement van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, (Directoraat-Generaal voor de Culturele Zaken) gaat met ingang van 1 januari 1967 over naar het Departement van Onderwijs en Wetenschappen.