U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 17-10-2013.
Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 4 september 1969, tot uitvoering van de artikelen 16, 17, 19, eerste lid, en 21 van de Kernenergiewet Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onze Ministers van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 8 mei 1968, no. 668/372 W.J.A., gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, de Centrale Raad voor de Kernenergie gehoord;

Gelet op de artikelen 16, 17, 19, eerste lid, 21, 26, 73 en 76, eerste lid, van de Kernenergiewet (Stb. 1963, 82);

De Raad van State gehoord (advies van 10 juli 1968, no. 42);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 3 september 1969, no. 669/609 W.J.A., uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Onze Ministers van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Volksgezondheid zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Soestdijk 4 september 1969 JULIANA. De Minister van Economische Zaken, L. DE BLOCK. De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid, R. J. H. KRUISINGA. de negende oktober 1969. De Minister van Justitie, C. H. F. POLAK.

Het in artikel 1, eerste lid, onder b, van de wet bedoelde percentage van in splijtstoffen aanwezig uranium, plutonium of thorium is onderscheidenlijk een tiende, een tiende en drie, gerekend naar het gewicht.

Dit besluit is niet van toepassing op het vervoeren, het voorhanden hebben bij opslag in verband met het vervoer en het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen van splijtstoffen of ertsen.

In gevallen waarin de vergunning betrekking heeft op het oprichten of wijzigen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, dat tevens is aan te merken als een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, verstrekt de aanvrager:

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Bij de voorbereiding van beschikkingen met betrekking waartoe op grond van artikel 17 of 20, eerste lid, van de wet afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, worden – anders dan als adviseurs – betrokken:.

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht alsmede afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer zijn niet van toepassing op de voorbereiding van beschikkingen ter zake van het voorhanden hebben of het zich ontdoen van splijtstoffen:

Van het geven van een beschikking op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht alsmede afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer niet van toepassing zijn, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Het bij of krachtens de artikelen 1, derde lid, 3, 4, eerste, tweede, derde, zesde en zevende lid, 5, 6 tot en met 17, 20 tot en met 20f, 36, 38, 48 tot en met 64, 66, 71 tot en met 74, 76 tot en met 100, 112 tot en met 122, eerste lid, 123 en 124 van het Besluit stralingsbescherming bepaalde is, met uitzondering van hetgeen daarin is bepaald over toestellen en meldingen, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat

Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen ten aanzien van inrichtingen als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet regels stellen waaraan het ontwerp en de bedrijfsvoering in verband met de voorkoming van schade moeten voldoen.

Onze Minister kan regels stellen ten aanzien van de beveiliging van het voorhanden hebben en het zich ontdoen van de in de bijlage bij dit besluit genoemde splijtstoffen en ertsen en ten aanzien van de beveiliging van inrichtingen als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet.

Het veiligheidsrapport, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h, en het document, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999, dan wel het veiligheidsrapport, bedoeld in artikel 9 van dat besluit, kunnen tot één veiligheidsrapport worden gecombineerd.

De houder van een vergunning voor het oprichten, het in werking brengen of het in werking houden van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet beschikt over een ontmantelingsplan.

De houder van een vergunning voor het oprichten, het in werking brengen of het in werking houden van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet handelt overeenkomstig het laatst goedgekeurde ontmantelingsplan.

Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de buitengebruikstelling en de ontmanteling van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet plaatsvinden.

Onze Minister beslist op een aanvraag tot het intrekken van een vergunning voor het ontmantelen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag.

De in de artikelen 26, derde lid, 30b en 30d, tweede lid, bedoelde regels kunnen tevens betrekking hebben op radioactieve afvalstoffen.

De vergunninghouder stelt de kosten die hij in rekening brengt voor het in werking houden van een inrichting waarin splijtstoffen worden opgeslagen als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, die op grond van artikel 42, derde lid, onderdeel e, door Onze Minister is aangewezen, vast op een transparante, objectieve en niet-discriminerende wijze. Tot de kosten behoren ook kosten die de vergunninghouder maakt voor onderzoek en ontwikkeling voor het beheer van verbruikte splijtstoffen, zoals dit in het nationaal programma, bedoeld in artikel 40a, is opgenomen.

Vervallen

Vervallen

Ter voorkoming van schade of ter beperking van de kans op schade buiten de inrichting kunnen aan een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet ook andere voorschriften worden verbonden dan bedoeld in artikel 31, eerste lid.

Vervallen

Aan een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b of c, van de wet, welke uitsluitend of mede betrekking heeft op een inrichting of uitrusting, waarop de Wet aansprakelijkheid kernongevallen dan wel de wet van 24 oktober 1973, houdende regelen inzake wettelijke aansprakelijkheid van exploitanten van nucleaire schepen (Stb. 536), van toepassing is, wordt met het oog op het zeker stellen van de betaling van de vergoeding, aan derden toekomend voor schade, hun toegebracht, het voorschrift verbonden tot het hebben en in stand houden van een zodanige verzekering of andere financiële zekerheid als waartoe de houder van de vergunning ingevolge die wettelijke regeling gehouden is.

Het in artikel 15, onder b, van de wet vervatte verbod geldt niet voor het oprichten, in werking brengen, in werking houden of wijzigen van een inrichting, waarin splijtstoffen kunnen worden vervaardigd, bewerkt of verwerkt, dan wel splijtstoffen worden opgeslagen, in het geval, dat die inrichting niet is bestemd en niet wordt gebruikt voor een met de splijtstoffenkringloop verband houdend vervaardigingsproces of voor het voorhanden hebben van andere dan onbestraalde splijtstoffen en:

Splijtstoffen en ertsen als bedoeld in artikel 22 zijn: