Wet · BWBR0002611

Natuurbeschermingswet

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 15 november 1967, houdende voorzieningen in het belang van de natuurbescherming NatuurbeschermingswetWij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bepalingen vast te stellen inzake de natuurbescherming;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk 15 november 1967 JULIANA. De Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, H. J. VAN DE POEL. De Minister van Justitie, C. H. F. POLAK. De Minister van Financiën, H. J. WITTEVEEN. De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, W. F. SCHUT. de twaalfde december 1967. De Minister van Justitie, C. H. F. POLAK.

Deze wet verstaat onder:

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De eigenaar en de gebruiker zijn verplicht te gedogen, dat een beschermd natuurmonument vanwege Onze Minister door de nodige kentekenen als zodanig wordt aangeduid.

Het is verboden, zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich te bevinden in of op een water, dat deel uitmaakt van een beschermd natuurmonument, indien op duidelijk zichtbare wijze is kenbaar gemaakt, dat de toegang tot dit water verboden is.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.

Onze Minister kan ambtenaren aanwijzen, aan wie de in artikel 5 beschreven bevoegdheid mede toekomt.

Het Koninklijk besluit van 17 mei 1946, nr. 5, houdende instelling van de Voorlopige Natuurbeschermingsraad, wordt ingetrokken.

In afwijking van het bepaalde bij de artikelen 119 van de Provinciewet en 122 van de Gemeentewet (Stb. 1992, 96) heeft de inwerkingtreding van deze wet slechts ten aanzien van de gevallen, waarin strijd met de bij of krachtens haar gestelde voorschriften zou ontstaan, tot gevolg, dat de bepalingen van verordeningen van de provinciale staten en van de gemeenteraden betreffende de onderwerpen, waarin deze wet voorziet, van rechtswege ophouden te gelden.

Deze wet kan worden aangehaald als "Natuurbeschermingswet".