U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 02-11-2005.
Wijzigingen Officiële bron
Wet van 10 december 1969, houdende nieuwe regeling van de toekenning van uitkering en van pensioen aan politieke ambtsdragers, zomede van pensioen aan hun nabestaanden Algemene pensioenwet politieke ambtsdragersWij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regelingen tot toekenning van uitkering en van pensioen aan politieke ambtsdragers, zomede van pensioen aan hun nabestaanden, te herzien;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk10 december 1969.JULIANA.De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,DE JONG.De Minister van Binnenlandse Zaken,H. K. J. BEERNINK.de dertigste december 1969.De Minister van Justitie a.i.,H. K. J. BEERNINK.

De bepalingen van deze wet voor het nabestaandenpensioen zijn van overeenkomstige toepassing op het bijzonder nabestaandenpensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt.

De bepalingen van deze wet voor het nabestaanden- en wezenpensioen zijn van overeenkomstige toepassing op het tijdelijk pensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt.

Op een bij deze wet vastgestelde pensioenregeling zijn de artikelen 32e tot en met 32h van de Pensioen- en spaarfondsenwet van overeenkomstige toepassing.

Vervallen

Vervallen

Artikel 14a, eerste lid, is van toepassing op tijd na 31 december 1994, met dien verstande dat de franchise het bedrag is dat op grond van een reglement als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de Wet privatisering ABP als zodanig geldt voor de berekening van een ouderdomspensioen van een gepensioneerd overheidswerknemer in de zin van die wet. Artikel 14a, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Vervallen

Na het overlijden van een minister, gewezen minister of gepensioneerd minister hebben recht op wezenpensioen zijn kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn dan wel niet partij zijn of partij geweest zijn bij een aanmelding, mits zij zijn geboren of geadopteerd voor zijn ontslag is ingegaan of in de periode waarin hij recht heeft op uitkering ter zake van het ontslag.

Kinderen ten opzichte van welke aan een mannelijke minister, gewezen of gepensioneerde minister ten tijde van zijn overlijden een onderhoudsplicht krachtens artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek was opgelegd, dan wel door hem bij authentieke akte een dergelijke verplichting was erkend, hebben onder dezelfde voorwaarden als genoemd in artikel 18 recht op wezenpensioen.

Indien een nabestaande hertrouwt, partij is bij een aanmelding of wordt aangemerkt als ongehuwd samenwonend als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet, wordt zijn pensioen opnieuw vastgesteld met ingang van de daarop volgende maand. Daarbij wordt uitsluitend de voor pensioen in aanmerking komende diensttijd van de minister, de gewezen minister of de gepensioneerde minister in aanmerking genomen, die gelegen is voor het tijdstip van diens overlijden.

Het tijdelijk pensioen is gelijk aan het pensioen waarop recht zou bestaan indien de vermiste op de dag van zijn vermissing was overleden.

Wij, de Raad van State gehoord, verklaren het uitzicht of het recht op pensioen geheel of gedeeltelijk vervallen, indien degene die dat uitzicht of recht heeft:

In bijzondere gevallen kunnen Wij, de Raad van State gehoord, een door of als gevolg van de toepassing van artikel 29 vervallen uitzicht of recht op pensioen geheel of gedeeltelijk herstellen.

Vervallen

Vervallen

De wettelijke bepalingen bedoeld in artikel 35 blijven van kracht voor wat betreft de rechten en verplichtingen die op grond van die bepalingen voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet zijn ontstaan en die op dat tijdstip nog niet tot gelding zijn gebracht onderscheidenlijk waaraan op dat tijdstip nog niet is voldaan.

De met ingang van een datum voorafgaande aan het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, aan ontslagen ministers en aan weduwen en wezen van ministers, gewezen ministers en gepensioneerde ministers toegekende uitkeringen en pensioenen worden met ingang van dat tijdstip geacht krachtens deze wet te zijn toegekend.

Pensioenen toegekend ter zake van een ontslag verleend met een ingangsdatum gelegen vóór 1 januari 1964 worden afgeleid van de laatstelijk als minister genoten wedde, nadat daarop in mindering is gebracht een zodanig gedeelte van de ter zake van die wedde berekende premie, als bedoeld in artikel 23 van de Algemene Ouderdomswet, als geacht moet worden door wedde-verhoging te zijn gecompenseerd.

Indien krachtens artikel U 31a van de Algemene burgerlijke pensioenwet of een in strekking met dat artikel overeenkomende bepaling in andere pensioenwetten recht op pensioen bestaat en voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet ter zake van een eerder huwelijk reeds recht op pensioen bestond krachtens de wet van 1 augustus 1956 (Stb. 455), wordt laatstbedoeld pensioen met ingang van de dag, waarop eerstbedoeld pensioen ingaat, nader vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 24 en artikel 26, tweede lid, en is voorts artikel 34, eerste lid, van toepassing.

Aan de weduwe en wezen van de gewezen minister aan wie op grond van artikel 54 van de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455, geen pensioen is toegekend, wordt over de tijd voorafgaand aan het ministerschap, die krachtens de Pensioenwet 1922, Stb. 240, zoals die wet op 31 december 1965 luidde, als diensttijd in aanmerking kwam, met ingang van het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet ten laste van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds pensioen toegekend op de voet van de bepalingen van de Algemene burgerlijke pensioenwet, met dien verstande dat artikel U 37 van laatstbedoelde wet niet van toepassing is.

Vervallen

De pensioenen toegekend aan weduwen en wezen van ministers, gewezen ministers of gepensioneerde ministers worden, voor zover het recht op pensioen niet is vervallen, met ingang van het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet herberekend overeenkomstig artikel 22 onderscheidenlijk 25, met inachtneming van artikel 27, indien dit voor de belanghebbende voordeliger is. Bij de herberekening worden onder een uitkering als bedoeld in artikel 6 mede begrepen uitkeringen, toegekend aan gewezen ministers krachtens aan deze wet voorafgaande uitkeringsregelingen.

De weduwen- en wezenpensioenen toe te kennen uit hoofde van een overlijden op of na het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet van degenen, die zich krachtens artikel 50 van de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455, hebben uitgesproken voor de berekening van hun pensioen krachtens het bepaalde in artikel 68, tweede lid, van de Pensioenwet 1922, Stb. 240, zoals dit artikel luidde op 31 augustus 1956, worden berekend overeenkomstig artikel 22, onderscheidenlijk 25, indien dit voor de belanghebbende voordeliger is.

Voor de termijn van vijf achtereenvolgende jaren bedoeld in artikel 31, eerste lid, telt mede de tijd voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, gedurende welke de invordering van het pensioen achterwege is gebleven.

Voor de toepassing van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde wordt verstaan onder:

Vervallen

Vervallen

Artikel 59a, eerste lid, is van toepassing op tijd na 31 december 1994, met dien verstande dat de franchise het bedrag is dat op grond van een reglement als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de Wet privatisering ABP als zodanig geldt voor de berekening van een ouderdomspensioen van een gepensioneerd overheidswerknemer in de zin van die wet. Artikel 59a, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing

Vervallen

Na het overlijden van een kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid hebben recht op wezenpensioen zijn kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn dan wel niet partij zijn of partij zijn geweest bij een aanmelding, mits zij zijn geboren of geadopteerd voor zijn aftreden is ingegaan of in de periode waarin hij recht heeft op uitkering ter zake van het aftreden.

Kinderen ten opzichte van welke aan een mannelijk kamerlid ten tijde van zijn overlijden een onderhoudsplicht krachtens artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek was opgelegd, dan wel door hem bij authentieke akte een dergelijke verplichting was erkend, hebben onder dezelfde voorwaarden als genoemd in artikel 63 recht op wezenpensioen.

Indien een nabestaande hertrouwt, partij is bij een aanmelding of wordt aangemerkt als ongehuwd samenwonend als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet, wordt zijn pensioen opnieuw vastgesteld met ingang van de daarop volgende maand. Daarbij wordt uitsluitend de voor pensioen in aanmerking komende tijd van het kamerlid, het gewezen kamerlid of het gepensioneerde kamerlid in aanmerking genomen, die gelegen is voor het tijdstip van diens overlijden.

Het tijdelijk pensioen is gelijk aan het pensioen waarop recht zou bestaan indien de vermiste op de dag van zijn vermissing was overleden.

Het recht op pensioen vervalt indien gedurende vijf achtereenvolgende jaren iedere invordering achterwege is gebleven.

Wij kunnen, de Raad van State gehoord, een door of als gevolg van de toepassing van artikel 75 vervallen recht of uitzicht op pensioen herstellen.

Vervallen

Vervallen

De wettelijke bepalingen bedoeld in artikel 80 blijven van kracht voor wat betreft de rechten en verplichtingen die op grond van die bepalingen voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet zijn ontstaan en die op dat tijdstip nog niet tot gelding zijn gebracht onderscheidenlijk waaraan op dat tijdstip nog niet is voldaan.

De met ingang van een datum voorafgaande aan het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, aan afgetreden kamerleden en aan weduwen en wezen van kamerleden, gewezen kamerleden of gepensioneerde kamerleden toegekende uitkeringen en pensioenen worden met ingang van dat tijdstip geacht krachtens deze wet te zijn toegekend.

De in de hoofdstukken 10 en 11 van deze afdeling vervatte regelingen zullen geen toepassing vinden en in de plaats daarvan zullen de bepalingen omtrent het pensioen van afgetreden en aftredende kamerleden, zoals deze luidden op 31 augustus 1957, blijven gelden ten aanzien van hem, die op die datum het lidmaatschap van de Tweede Kamer der Staten-Generaal bekleedde en daartoe binnen drie maanden na het tijdstip, waarop hij is afgetreden, zonder onmiddellijk herkozen en toegelaten te zijn, schriftelijk aan Onze Minister de wens te kennen geeft.

Pensioenen toegekend of toe te kennen ter zake van een aftreden met een ingangsdatum gelegen vóór 1 januari 1969 worden afgeleid van de laatstelijk als kamerlid genoten schadeloosstelling aangepast naar de regelen vastgesteld bij de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 105, met dien verstande, dat, indien het betreft een aftreden vóór 1 januari 1959 de schadeloosstelling wordt verminderd overeenkomstig artikel 4, eerste lid, onder b, van de wet van 17 juli 1923, Stb. 364, zoals dit artikel luidde tot 1 januari 1959.

Indien krachtens artikel U 31a van de Algemene burgerlijke pensioenwet of een in strekking met dat artikel overeenkomende bepaling in andere pensioenwetten recht op pensioen bestaat en voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet terzake van een eerder huwelijk reeds recht op pensioen bestond krachtens de wet van 31 juli 1957 (Stb. 324), wordt laatstbedoeld pensioen met ingang van de dag, waarop eerstbedoeld pensioen ingaat, nader vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 69 en artikel 71, tweede lid, en is voorts artikel 79, eerste lid, van toepassing.

Vervallen

Voor de termijn van vijf achtereenvolgende jaren bedoeld in artikel 75, telt mede de tijd voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, gedurende welke de invordering van het pensioen achterwege is gebleven.

Vervallen

Vervallen

Het pensioen waarop twee of meer volle wezen recht hebben wordt, indien het als een eenheid is toegekend, voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht aan ieder van genoemde wezen te zijn toegekend tot een bedrag, gelijk aan dat pensioen gedeeld door hun aantal.

Voor de toepassing van artikel 97 geldt het volgende:

Indien de belanghebbende een gehuwde vrouw is, wordt voor de toepassing van artikel 97 uitgegaan van het algemeen pensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde.

Indien een algemeen pensioen wordt toegekend of herzien over een tijdvak waarover reeds pensioen werd betaald en dientengevolge te veel pensioen is betaald, kan de Sociale verzekeringsbank het te veel betaalde pensioen ten behoeve van het lichaam te welks laste het pensioen komt, inhouden op het algemeen pensioen, voor zover betrekking hebbende op evengenoemd tijdvak.

De bepalingen van dit hoofdstuk blijven buiten toepassing ten aanzien van degenen die op grond van gemoedsbezwaren hun recht op algemeen pensioen niet geldend maken, met dien verstande dat zij zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing vinden met betrekking tot diegenen van evenbedoelden, die recht hebben op een uitkering als bedoeld in artikel 48 van de Algemene Ouderdomswet.

In een beschikking tot toekenning van pensioen worden de voor het pensioen medetellende diensttijd alsmede het bedrag waarover het pensioen wordt berekend vastgesteld.

De stukken die Onze Minister nodig acht voor de toepassing van deze paragraaf zijn vrij van leges.

Het eigen pensioen gaat in met de dag waarop het recht daarop ontstaat, met dien verstande dat het niet vroeger ingaat dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de aanvraag werd ingediend of waarin ambtshalve toekenning plaatsvond.

Wanneer een vervallen recht op pensioen geheel of gedeeltelijk wordt hersteld gaat het pensioen in met de eerste dag van de maand waarin het herstel heeft plaatsgevonden.

In afwijking in zoverre van het bepaalde in artikel 97 en onverminderd het bepaalde in artikel 99, onder e, vindt voor de berekening van het inbouwbedrag geen vermenigvuldiging plaats van tijd, gelegen voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet die voor de berekening van een pensioen als daarbedoeld in aanmerking wordt genomen.

De rechthebbende op een pensioen, die krachtens artikel 6 van de derde afdeling van de Pensioenmaatregelen 1963 op de dag voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet een vergoeding geniet ter zake van de premie die van dat pensioen wordt geheven ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet, met uitzondering van degene op wie artikel 108 toepassing vindt, heeft recht op een vergoeding ter zake van die premie. Deze vergoeding beloopt een zodanig gedeelte van bedoelde premie als wordt aangegeven door een breuk, waarvan de teller is 7,1 en de noemer 10,2 is.

In afwijking van artikel 122 is herziening van een in dat artikel bedoelde beslissing, die genomen is met toepassing van de in de artikelen 35 en 80 genoemde wetten niet meer mogelijk nadat vijf jaren zijn verstreken sinds het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Artikel 139a, eerste lid, is van toepassing op tijd na 31 december 1994, met dien verstande dat de franchise het bedrag is dat op grond van een reglement als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de Wet privatisering ABP als zodanig geldt voor de berekening van een ouderdomspensioen van een gepensioneerd overheidswerknemer in de zin van die wet. Artikel 139a, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing

Tijd, doorgebracht als lid van gedeputeerde staten, gedurende welke de belanghebbende voor zijn bezoldiging geacht werd niet de volledige werkweek aan zijn ambt te besteden, telt voor de pensioenberekening met toepassing van artikel 139a of 139aa, dan wel met toepassing van beide artikelen, mee met inachtneming van de voor die tijd toepasselijke deeltijdfactor of deeltijdfactoren.

Vervallen

Indien een nabestaande hertrouwt, partij is bij een aanmelding of wordt aangemerkt als ongehuwd samenwonend als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet, wordt zijn pensioen opnieuw vastgesteld met ingang van de daarop volgende maand. Daarbij wordt uitsluitend de voor pensioen in aanmerking komende diensttijd van het lid van gedeputeerde staten, het gewezen lid van gedeputeerde staten of het gepensioneerde lid van gedeputeerde staten in aanmerking genomen, die gelegen is voor het tijdstip van diens overlijden.

Het tijdelijk pensioen is gelijk aan het pensioen waarop recht zou bestaan indien de vermiste op de dag van zijn vermissing was overleden.

Hoofdstuk 7 van deze wet is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in deze afdeling bedoelde pensioenen.

Vervallen

Hoofdstuk 17 en de artikelen 125 tot en met 127 van deze wet zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in deze afdeling bedoelde pensioenen.

Ten aanzien van de in deze afdeling bedoelde pensioenen zijn de artikelen 111, 112, 113, 114, 115, 118, derde lid, 122, 123 en 128 van overeenkomstige toepassing.

Het bepaalde in artikel 116 is ten aanzien van de in deze afdeling bedoelde pensioenen van overeenkomstige toepassing.

Vervallen

Een belanghebbende kan tegen een besluit op grond van deze afdeling beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

De kosten van de in deze wet bedoelde uitkeringen en pensioenen en de kosten van de overname van en de gedeeltelijke vergoeding van de premie die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet daarover wordt geheven, voor zover niet is bepaald dat deze kosten ten laste van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds komen, komen ten laste van Hoofdstuk VII van de rijksbegroting, voor zover deze kosten betrekking hebben op ministers, gewezen ministers, gepensioneerde ministers, nabestaanden en wezen van gewezen ministers, en ten laste van Hoofdstuk II van de rijksbegroting, indien meergenoemde kosten betrekking hebben op leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, gepensioneerde kamerleden, nabestaanden en wezen van deze leden.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Deze wet kan worden aangehaald als: Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers.