Ministeriële regeling · BWBR0002630
Aanwijzing van commandanten tot opsporingsambtenaar van bepaalde strafbare feiten
In overeenstemming met de Minister van Defensie.
Gelet op artikel 539d van het Wetboek van Strafvordering.
Besluit:
's-Gravenhage5 juli 1968 De Minister voornoemd,C. H. F.Polakaan te wijzen als ambtenaren, belast met de opsporing van feiten, strafbaar gesteld bij:
- a.
de artikelen 274–277, 381–385, 414 en 473–474 van het Wetboek van Strafrecht;
- b.
de wet van 15 april 1886, Stb. 65, houdende maatregelen ter uitvoering van de internationale overeenkomst tot bescherming van onderzeese telegraafkabels;
- c.
de wet van 26 oktober 1889, Stb. 135;
- d.
de Wet olieverontreiniging zeewater (Stb. 1958, 344),
de bevelhebbers van de Nederlandse oorlogsschepen en van de Nederlandse militaire luchtvaartuigen;
aan te wijzen als ambtenaren, belast met de opsporing van feiten, strafbaar gesteld bij:
- a.
de Uitvoeringswet Visserijverdrag 1967 (Stb. 1973, 476);
- b.
de wet van 15 april 1891, Stb. 84, de bevelhebbers van de Nederlandse politiekruisers, belast met het toezicht op de visserij ter zee’;
te bepalen, dat deze beschikking zal worden geplaatst in de Nederlandse Staatscourant en in werking zal treden met ingang van de dag, volgende op die der bekendmaking.